Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/7.3.1.1.3
7.3.1.1.3 Zuivering van het verzuim en verplichte termijnstelling?
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90755:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 4, paragraaf 4.2.1.3 over de toepasselijkheid van de bepalingen inzake goederenkrediet op een overeenkomst met een eigendomsvoorbehoud.
Art. 7:95 lid 4 BW bepaalt echter dat de rechter kan besluiten om deze regeling buiten toepassing te laten, indien de leverancier een redelijk belang heeft bij weigering van de teruggave.
Gedacht kan worden aan de situatie waarin de leverancier de distributiekanalen en verkoopprijzen zelf in de hand wil houden. Art. 6:278 BW biedt mogelijk bescherming aan de curator of pandhouder in dit geval.
Katan, GS Verbintenissenrecht, art. 6:86 BW, aant. 9.3; Asser/Sieburgh 6-I 2016/402.
Vgl. art. 6:150 BW. Struycken, Bb 2016/53, voetnoot 4; Faber & Kortmann, JOR 2016/287, onder 13; Faber, JOR 2016/321, onder 5; Schuijling, RMT 2017/1, paragraaf 5.2; Verheul, TVI 2017/10, paragraaf 3.2. Anders: Stadig, Krieckaert & Jansen, TvI2017/5, voetnoot 3.
Vriesendorp 1985, p. 74-76; Wessels 1988, p. 166; Van Zanten 2012, p. 94-95, 110-111; Reehuis 2013, nr. 90; Verheul 2018, p. 169-172.
De koper kan zijn verzuim nog zuiveren tot het moment van ontbinding van de koopovereenkomst.1 In dat geval zal hij dienen aan te bieden de prestatie na te zullen komen en de schadevergoeding en kosten die verschuldigd zijn geworden te voldoen (art. 6:86 BW). Art. 7:95 BW maakt hierop een uitzondering voor een overeenkomst van goederenkrediet.2 Uit deze bepaling in verbinding met art. 7:90 BW volgt dat de koper het verzuim kan zuiveren gedurende twee weken na de afgifte van de zaak aan de leverancier en dus ook na de ontbinding van de overeenkomst.3 Dit leidt tot de ongedaanmaking van de ontbinding volgens het tweede lid. Hiervoor moet de koper het opeisbare en achterstallige bedrag betalen (art. 7:95 lid 1 BW). Door deze inlossing wordt de ontbinding ongedaan gemaakt volgens art. 7:95 lid 2 BW. Dit betekent dat met terugwerkende kracht de ontbinding nooit heeft plaatsgevonden. Dit lijkt op een vernietiging van de ontbinding te duiden. De overeenkomst van goederenkrediet herleeft; de koper is eigenaar onder opschortende voorwaarde gebleven en houder van de zaken op grond van machtsverschaffing ex art. 3:91 BW. De leverancier heeft echter de feitelijke macht over de zaken. Op grond van de herleefde overeenkomst kan de koper afgifte van de zaken vorderen, zodat hij weer onmiddellijk houder is. Art. 7:95 lid 1 BW verplicht de leverancier tot afgifte.
Buiten het geval van art. 7:95 BW kan de curator of een derde, bijvoorbeeld de schuldeiser met een pandrecht op de voorwaardelijke eigendom, besluiten om het verzuim te zuiveren door de vordering van de leverancier en een eventuele schadevergoedingsvordering of kosten te voldoen zolang de overeenkomst nog niet is ontbonden (art. 6:30 jo art. 6:86 BW). Betaling kan leiden tot de vervulling van de opschortende voorwaarde, waardoor de koper onvoorwaardelijk eigenaar wordt en de zaak in de failliete boedel valt.
In de meeste gevallen zal de leverancier akkoord gaan met de betaling van de koopprijs door een derde. Hij krijgt immers zijn vordering voldaan. Er zijn echter ook gevallen denkbaar waarin de leverancier de zaken wil terugnemen. Dit kan het geval zijn als de zaken in waarde zijn gestegen of als hij niet wil dat ‘zijn’ zaken door de curator (of de pandhouder) verkocht worden.4
De leverancier zal echter in beginsel gehouden zijn om akkoord te gaan met de voldoening van zijn vordering door een derde (art. 6:30 BW). Een onterechte weigering kan leiden tot schuldeisersverzuim in de zin van art. 6:58 BW.5 Weigert de leverancier bijvoorbeeld een aanbod tot volledige betaling van de pandhouder die een pandrecht heeft op de voorwaardelijke eigendom van de koper, dan kan deze weigering ten onrechte zijn waardoor de leverancier in schuldeiserverzuim raakt op grond van art. 6:73 BW. Verdedigbaar is dat de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud onder het toepassingsbereik van art. 6:62 BW valt.6 Op grond van deze bepaling is een schuldeiser die in verzuim is niet bevoegd om executiemaatregelen te treffen. De toepassing van art. 6:62 BW op het eigendomsvoorbehoud brengt mee dat de leverancier zijn eigendomsvoorbehoud niet kan uitoefenen en de curator of pandhouder de bevoegdheid heeft om de koopprijs te betalen en hiermee de opschortende voorwaarde te vervullen. Ook kunnen zij bij de rechter vorderen dat de voorwaarde waaronder de zaak is overgedragen voor vervuld geldt op grond van art. 6:60 jo. 3:92 lid 3 BW.
Het zuiveren van verzuim is niet mogelijk als de leverancier de koopovereenkomst al heeft ontbonden. Betaling heeft in zo’n geval niet tot gevolg dat de voorwaardelijke eigendom uitgroeit tot onvoorwaardelijke eigendom. Brengt dit mee dat de leverancier de curator of een derde een termijn moet geven om het verzuim te kunnen zuiveren voordat hij overgaat tot uitoefening van het eigendomsvoorbehoud? Bij het recht van reclame bepaalt de wet uitdrukkelijk dat in de verklaring tot terugvordering van de zaken door de leverancier een redelijke termijn voor – kort gezegd – nakoming moet worden geboden aan de curator. De wet kent geen vergelijkbare regeling voor het eigendomsvoorbehoud. De leverancier lijkt dus niet verplicht te zijn om een redelijke termijn te stellen.
Desondanks kan de leverancier niet steeds direct overgaan tot ontbinding zonder een aanbod tot voldoening af te wachten. Dit is onder bijzondere omstandigheden in strijd met de redelijkheid en billijkheid of kan misbruik van bevoegdheid zijn. Hij ontneemt de koper, de curator en/of de pandhouder het recht om (een pandrecht op) de volledige eigendom te verkrijgen, terwijl de leverancier de zaken wel heeft overgedragen onder de opschortende voorwaarde van betaling van de koopprijs. Zij hebben daarnaast een gerechtvaardigd belang bij betaling. In het concrete geval moet steeds worden afgewogen welk belang zwaarder weegt: het belang van de leverancier om het eigendomsvoorbehoud uit te oefenen en de eigendom te herkrijgen, of het belang van de koper, de boedel of de pandhouder om door betaling (een pandrecht op) de onvoorwaardelijke eigendom te verkrijgen.
De leverancier kan zelf ook duidelijkheid willen verkrijgen van de curator of hij de overeenkomst al dan niet wil nakomen. Op grond van art. 37 Fw kan de leverancier aan de curator een termijn stellen. Art. 37 Fw is van toepassing, omdat zowel de koper als de leverancier heeft zijn verplichting nog niet geheel vervuld. De koper heeft de koopprijs nog niet (volledig) betaald. De verplichting van de leverancier tot verschaffing van de onvoorwaardelijke eigendom is ook nog niet volledig nagekomen.7 Binnen de gestelde termijn dient de curator te besluiten of hij de overeenkomst wel of niet gestand doet. Doet hij de overeenkomst gestand, dan dient hij zekerheid te stellen. Het Duitse, Belgische en Amerikaanse recht kennen geen met art. 37 Fw vergelijkbare bepaling, omdat de leverancier niet (onverwijld) zijn rechten geldend kan maken tijdens het faillissement van de koper. De regie ligt in deze rechtsstelsels bij de curator of de Bankruptcy Court die beslist of de overeenkomst wordt nagekomen.