Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/7.3.1
7.3.1 Inleiding
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS451849:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In de consultatiefase van het wetsvoorstel aanpassing enquêterecht is er kritiek geuit op de beperkte mate van regulering van het onderzoek in het wetsvoorstel en zijn er daarvoor suggesties gedaan. Zie de literatuur vermeld in § 7.1.2.3.
Zie § 7.3.3.
Voor de goede orde merk ik op dat de eventuele aansprakelijkheid van de onderzoekers gebaseerd kan worden op artikel 6:162 BW, met inachtneming van de beperking van artikel 2:351 lid 5 BW. Concrete normen voor behoorlijk onderzoek kunnen hieruit echter niet worden afgeleid.
Zie vooral Hermans 2003; Blanco Fernández, Holtzer & Van Solinge 2004.
Aandachtspunten, considerans sub E.
Zie reeds OK 18 maart 1976, NJ 1978/317, m.nt. B. Wachter (Sekisui). Sindsdien is dit vaste jurisprudentie. Zie bijvoorbeeld OK 2 november 2015, JOR 2016/61, m.nt. P. van Schilfgaarde, AA 2016, afl. 3, p. 191-200, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (Meavita), r.o. 3.3. In § 7.3.4.3 ga ik hierop nader in.
Zie over beginselen van behoorlijk onderzoek in de enquêteprocedure vooral Hermans 2003; Blanco Fernández, Holtzer & Van Solinge 2004; Geerts 2004, p. 165-180; Assink || Slagter 2013, p. 1701- 1737; Storm 2014, p. 153-159. Zie voorts over fraudeonderzoeken Scharenborg 2006, over interne onderzoeken Wakkie 2009; Van der Aa & Biemond 2012; Bakker & Olden 2016, alsmede over onderzoeken door onderzoekscommissies Polak 2001; Hallers e.a. 2002.
Hallers e.a. 2002, i.h.b. p. 233-253.
Zie § 7.3.2.
Zie § 7.3.3.
Zie § 7.3.4.
Zie § 7.3.5.
De wetgever heeft, zoals in § 7.1.2 uiteengezet, doelbewust geen gedetailleerde regeling ten aanzien van de onderzoeksfase in de wet opgenomen. Het enige wat de wet specifiek ten aanzien van de onderzoeksfase regelt, is dat de onderzoekers een geheimhoudingsplicht hebben, zij het conceptverslag voor het maken van opmerkingen aan partijen dienen voor te leggen ten aanzien van wezenlijke bevindingen die op die partijen betrekking hebben, en zij een verslag van het onderzoek moeten opstellen.1 De voor het deskundigenbericht geldende bepaling dat deskundigen verplicht zijn de opdracht onpartijdig en naar beste weten te volbrengen (artikel 198 lid 1 Rv), is weliswaar niet rechtstreeks op het onderzoek in de enquêteprocedure van toepassing, maar leent zich wel voor analoge toepassing.2 Artikel 6 lid 1 EVRM is evenmin rechtstreeks op het onderzoek zelf van toepassing, maar normeert de werkwijze vande onderzoekers wel indirect.3 Uit de wet alleen kunnen de beginselen van behoorlijk onderzoek niet worden afgeleid.4
In de Aandachtspunten zijn wel enkele beginselen voor behoorlijk onderzoek opgenomen, maar deze bieden geen volledig overzicht en zijn vaak slechts beperkt uitgewerkt. De Aandachtspunten leggen veel nadruk op de vrijheid die de onderzoekers hebben het onderzoek naar eigen inzicht in te richten en uit te voeren, zolang zij maar de norm in acht nemen dat zij moeten handelen conform hetgeen in de gegeven omstandigheden van een redelijk en bekwaam onderzoeker mag worden verwacht: zie Aandachtspunt 3.1 en 3.2. Dat is ook de reden dat de Ondernemingskamer, anders dan in de literatuur is bepleit,5 geen richtlijnen voor onderzoekers heeft willen opstellen, maar uitsluitend aandachtspunten, met enkele aanbevelingen of suggesties hoe te handelen, heeft willen formuleren.6 Evenmin kunnen de beginselen voor behoorlijk onderzoek uit de jurisprudentie van de Ondernemingskamer worden afgeleid. In haar jurisprudentie benadrukt de Ondernemingskamer net als in de Aandachtspunten keer op keer de vrijheid die de onderzoekers hebben bij de uitvoering van het onderzoek.7
De literatuur over het uitvoeren van onderzoeken in het algemeen is, afgezien van die over het uitvoeren van strafrechtelijke onderzoeken, nogal schaars.8 Het enige alomvattende overzicht dat ik heb kunnen vinden over beginselen van behoorlijk onderzoek zijn de door Hallers e.a. in 2002 geformuleerde beginselen van behoorlijk rampenonderzoek.9 Deze beginselen hebben zij geformuleerd in opdracht van de toenmalige Raad voor de Transportveiligheid, inmiddels opgegaan in de Onderzoeksraad voor Veiligheid. De beginselen die zij onderscheiden zijn:
Onafhankelijkheid
Scheiding schuldvraag en oorzaakvraag
Openbaarheid
Hoor en wederhoor
Zorgvuldigheid
Deskundigheid
Proportionaliteit en subsidiariteit
Behoorlijke behandeling van getuigen en partijen
Motivering
Redelijke termijn (voortvarendheid van het onderzoek).
Op beginsel 3 na, dat zich niet verdraagt met de wettelijke geheimhoudingsplicht van de onderzoekers en het (in beginsel) vertrouwelijk karakter van het verslag, kunnen deze beginselen ook op het onderzoek in de enquêteprocedure worden toegepast. In de onderstaande paragrafen zal ik op deze beginselen verder ingaan.
In deze paragraaf zal ik proberen beginselen van behoorlijk onderzoek te formuleren. Alvorens ik daaraan toe kom, zijn er vier voorvragen te bespreken. De eerste voorvraag is welke (rechts)regels de handelwijze van de onderzoekers normeren.10 De tweede voorvraag die ik bespreek, is de toepasselijkheid van artikel 6 EVRM op het onderzoek.11 Vervolgens bespreek ik de toetsing van de uitvoering van het onderzoek en het onderzoeksverslag door de Ondernemingskamer.12 Ten vierde ga ik in op het spanningsveld tussen transparantie en vertrouwelijkheid.13