Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/9.1
9.1 Merkelijke schuld (art. 294 K oud)
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS353471:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Aldus het Hof Den Haag 6 juni 1986, S&S 1987, 69, r.o. 4. eveneens te kennen uit HR 17 juni 1988 (Keulse autodiefstal-arrest), NJ 1988, 966, m.nt. G.
HR 17 juni 1988, NJ 1988, 966, m.nt. G.
NJ 1990, 477(Containerbrand).
G./Nationale Nederlanden, NJ 1992, 814.
Aldus het hof in r.o. 6 van zijn overwegingen (arrest te kennen uit HR 23 oktober 1992, NJ 1992, 814).
Kritisch hierover: A. Blom, 'Art. 294 K: voor merkelijke schuld is de gedraging van verzekerde na het evenement relevant', Vrb 1993, p. 21, die op grond van tal van argumenten van oordeel is dat 'merkelijke schuld' zich voltrekt in de periode voorafgaande aan brand en dat in de periode erna verzekerde verplicht is te handelen conform de op hem rustende bereddingsplicht (ex 283 K (oud)). Zie over de verhouding beredding en eigen schuld ook K. Brevet, 'Beredding en eigen schuld' in de Wansink-bundel 2006, p. 123 e.v. als ook Frenk oratie 2006, p. 63-65.
Voor een beroep op bevrijding van zijn betalingsverplichtingen op grond van brandstichting is noodzakelijk dat door verzekerde brand is gesticht; zie hierna onder 9.2.1.
Een zaak als de onderhavige hoort daardoor in de door Dommering-van Rongen aangebrachte categorisering eerder tot de eerste categorie. Zie het einde van deze paragraaf.
NJ 2004, 536, m.nt. MMM.
Zie de conclusie van A-G Mok voor het arrest HR 4 februari 2000, NJ 2000, 429(Solon), m.nt. K.F. Haak. Zie ook de annotatie van Wachter onder HR 30 mei 1975, NJ 1976, 572(Bierglas-arrest) en - in het licht van de bewuste roekeloosheid uit het huidig recht - Van Eijk-Graveland, Verzekerbaarheid van opzet in het schadeverzekeringsrecht (diss.), Deventer: Kluwer 1998, p. 40.
L. Dommering-van Rongen in haar annotatie in AV&S 2001, p. 57-58, bij HR 12 januari 2001, NJ 2001, 419, m.nt. MMM.
Merkelijke schuld werd aangenomen in HR 17 juni 1988, NJ 1988, 966 (in de auto achterlaten van groot aantal sieraden en andere waardevolle spullen, waarvan lammycoat in zicht en in drukke winkelstraat), HR 5 januari 2001, JOL 2001, 7 (behoorlijk vuur stoken van afvalhout en stro, na een ruime periode van hitte en droogte op korte afstand van een met riet bedekte schuur), HR 4 april 2003, NJ 2004, 536 (uitvoeren van laswerkzaamheden in de buurt van opvangbak met wasbenzine), Hof Den Haag 17 december 2002, VR 2004, 40 (verrichten van laswerkzaamheden zonder voorzorgsmaatregelen te nemen, bijvoorbeeld door brandbare materialen in de nabije omgeving weg te halen), Hof Amsterdam 8 september 1988, S&S 1990, 33 (achterlaten van een niet gedoofde pijp tabak in de buurt van benzine en lappen), Hof Den Haag 20 juni 1995, S&S 1997, 34 (nalaten de brandweer tijdig in te schakelen - na zelfgebluste eerdere brand - is een beoordelingsfout), Hof Den Haag 1 februari 1996, S&S 1997, 79 (deponeren van brandende sigarettenpeuk(en) in de plastic en dus brandbare keukenafvalbak, waardoor brand is ontstaan, in combinatie met het op bed gaan liggen roken is een verregaande verwaarlozing van de normale en noodzakelijke voorzichtigheid met vuur), Rb. Rotterdam 16 januari 1987, S&S 1988, 121 (onbeheerd in de auto, deels in het zicht op de achterbank, achterlaten van antieke prenten en zeefdrukken), Rb. Rotterdam 20 mei 1994, S&S 1995, 92 (gedurende enkele minuten achterlaten van brandende brander in de directe aanwezigheid van brandbaar materiaal) Merkelijke schuld werd niet aangenomen in Hof Amsterdam 5 maart 1992, S&S 1993, 68 (verzekerde mocht tijdens periode van opknappen van een woning na een lange leegstand volstaan met een mindere kwaliteit hang- en sluitwerk), Hof Leeuwarden 15 november 2006, NJ F 2007, 168 (het niet vervangen van het slot van een eerder ontruimd drugspand is onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat verzekeringnemer in ernstige mate is tekortgeschoten in de zorg die van haar verwacht mocht worden met het oog op het gevaar van de later ontstane brand), Hof Den Haag 31 januari 2006, S&S 2007, 56 (het door een daartoe onvoldoende ruimte biedende deuropening leggen van een aan-sluitsnoer van een radiatorkachel is onvoldoende onvoorzichtig om van merkelijke schuld te kunnen spreken), Rb. Amsterdam 20 juli 2005, S&S 2007, 66 (het doen verschepen door een charterer/eigenaar die financieel in slechten doen was, is geen eigen schuld).
Op het moment dat de verzekeraar zich er in zijn relatie tot de verzekerde op beroept dat de laatste de schade door (merkelijke) schuld heeft veroorzaakt, rust, bij voldoende betwisting door de verzekerde, de bewijslast van die stelling op de verzekeraar. Een dergelijke verdeling volgt - voor wat merkelijke schuld betreft - uit de in art. 294 K (oud) gegeven instructie, maar zij is daarnaast ook in lijn met de hoofdregel van art. 150 Rv: het is immers de verzekeraar die zich beroept op rechtsgevolgen (bevrijding van zijn betalingsverplichtingen) van de door hem gestelde feiten of rechten.
Bepalend voor de inhoud van de stelplicht en het daaraan verbonden be-wijsrisico is de invulling die het begrip merkelijke schuld in de jurisprudentie heeft gekregen. Zoals hiervoor al kort aangegeven, was het in die gevallen waarin de verzekering ziet op het risico van alledag en aan de verzekerde zelf niet meer dan enig licht verwijt kon worden gemaakt, aan de verzekeraar niet toegestaan telkens een beroep op 276 K (oud) te doen. Het was alsdan gerechtvaardigd om het inroepen van dat artikel, ook indien dat niet uitdrukkelijk mocht zijn overeengekomen, te beperken tot gevallen van merkelijke schuld.1 Het heeft lang geduurd voordat in de jurisprudentie en met name in die van de Hoge Raad een enigszins scherpe omschrijving van dit begrip is gegeven. Een eerste aanzet werd gegeven in het Keulse autodiefstal-arrest, waarin volgens de Hoge Raad met het woord 'merkelijke' in art. 294 K (oud) gedoeld werd op een 'ernstige mate van schuld'.2 In een volgend arrest van 3 februari 1989 overwoog de Hoge Raad dat 'te beperkt is de rechtsopvatting dat de veronachtzaming zo ernstig moet zijn dat zij is gelijk te stellen met opzettelijk handelen (brandstichting) of in ernst daaraan grenst, of dat verzekerde zich er bewust van had moeten zijn dat de brand het rechtstreeks en onvermijdelijk gevolg van zijn nalatigheid zou zijn.3 Het begrip merkelijke schuld is om die reden in de hierboven weergegeven schaal van schuldgradaties geplaatst onder 'roekeloosheid'. Vermeldenswaard is in dit verband tot slot nog het arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 1992,4 waarin deze oordeelt dat het hof niet heeft blijk gegeven van een onjuiste opvatting met betrekking tot art. 294 K (oud), waar hij stelt dat merkelijke schuld ook aanwezig kan zijn nadat de brand reeds was ontstaan:
'6. Uit bovengenoemde verklaringen en uit de onwaarachtige verklaringen van G. jr. met betrekking tot zijn alibi blijkt voldoende dat hij op 7 okt. 1985 tussen 19.30 uur en 20.00 uur in het bedrijfspand in L. is geweest en dit even voor of rond 20.00 uur weer heeft verlaten. Uit het boven gerelateerde blijkt dat er aanwijzingen zijn dat hij de brand gesticht heeft, maar ook als dat niet het geval zou zijn dan is hem in ieder geval grove nalatigheid - en derhalve merkelijke schuld - te verwijten, daar hij weggegaan is terwijl er in een of meer bedrijfsruimten brand woedde zonder de brandweer te waarschuwen en/of zelf te trachten te brand te blussen. Gezien het tijdstip waarop getuige Brink voor het eerst brand rook, 19.50 uur, en het tijdstip waarop G. jr. het pand verliet moet hij de brand opgemerkt hebben en is hij desniettemin weggegaan zonder iets te doen.'5
De Hoge Raad heeft voornoemd standpunt gesanctioneerd, waar hij overweegt:
'3.3 (...)
Het onderdeel gaat terecht ervan uit dat het hof niet heeft beslist dat G. jr. de brand zelf heeft gesticht en keert zich tegen 's hofs oordeel dat sprake is van merkelijke schuld. Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld. Aan art. 294 K ligt de gedachte ten grondslag dat de verzekeraar bij de beoordeling van het risico dat hij krachtens de te sluiten overeenkomst zal gaan lopen, ervan mag uitgaan dat de verzekerde niet zozeer tekortschiet in zorg ter voorkoming van schade dat er sprake is van merkelijke schuld (HR 19 juni 1992, RvdW 1992, 167). Zulks in aanmerking genomen bestaat geen aanleiding die bepaling louter op grond van haar bewoordingen zo beperkt uit te leggen dat van merkelijke schuld als daar bedoeld slechts sprake kan zijn ingeval de verzekerde de brand heeft veroorzaakt. Dit brengt mee dat het hof niet heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot art. 294.'6
Bewijsrechtelijk is de uitspraak in zoverre relevant, dat daardoor in een geval als het onderhavige, waarin een plek waar - naar kan worden aangenomen - reeds (kenbaar) brand woedde door de verzekerde verlaten wordt, de vraag of, en zo ja door wie brand is gesticht,7 alsook die naar de oorzaak van de brand, niet relevant meer. De Hoge Raad geeft dat ook met zoveel woorden aan, waar hij in rechtsoverweging 3.3 vervolgt:
'Het hof behoefde ook niet nader te motiveren waarom het merkelijke schuld aanwezig oordeelde, en het was niet gehouden vast te stellen welke oorzaak de brand had.'8
Een laatste, ook op het bewijsrechtelijk aspect relevante omschrijving van het begrip merkelijke schuld kwam in het arrest van de Hoge Raad van 4 april 2003, waarin het ging het om een brand in het bedrijf van verzekerde, ontstaan toen een medewerker laswerkzaamheden uitvoerde. Volgens de door de verzekeraar ingeschakelde expert moet de brand zijn ontstaan door bij het lassen vrijkomende vonken of gloeiende metaaldelen die in aanraking zijn gekomen met (de damp van) de wasbenzine in de nabijgelegen opvangbak. Aangesproken tot vergoeding van de schade verweerde de verzekeraar zich met een beroep op merkelijke schuld of nalatigheid van de verzekerde in de zin van art. 294 K (oud). Het hof oordeelde onder meer dat het gegeven dat kort tevoren door een andere medewerker van een ingehuurd bedrijf onder gelijke omstandigheden (goed afgelopen) laswerk-zaamheden zijn verricht in de weg staat aan het oordeel dat het lassen in de gegeven omstandigheden op zichzelf reeds merkelijke schuld oplevert en overwoog daarbij dat de verzekerde onder deze omstandigheden geen voldoende ernstig verwijt valt te maken dat hij zich niet bewust is geweest van het gevaar. Nadat het hof de vordering van de verzekerde - evenals de rechtbank in eerste aanleg - had toegewezen, toonde de Hoge Raad zich hiermee oneens en oordeelde in cassatie:
'3.5 Aan art. 294 K ligt de gedachte ten grondslag dat de verzekeraar bij de beoordeling van het risico dat hij krachtens de te sluiten overeenkomst zal gaan lopen, ervan mag uitgaan dat de verzekerde niet zozeer tekortschiet in zorg ter voorkoming van schade dat er sprake is van merkelijke schuld (HR 19 juni 1992, nr. 7941, NJ 1993, 555). Met het begrip merkelijke schuld in art. 294 K wordt een ernstige mate van schuld aangeduid. Bij lichtere graden van schuld blijft de verplichting tot uitkering van de (brand)verzekeraar in stand, omdat minder ernstige vormen van nalatigheid en onvoorzichtigheid nu juist zijn te rekenen tot de gevaren waartegen de verzekering dekking biedt. Bij de beantwoording van de vraag welke mate van zorg de verzekeraar van de verzekerde mag verwachten, kan als uitgangspunt gelden dat van de verzekerde mag worden verwacht, dat hij zich onthoudt van gedragingen waarvan hij weet of behoort te weten dat een aanmerkelijke kans bestaat dat deze tot schade zullen leiden. Van merkelijke schuld in de zin van art. 294 K is derhalve ook sprake, indien het gaat om een gedraging die, al is de verzekerde zich daarvan niet bewust, naar objectieve maatstaven een zodanig aanmerkelijke kans op schade met zich brengt dat de betrokken verzekerde zich van dat gevaar bewust had behoren te zijn en door zich van die gedraging niet te onthouden in ernstige mate tekort schiet in zorg ter voorkoming van schade.
3.6 Onderdeel 2 klaagt terecht dat het Hof van een onjuiste rechtsopvatting heeft blijk gegeven door in rov. 4.6 te oordelen dat het gegeven dat kort tevoren door Efftink (de andere medewerker van het ingehuurd bedrijf, NvT) onder gelijke omstandigheden (goed afgelopen) laswerkzaamheden zijn verricht, in de weg staat aan het oordeel dat het lassen door AJ.J. Meyerink (medewerker van verzekerde, NvT) in de gegeven situatie op zich zelf reeds merkelijke schuld oplevert: Het hof heeft immers door aldus te oordelen en daarbij te overwegen dat AJ.J. Meyerink onder deze omstandigheden geen voldoende ernstig verwijt valt te maken dat hij zich niet bewust is geweest van het gevaar van de aanwezige vatenopstelling, kennelijk aangenomen dat van merkelijke schuld in de zin van art. 294 K geen sprake kan zijn indien de verzekerde zich niet bewust is geweest van de aanmerkelijke kans dat als gevolg van zijn gedraging schade zal ontstaan en denkt dat dit gevolg zal uitblijven. Gelet op het jn 3.5 overwogene is voor het aannemen van merkelijke schuld in de zin van art. 294 K niet vereist dat de verzekerde heeft gehandeld in het bewustzijn dat de schade het gevolg van zijn handelen kan zijn en dat hem in zoverre in subjectieve zin een verwijt treft.'9
Door aldus te overwegen dat van merkelijke schuld ook sprake kan zijn indien de verzekerde zich van de kans op schade van een bepaalde gedraging niet bewust is (maar zich van dat gevaar wel bewust had behoren te zijn) werd in belangrijke mate tegemoetgekomen aan de bewijsproblema-tiek waar de verzekeraar zich anders mee geconfronteerd zou zien. De aanwezigheid van een bepaalde innerlijke gesteldheid en intentie van de verzekerde is immers voor de verzekeraar zo goed als niet te bewijzen.10
Na deze afbakening van hetgeen onder het oude recht onder het begrip merkelijke schuld begrepen werd lijkt het goed om te bezien in welke gevallen een beroep daarop is gedaan. Zoals al in de inleiding aangegeven maakt Dommering-van Rongen een tweedeling waar zij aanvoert dat merkelijke schuld kan bestaan uit bepaalde vormen van onvoorzichtig gedrag of uit brandstichting.11 Bewijsrechtelijk zal de eerste categorie in de regel de minste problemen opleveren, nu het gedrag dat beoordeeld dient te worden, doorgaans in de procedure als vaststaand wordt aangenomen.12