Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/III.3.2
III.3.2 Bewijswaardering en bewijsmaatstaf
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS595124:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 152 Rv en voor een voorbeeld uit de civiele rechtspraak HR 29 januari 1999, NJ 1999, 245. Ook voor de bestuursrechter “[ligt] de hoogste mate van rechterlijke vrijheid [...] bij het antwoord op de vraag of hij overtuigd is en welke waarde hij toekent aan de bewijsmiddelen”, aldus Schuurmans 2005, p. 273. Het klassieke uitgangspunt dat de strafrechter in feitelijke aanleg vrij is in de selectie en waardering van het voorhanden zijnde be wijsmateriaal mag in dat verband niet onvermeld blijven. Zie bijv. HR 18 februari 2014, NJ 2014, 280.
Zie bijv. op die manier Corstens/Borgers 2014, p. 45-47, die niet de hiervoor geciteerde overwegingen als ijkpunt nemen, maar art. 271 lid 2 Sv, dat verbiedt blijk te geven van schuldovertuiging, als de uit de onschuldpresumptie voortvloeiende norm beschouwen.
Zo versta ik ook Cleiren 2012, p. 45; Lippke 2016, p. 109.
Zie daarover in het bijzonder de uitspraak van Amerikaans Supreme Court 30 mei 1978, 436 U.S. 478 (Taylor/Kentucky): “This Court has declared that one accused of a crime is entitled to have his guilt or innocence determined solely on the basis of the evidence introduced at trial, and not on grounds of official suspicion, indictment, continued custody, or other circumstances not adduced as proof at trial. [...] And it long has been recognized that an instruction on the presumption is one way of impressing upon the jury the importance of that right.”
Groenhuijsen (2012, p. 239 e.v.) spreekt in dit verband van een waarheidscriterium.
Vgl. in dezelfde zin bijv. Diesen 2000, p. 169-170; Stumer 2010, p. 19-22.
Het rechterlijk oordeel dat inhoudt of het aanwezige bewijsmateriaal de gestelde feiten voldoende waarschijnlijk maakt om ze voor ‘waar’ te houden, de bewijswaardering, is de apotheose van het feitenonderzoek. Het betreft de vraag hoe waarschijnlijk de feiten zijn. Die waardering is goeddeels van feitelijke aard. De rechterlijke vrijheid tot waardering van feiten en omstandigheden staat in het burgerlijk, bestuurs- en strafrecht steeds voorop.1 Daarbij dient de rechter op grond van de bewijsdimensie steeds open te staan voor de mogelijke onschuld van de verdachte en mag hij de schuld van de verdachte niet tot vertrekpunt nemen.
Hoewel deze aan de zittingsrechter voorgeschreven geestesgesteldheid op het eerste gezicht wellicht meer met de wijze waarop de verdachte dient te worden bejegend te maken heeft, dan met het bewijs van strafbare feiten, is het toch niet toevallig dat deze door internationale organen in één adem wordt genoemd met de andere op het bewijs gerichte normen.2 Deze eis houdt namelijk nauw verband met de overige uit de onschuldpresumptie voortvloeiende bewijssystematiek. De regel dat niet onschuld maar schuld moet worden vastgesteld, heeft alleen betekenis voor de rolverdeling binnen het strafproces, indien overtuiging van schuld niet het vertrekpunt is van het rechterlijk onderzoek. Niet de rechterlijke ervaring met vele schuldige verdachten, de communis opinio ten aanzien van deze verdachte, uitlatingen van politici en publicaties in media, de resultaten van het vooronderzoek of de positieve vervolgingsbeslissing van het Openbaar Ministerie vormen de basis voor schuldigverklaring. Schuld moet in rechte blijken. Alleen als de met de bewijsbeslissing belaste rechter of jury deze mindset werkelijk heeft, draagt de overheid daadwerkelijk de bewijslast en kan de verdediging zich defensief en afwachtend opstellen.3 Ook in het Amerikaanse strafrecht, waar de onschuldpresumptie als bejegeningsrecht niet op erkenning kan rekenen, is in de aan leden van de jury te geven instructie dikwijls een passage opgenomen over de wijze waarop zij het aangedragen bewijs dienen te beoordelen.4
Van de primair feitelijke vraag hoe waarschijnlijk de feiten zijn geworden, moet de normatieve vraag worden onderscheiden hoe waarschijnlijk de feiten moeten zijn om ze rechtens voor waar aan te nemen. De maatstaf die voorschrijft welke waarschijnlijkheid voldoende is om de feiten in rechte vast te stellen, pleegt men de bewijsmaatstaf of bewijsstandaard te noemen.5 Anders dan de bewijswaardering die ziet op een inschatting in een concreet geval, is de toepasselijke bewijsmaatstaf een rechtskwestie.6 Het vraagstuk leent zich voor abstracte en politieke discussie. Het vergt een afweging van belangen en heeft voor de feitenvaststelling in strafzaken grote implicaties. Het is de bewijsmaatstaf die bij schuldvaststelling aan een strafbaar feit volgens bijvoorbeeld het VN Mensenrechtencomité en het Engelse House of Lords op grond van de onschuldpresumptie steeds beyond reasonable doubt dient te zijn.