Zekerheid voor leverancierskrediet
Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/10.4.2:10.4.2 De gevolgen van oneigenlijke vermenging door het recht van reclame en voorrecht
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/10.4.2
10.4.2 De gevolgen van oneigenlijke vermenging door het recht van reclame en voorrecht
Documentgegevens:
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90822:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Jansen 2009, nr. 832; Vanwynsberghe, Jura Falc 2010-11, p. 40-41; Sagaert 2014, nr. 87.
Jansen, TPR 2008/1, nr. 30; François & Cuypers 2013, Commentaar bij art. 20,5° Hyp.W., nr. 47.
Vgl. de soepele invulling van het individualiseringsvereiste in art. 7:39 lid 2 BW.
Haegenborgh, RW 1995-96, p. 1367; Jansen TPR 2008/1, nr. 29; François & Cuypers 2013, Commentaar bij art. 20,5° Hyp.W., nr. 47-48
Sagaert 2003, nr. 572.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het Belgische recht kan de leverancier zaken reclameren als zij zich ‘in dezelfde staat’ bevinden (art. 20, 5 lid 6 Hyp.W.). Onduidelijk is of oneigenlijke vermenging de uitoefening van het recht van reclame frustreert. Enerzijds is verdedigbaar dat de leverancier voor de uitoefening van het recht van reclame moet bewijzen welke zaken hij heeft geleverd en onbetaald zijn gebleven. Oneigenlijke vermenging heeft tot gevolg dat de leverancier dit niet kan bewijzen en hij dus het recht van reclame niet kan uitoefenen.1 Anderzijds kan betoogd worden dat men het vereiste in art. 20, 5 lid 6 Hyp.W. inhoudende dat de zaak zich in dezelfde staat moet bevinden, soepel dient te interpreteren in lijn met art. 20 Pandwet.2 Deze interpretatie heeft tot gevolg oneigenlijke vemenging niet leidt tot het verlies van het zekerheidsrecht.3
Onomstreden is dat het voorrecht van de onbetaalde verkoper in art. 20, 5 lid 5 Hyp.W. blijft bestaan in geval van oneigenlijke vermenging, mits de zaken zich (gedeeltelijk) in het vermogen van de koper bevinden.4 De leverancier moet aantonen dat de zaak waarop het voorrecht zag, een onderdeel is geworden van de vermengde hoeveelheid. De leverancier kan zijn voorrecht vervolgens uitoefenen tot maximaal de hoogte van de waarde van het oorspronkelijke onderpand.5