Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/7.2.11.1
7.2.11.1 Vóór al-khawaja & tahery
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 26 maart 1996, appl.no. 20524/92 (Doorson/Nederland), § 76. Hoewel dit arrest betrekking had op een zaak met anonieme getuigen, was deze overweging ook van toepassing op niet-anonieme getuigen. Voor de eerste keer nam het EHRM dit aan in EHRM 2 juli 2002, appl.no. 34209/96 (S.N./Zweden), § 53.
In juryzaken wordt een beslissing niet altijd gemotiveerd. In dat geval zal lastig vast te stellen zijn of de jury de vereiste behoedzaamheid in acht heeft genomen. Waarschijnlijk zou het EHRM genoegen hebben genomen met de constatering dat de zittingsrechter de jury goed heeft geïnstrueerd om behoedzaam met de getuigenverklaring om te gaan. Vgl. EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/Verenigd Koninkrijk), § 22 en 157.
EHRM 27 april 2010, appl.no. 43643/04 (Biełaj/Polen), § 61. Zo bestond aanleiding tot extra behoedzaamheid wanneer een getuige slechts met beperkingen kon worden ondervraagd en bovendien zijn verklaring later had ingetrokken. De rechter moest dan goed motiveren waarom hij meende dat de ingetrokken verklaring desondanks voor het bewijs kon worden gebruikt. Zie EHRM 26 maart 1996, appl.no. 20524/92 (Doorson/Nederland), § 34 en 76. Dat is overigens een eis die ook geldt wanneer niet is geklaagd over schending van het ondervragingsrecht. Zie daarover 2.5 van hoofdstuk 4.
EHRM 27 april 2010, appl.no. 43643/04 (Biełaj/Polen), § 61; EHRM 6 september 2005, appl.no. 66976/01 (dec.) (Hedström Axelsson/Zweden), p. 16.
In EHRM 31 oktober 2001, appl.no. 47023/99 (Solakov/Macedonië), § 27 en 62 had nationale rechter bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen van belang geacht dat de getuigen geen mogelijkheid hadden gehad om strafvermindering te bedingen in ruil voor hun verklaringen. In EHRM 9 januari 2007, appl.no. 47986/99 (Gossa/Polen), § 41 en 62 had de rechter meegewogen dat de getuige door – in het bijzijn van haar advocaat en de officier van justitie – te verklaren ook zichzelf had belast, wat de geloofwaardigheid van de getuige ten goede kwam. Ook had de rechter in deze zaak geoordeeld dat de getuigenverklaring behoedzaam moest worden beoordeeld, omdat de getuige ook zelf was beschuldigd van diefstal van een auto en een vals adres had opgegeven.
EHRM 27 april 2010, appl.no. 43643/04 (Biełaj/Polen), § 22 en 61.
EHRM 6 september 2005, appl.no. 66976/01 (dec.) (Hedström Axelsson/Zweden), p. 16. Ook in ECRM 22 oktober 1997, appl.no. 26304/95 (Lindqvist/Zweden) werd het gedrag van de getuige tijdens de ondervraging relevant geacht.
EHRM 6 september 2005, appl.no. 66976/01 (dec.) (Hedström Axelsson/Zweden), p. 16; EHRM 27 april 2010, appl.no. 43643/04 (Biełaj/Polen), § 61.
EHRM 9 januari 2007, appl.no. 47986/99 (Gossa/Polen), § 41 en 62.
EHRM 26 maart 1996, appl.no. 20524/92 (Doorson/Nederland), § 34 en 76; ECRM 22 oktober 1997, appl.no. 26304/95 (Lindqvist/Zweden); EHRM 31 oktober 2001, appl.no. 47023/99 (Solakov/Macedonië), § 27 en 62; EHRM 6 september 2005, appl.no. 66976/01 (dec.) (Hedström Axelsson/Zweden), p. 16.
ECRM 22 oktober 1997, appl.no. 26304/95 (Lindqvist/Zweden).
EHRM 6 september 2005, appl.no. 66976/01 (dec.) (Hedström Axelsson/Zweden), p. 16.
ECRM 22 oktober 1997, appl.no. 26304/95 (Lindqvist/Zweden); EHRM 31 oktober 2001, appl.no. 47023/99 (Solakov/Macedonië), § 27 en 62.
EHRM 2 juli 2002, appl.no. 34209/96 (S.N./Zweden), § 53; EHRM 4 april 2006, appl.no. 60966/00 (dec.) (E.H./Finland), p. 12; EHRM 9 januari 2007, appl.no. 47986/99 (Gossa/ Polen), § 41 en 62.
EHRM 17 november 2005, appl.no. 73047/01 (dec.) (Haas/Duitsland), p. 14
EHRM 4 april 2006, appl.no. 60966/00 (dec.) (E.H./Finland), p. 12
EHRM 2 juli 2002, appl.no. 34209/96 (S.N./Zweden), § 53. Zie ook EHRM 6 september 2005, appl.no. 66976/01 (dec.) (Hedström Axelsson/Zweden), p. 16: ‘What remains to be determined is whether the courts treated the evidence given by W.J. impartially and with sufficient care.’
EHRM 12 juli 2007, appl.no. 503/05 (Kovaç/Kroatië), § 30.
Vgl. Trechsel 2006, p. 113: ‘Another formula which is rather weak is the warning that untested evidence must be ‘treated with extreme care’.
Algemeen
In het arrest Doorson overwoog het ehrm:
‘evidence obtained from witnesses under conditions in which the rights of the defence cannot be secured to the extent normally required by the Convention should be treated with extreme care.’1
De buitengewone behoedzaamheid waar de rechter2 blijk van moest geven, kwam niet alleen regelmatig voor in algemene overwegingen, maar speelde ook dikwijls een rol bij de beoordeling van zaken. Concreet hield deze eis in dat de rechter in zijn vonnis moest motiveren waarom hij de getuige geloofwaardig of de getuigenverklaring betrouwbaar achtte.
Beoordeling van extreme care in concrete zaken
De vereiste mate van behoedzaamheid leek afhankelijk te zijn van de concrete omstandigheden van de zaak.3 De motivering van de betrouwbaarheid kon betrekking hebben op de persoon van de getuige. In een aantal zaken heeft het ehrm van belang geacht dat de nationale rechter had onderzocht of de getuige een belang had bij het afleggen van een valse verklaring.4 Als de getuige zo’n belang vermoedelijk niet had, bijvoorbeeld omdat de verdachte en de getuige elkaar voorafgaand aan het ten laste gelegde feit niet kenden, kon deze omstandigheid worden gebruikt ter onderbouwing van de geloofwaardigheid van de getuige.5 Wanneer de getuige zijn verklaring had ingetrokken, kon de vereiste behoedzaamheid blijken uit het onderzoek van de rechter naar de reden daarvoor.6 Ook het in de bewijsmotivering betrekken van de indruk die de getuige maakte tijdens een ondervraging, beschouwde het ehrm als een uiting van behoedzaamheid.7
In de meeste zaken stond niet zozeer de persoon van de getuige centraal, als wel de door hem afgelegde verklaring en de totstandkoming daarvan. Daarbij achtte het ehrm onder andere de volgende aspecten van de motivering van belang:
De rechter had vastgesteld dat verschillende door de getuige afgelegde verklaringen in overeenstemming met elkaar waren.8
De rechter had de verklaring van de getuige betrouwbaar geacht, omdat de verklaringen van de verdachte inconsistent waren, waardoor meer aanleiding bestond de getuige te geloven.9
De rechter had meegewogen dat de verklaring van de getuige overeen kwam met ander bewijsmateriaal en had het andere bewijsmateriaal bij voorkeur ook onderzocht op betrouwbaarheid.10
De rechter had de betrouwbaarheid mede beoordeeld op grond van een rapport van een deskundige, die de verklaring had onderzocht op betrouwbaarheid.11
De rechter had ook ontlastend bewijsmateriaal in aanmerking genomen en vastgesteld dat de getuigenverklaring daardoor niet werd tegengesproken.12
De rechter had in aanmerking genomen dat de getuige een gedetailleerde verklaring had afgelegd.13
De rechter had rekening gehouden met zwakheden in de getuigenverklaring. De getuigenverklaring bevatte bijvoorbeeld inconsistenties of was niet gedetailleerd of de getuige had antwoorden gegeven op sturende vragen.14
Ten slotte kon van belang zijn dat de nationale rechter in zijn bewijsoverwegingen had aangegeven dat een strengere bewijsstandaard van toepassing was dan gebruikelijk. In de zaak Haas was de nationale rechter van oordeel dat de verklaring van een getuige niet op zichzelf mocht staan, omdat de verdediging niet aanwezig had mogen zijn tijdens de ondervraging van die getuige, die zich in een buitenlandse gevangenis bevond.15 In de zaak E.H. was volgens de Finse rechter steunbewijs vereist omdat de getuigenverklaring inconsistenties bevatten.16
Invloed op de uiteindelijke beslissing
Buitengewone behoedzaamheid werd bij de concrete beoordeling van een zaak gepresenteerd als een eis waaraan moest worden voldaan. Het onderzoek naar de behoedzaamheid vormde het sluitstuk van de beoordeling door het ehrm. Dat bleek bijvoorbeeld uit de zaak S.N. In deze zaak had het ehrm vastgesteld dat de getuigenverklaring van beslissende betekenis was, geen ondervraging had plaatsgevonden en voldoende compensatie was geboden. Het vervolgde met de overweging: ‘The Court reiterates, however, that evidence obtained from a witness under conditions in which the rights of the defence cannot be secured to the extent normally required by the Convention should be treated with extreme care’.17 Het gebruik van het woord ‘however’ veronderstelt dat het ontbreken van de vereiste behoedzaamheid consequenties zou kunnen hebben voor het uiteindelijke oordeel. Het ehrm heeft echter nooit een schending van het ondervragingsrecht aangenomen op de enkele grond dat de zittingsrechter er onvoldoende blijk van had gegeven zorgvuldig met de verklaring van een niet of beperkt door de verdediging ondervraagde getuige te zijn omgegaan. In slechts één zaak heeft het ehrm vastgesteld dat de nationale rechter onvoldoende behoedzaamheid had betracht. In die zaak was de verklaring van de niet door de verdediging ondervraagde getuige van beslissende betekenis, een omstandigheid die de vaststelling van een schending vermoedelijk reeds zelfstandig droeg.18 Andersom zou bij niet-beslissende getuigenverklaringen reeds geen schending van het ondervragingsrecht zijn aangenomen vanwege het geringe belang van de getuigenverklaring. Het ontbreken van voldoende behoedzaamheid zou daar vermoedelijk geen verandering in hebben gebracht.
Uit het voorgaande volgt dat de beslissing of het ondervragingsrecht al dan niet was geschonden, nooit afhankelijk is geweest van het al dan niet in acht nemen van de eis van extreme care. Deze eis moest mogelijk vooral worden beschouwd als een aansporing voor de nationale rechters om hun beslissingen voldoende te motiveren.19 Dit werd bevestigd door het gegeven dat in verreweg de meeste Straatsburgse uitspraken niet expliciet aandacht werd besteed aan de vraag of de rechter zich voldoende rekenschap had gegeven van de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring.