Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/6.4.5.4
6.4.5.4 Het verbod op gedwongen zelfincriminatie
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS453045:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De vraag of de in de enquêteprocedure vergaarde informatie als bewijs tegen een verdachte gebruikt mag worden valt buiten de scope van mijn onderzoek. Zie hierover EHRM 17 december 1996, NJ 1997/699, m.nt. G. Knigge (Saunders v. Verenigd Koninkrijk).
Vgl. over het nemo tenetur-verschoningsrecht o.m. Fernhout 2004, p. 110-121; Asser Procesrecht/ Asser 3 2013/137.
HR 11 februari 1994, NJ 1994/336 (Faillissement Simeg), in welk arrest de Hoge Raad heeft beslist dat het bepaalde in (thans) artikel 165 lid 3 Rv van overeenkomstige toepassing is op getuigenverhoren ingevolge artikel 66 Fw.
HR 11 februari 1994, NJ 1994/336 (Faillissement Simeg).
EHRM 17 december 1996, NJ 1997/699, m.nt. G. Knigge (Saunders v. Verenigd Koninkrijk).
De Witt Wijnen 1996, p. 109-115.
Geerts 2004, p. 161-162 en daar genoemde vindplaatsen.
Het verbod op gedwongen zelfincriminatie, ook wel het nemo tenetur-beginsel genoemd, is in het civiele bewijsrecht gecodificeerd in artikel 165 lid 3 Rv.1 De getuige kan zich verschonen van het beantwoorden van een hem gestelde vraag indien hij daardoor zichzelf, een van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn in de tweede of derde graad, of zijn echtgenoot of vroegere echtgenoot onderscheidenlijk zijn geregistreerde partner of vroegere geregistreerde partner aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling ter zake van een misdrijf zou blootstellen.2 Dat een persoon op wie de inlichtingenplicht rust, hierop een beroep zou willen doen is geenszins ondenkbaar. Ten tijde van de Ahold-enquête waren enkele voormalige bestuurders en een voormalige commissaris reeds verdachten. Een aantal van hen is uiteindelijk ook strafrechtelijk veroordeeld. Het onderzoek in de enquête had voor een deel ook betrekking op dezelfde onderwerpen als waartegen de verdenking zich richtte. Het verslag van de enquête is echter niet als bewijsmiddel in de strafzaak tegen de verdachten gebruikt. De Ahold-enquête is niet de eerste enquête waarbij er een samenloop was met een strafrechtelijk onderzoek en zal ook vast niet de laatste zijn. Het leidt geen twijfel dat een persoon die tot het verstrekken van inlichtingen is verplicht, zich zowel ten opzichte van de onderzoekers als ten opzichte van de Ondernemingskamer bij een getuigenverhoor op de voet van artikel 2:352a BW op het verbod op gedwongen zelfincriminatie kan beroepen.3 Het beroep op dit verschoningsrecht komt aan de getuige evenwel slechts toe nadat hem een bepaalde vraag is gesteld en dan nog slechts met betrekking tot die specifieke vraag.4 De Witt Wijnen heeft naar aanleiding van de Saunders-zaak5 de vraag opgeworpen of bestuurders en commissarissen sowieso niet tot het verschaffen van inlichtingen aan de onderzoekers gedwongen zouden kunnen worden, omdat dit een vorm van self incrimination zou zijn.6 Dit standpunt is in de literatuur krachtig van de hand gewezen, bij welke reactie ik mij volledig aansluit.7