Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/2.1.1
2.1.1 Wettekst
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS453079:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Dit is vaste rechtspraak van de Ondernemingskamer. Zie bijvoorbeeld OK 10 januari 2002, JOR 2002/218 (Elenses). Een heel enkele keer maakt de Ondernemingskamer een uitzondering. Zo heeft de Ondernemingskamer in de Fortis-beschikking, OK 24 november 2008, JOR 2009/9, m.nt. M.W. Josephus Jitta, r.o. 3.42 beslist dat het tijdstip waarover het onderzoek zich uitstrekt, niet wordt afgesloten met de datum van de beschikking. Zie over de einddatum verder § 2.4.2.
OK 10 februari 2011, ARO 2011/33 (Middle Europe Investments c.s.), r.o. 3.7.
Zie bijvoorbeeld OK 28 december 2006, JOR 2007/67 (KPNQwest), r.o. 3.52; OK 7 november 2008, ARO 2008/170 (Principal en Principal Ship), r.o. 3.12.
Zie bijvoorbeeld OK 6 december 2007, ARO 2007/192 (Traffic IT Services), r.o. 3.5; OK 3 april 2009, ARO 2009/82 (Broekmans Assuranti ë n), r.o. 3.7.
HR 13 juni 2014, NJ 2014/358, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2014/261, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Greenchoice), r.o. 3.5.2. Zie over de regiefunctie van de Ondernemingskamer conclusie A-G Timmerman nr. 3.10 voor HR 26 juni 2009, NJ 2011/211, m.nt. W.J.M. van Veen, JOR 2009/ 193, m.nt. J.J.M. van Mierlo (KPNQwest).
Zie § 6.4.
De bepaling over de onderzoeksopdracht is opgenomen in artikel 2:345 lid 1 BW. Dit artikellid luidt als volgt:
“Op schriftelijk verzoek van degenen die krachtens de artikelen 346 en 347 daartoe bevoegd zijn, kan de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam een of meer personen benoemen tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon, hetzij in de gehele omvang daarvan, hetzij met betrekking tot een gedeelte of een bepaald tijdvak. Onder het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon zijn mede begrepen het beleid en de gang van zaken van een commanditaire vennootschap of een vennootschap onder firma waarvan de rechtspersoon volledig aansprakelijke vennoot is.”
Het onderzoek betreft dus een onderzoek “naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon”, dat de Ondernemingskamer eventueel kan beperken tot een gedeelte van het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon, tot een bepaald tijdvak, of tot een combinatie van beide. Maakt de Ondernemingskamer geen gebruik van de mogelijkheid het onderzoek te beperken, dan vangt het tijdvak waarop het onderzoek betrekking heeft aan op de datum van oprichting van de rechtspersoon en eindigt dat tijdvak in beginsel op de datum waarop de Ondernemingskamer de beschikking wijst waarbij het onderzoek wordt gelast.1
Indien de rechtspersoon een volledig aansprakelijke vennoot is van een commanditaire vennootschap of een vennootschap onder firma, heeft het onderzoek betrekking op die vennootschap, tenzij de Ondernemingskamer het beleid en de gang van zaken met betrekking tot deze vennootschap heeft uitgezonderd van het bevolen onderzoek.2
De Ondernemingskamer heeft niet alleen de bevoegdheid het onderzoek te beperken tot een gedeelte van het gevoerde beleid of een bepaald tijdvak, maar ook de bevoegdheid de onderzoekers (meer of minder specifieke) instructies met betrekking tot het onderzoek te geven. Die instructies kunnen zowel betrekking hebben op de inhoud van het onderzoek (bijvoorbeeld: doe onderzoek naar wie verantwoordelijk is voor mogelijk blijkend wanbeleid)3 als op de wijze waarop de onderzoekers te werk moeten gaan (bijvoorbeeld: probeer een minnelijke regeling te bereiken).4 De bevoegdheid van de Ondernemingskamer om instructies aan de onderzoekers te geven is niet terug te voeren op een specifieke wetsbepaling, maar vloeit voort uit het wettelijke systeem, waarbij de Ondernemingskamer de regie voert over de enquêteprocedure.5 Onder de onderzoeksopdracht versta ik zowel eventuele beperkingen die de Ondernemingskamer in de omvang van het onderzoek aanbrengt (in tijd of met betrekking tot een deel van het gevoerde beleid) als eventuele specifieke instructies aan de onderzoekers. Over de gebondenheid van de onderzoekers aan de onderzoeksopdracht maak ik een enkele opmerking in § 2.1.5. Wat in dit hoofdstuk niet aan de orde komt, is hoe de onderzoekers hiermee moeten omgaan. Dat komt aan de orde in hoofdstuk 5, de taken van de onderzoekers. Ik merk ten slotte nog op dat vaststelling van de onderzoeksperiode van belang is omdat voormalige bestuurders, commissarissen en werknemers van de rechtspersoon in de onderzoeksperiode verplicht zijn inlichtingen aan de onderzoekers te verschaffen.6