Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/0
HOOFDSTUK 0 INLEIDING
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS353477:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voor die tijd maakte een (materieel) gedeelte van het bewijsrecht deel uit van het Burgerlijk Wetboek. Zie voor de aan deze overgang ten grondslag liggende overwegingen Parl. Gesch. Bewijsrecht. Met ingang van 1 januari 2002 is het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vernummerd en gewijzigd (Stb. 2001, 623).
Artikel 149 lid 1 vervolgt met de zinsnede: 'Feiten of rechten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist, moet de rechter als vaststaand beschouwen, behoudens zijn bevoegdheid bewijs te verlangen, zo vaak aanvaarding van de stellingen zou leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat.' Lid 2 luidt: 'Feiten of omstandigheden van algemene bekendheid, alsmede algemene ervaringsregels mogen door de rechter aan zijn beslissing ten grondslag worden gelegd, ongeacht of zij zijn gesteld, en behoeven geen bewijs.'
Wanneer een verweer meer doet dan 'alleen maar' de kern van de grondslag van een eis aantasten - naar omschrijving van Asser onder meergenoemd arrest van 7 december 2001 - is sprake van een zgn. zelfstandig verweer. Zie daarover nader onder 1.1.2 onder het kopje 'het zelfstandig verweer'.
De betreffende materie wordt behandeld onder paragraaf 7.2.1.
Zie over de botsing van de sociale functie van verzekering (het bieden van zekerheid aan het individu door risico's die hij in het maatschappelijk verkeer loopt en die hij niet zelf kan dragen af te wentelen op een collectiviteit) en het vertrouwensbeginsel - in het licht van (de onredelijk bezwarendheid van) een vervalbeding in de algemene voorwaarden -J.H. Wansink, Partieel verzekeringsbedrog: het vertrouwensbeginsel herwint terrein!, in AV&S 2001, p. 67 e.v.
De bewijslast als bewijsrisico: voor wiens risico dient een onbewezen gebleven feit te komen. Zie hierover nader onder 1.1.2.
`Het is soms een beetje tobben met de juiste toepassing van de hoofdregel van bewijslastverdeling van art. 150 Rv.' (W.D.H. Asser in zijn annotatie onder HR 7 december 2002, NJ 2002/494)
Met de eerste zin uit het eerste lid van het eerste artikel van de negende afdeling van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarin sinds 19881 de algemene bepalingen van het bewijsrecht zijn neergelegd, is de hoofdregel van het Nederlands bewijsrecht weergegeven:
'Tenzij uit de wet anders voortvloeit, mag de rechter slechts die feiten of rechten aan zijn beslissing ten grondslag leggen, die in het geding aan hem ter kennis zijn gekomen of zijn gesteld en die overeenkomstig de voorschriften van deze afdeling zijn komen vast te staan.' (art. 149 Rv)
Vervolgens wordt in hetzelfde artikel een tweetal uitzonderingen op de hoofdregel gegeven2 en wordt direct in het volgende artikel, 150 Rv, een algemene richtlijn gegeven voor de bewijslastverdeling voor het geval dat de gestelde feiten of rechten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij (voldoende gemotiveerd) zijn betwist: de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten of rechten, draagt de bewijslast van die feiten of lasten. 'Het bewijsrecht' lijkt daarmee overzichtelijk en in een aantal nadere bepalingen in dezelfde afdeling duidelijk uitgewerkt. Tegelijkertijd is ook waar wat Asser aan het begin van deze inleiding stelt: het is soms een beetje tobben met de juiste toepassing van de hoofdregel van bewijslastverdeling van art. 150 Rv. Dat is onder het gemene recht het geval omdat ondanks de hiervoor weergegeven algemene richtlijn, het lastig blijft om goed te (blijven) onderscheiden welke verplichtingen het materiële recht met zich brengt en wanneer een (daarop) gebaseerd verweer verder gaat dan het enkel weerspreken.3 Het vinden van het omslagpunt tussen het feitelijk en het zelfstandig verweer op een ingenomen standpunt is niet altijd eenvoudig en met name geldt dat ook voor het verzekeringsrecht daar waar een geschil tussen partijen (mede) bepaald wordt door dekkingsomschrijving(en) en (daaraan weer 'afdoende') uitsluitingclausules, bepalingen die ieder voor zich weer een eigen bewijslastverdeling met zich brengen.
Ondanks het algemene karakter van deze inleidende eerste alinea, beoogt dit boek niet specifiek in te gaan op de (invulling van de) stelplicht die partijen over en weer ten opzichte van elkaar hebben. Evenmin beoogt het een overzicht te geven van 'het bewijsrecht' of 'de bewijslastverdeling'. Centraal in dit boek staan twee vragen.
Allereerst gaat het hier om de vraag of en zo ja, in hoeverre het eigen karakter van de verzekeringsovereenkomst en de sociale functie die deze overeenkomst in onze samenleving vervult, rechtvaardigen dat binnen de bewijsrechtelijke verhoudingen tussen enerzijds de verzekeraar en anderzijds de verzekeringnemer en/of de verzekerde(n) de toedeling van de bewijslast en de inhoud daarvan een eigen, daarop gerichte invulling krijgt. Het eigen karakter van de verzekeringsdekking, immers, rechtvaardigt -juist in die onderlinge relatie - in voorkomende gevallen dat aan het leveren van bewijs geen al te zware eisen worden gesteld.4 Te denken valt bijvoorbeeld aan de diefstal van de (casco)verzekerde auto of de inbraak in de woning. Daarbij is veelal voldoende dat de verzekerde aangifte doet van die diefstal, zonder verder bewijs daarvan te hoeven leveren en zonder verder aan te hoeven tonen dat de als uit de woning gestolen aangegeven goederen ten tijde van de inbraak ook inderdaad in de woning aanwezig waren. Dat laat onverlet dat het zgn. vertrouwensbeginsel vanzelfsprekend meebrengt dat deze bewijsrechtelijke verlichting niet toekomt aan de verzekerde die de verzekeraar misleidt.5 Aan de andere kant van de schaal staan - ook weer binnen die eigen, onderlinge relatie - die vormen van verzekeringsdekking, waarbij uit de aard van de overeenkomst en uit hetgeen partijen geacht mogen worden te zijn overeengekomen, voortvloeit dat een zware bewijspositie nu net wél op voorhand het uitgangspunt vormt. Te denken valt daarbij aan de verzekeringnemer die een risicovolle onderneming uitoefent en ermee instemt - omdat de dekkingsbereidheid van verzekeraar daarvan afhankelijk is gesteld - om gevaarbeperkende garanties na te leven. Een bekend voorbeeld is dat van de sprinklerinstallatie ter voorkoming of beperking van de gevolgen bij brand. Op het moment dat zich dan een evenement voordoet, ligt het bewijscomfort bij de verzekeraar en is het juist aan de verzekeringnemer om te stellen en zo nodig te bewijzen dat het niet-toepassen van de voorgeschreven voorziening niet de oorzaak of de medeoorzaak kan zijn geweest van het voorval en evenmin ervan dat de brand zich erdoor heeft kunnen uitbreiden. De problematiek van het bewijs van causaliteit en omvangvergroting rust daarmee op de verzekeringnemer. En hoe nu indien de oorzaak van die brand helemaal niet vast is komen staan? Ongemerkt is met het aangeven van deze twee kanten het belang van de bewijslastverdeling aan de orde, omdat daarmee - ingeval de diefstal, de oorzaak van een brand niet vast staan - meteen duidelijk wordt hoe te oordelen in geval het bewijs niet geleverd kan worden: de partij die met het bewijs belast is en daarin niet slaagt, verliest het geschil.6
De tweede vraag die in dit boek centraal staat, is verweven met de eerste: Welk beeld laat de rechtspraak op het terrein van het verzekeringsrecht zien als het gaat om de beantwoording van de eerste vraag en daarmee om de invulling van de wijze waarop de rechter gewicht toekent aan het eigen karakter van de verzekeringsovereenkomst en de sociale functie die deze overeenkomst vervult. Het antwoord op beide vragen vormt de basis voor de eigen visie over de wijze waarop de toedeling van bewijs en het daaraan verbonden bewijsrisico vorm dient te krijgen teneinde recht te doen aan de wederzijdse belangen van partijen. Kortom, een onderzoek naar de bewijsrechtelijke verhoudingen binnen de onderscheiden deelonderwerpen binnen het verzekeringsrecht, naar de 'loop' van de verzekeringsovereenkomst.
Resteert een laatste opmerking. Wanneer een onderzoek beoogt in beeld te brengen in hoeverre het eigen karakter van de verzekeringsovereenkomst en de sociale functie die deze overeenkomst in onze samenleving vervult, een eigen invulling van de bewijsrechtelijke verhoudingen rechtvaardigen, wordt daarmee een brug geslagen tussen twee 'werelden'. Dat schept voor de opzet van een boek een dilemma. Voor de in het bewijsrecht ingevoerde jurist, immers, is een korte schets van het bewijsrecht, zoals ik die in het eerste hoofdstuk heb gegeven, niet noodzakelijk. Tegelijkertijd leek me dat, als het gaat om de begripsbepaling ('wat verstaat de auteur onder...?'), voor de in het bewijsrecht minder ingevoerde gebruiker wel degelijk nuttig. Dit 'dubbele' gevoel speelde ook materieelrechtelijk een rol. Bewijsrechtelijke verhoudingen in een contractuele verhouding tussen partijen bij een verzekeringsovereenkomst zijn immers niet los te zien van het materiële recht dat de verhouding tussen partijen op dat punt bepaalt. Dat maakt het voor een goed begrip van de bewijsrechtelijke verhoudingen noodzakelijk om ook in te gaan op het materiële verzekeringsrecht; ik heb dat ook gedaan. Daarmee hoop ik te voorkomen dat de juist weer minder in het verzekeringsrecht ingevoerde gebruiker van het boek niet steeds al bij het in kaart brengen van de problematiek die aan de orde is, naar een verzekeringsrechtelijk handboek behoeft te grijpen. In het boek heb ik, kortom, geprobeerd de lezers uit de beide werelden op een evenwichtige wijze te 'bedienen'.
Het onderzoek is afgerond in maart 2008. Met latere ontwikkelingen in de rechtspraak en de rechtsliteratuur is slechts sporadisch rekening gehouden.