Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/7.3.4
7.3.4 Het Amerikaanse recht
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90827:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Hiervan staat los dat de leverancier het contract moet beëindigen.
Zie hierover uitgebreid White & Summers 2010, hoofdstuk 34. §9-623 UCC geeft de koper de mogelijkheid om het verzuim te zuiveren door middel van the right to redeem. Dit is vergelijkbaar met de Nederlandse rechtsfiguur van lossing. De koper kan zijn onderpand terugkrijgen indien hij (1) alle verplichtingen vervuld die zijn gesecureerd door dit onderpand en; (2) alle redelijke kosten en advocaatkosten betaalt zoals omschreven zijn in §9-615(a)(1) UCC.
Een waardedaling- of stijging is alleen bij deze wijze van executie relevant. Bij een strict foreclosure wordt namelijk afgesproken dat de gehele vordering of een vooraf afgesproken gedeelte daarvan voldaan wordt geacht te zijn en bij lossing wordt de vordering van de leverancier voldaan.
White & Summers 2010, p. 901.
Hij voorkomt hiermee ook dat zijn purchase-money security interest in rang komt na een zekerheidsrecht dat wordt gevestigd ten gunste van een debtor-in-possession’-financier.
Dit is afhankelijk van de gekozen faillissementsprocedure, zie Chapter 7 en 11 van de Bankruptcy Code en de §363-sale.
Zie hierover Lopucki & Warren 2012, p. 98-102.
In het Nederlandse, Duitse en Belgische recht kan de leverancier zich de eigendom van de geleverde zaak voorbehouden. Is de koper in verzuim met de voldoening van de koopprijs, dan kan de leverancier de zaken revindiceren.
In het Amerikaanse recht is dit anders. De leverancier kan zich niet de eigendom van de zaken voorbehouden, maar vestigt en voltooit een beperkt zekerheidsrecht, een purchase-money security interest, op de zaken. Is de koper in gebreke met de betaling van de opeisbare koopprijsvordering en dus in default, dan kan de leverancier deze zaken executeren.1 Met het oog hierop eist de leverancier de zaken eerst op grond van het recht op self-help repossession (§9-609 UCC).2 Biedt de koper weerstand bij het afgeven van de zaak, dan dient de leverancier naar de rechter te stappen om een gerechtelijk bevel tot bezitsverkrijging te krijgen. De zekerheidsnemer mag namelijk alleen de zaken zelf in zijn feitelijke macht brengen als dit geschiedt zonder a breach of the peace, §9-609(b)(2) UCC. Met een gerechtelijk bevel kan de sheriff de zaak ophalen bij de koper. Naar Nederlands recht zou dit een verlof tot het leggen van beslag zijn, waarna de deurwaarder wordt ingeschakeld om het beslag te leggen.
Vervolgens kan de leverancier de zaken op drie wijzen executeren.3 Ten eerste kan de leverancier het onderpand buitengerechtelijk executeren door middel van een verkoop, door de zaken in lease te geven, een licentie uit te geven of de zaak anderszins ter beschikking te stellen aan een derde (§9-610 UCC).4 Ten tweede kan de leverancier kiezen voor een gerechtelijke verkoop (§9-601(a)(1) UCC). In beide gevallen dient het verkoopproces een commercially reasonable sale te zijn.5 Hierbij gaat het niet zozeer om de hoogte van de executieopbrengst, maar om de wijze van executie. Gekeken wordt bijvoorbeeld of de zaak is verkocht op een erkende marktplaats en of de marktstandaarden in acht zijn genomen.
Bij deze twee wijzen van executie ontstaat een opbrengst die wordt uitgekeerd aan de executerende leverancier. Hij verdeelt de opbrengst na aftrek van de executiekosten overeenkomstig de rangorde tussen de zekerheidsnemers en keert het surplus uit aan de koper.6 Op grond van de purchase-money security interest kan de leverancier zich als eerste verhalen op de executieopbrengst voor zijn vordering op de koper. Het overschot, dat bijvoorbeeld kan zijn ontstaan door een waardestijging van de zaak, komt toe aan lager gerangschikte schuldeisers of de koper. Is de executieopbrengst daarentegen lager dan de vordering van de leverancier, bijvoorbeeld door een waardedaling van de zaak, dan behoudt hij voor dat gedeelte zijn vordering op de koper.7
Een derde wijze van executie is de strict foreclosure (§9-620, 621, 622 UCC). Dit houdt kort gezegd in dat de zaken bij de leverancier verblijven. Hij accepteert het onderpand als de gehele of gedeeltelijke voldoening van zijn vordering op de koper. De leverancier doet hiertoe een aanbod aan de koper die met deze wijze moet instemmen, hetgeen pas mogelijk is nadat de koper in verzuim is geraakt. De koper kan dus niet bij voorbaat instemmen met deze wijze van executie. De koper kan zowel expliciet als impliciet instemmen. Hij wordt geacht akkoord te zijn, indien hij niet binnen twintig dagen een mededeling van afwijzing stuurt aan de leverancier. Hierop geldt een uitzondering als de executie slechts leidt tot een gedeeltelijke voldoening van de vordering van de leverancier. In dat geval moet de koper schriftelijk akkoord gaan met deze wijze van executie.8 De leverancier dient ook andere personen met een recht op dit onderpand in te lichten door zijn voorstel tevens aan deze personen te sturen. Zij kunnen schriftelijk bezwaar maken tegen deze wijze van executie. Doen zij dit niet, dan kan de strictforeclosureplaatsvinden (§9-620 sub a UCC).
Is de koper failliet verklaard, dan wordt de executiebevoegdheid van de leverancier opgeschort door de automatische afkoelingsperiode van §362 (a) B.C. Daarnaast moet de leverancier de Bankruptcy Court informeren over zijn met een purchase-money security interest gesecureerde vordering en van zijn voornemen om de zaken te executeren (§501 B.C.).9 Vervolgens kan de leverancier opheffing van de afkoelingsperiode vorderen bij de Bankruptcy Court om de met de purchase-money security interest bezwaarde zaken te executeren. Deze vordering wijst de Bankruptcy Court toe, tenzij de koper (als debtor-in-possession) of curator adequate protection biedt aan de leverancier dat zijn vordering wordt voldaan.10 Ondanks het aanbod tot adequate protection wordt de afkoelingsperiode toch opgeheven ten gunste van de leverancier indien duidelijk is dat niets van de executieopbrengst in de boedel zal vloeien en de zaken niet nodig zijn voor een effectieve reorganisatie (§362 (d) sub 1 en 2 B.C.).11
Kortom, buiten faillissement heeft de leverancier veel vrijheid bij de wijze en inrichting van de executie. Tijdens faillissement wordt hij daarin beperkt door de automatische afkoelingsperiode. Hij kan echter opheffing vragen en vervolgens tot executie overgaan.