Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/277
277 Geval 1: gezag van gewijsde/vaststellingsovereenkomst
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS453450:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
Art. 236 Rv geldt voor vonnissen, maar kan analogisch worden toegepast op “beschikkingen op verzoekschrift, waarin beslissingen zijn gegeven over een rechtsbetrekking in geschil tussen partijen.” HR 30 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2759, NJ 1999, 83 (Van Gasteren/Beemster). Het gezag van gewijsde geldt echter alleen voor verzoekschriftprocedures waarin de rechtsgevolgen ter vrije bepaling van partijen staan. Bovendien lenen bepaalde verzoekschriftprocedures zich niet voor analogische toepassing, zoals de procedure tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst. HR 1 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2976, NJ 1999, 738 (Lavos/Alifriqui). Zie hierover Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2011/155. Het gezag van gewijsde geldt niet voor alle vonnissen: de aard en/of de aan de beslissing ten grondslag liggende procesgang kunnen in de weg staan aan het gezag van gewijsde, zoals bijvoorbeeld is aangenomen voor het kort geding (art. 257 Rv). Ook aan een in kracht van gewijsde gegane uitspraak van de strafrechter komt gezag van gewijsde toe, voorzover daarin de vordering van de benadeelde partij is toe- of afgewezen. HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2654, NJ 2007, 484. Overigens heeft een strafvonnis op grond van art. 161 Rv dwingende bewijskracht (zie nr. 99). Hierbij gaat het om het vaststellen van de feiten in plaats van de binding van geschilbeslissingen, zie Numann (Burgerlijke Rechtsvordering), art. 236, aant. 4. Ook kan een einde gemaakt zijn aan een geschilpunt door een – door de Nederlandse rechter te respecteren – beslissing van een buitenlandse rechter (zie nr. 152-153).
Art. 236 lid 3 Rv bepaalt dat het gezag van gewijsde niet van rechtswege werkt. De rechter moet dus opnieuw beslissen over een geschilpunt als geen van de partijen – om welke reden dan ook – een beroep op het gezag van gewijsde doet. Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2011/141.
Voor het gezag van gewijsde dienen de procedures dezelfde rechtsbetrekking tot onderwerp te hebben. Niet nodig is dat in beide procedures dezelfde vordering wordt ingesteld. HR 18 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0683, NJ 1992, 747 (Keizer/Van Andel); Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2011/147; Hugenholtz/Heemskerk 2012, nr. 121. Zie hierover ook Numann (Burgerlijke Rechtsvordering), art. 236, aant. 7-10.
Het gezag van gewijsde geldt ook voor rechtsopvolgers van partijen, maar strekt zich niet uit tot andere derden. Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2011/150; Hugenholtz/Heemskerk 2012, nr. 121; Numann (Burgerlijke Rechtsvordering), art. 236, aant. 13.
Beukers 1994, p. 5-6; Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2011/140.
De rechter mag het gezag van gewijsde niet ambtshalve toepassen; een partij moet zich beroepen op het gezag van gewijsde. HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP6874, NJ 2006, 200 (Dryade/Staat) en zie hierboven. Uit Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2011/141 blijkt dat in meerdere Europese landen, zoals Duitsland en Frankrijk, de rechter verplicht dan wel bevoegd is om het gezag van gewijsde ambtshalve toe te passen, omdat “het gezag van gewijsde ook de rechtsorde dient en gerechten ontlast, en daarom juist aan de partijautonomie onttrokken behoort te zijn”. Van Schaick heeft een voorkeur voor het Franse systeem, waarin de rechter bevoegd is ambtshalve het gezag van gewijsde toe te passen. Ook Numann (Burgerlijke Rechtsvordering), art. 236, aant. 14 pleit voor een nuancering van de “starre regel van nietambtshalve toepassing”. Naar mijn mening moet de rechter om proceseconomische redenen in ieder geval de mogelijkheid hebben het gezag van gewijsde ambtshalve toe te passen. Anders: Beukers 1994, p. 49-54; Gras 1994, p. 268-271.
Als bij oppervlakkige beoordeling van de vordering in de hoofdzaak blijkt dat aan die vordering of aan een bepaald, voor de beoordeling van die vordering relevant geschilpunt hoogstwaarschijnlijk – dezelfde mate van waarschijnlijkheid als geldt voor de kansloze vordering in de hoofdzaak – een einde is gemaakt door een in kracht van gewijsde gegaan vonnis1 of een vaststellingsovereenkomst en als de verweerder aangeeft in de hoofdzaak een beroep te zullen doen op het gezag van gewijsde2 dan wel de vaststellingsovereenkomst, dan heeft het geen zin feiten die aan de/het betreffende vordering/twistpunt ten grondslag liggen te onderzoeken in een voorlopig getuigenverhoor. Zelfs als de feiten die de verzoeker wenst te bewijzen kunnen worden bewezen, zal dit bewijs niet meer kunnen worden gebruikt ten behoeve van een hoofdzaak, vanwege het gezag van gewijsde van een eerdere beslissing of het bestaan van een vaststellingsovereenkomst.
Beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen3 en die zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, hebben in een ander geding tussen dezelfde partijen4 immers bindende kracht (art. 236 Rv). De gedachte achter de regel van het gezag van gewijsde is dat eenmaal beslechte geschilpunten in een volgende procedure niet opnieuw ter discussie moeten kunnen worden gesteld.5 Als een beslissing gezag van gewijsde heeft en daaraan in een nieuwe zaak over dezelfde rechtsbetrekking niet kan worden getornd, heeft het geen zin ten behoeve van die nieuwe zaak de feiten te onderzoeken.6 Hetzelfde heeft te gelden als aan alle tussen partijen bestaande twistpunten een einde lijkt te zijn gemaakt door een vaststellingsovereenkomst. Als finale kwijting is afgesproken, heeft in beginsel te gelden dat feiten die zich hebben afgespeeld vóórdat de vaststellingsovereenkomst werd gesloten, achterhaald zijn door de finale kwijting.