Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/2.1.4
2.1.4 De Hoge Raad laat de Ondernemingskamer een grote mate van vrijheid bij het formuleren van de onderzoeksopdracht
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS457903:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 6 juni 2003, NJ 2003/486, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2003/161, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Scheipar), r.o. 3.6.2. Vgl. ook HR 27 september 2000, NJ 2001/221, JOR 2000/216 (Forward Business Parks), r.o. 3.3; Assink || Slagter 2013, p. 1709.
De Hoge Raad verwijst naar HR 20 november 1996, NJ 1997/188, m.nt. J.M.M. Maeijer (Wijsmuller).
De Hoge Raad voegt daaraan toe “de daartoe noodzakelijke voorzieningen”.
HR 30 maart 2007, NJ 2007/293, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/138, m.nt. M.W. Josephus Jitta (ATR), r.o. 4.4. Zie hierover Storm 2014, p. 138-140.
In de Scheipar-beschikking heeft de Hoge Raad beslist dat de Ondernemingskamer een grote mate van vrijheid toekomt bij het bepalen van de omvang van een door haar bevolen onderzoek en dat aan haar oordeel geen hoge motiveringseisen worden gesteld.1 In de ATR-beschikking heeft de Hoge Raad hieraan toegevoegd dat het niet past de eis te stellen dat de Ondernemingskamer slechts kan beslissen binnen de strikte grenzen van het verzoek zoals verzoekers dit hebben ingekleed. De beoordelingsvrijheid van de Ondernemingskamer2 brengt mee dat belanghebbenden, ook indien zij niet de bevoegdheid hebben een verzoek tot het bevelen van een onderzoek in te dienen, over alle aspecten van het (verzoek tot het bevelen van een) onderzoek hun standpunt kenbaar mogen maken, dus niet alleen over de toewijsbaarheid van het verzoek, maar ook over de aard en omvang van het eventueel door de Ondernemingskamer te bevelen onderzoek, waaronder de periode waarover het zich moet uitstrekken. Als de Ondernemingskamer van oordeel is dat het verzoek toewijsbaar is, zal zij vervolgens de omvang van het onderzoek, en daarmee dus eveneens de periode waarover dat zich moet uitstrekken, dienen te bepalen.3 Haar komt daarbij een grote mate van vrijheid toe. Daarbij zal de Ondernemingskamer, in verband met het voorschrift van artikel 24 Rv, geen beslissing mogen geven waarop de betrokken partijen, gelet op het verloop van het geding en het processuele debat, niet bedacht behoefden te zijn en over de consequenties waarvan zij zich niet hebben kunnen uitlaten. Het staat de Ondernemingskamer, aldus nog steeds de Hoge Raad, dan ook niet vrij beslissingen te geven of voorzieningen te treffen die niet stroken met de strekking van het ingediende verzoek of die aan de kenbare bedoeling van verzoekers zodanig afbreuk doen dat moet worden aangenomen dat zij het verzoek, als daaraan op deze wijze uitvoering wordt gegeven, niet zouden hebben gehandhaafd.4