Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/II.6.2
II.6.2 Verlichte kritiek op het inquisitoire proces
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS599782:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ik nam ter hand: Beccaria (1764) 1982; Servan 1766; Voltaire 1766; Letrosne 1777; Marat (1780) 1790; De Pastoret 1790. Zie voor een uitvoeriger overzicht Dupont 1979, p. 26-27.
Esmein 1882, p. 348. Uiteraard beschrijft Esmein de algemene tendens. Eerder al kritisch waren bijv. Spee von Langenfeld (1631) 2003; Nicolas 1682.
De aandacht gaat doorgaans uit naar de humanitaire vooruitgang die de Verlichting het strafrecht heeft gebracht. Op de instrumentaliteit van het strafrecht gerichte aandacht en invloed kan de Verlichting echter niet worden ontzegd. Zie daarover Dupont 1979, i.h.b. p. 78-91; Groenhuijsen 2002, p. 23-24.
Lettres de cachets waren Koninklijke brieven die onder andere een machtiging tot vrijheidsbeneming konden inhouden, zonder dat daar enige vorm van proces aan vooraf hoefde te gaan. Zij werden in de achttiende eeuw een symbool van despotisme.
De sellette was een stoeltje of krukje waarop de verdachte plaats moest nemen. Het formaat en de lage positie ten opzichte van de rechter maakten het in de ogen van hervormingsgezinden een symbool van de onderdrukking en minachting van de verdachte.
In dezelfde zin Stuckenberg 1998, p. 24. Zie over de kritiek op het Franse strafproces voorafgaand aan de revolutie onder meer Esmein 1882, p. 348 e.v.; Hertz (1887) 1972, p. 35 e.v.
Zo achtte Montesquieu ((1748) 1956, deel 1, boek 12, hfdst. 2, p. 196-197) de mogelijkheid van een onterechte veroordeling funest voor de politieke vrijheid van de burger. De politieke vrijheid van het individu berust namelijk op diens gevoel van veiligheid en “Cette sûreté n’est jamais plus attaqué que dans les accusations publiques ou privées. C’est donc de la bonté des Loix criminelles que depend principalement la liberté du Citoyen [...] Quand l’innocence des citoyens n’est pas assurée, la liberté ne l’est pas non plus.”
Zie bijvoorbeeld Servan 1766: “Ayons le courage de nous rappeler le souvenir de ces histoires consignées dans toutes les archives de magistrature; de ces fatales erreurs qui ont fait périr l’innocence sous les apparences du crime. Juges malheureux mais excusables, vain jouet d’un hasard cruel qui se plaisoit à marquer une tête innocente de tous les caractères du crime.” Beroemd zijn in dit opzicht voorts de geschriften van Voltaire. Foret (2007, i.h.b. p. 34, 105 en 128) ziet gerechtelijke dwalingen als de primaire oorzaak voor de publieke consensus die in het laatste gedeelte van de 18e eeuw ontstond over de onschuldpresumptie.
Dat de onschuldpresumptie als mensenrecht een reactie vormde op het strafrecht van het Ancien Régime wordt tamelijk algemeen aanvaard. Zie onder meer ook de Nederlandse auteurs Keijzer 1987, p. 242; Uit Beijerse 1998, p. 8-9; L. Stevens, “Art. 271 Sv”, in: Melai/Groenhuijsen, aant. 7.9; Van Sliedregt 2009, p. 32. Dat de humanisering van het strafrecht al eerder en geleidelijker inzette, zoals Broers (2015) op basis van case study betoogt, doet daar niet aan af, alhoewel het een belangrijke nuance is op de karakterisering van het ‘oude’ strafproces als “barbaars gruwelsysteem” (aldus Vermeersch 2014, p. 8; Verhofstadt 2014, p. 299).
Onder invloed van de aanvankelijk vooral op staatkundige en politieke machtsverhoudingen gerichte theorieën en kritiek, kreeg het recht in het verlichtingsdenken nadrukkelijker een rechtsbeschermende functie als remedie tegen onbegrensde en willekeurig toegepaste staatsmacht. Ook het strafrecht wordt in de tweede helft van de achttiende eeuw een geliefd thema onder vertegenwoordigers van de Verlichting.1
Het inquisitoire en veelal geheime strafproces, dat in Frankrijk tot het eind van de 17e eeuw nog vrijwel zonder moeite was geaccepteerd,2 werd nu op diverse punten aangevallen. Dat systeem was onvoldoende rationeel en de toepassing ervan te willekeurig. Een rationeel systeem zou humaner, georganiseerder en efficiënter moeten zijn.3 Onder andere willekeurige vrijheidsbeneming, al dan niet door middel van lettres de cachets,4 onbepaalde duur van die vrijheidsbeneming, het afdwingen van bekentenissen door middel van de pijnbank, de detentieomstandigheden van niet-veroordeelden, het verhoor op de sellette,5 de willekeurige poenae extraordinariae die niet op de wet waren gebaseerd en geen schuldbewijs vereisten, het ontbreken van een recht op verdediging en de verplichting van de verdachte een waarheidseed af te leggen, waren de hervormingsgezinden een doorn in het oog. Ook het positief-wettelijk bewijsstelsel moest het ontgelden.6
Onder meer de aandacht voor de mogelijk onschuldige die in een strafproces verzeild is geraakt, nam fors toe.7 Gerechtelijke dwalingen droegen daartoe bij.8 In het oude strafrecht was weliswaar steeds benadrukt dat een onterechte veroordeling moest worden voorkomen, maar dat nam niet weg dat de niet-veroordeelde als verdachte of niet-vrijgesprokene aan veel leed was blootgesteld. Deze toestand van het strafrecht in het Ancien Régime werkte als katalysator voor de gedaantewisseling die de onschuldpresumptie daarna onderging.9