Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/10.4.1
10.4.1 De gevolgen van oneigenlijke vermenging voor het eigendomsvoorbehoud
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90859:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Sagaert & Del Corral 2015, nr. 174; Jansen 2017, nr. 67.
Sagaert 2003, nr. 430 e.v.
Storme RW 1996-97, nr. 21; Dirix RW 1997-98, nr. 31; Sagaert 2003, nr. 447; Sagaert, TBH 2003, p. 771 e.v.; Dirix & De Corte 2006, nr. 569.
Jansen 2017, nr. 67.
Sagaert 2003, nr. 454; De Winter, RW 2017-18, p. 1528.
De Winter, RW 2017-18, p. 1529.
Sagaert & Del Corral 2015, nr. 179.
Hoofdstuk 10, paragraaf 10.2.2.
Sagaert & Del Corral 2015, nr. 183. Zie over toevallige mede-eigendom o.m. Dekkers & Dirix 2005, nr. 278-295 en Sagaert 2014, nr. 328-348.
Sagaert & Del Corral 2015, nr. 183.
Sagert & Del Corral 2015, nr. 183.
Sagaert 2014, nr. 334; Sagaert & Del Corral 2015, nr. 183.
Sagert & Del Corral 2015, nr. 181; Sagaert 2017, nr. 68. Zie ook hoofdstuk 9, paragraaf 9.4.2.
Sagert & Del Corral 2015, nr. 181.
Sagert & Del Corral 2015, nr. 181, 183; Sagaert 2017, nr. 30.
Oneigenlijke vermenging doet zich voor als soortgelijke zaken bij elkaar worden gebracht en vervolgens onduidelijk is aan wie welke zaak toebehoort. De zaken zijn niet meer individualiseerbaar in de zin dat de oorspronkelijke eigenaren niet kunnen bewijzen van welke specifieke zaken zij eigenaar zijn. 1
Dit leidt er in het Belgische recht niet toe dat de oorspronkelijke eigenaren met lege handen staan. In de literatuur en rechtspraak wordt aangenomen dat het individualiseringsbeginsel minder strikt moet worden toegepast. Het wordt onbillijk geacht dat schuldeisers van de koper verrijkt worden ten koste van de oorspronkelijke eigenaren en beperkt gerechtigde.2 De oorspronkelijke eigenaren kunnen een collectieve revindicatie instellen. Zij kunnen tezamen als mede-eigenaren de zaken revindiceren.3 Vereist is dat de eigenaren aantonen dat de zaken die zij revindiceren moet toebehoren aan één van hen.4 De koper/houder kan dan niet zeggen dat de zaken in zijn vermogen vallen. Zijn wel zaken van de koper betrokken in de vermenging, dan neemt de meerderheid in de huidige literatuur aan dat ook mede-eigendom ontstaat.5 Een collectieve revindicatie kan dan wel lastig zijn, omdat de koper wellicht niet meewerkt. Dit kan vervolgens worden opgelost via een beroep op rechtsmisbruik.6
Uit de invoering van art. 20 Pandwet kan worden afgeleid dat de Belgische wetgever een soepele invulling van het individualiseringsbeginsel onderschrijft en nog een stap verder gaat bij zekerheidsrechten.7 Op grond van deze bepaling leidt oneigenlijke vermenging niet tot het verlies van het pandrecht of eigendomsvoorbehoud. Art. 20 Pandwet bepaalt dat deze zekerheidsrechten ‘onverlet’ worden gelaten. Door oneigenlijke vermenging wordt de leverancier die een zaak onder eigendomsvoorbehoud heeft geleverd mede-eigenaar van de vermengde hoeveelheid en kan zijn recht op een bepaalde hoeveelheid uitoefenen. In de rekkelijke benadering in het Nederlandse recht leidt oneigenlijke vermenging tot een vergelijkbaar resultaat. De leverancier heeft een aanspraak op een gedeelte van de oneigenlijk vermengde hoeveelheid. Door een deel van de Nederlandse literatuur wordt ook bepleit dat mede-eigendom ontstaat tussen de oorspronkelijke eigenaren.8
Bij de bepaling van de omvang van het aandeel van de leverancier bestaan verschillen tussen het Belgische en Nederlandse recht. Het Belgische recht maakt namelijk een onderscheid tussen de oneigenlijke vermenging van zaken van de leverancier en van de houder/koper en oneigenlijke vermenging van zaken van de leverancier met een andere derde, bijvoorbeeld een andere leverancier.
Raken de zaken van de leverancier oneigenlijk vermengd met zaken van een andere leverancier, dan bevinden de zaken zich in een ‘sub-boedel’ waar de leveranciers mede-eigenaren van zijn.9 De grootte van de aandelen zijn gelijk, tenzij een leverancier bewijst dat de waardeverhoudingen voor vermenging anders lagen.10 Als de leverancier de omvang van het aandeel niet kan bewijzen heeft dat derhalve niet tot gevolg dat de revindicatie niet slaagt, anders dan in het Nederlandse en Duitse recht. De verhouding tussen de deelgenoten wordt gezien als een interne aangelegenheid die losstaat van de revindicatie van de zaken bij de koper.11 Elk van hen kan een revindicatievordering instellen voor zijn aandeel in het vermengde geheel. Volgens de literatuur is een collectieve revindicatie niet nodig door art. 20 Pandwet.12
Raken zaken van de leverancier vermengd met zaken van de koper, dan ontstaat numerieke mede-eigendom tussen de leverancier en de koper.13 Dit betekent dat de leverancier een aandeel in de mede-eigendom verkrijgt ter hoogte van de waarde van zijn oorspronkelijke zaken. De aandelen worden dus niet bepaald naar evenredigheid van de waarde van ieders oorspronkelijke zaken. Dit geldt ook als een aantal zaken is vervreemd en er minder zaken bij de koper aanwezig zijn dan de leverancier en koper hebben ‘ingebracht’. De gedachte hierachter is dat de koper wordt vermoed zijn eigen zaken te hebben vervreemd en niet de zaken van een ander.14 Vervolgens kan de leverancier het aantal zaken revindiceren waarvoor hij een eigendomsvoorbehoud heeft bedongen, ook al kan hij dus niet precies aanwijzen welke zaken van hem zijn.15