Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/5.5.3
5.5.3 Van Ittersum/Rabobank
mr. A. Karapetian, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. A. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS346104:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Smits 1996, p. 100.
Zie anders Smits 1996, t.a.p. die stelt dat de bank bij opzettelijk onjuiste informatieverstrekking aansprakelijk is, ook als de bank niet weet dat die informatie van belang is voor de derde. In dat geval zou een onjuiste mededeling van een senior bankmedewerker aan een toevallige bouwvakker dat de bakker op de hoek groeit als een tierelier de bank aansprakelijk maken indien de bouwvakker toevallig ook in broodmachines handelt en de bewuste bakker er ÉÉn verkoopt, zonder voldaan te worden. Als de bank niet wist of behoorde te weten dat de bouwvakker zich op die informatie verlatend een financiële beslissing zou nemen, is aansprakelijkheid mijns inziens niet aangewezen.
Zie daarvoor paragraaf 5.4.2.
Dit neemt uiteraard niet weg dat bij het bepalen van de omvang van de schadevergoeding binnen het leerstuk van de eigen schuld een eventuele onderzoeksplicht van de gelaedeerde aan de orde kan komen. Zie met betrekking tot de aansprakelijkheid van accountants bijvoorbeeld Bertrams 1991, p. 204 en Van den Akker 2001, p. 72.
Peek v Gurney (1873) L.R. 6 HL 377 bij nr. 403; Arkwright v Newbold (1881) 17 Ch. D. 301 bij nrs. 317-318. Zie ook de opmerking van rechter Steyn: ‘A cocktail of truth, falsity and evasion is a more powerful instrument of deception than undiluted falsehood’, in Smith New Court Ltd v Scrimgeour Vickers (Asset Management) Ltd [1997] A.C. 254 bij nr. 274.
Bijvoorbeeld omdat de verstrekte informatie met het oog op de belangen van de derde eerst geverifieerd had moeten worden. Hierin ligt dan het verwijt besloten dat de informatieverstrekker de onjuistheid van de verschafte informatie had moeten weten (of ‘had behoren te weten’).
Van Ittersum had aan Betex een partij overalls verkocht onder de voorwaarde dat Betex kredietwaardig zou zijn. In antwoord op de vraag aan de Rabobank – de huisbank van Betex – of Betex’ kredietwaardigheid toereikend was, kreeg Van Ittersum te horen dat ‘de omzet bij Betex elke week in elk geval het bedrag van de onderhavige transactie bedroeg en dat betere informatie niet kon worden gegeven’. Deze informatie was reden voor Van Ittersum om de koopwaar de volgende dag aan Betex te leveren. Betex ging een kleine maand later failliet en de vorde- ring van Ittersum bleef onvoldaan. Deze richtte zich tot de bank en baseerde haar vordering op onrechtmatige daad. Volgens Van Ittersum bestond de onrechtmatigheid hieruit dat de Rabobank haar bewust onjuiste dan wel onvolledige informatie had verschaft over de financiële positie van Betex aangezien ten tijde van de informatieverstrekking het debetsaldo van Betex de limiet ruimschoots had gepasseerd als gevolg waarvan haar een aflossingsschema was opgelegd door de bank. De Hoge Raad overweegt in algemene zin dat:
‘het desverzocht verstrekken door een bank aan een derde van informatie omtrent de kredietwaardigheid van een cliënt niet alleen een onrechtmatige daad jegens deze derde kan opleveren wegens onjuistheid van de inhoud maar ook wegens onvolledigheid van die informatie. Voor het antwoord op de vraag of de verstrekte informatie op zodanige wijze of in zodanige mate onvolledig is dat het verstrekken ervan als onrechtmatig jegens de derde moet worden aangemerkt, is van betekenis met het oog op welk – aan de bank bekend, althans redelijkerwijs kenbaar – belang de derde de informatie verlangt, alsmede of en in hoeverre de bank kan en behoort te begrijpen welke haar ter beschikking staand informatie voor de derde, in het licht van diens evenbedoelde belang van betekenis is. Zo de bank over informatie omtrent de credietwaardigheid van haar cliënt beschikt, die zij niet aan de derde wenst te openbaren, zal zij zich in het algemeen ervan moeten onthouden welke informatie dan ook te verstrekken’.
Uit de aangehaalde overweging lijkt te volgen dat de Hoge Raad het verstrekken van onjuiste inlichtingen zonder meer voldoende acht voor de aansprakelijkheid van de bank. De concretisering van de beoordeling vanaf de woorden ‘Voor het antwoord op de vraag (…)’ heeft namelijk betrekking op het verstrekken van onvolledige informatie. Met betrekking tot onjuiste informatie – hoewel niet met zoveel woorden gezegd, volgt uit de aard van de aansprakelijkheid zijnde de schending van een zorgvuldigheidsnorm dat het daarbij moet gaan om bewuste of kenbaar onjuiste informatie – zal de conclusie in elk geval bij een specifiek verzoek om informatie zijn dat de bank aansprakelijk is uit onrechtmatige daad.1 De Hoge Raad lijkt hiervoor bovendien niet nadrukkelijk de eis te stellen dat de bank weet of behoort te weten dat het essentiële informatie betreft voor de derde, maar bedacht dient te worden dat de desbetreffende overweging ziet op gevallen waarin door de derde zelf om kredietinformatie is gevraagd. In dat geval volgt reeds uit het feit van het informatieverzoek en de aard van de verzochte informatie dat de bank ervan uit mag gaan dat de derde daarop zijn handelen zal baseren.2 Voor aansprakelijkheid is in elk geval niet vereist dat de schade van de derde voor de bank voorzienbaar was op het moment dat de informatie werd verstrekt. Immers, voor de Rabobank was in deze zaak – ondanks het negatieve saldo – niet direct duidelijk dat Betex Van Ittersum niet zou (kunnen) voldoen.
Aansprakelijkheid bestaat niet alleen bij (bewuste of kenbaar) onjuiste informatie, maar ook bij onvolledige of onvoldoende volledige informatie. Bij de beoordeling komt het dan aan op het voor de bank redelijkerwijs kenbare belang dat de derde heeft bij het verschaffen van informatie en de soort van – bij de bank beschikbare – informatie. De aanwezige kennis bij de bank en de kenbaarheid van het belang van de derde met het oog waarop de informatie wordt verschaft, scheppen naar maatstaven van maatschappelijke zorgvuldigheid voor de bank aldus de plicht om acht te slaan op de belangen van die derde. Zoals de Hoge Raad zelf aan het slot van de geciteerde passage opmerkt, heeft de bank in elk geval bij een verzoek om kredietinformatie in wezen de keus uit het geven van volledige openheid van zaken voorzover het belang van de derde dat vergt of het zich onthouden van het verschaffen van welke informatie dan ook. In het laatste geval zal de derde daar zelf zijn conclusies uit kunnen trekken.
De parallellen met de hiervoor besproken ‘tort of deceit’ springen in het oog. In paragraaf 5.4.2 bleek immers dat de aanwezigheid van de genoemde omstandigheden naar Engels recht een aansprakelijkheid kan schragen. Voor de ‘tort of deceit’ is, zoals reeds aangegeven, wel noodzakelijk dat de aangesproken partij subjectieve wetenschap had over zowel de onjuistheid van de verstrekte informatie als het belang van de derde bij die informatie. Evenzeer als bij de ‘tort of deceit’ het geval is,3 lijkt bij de beoordeling van de aansprakelijkheid bovendien geen ruimte te bestaan voor het betrekken van een eventuele onderzoeksplicht van de derde.4 Mogelijk is dit te verklaren door de professionele hoedanigheid van de bank ten opzichte van de ondeskundige particulier.
Met betrekking tot de ‘tort of deceit’ zij nog in herinnering gebracht dat het buiten beschouwing laten van de mogelijkheden van de derde om aan de relevante informatie te komen alleen geldt ten aanzien van informatie waarvan de onjuistheid bekend is bij degene die deze verschaft. In sommige gevallen worden ook zogenoemde ‘halve waarheden’ onder het bereik van de ‘tort of deceit’ gebracht. Daarbij moet het gaan om informatie die weliswaar niet onjuist is, maar die in combinatie met hetgeen wordt achtergehouden een misleidend (en dus onjuist) beeld schept.5Van Ittersum/Rabobank zou als een geval van een ‘halve waarheid’ kunnen worden beschouwd voorzover de door de bank achtergehouden informatie over het debetsaldo en het opgelegde aflossingsschema de wel verstrekte informatie over de omzet misleidend maakte.
De eigen verantwoordelijkheid van de informatieontvanger krijgt in het Engelse recht – zoals hieronder zal blijken – wel aandacht bij de beoordeling van de aansprakelijkheid wegens zogenoemde ‘negligent misstatements’. Bij ‘negligent misstatements’ gaat het niet om informatie waarvan de verstrekker de onjuistheid kende, maar om informatie bij het verstrekken waarvan de verstrekker anderszins onzorgvuldig is.6