Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/2.1.4
2.1.4 Enkele bewijsrechtelijke aspecten van de 'laatst bekende woonplaats'
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS361924:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De hier bedoelde uitzonderingen zijn neergelegd in art. 3:37 lid 3 BW. Zie hierover nader onder 2.1.
MvA 2004/05, Kamerstukken I 19 529 B, p. 9.
Tijdens de totstandkoming van titel 7.17 BW is bij de behandeling in de Eerste Kamer nog de vraag gesteld aan welk adres een mededeling dient te worden gezonden, indien uit een premiebetaling een bepaald adres blijkt, terwijl kort voordien nog een ander adres bekend was. (opmerking SDL hierbij: op die vraag heb je dus een antwoord. Hij hep gelijk... Zie nieuw tekstvoorstel) Het antwoord op die vraag dient mijns inziens te zijn: gewoon aan het 'andere' (eerdere, in het systeem geldende) adres. Van een verzekeraar, die gebruik maakt van een geautomatiseerd systeem van verwerking van betalingen kan en mag toch niet verwacht worden, dat hij uit het premiebetalingscircuit afleidt dat verzekeringnemer mogelijk een nieuw adres heeft. Een dergelijke verplichting zou mijns inziens, ook gelet op de eigen verplichting van verzekeringnemer om ervoor te zorgen dat de verzekeraar over de juiste adresgegevens beschikt, niet aangenomen mogen worden. Hooguit kan discussie bestaan over de vraag of een verhuisbericht mogelijk -ondanks kennisgeving - niet verwerkt is, maar daarmee valt de vraag weer onder de in 2.1.4 geschetste mogelijkheden. De minister antwoordt - MvA 2004/05, Kamerstukken I 19 529 B, p. 10 - dan ook met recht dat in zijn algemeenheid niet kan worden aangegeven op wie terzake de bewijslast rust.
Zoals in de inleiding reeds gesteld kan de verzekeraar zich - op grond van het bepaalde in art. 7:933 lid 1, tweede zin - bij het doen van schriftelijke mededelingen houden aan de laatste hem bekende woonplaats van de geadresseerde. Doorgaans zal dit niet tot problemen leiden: de verzekeraar kent het adres van de verzekeringnemer en richt zich - bijvoorbeeld bij het doen uitgaan van een aanmaning of bij het doen van mededeling van wijziging van de voorwaarden - tot hem op dat adres. Voorstelbaar is evenwel ook dat over het laatst bekende adres (wel) discussie bestaat. Bijvoorbeeld omdat de verzekeraar heeft aangemaand tot betaling op het adres waar verzekeringnemer sinds de verhuizing niet meer woont en de verzekeringnemer zich er vervolgens op beroept dat de aanmaning niet te gelden heeft. Op wie rust dan welke bewijsverplichting?
Wat bij de beantwoording van die vraag goed in het oog moet worden gehouden, is dat de bepaling dat de verzekeraar zich bij het doen van mededelingen kan houden aan de laatst bekende woonplaats van de geadresseerde niet meer lijkt te zijn dan een specifieke uitwerking van een in art. 3:37 lid 3 BW neergelegde uitgangspunt: ook de verklaring die de ander niet heeft bereikt, kan haar werking hebben, namelijk indien dit niet-bereiken het gevolg is van de eigen handeling van de geadresseerde, van de handeling van personen voor wie hij aansprakelijk is, of van andere omstandigheden die zijn persoon betreffen en die rechtvaardigen dat hij het nadeel draagt.1 Waar de niet-medegedeelde verhuizing (of het niet bereiken van het verhuisbericht) op grond van art. 3:37 lid 3 BW voor rekening van de verzekeringnemer komt, werkt dat ook door in de toepassing van de tweede zin van art. 7:933 lid 1 BW: deze zin strekt ertoe dat bij de schriftelijke mededelingen aan de verzekeraar niet kan worden tegengeworpen dat de geadresseerde niet meer woont op het bij de verzekeraar laatst bekende adres.2 Daarmee lijkt de kous af: als de verzekeringnemer verhuisd is en de verzekeraar op basis van een gerechtvaardigde onbekendheid daarmee naar het hem laatst bekende adres een mededeling heeft verstuurd, heeft de laatstgenoemde aan zijn verplichtingen voldaan.
De regeling van art. 7:933 lid 1 BW lijkt evenwel - gelet op de samenhang met art. 3:37 BW - desondanks ruimte te bieden voor een in lijn met art. 3:37 lid 3 BW door de geadresseerde in te nemen standpunt dat de afzender reeds met de bedoelde omstandigheid bekend was of kon zijn. Bijvoorbeeld doordat de verzekeringnemer een verhuisbericht aan verzekeraar heeft verstuurd, maar dat dit door hem kennelijk (nog) niet verwerkt is. Ingeval de geadresseerde op dergelijke omstandigheden een beroep doet, is het aan hem om dat zo nodig te bewijzen.3