Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/5.4.2.5:5.4.2.5 Formulering van de regel
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/5.4.2.5
5.4.2.5 Formulering van de regel
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS580685:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Aldus ook Snijders 2001, p. 27. Vgl. ook Köhne 2000, p. 136.
Zie over deze rechtersregeling ook § 2.7.
Zie bijv. de overzichten gegeven door Scholtens 2003a en b en 2004a en b.
Vgl. Korthals Altes 1981, p. 58.
Vgl. HR 25 april 1969 (Pluvier), N] 1969, 303 m.nt. D.J.V..
Zie HR 13 maart 1996, AS 1996,211 m.nt. ThGD en HR 25 oktober 1996 (A./Staat), NJ 1998, 254 m.nt. MS. Zie hierover ook § 5.3.2 in verband met het bekendmakingsvereiste.
Vgl. de noot van Drupsteen onder HR 13 maart 1996, AB 1996, 211.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de invulling van het criterium 'zich naar inhoud en strekking lenen voor toepassing als rechtsregel' kan tot slot gekeken worden naar de wijze waarop een bepaalde regeling is geformuleerd. Denkbaar is immers dat een al te vrijblijvend of globaal geformuleerde rechtersregeling niet zal voldoen aan de eis dat zij zich naar inhoud en strekking leent voor toepassing als rechtsregel.1
Als (mogelijk) voorbeeld hiervan kan de 'kantonrechtersformule', onderdeel van de Aanbevelingen voor procedures ex art. 7:685bw van de Kring van Kantonrechters,2 worden genoemd. Deze formule houdt in dat een toe te kennen vergoeding bij de ontbinding van een arbeidsovereenkomst wordt berekend volgens de formule A x B x C. De factoren A en B hierin zijn objectief vast te stellen: A staat voor het gewogen aantal dienstjaren en B voor (kort gezegd) het bruto maandsalaris. De C-factor kan echter - met het oog op de bijzondere omstandigheden van het geval - door de rechter zelf worden ingevuld. Vanwege dit in beginsel onbepaalde karakter van de C-factor zou wellicht betoogd kunnen worden dat deze formule zich niet leent voor toepassing als rechtsregel. In de praktijk blijkt een correctiefactor hoger dan 2 echter (grote) uitzondering te zijn,3 zodat niet gezegd kan worden dat de formule geen enkele normerende invloed heeft bij de vaststelling van ontbindingsvergoedingen en zich dus in het geheel niet leent voor toepassing als rechtsregel.
Ook indien een rechtersregeling slechts een aantal gezichtspunten of relevante omstandigheden voor het gebruik van een bepaalde bevoegdheid of de toepassing van een bepaalde regel inhoudt, kan de vraag gesteld worden of deze aan het hier besproken criterium voldoet. Naar mijn idee zal deze vraag echter niet te snel ontkennend mogen worden beantwoord. Ook vele wettelijke of jurisprudentiële regels zijn vaag of bestaan slechts uit een lijst van gezichtspunten. Moeilijk vol te houden is echter dat het hierbij niet om rechtsregels kan gaan.4 Wel laten dergelijke rechtsregels meer ruimte voor invulling, maar dat is iets anders. Voorzover zij grenzen aangeven waar de rechter niet buiten mag treden, of gezichtspunten opsommen die hij bij zijn beslissing in acht dient te nemen, kan wel degelijk worden gesproken van rechtsregels.
Enigszins terzijde moet hierbij opgemerkt worden dat met betrekking tot beleidsregels door de Hoge Raad in het verleden eveneens werd aangenomen dat deze geen recht in de zin van art. 79 RO opleveren wanneer daarin slechts een (globale) aanduiding van het te voeren beleid is opgenomen.5 Enkele meer recente arresten lijken op dat punt een opvallende koerswijziging in te houden. In twee gevallen heeft de Hoge Raad namelijk uitlatingen van een rrunister respectievelijk een staatssecretaris, die gedaan werden naar aanleiding van vragen uit de Tweede Kamer, aangemerkt als recht in de zin van art. 79 RO.6
Bij deze uitspraken kunnen vraagtekens worden geplaatst. In feite kan immers bezwaarlijk gezegd worden dat dergelijke uitlatingen van bewindspersonen, die naar hun aard nauwelijks een uitgewerkte regeling kunnen inhouden, zich lenen voor (herhaalde) toepassing als rechtsregel.7 De situatie zal zich echter niet snel voordoen dat een uitlating die een bepaalde rechter in het openbaar doet met betrelddng tot zijn 'beleid' (dan wel zijn opvatting over een bepaalde kwestie), op deze wijze als 'recht' wordt aangemerkt. De twee hier genoemde arresten zijn daarom in zoverre minder relevant voor de beoordeling van rechtersregelingen.