Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/4.5.3.1:4.5.3.1 Inleiding
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/4.5.3.1
4.5.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS581916:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een tweede punt dat van belang is bij de vraag naar de reikwijdte van het rolrichtlijnen-arrest, is het principiële karakterverschil dat bestaat tussen de twee hoofdvormen van rechterlijke beslissingsruimte. Zoals bleek in § 4.4.2.3 kan de beslissingsruimte van de rechter immers worden onderscheiden in beleidsruimte enerzijds en interpretatieruimte anderzijds (waarbij overigens moet worden aangetekend dat dit onderscheid niet in alle gevallen even duidelijk te maken is, terwijl een en dezelfde regel bovendien beide vormen van beslissingsruimte in zich kan dragen). Indien de rechter beleidsruimte heeft betekent dit dat hij - binnen zekere grenzen - de keuze heeft uit meerdere mogelijkheden, die ieder als rechtens juist kunnen worden beschouwd. De rechter kan bijvoorbeeld de lengte van een termijn naar keuze op vier, vijf of zes weken bepalen. Van interpretatieruimte is daarentegen sprake indien het gaat om vragen waarop (tegelijkertijd) slechts één antwoord als rechtens juist kan worden aanvaard. Een kort geding kan bijvoorbeeld wel of niet gelden als 'eis in de hoofdzaak' in de zin van art. 700 lid 3 Rv. Over het juiste antwoord op deze vraag kan men van mening verschillen, maar het is niet denkbaar dat beide mogelijkheden tegelijkertijd als geldend recht worden aanvaard.