Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/10.2.1
10.2.1 De gevolgen van oneigenlijke vermenging voor het eigendomsvoorbehoud
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90794:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/516; Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/124, 178; Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/58; Snijders/Rank-Berenschot 2017/287.
Onder eigenaren dienen ook beperkt gerechtigden te worden begrepen.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/124; Snijders & Rank-Berenschot 2017/159.
F.J.P. Lock 2018, ‘Commentaar op art. 5:2 BW’, in: Stelplicht & Bewijslast; F.J.P. Lock 2018, ‘Commentaar op art. 3:109 BW’, in: Stelplicht & Bewijslast; F.J.P. Lock 2018, ‘Commentaar op art. 3:119 BW’, in: Stelplicht & Bewijslast.
Ditzelfde gevaar dreigt voor de leverancier die zich een pandrecht op de geleverde zaken heeft voorbehouden. Vgl. HR 4 december 1998, NJ 1999/549 (Potharst/Serrée).
Hof Arnhem 4 maart 2008, JOR 2008/176 (Elmarc/curatoren Megapool).
Rank-Berenschot, Bb 1999, p. 7; Janssen 2001, p. 273-275; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/965-966; Reehuis 2013, nr. 31; Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI*/534-539; Snijders/Rank-Berenschot 2017/490-491.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 387;MvA II, Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1197. Zie ook hoofdstuk 2, paragraaf 2.2.1.2 en hoofdstuk 5, paragraaf 5.3.1.3.
Van der Grinten in zijn noot onder HR 12 januari 1968, AA 1968, p. 147 en 149; Fikkers 1999, nr. 69; Fesevur, NTBR 2001/10, p. 505-506; Smelt, AA 2003, p. 350; Asser 2004, p. 154; Spath 2010, p. 346-347; Van Schaijck 2014, nr. 75.
HR 12 januari 1968, NJ 1968/274 (Teixeirade Mattos).
NvW, Parl. Gesch. Boek 5 BW, p. 108.
Drion in zijn noot onder HR 12 januari 1968, NJ 1968/274 (Teixeirade Mattos); Vriesendorp, TvI 1999/1, p. 8; Wichers 2002, p. 150-152; Fesevur 2005, p. 62; Reehuis 2013, nr. 49; Verheul & Verstijlen 2016, p. 111; Snijders/Rank-Berenschot 2017/287.
Van oneigenlijke vermenging is sprake als soortgelijke zaken van verschillende eigenaren zodanig door elkaar raken dat zij niet meer kunnen bewijzen van wie welke zaken zijn.1 De zaken bevatten bijvoorbeeld geen onderscheidend nummer of label met een duidelijke administratie of de zaken zijn niet apart opgeslagen. Dit is problematisch als de eigenaar, zoals een leverancier die zaken onder eigendomsvoorbehoud heeft geleverd, zijn zaken wil revindiceren.2 Weigert een houder de zaken namelijk af te geven, dan zal de leverancier als eiser op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv moeten stellen en bij voldoende betwisting moeten bewijzen dat de zaken die zich in handen van de koper bevinden zijn eigendom zijn. De koper heeft de feitelijke macht over de zaken en kan zich in het kader van de motivering van de betwisting van het eigendomsrecht van de leverancier beroepen op de bewijsvermoedens in art. 3:109 jo. 3:119 BW.3Art. 3:109 BW bepaalt dat degene die een goed houdt, wordt vermoed bezitter van dat goed te zijn. In art. 3:119 BW wordt daarnaast bepaald dat de bezitter van een goed wordt vermoed rechthebbende te zijn. Op grond van een combinatie van deze wettelijke vermoedens geldt dat degene die een goed houdt, wordt vermoed rechthebbende te zijn behoudens tegenbewijs. Deze bewijsvermoedens maken echter geen verschil voor de bewijslast. De bewijslast rust reeds op grond van art. 150 Rv op de leverancier.
Indien de koper evenwel niet alleen betwist dat de leverancier eigenaar is, maar tevens betoogt dat de zaken inmiddels aan hem toebehoren, draagt de koper de bewijslast van dit bevrijdende verweer. De bewijsvermoedens in art. 3:109 jo 3:119 BW spelen dan wel een rol. Omdat de koper de feitelijke macht heeft over de zaken, wordt zij – behoudens tegenbewijs – vermoed bezitter en eigenaar te zijn. De leverancier zal dat tegenbewijs moeten leveren.4
Voor de leverancier kan de op hem rustende stelplicht en bewijsplast problematisch zijn, indien soortgelijke zaken van verschillende leveranciers of van de leverancier en de koper zodanig door elkaar zijn geraakt dat de leverancier niet meer kan aantonen welke specifieke zaken door hem zijn geleverd.5 De zaken bevatten bijvoorbeeld geen onderscheidend nummer of label met een duidelijk kenmerk of de zaken zijn niet apart opgeslagen. De zaken zijn dan niet meer individualiseerbaar in de zin dat de oorspronkelijke eigenaren kunnen bewijzen van welke specifieke, aanwijsbare zaken zij eigenaar zijn.6
Dit laat zich met name voelen indien de koper failliet is verklaard. Het eigendomsvoorbehoud moet voorkomen dat de geleverde maar nog niet betaalde zaken in de failliete boedel vallen. Door de oneigenlijke vermenging is dit mogelijk anders.7
In sommige gevallen kan de leverancier dit risico ondervangen. De Megapool-zaak uit de inleiding geeft hiervan een illustratie. In eerste aanleg oordeelde de rechtbank nog dat het verweer van de curatoren slaagde. Elmarc kon de zaken niet revindiceren, omdat hij niet kon aantonen welke zaken onbetaald en dus zijn eigendom waren. Het hof oordeelde echter dat Elmarc een kredieteigendomsvoorbehoud had bedongen, waardoor hij eigenaar was van alle consumentenelektronica die zich bij Megapool bevond. Door het kredieteigendomsvoorbehoud behoudt de leverancier zich namelijk de eigendom voor van alle geleverde en te leveren zaken, totdat de koopprijsvorderingen van al deze zaken betaald waren. De koper had nog niet alle vorderingen betaald, zodat de leverancier nog eigenaar was van alle geleverde zaken en er geen sprake was van oneigenlijke vermenging. Elmarc kon alle door hem geleverde zaken die aanwezig waren bij Megapool revindiceren.8
Dit arrest toont dat het kredieteigendomsvoorbehoud kan voorkomen dat onduidelijkheid ontstaat over de vraag welke levering wel en welke niet is betaald en dus over de vraag van welke zaken de koper al eigenaar is.9 Deze functie is voor de Nederlandse wetgever één van de belangrijkste redenen geweest om het kredieteigendomsvoorbehoud mogelijk te maken via art. 3:92 lid 2 BW.10
Kan de leverancier de bewijsvermoedens niet weerleggen, dan is de vraag wie eigenaar is van de zaken. Hierover bestaat discussie in de literatuur. Een deel meent dat de koper als houder de eigendom verkrijgt.11 Dit wordt dan afleid uit het Teixeira de Mattos-arrest waarin de Hoge Raad overweegt dat de certificaten die Teixeira onder zich houdt ‘moeten gelden als eigendom van Teixeira’.12 Uit de parlementaire geschiedenis lijkt dit ook de volgen.13 In de Nota van Wijzigingen staat dat ‘de houder als eigenaar [wordt] aangemerkt’. Er wordt verwezen naar het Teixeira de Mattos-arrest. Anderen menen terecht dat deze niet door de wet geregelde eigendomsverkrijging niet mogelijk is.14 Oneigenlijke vermenging is geen originaire wijze van eigendomsverkrijging, maar een kwestie van bewijs. De Hoge Raad oordeelt volgens hen ook niet dat de certificaten eigendom zijn van Teixeira. Hij overweegt namelijk dat ze als eigendom van Teixeira moeten gelden. De koper wordt pas ‘echt’ eigenaar door extinctieve verjaring ex art. 3:105 jo. art. 3:306 BW. Ik merk op dat de relevantie van de verschillende opvattingen in de praktijk veelal beperkt is. De problematiek speelt doorgaans tijdens faillissement en in dat geval wordt in beide opvattingen aangenomen dat de zaken in de failliete boedel vallen.