Zekerheid voor leverancierskrediet
Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/10.2.3.2:10.2.3.2 De rekkelijke benadering in art. 7:39 lid 1 BW
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/10.2.3.2
10.2.3.2 De rekkelijke benadering in art. 7:39 lid 1 BW
Documentgegevens:
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90749:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De leverancier kan ook meerdere malen soortgelijke zaken leveren aan de koper. Anders dan in paragraaf 10.2.3.1 is niet art. 7:39 lid 2 BW, maar art. 7:39 lid 1 BW in dat geval van toepassing. Het betreft namelijk meerdere afzonderlijke leveringen van zaken, terwijl art. 7:39 lid 2 (en 3) BW ziet op de situatie dat een deel van de koopprijs van een levering van zaken niet is betaald. Dit kan naast de bewoordingen in de wet ook worden afgeleid uit het nauwe band-vereiste dat ten grondslag ligt aan het recht van reclame. De wet vereist een nauw verband tussen de koopprijsvordering die niet is betaald en de geleverde zaken.1
In de hierboven beschreven situatie loopt de leverancier het risico dat door de uitoefening van het recht van reclame ex art. 7:39 lid 1 BW de zaken oneigenlijk vermengd raken, althans in de strikte benadering. Dit doet zich voor als een aantal van de leveringen is betaald of de termijn van art. 7:44 BW, zijnde zes weken nadat de koopprijsvordering opeisbaar is geworden en zestig dagen na aflevering van de zaken, is verlopen voor een aantal leveringen. De leverancier kan het recht van reclame namelijk inroepen met betrekking tot de door hem geleverde en onbetaald gebleven zaken, binnen de termijnen van art. 7:44 BW. Door de uitoefening van het recht van reclame wordt de leverancier weer eigenaar van een deel van de zaken. De andere zaken blijven eigendom van de koper. Het volgende (gesimplificeerde) voorbeeld verduidelijkt dit probleem.
Op 1 januari 2017 levert de leverancier 400 stoelen met een totale waarde van 40.000 euro. Vervolgens levert hij op 15 januari 2017 nog eens 200 dezelfde stoelen ter waarde van 20.000 euro. Op 30 januari wordt de koopprijs van de eerste levering stoelen betaald. Het gaat om allemaal precies dezelfde stoelen waarop geen nummer of een ander onderscheidend teken is aangebracht. Ook zijn de stoelen van de twee leveringen niet apart opgeslagen.
De leverancier wil met betrekking tot de 200 laatst geleverde stoelen het recht van reclame inroepen op grond van het eerste lid van art. 7:39 BW.2 Wil hij de 200 stoelen opeisen dan moet hij aanwijzen welke van de 600 aanwezige zaken zijn eigendom zijn. Dit is problematisch, omdat de 600 zaken onderling inwisselbaar zijn en de leverancier de zaken niet heeft geïndividualiseerd door bijvoorbeeld unieke codes op de zaken te plakken en deze te (laten) administreren. Hij kan de bewijsvermoedens van art. 3:109 jo. 3:119 BW niet weerleggen als de strikte benadering wordt gevolgd. De 200 stoelen van de leverancier zijn dan oneigenlijk vermengd met de 400 stoelen van de koper als gevolg van het uitoefenen van het recht van reclame.
Wordt echter de rekkelijke benadering gehanteerd zoals bij het eigendomsvoorbehoud ook wordt bepleit en is neergelegd in art. 7:39 lid 2 BW, dan verliest de leverancier zijn voorrangspositie niet. Hij kan namelijk bewijzen dat 200 van de aanwezige zaken zijn eigendom zijn. Hij kan aantonen dat hij alle 600 zaken heeft geleverd, de koopprijs van 200 stoelen niet is betaald en hij de eigendom van 200 zaken heeft herkregen door uitoefening van het recht van reclame. De casus verschilt daarom wezenlijk van het Teixeira de Mattos-arrest waarin onduidelijk was of de zaken van de eigenaren die een revindicatievordering instelden überhaupt nog aanwezig waren bij Teixiera.3 Vervolgens kan de rechter besluiten om de leverancier 200 stoelen te laten opeisen, zoals ook mogelijk is op grond van art. 7:39 lid 2 BW.