Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/III.3.6
III.3.6 In dubio pro reo
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS596275:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zo bestaat onder andere onenigheid over de historische wortels van het adagium. Bij welke beslissingen het adagium geldt, of uitzonderingen mogelijk zijn, wanneer sprake is van twijfel en wat van die twijfel de consequentie behoort te zijn, is evenmin evident. Zie over deze en andere vragen de Duitse monografieën van Weng 1947; Holtappels 1965; Sax 1966; Montenbruck 1985; Zopfs 1999. Laatstgenoemde verwijst op p. 13, voetnoot 3 naar enige ausländische vindplaatsen van het adagium. Zij vallen bij de Duitse aandacht in het niet.
Zie Kotsoglu 2014.
Vgl. bijv. Borgers & Kristen 1999, p. 873; Kotsoglu 2014, p. 31 met verwijzingen naar Duitse literatuur.
Vgl. bijv. Strijards 1987a, p. 15; A-G Knigge, conclusie vóór HR 2 februari 2010, NJ 2010, 261 m.nt. Reijntjes; Zopfs 1999, p. 278-285.
Zie daarover nader Tophinke 2000, p. 206-207.
Keijzer 1987.
Het recht staat bol van de Latijnse adagia. Weinige daarvan zijn op het eerste gezicht zo eenduidig in betekenis én consequenties als in dubio pro reo. Bij twijfel dient ten gunste van de verdachte te worden beslist. Die ogenschijnlijke eenduidigheid is wat verraderlijk, zo toont aandacht voor het adagium in met name de Duitse doctrine.1 Dat vooral in het Duitse taalgebied aandacht bestaat voor in dubio pro reo laat zich verklaren door de zojuist gerefereerde rol van de zittingsrechter. Het adagium in dubio pro reo past als tot de rechter gericht gebod bij dit meer ‘inquisitoire’ blikveld.
Kotsoglou is kritisch op het gewicht dat aan de ‘Metanorm’ in dubio pro reo in de Duitse doctrine wordt toegekend en kwalificeert het adagium als “bedeutungslos”. Terwijl het volgens hem in de Duitse rechtspraktijk vooral wordt gebruikt ter verantwoording van vrijspraken aan het grote publiek en de indruk wekt een gunst van een barmhartige rechter te betreffen, is het in wezen het enig logische gevolg van het feit dat de default-status van een verdachte, te weten diens onschuld, niet is ontkracht. Dat bij twijfel moet worden vrijgesproken vloeit rechtstreeks eruit voort dat iemand voor onschuldig moet worden gehouden tot bewijs van het tegendeel.2
Kotsoglou kan worden toegegeven dat het verband met de onschuldpresumptie nogal in het oog springt. Niettemin kan het begrip van de onschuldpresumptie bij de identificatie van deelaspecten van het beginsel gebaat zijn. Dat is hiervoor ook gebeurd, maar het adagium in dubio pro reo voegt aan de hiervoor beschreven normen omtrent bewijslastverdeling en in het bijzonder het bewijsrisico weinig nieuws toe. In de meest gangbare en restrictieve interpretatie van in dubio pro reo houdt het adagium een beslisregel in wanneer de rechter twijfelt, in geval van een non liquet omtrent feiten.3 Zo begrepen is het adagium aan het hiervoor beschreven bewijsrisico gelijk. In een ruimere interpretatie wordt in in dubio pro reo daarnaast wel een instructie gezien omtrent de aard en mate van twijfel die nodig is om tot een voor de verdachte gunstige beslissing te komen.4 De vergelijking met de reeds genoemde bewijsmaatstaf dringt zich dan op. In een derde benadering is in dubio pro reo niet louter onverenigbaar met een veroordeling ondanks significante rechterlijke twijfel, maar ook met een veroordeling waar een rechter niet twijfelt, maar daarvoor op objectieve, rationele gronden alle reden bestaat. Dan mengt het adagium zich in de bewijswaardering.5
Geconstateerd moet daarom worden dat de vierde in de bewijsdimensie besloten liggende norm inhoudende dat de verdachte het voordeel van de twijfel dient te krijgen, geen wezenlijk andere betekenis heeft dan het hiervoor beschreven begrippenkader. Dat Keijzer in dubio pro reo als een afzonderlijk aspect van de onschuldpresumptie beschouwt naast het recht van de verdachte de eigen onschuld niet te hoeven bewijzen, is vanuit het in zijn artikel gekozen perspectief – waarin de gescheiden ontwikkeling op het continent en ten westen van de Noordzee centraal staat – alleszins begrijpelijk.6 In feite is in dubio pro reo echter een aan de rechter gerichte norm die inhoudt dat de bewijslast, begrepen als het bewijsrisico (eventueel met strenge bewijsmaatstaf) bij de aanklager rust.