Einde inhoudsopgave
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/8.4.3
8.4.3 Selectieve openbaarmaking: aan wie?
Mr. G.T.J. Hoff, datum 23-02-2011
- Datum
23-02-2011
- Auteur
Mr. G.T.J. Hoff
- JCDI
JCDI:ADS493898:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Dat geldt eveneens voor de verwijzingen naar 'een derde' in het tipverbod van art. 5:57 lid 1 Wft.
Zie daarover in deze zin uitgebreid Kristen, diss. (2004), p. 133-138, 390-393 en 785-792. Zonder dat het transactieverbod van art. 5:56 Wft wordt overtreden, is het zelfs toegestaan dat transacties in financiële instrumenten tussen insiders die over dezelfde informatievoorsprong beschikken, plaatsvinden. Zie HvJ EG 10 mei 2007, NJ 2007, 418 m.nt. M.R. Mok; JOR 2007/156 m.nt. G.T.J. Hoff (Georgakis). Volgens het Hof beoogt de verbodsbepaling van art 2 van de Richtlijn transacties van ingewijden, de gelijkheid van partijen bij een beurstransactie te waarborgen. Vermeden moet worden dat partijen die over voorwetenschap beschikken en die derhalve een informatievoorsprong op andere beleggers hebben, hiervan profiteren ten nadele van andere beleggers die niet van deze informatie op de hoogte zijn. In het berechte geval was die informatieongelijkheid volgens het Hof niet in het geding, omdat alle partijen bij de beurstransacties over dezelfde informatie beschikten en die informatie voor hen niet langer voorwetenschap was bij de uitvoering van de door hen verrichte transacties.
Zie in deze zin ook Kamerstukken II, 1996-1997, 25 095, nr. 3, p. 6 en 8. De wetgever stelt dat voor onder meer de toepassing van het tipverbod van art. 46a Wte 1995 (oud) als 'derden' zijn te beschouwen de personen die niet tot de ingewijden behoren als bedoeld in de Richtlijn transacties van ingewijden. Deze richtlijn is de voorloper van de Richtlijn marktmisbruik. In art. 2 van de richtlijn werden als ingewijden aangemerkt: (i) personen die lid zijn van de bestuurs-, leidinggevende of toezichthoudende organen van de emittent, (ii) personen die een deelneming hebben in het kapitaal van de emittent en (iii) personen die toegang hebben tot voorwetenschap vanwege de uitoefening van hun werk, beroep of functie. Het gaat hier overigens om een eigen uitleg van de richtlijn door de Nederlandse wetgever, waartoe de richtlijn geenszins dwingt.
In deze zin ook Eisma, oratie (1998), p. 21-22.
De bijzondere openbaarmakingsplicht ontstaat voor de uitgevende instelling indien koersgevoelige informatie aan "een derde" wordt medegedeeld, aldus art. 5:25i lid 5 Wft. De wetsgeschiedenis bevat geen rechtstreekse aanknopingspunten voor de beantwoording van de vraag wie hier met een derde wordt bedoeld.1
Intussen zou op grond van het wettelijk stelsel wel beredeneerd kunnen worden wie ten opzichte van de uitgevende instelling als derde (of buitenstaander) aangemerkt dient te worden. Bij de formulering van het transactieverbod van art. 5:56 Wft en het tipverbod van art. 5:57 Wft wordt namelijk aangeknoopt bij de kring van zogeheten primaire insiders. Tot deze kring van primaire insiders behoren ingevolge art. 5:56 lid 2 Wft onder meer: (i) bestuurders en commissarissen van de uitgevende instelling, (ii) houders van een gekwalificeerde deelneming2 en (iii) personen die toegang hebben tot koersgevoelige informatie uit hoofde van hun werk, beroep of functie. Uit het wettelijk stelsel vloeit voort dat functionele informatiestromen tussen de leden van deze kring van primaire insiders in beginsel ongemoeid worden gelaten.3 De gedachte hierachter is dat primaire insiders over koersgevoelige informatie mogen beschikken ter uitvoering van hun werkzaamheden. Die informatie mogen zij gebruiken om zelf actie te ondernemen. Zij mogen die informatie ook doorgeven aan andere primaire insiders opdat ook zij in staat zijn de door de uitgevende instelling opgedragen werkzaamheden uit te voeren. Wanneer deze benadering zou worden doorgetrokken, dan is een ieder die niet behoort tot de aldus omschreven kring van primaire insiders "een derde" als bedoeld in art. 5:25i lid 5 Wft.4
Deze benadering leidt echter tot ongerijmde uitkomsten indien óók zou worden aanvaard dat de uitgevende instelling of personen die haar vertegenwoordigen koersgevoelige informatie vrij en onbelemmerd zouden mogen delen met houders van een gekwalificeerde deelneming (die immers qualitate qua in art. 5:56 lid 2 onderdeel b Wft worden aangemerkt als primaire insiders). Hoewel zeker omstandigheden denkbaar zijn dat een houder van een gekwalificeerde deelneming op grond van die hoedanigheid beschikt over koersgevoelige informatie — zoals bijvoorbeeld in concernverhoudingen, waarbij één van de dochtermaatschappijen beursgenoteerd is (denk (voorheen) aan Schuitema N.V.) of in joint-ventureverhoudingen (denk (voorheen) aan KPNQwest N.V.) — en het om die reden begrijpelijk is dat een houder van een aanzienlijke5 deelneming in het kapitaal van de uitgevende instelling voor de toepassing van het transactieverbod van art. 5:56 Wft wordt aangemerkt als primaire insider, is het geenszins zo dat het wettelijk systeem er ook toe dwingt aan te nemen dat uitwisseling van koersgevoelige informatie door de uitgevende instelling met deze houder van een gekwalificeerde deelneming onder alle omstandigheden gelegitimeerd is. Noch het vennootschapsrecht, noch het effectenrecht bevat enige wettelijke voorziening waaraan elke houder van een gekwalificeerde deelneming een dergelijke bevoorrechte informatiepositie kan ontlenen.
Naar aanleiding van de op het voorstel voor Regulation FD ontvangen commentaren is de werkingssfeer van de bijzondere issuer disclosure rule door de SEC beperkt. Met Regulation FD wordt volgens de SEC namelijk niet beoogd in te grijpen in de gebruikelijke uitwisseling van bedrijfsinformatie van uitgevende instellingen met cliënten, leveranciers, strategische partners e.d. Het doel van Regulation FD is slechts erop gericht "to address the core problem of selective disclosure made to those who would reasonably be expected to trade securities on the basis of the information or provide others with advice about securities trading". Daartoe zijn in § 243.100 (b) (1) van Regulation FD verschillende soorten financiële instellingen aangewezen alsook "a holder of the issuer's securities, under circumstances in which it is reasonably foreseeable that the person will purchase or sell the issuer's securities on the basis of the information". Selectieve openbaarmaking van koersgevoelige informatie aan deze (rechts)personen zal op grond van § 243.100(a) de bijzondere openbaarmakingsplicht voor de uitgevende instelling doen ontstaan. Daarnaast heeft de SEC bepaald dat de bijzondere openbaarmakingsplicht van Regulation FD voor de uitgevende instelling niet zal ontstaan in specifiek aangewezen situaties. Het betreft informatieverstrekking door de uitgevende instelling aan: (i) een temporary insider, zoals een advocaat, investment banker of accountant, (ii) degene met wie uitdrukkelijk een geheimhoudingsovereenkomst is gesloten en (iii) credit rating agencies. Verder is bepaald dat informatieverstrekking in verband met registered securities offerings buiten de werkingssfeer van Regulation FD valt.
Gezien het voorgaande lijkt het niet goed mogelijk om een sluitende omschrijving te geven van het in art. 5:25i lid 5 Wft voorkomende bestanddeel dat de informatie aan "een derde" medegedeeld moet zijn. Teneinde de werkingssfeer van de bijzondere openbaarmakingsplicht van art. 5:25i lid 5 Wft te bepalen, komt aan dit bestanddeel dan ook slechts een ondergeschikte rol toe. Belangrijker lijkt veeleer de beantwoording van de vraag te zijn of de selectieve openbaarmaking van koersgevoelige informatie door (een vertegenwoordiger van) de uitgevende instelling aan een derde geschiedt "in het kader van de normale uitoefening van werk, beroep of functie" van degene die de mededeling doet.6