Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/III.3.5
III.3.5 Lijdelijke versus actieve rechter
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS596274:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Nijboer 2009, p. 144.
Zie voor talrijke verwijzingen naar de discussie in de Duitse literatuur Stuckenberg 1998, p. 87-88, voetnoot 327. Zie over de Nederlandse context uitgebreider § VII.4.
Voor kritiek op en relativering van de scherpe tegenstelling tussen inquisitoire en accusatoire of adversariële stelsels zijn diverse goede redenen aanwijsbaar. Terecht is volgens mij de gehoorde kritiek dat de termen inquisitoir en accusatoir als het ware zijn vereenzelvigd met de praxis ten oosten respectievelijk ten westen van het Kanaal. Ik gebruik het begrip hierboven echter bewust op die manier, namelijk als ingeburgerde term ter aanduiding van de verschillen in de Angelsaksische en continentale procedure en vooral de rol van de rechter daarbinnen.
Dit standpunt krijgt nadere toelichting waar de repercussies van de onschuldpresumptie als bewijslastregel voor de Nederlandse strafrechtspleging aan bod komen, zie § VII.4.
Men kan zich afvragen of wel ieder strafrecht een bewijslastverdeling kent. De prominente rol die de onschuldpresumptie in dit verband in Angelsaksische landen speelt, laat zich niet alleen historisch verklaren, maar heeft eveneens te maken met de onbetwiste aanvaarding van bewijslastverdeling als strafrechtelijk relevant concept. Die aanvaarding laat zich op haar beurt verklaren door de adversariële aard van de procedure en vooral de relatief passieve rol en kleine zelfstandige verantwoordelijkheid die de oordelende instantie aldaar draagt in het kader van de waarheidsvinding. Ook meer inquisitoire stelsels waarin juryrechtspraak een prominente plaats heeft, hebben een waarheidsvinder die zich passief opstelt en zich door het aangedragen bewijs laat leiden. Waarschijnlijk daarom is de term bewijslastverdeling in de Belgische en Franse strafrechtsdoctrine ook niet zo beladen.1 In de Duitse en Nederlandse strafrechtswetenschap daarentegen bestaat overwegend weerstand tegen die terminologie.2 Deze weerstand is hoofdzakelijk het gevolg van de grote rechterlijke verantwoordelijkheid voor de waarheidsvinding. Zowel Nederland als Duitsland kent een wat vaak wordt aangeduid als gematigd inquisitoir strafproces.3 Waar in de Anglo-Amerikaanse procescultuur eigen feitenonderzoek van de rechter nauwelijks plaats heeft, is de Nederlandse of Duitse rechter – binnen de grenzen van de tenlastelegging – voor zijn beslissingen niet afhankelijk van de houding en informatieverschaffing van partijen.
Daardoor wordt vooral de vraag wie verantwoordelijk is voor het aandragen van bewijsmateriaal enigszins ondoorzichtig, omdat naast de partijverplichting telkens de eigen verantwoordelijkheid van de rechter staat. Aan het bestaan van bewijsmaatstaven en met niet-vervulling daarvan gepaard gaande risico’s staat een en ander evenwel niet in de weg. De aard van de procedure is dan ook relevant voor wat hiervoor werd aangeduid als de bewijsvoeringslast (wie moet bewijs aandragen), maar zolang de rechter inderdaad het onderzoek in de praktijk grotendeels zelf verricht en beveelt, veel minder voor de betekenis van het bewijsrisico (wie verliest bij twijfel de procedure).4