Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/285
285 Geval 5: buitengerechtelijke erkentenis
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS454659:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
PG Bewijsrecht 1988, p. 114; Asser Procesrecht/Asser 3 2013/114.
A-G Huydecoper in zijn conclusie voor HR 24 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR4980. Zie ook Asser Procesrecht/Asser 3 2013/114.
Hof Amsterdam 27 januari 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:AT5732, NJF 2005, 176; Hof ’s-Hertogenbosch 14 januari 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BH2197; Rb. Utrecht 19 februari 1992, ECLI:NL: RBUTR:1992:AD1613, NJ 1993, 606; Rb. Groningen 24 maart 2010, ECLI:NL:RBGRO:2010:BL8939.
A-G Huydecoper in zijn conclusie voor HR 24 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR4980. De zaak is door de Hoge Raad afgedaan op grond van art. 81 Wet RO.
Een gerechtelijke erkentenis geldt alleen voor de procedure waarin zij is gedaan (art. 154 Rv). Alle andere erkentenissen moeten worden gekwalificeerd als buitengerechtelijke erkentenissen (zelfs als zij zijn afgelegd in een aan de procedure voorafgegaan ander geding, zoals een voorlopig getuigenverhoor) en art. 149 Rv vergt bewijslevering in de procedure van buiten die procedure erkende feiten.1 Als de wederpartij in haar verweerschrift in de voorlopig-getuigenverhoorprocedure een feit erkent, leidt die erkenning niet tot de conclusie dat het erkende feit geen bewijs behoeft in de daarna volgende hoofdzaak.
Hoe moet de rechter oordelen als de verwerende partij tijdens de voorlopig getuigenverhoorprocedure een feit erkent of belooft bepaalde feiten in de hoofdzaak niet te zullen betwisten? Een erkenning is er niet één in de zin van art. 154 Rv, want niet gedaan tijdens het geding (de hoofdzaak). Toch dient een partij, die in de voorlopig getuigenverhoorprocedure een feit heeft erkend dan wel de toezegging heeft gedaan een feit niet te zullen betwisten en die daarmee een voorlopig getuigenverhoor wist te voorkomen, in de hoofdzaak niet met succes te kunnen terugkomen op deze erkenning of toezegging. Huydecoper meent – en ik deel zijn mening – “dat iedere partij die, ter afwering van een haar onwelgevallig verzoek om voorlopige instructiemaatregelen van een wederpartij, de toezegging doet dat zij het gegeven waarop de instructiemaatregelen betrekking zouden hebben niet zal betwisten (en daaraan dan de, ook door de rechter aanvaarde, conclusie verbindt dat de wederpartij geen belang heeft bij haar verzoek), verder aan die toezegging gehouden kan worden.”2 Het houden van een (voorlopig) getuigenverhoor ter vaststelling van die feiten is onnodig als een partij in de hoofdzaak kan worden gehouden aan de erkenning van feiten of de toezegging feiten niet te betwisten in de voorlopig getuigenverhoorprocedure.3
In een zaak waarin de Staat had toegezegd een bepaald feit niet te zullen betwisten in een eventuele hoofdzaak, bestond er volgens het hof geen relevant procesbelang bij een voorlopig getuigenverhoor, nu onbetwiste feiten in de hoofdzaak als vaststaand moeten worden aangenomen.4 Het hof nam hierbij waarschijnlijk in aanmerking dat de Staat, die zich als een betrouwbare procespartij behoort te gedragen, niet zal terugkomen op een toezegging dat een feit niet betwist zal worden in de hoofdzaak.
Zelfs echter als wordt aangenomen dat een wederpartij in de hoofdzaak wel op een tijdens het voorlopig getuigenverhoor gedane erkenning of toezegging mag terugkomen, dient het voorlopig getuigenverhoor te worden afgewezen. Tijdens de procedure van het voorlopig getuigenverhoor, waarin de verzoeker aangeeft welke feiten hij wil bewijzen (en hij dus van belang acht voor de onderbouwing van zijn vordering), zal de wederpartij feiten niet licht erkennen of toezeggen feiten niet te zullen betwisten. Bovendien zullen deze feiten vrijwel nooit alsnog in de hoofdzaak betwist worden. Het belang van de verzoeker om feiten die hoogstwaarschijnlijk niet zullen worden betwist toch te bewijzen, is daarmee naar mijn mening zo klein, dat het om proceseconomische redenen moet worden aangemerkt als onvoldoende in de zin van art. 3:303 BW.