Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/7.3.1.4
7.3.1.4 Het voorbehouden pandrecht
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90830:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3:248 BW.
Heeft de leverancier een vuistloos pandrecht, dan kan hij ervoor kiezen om dit pandrecht om te zetten in een vuistpandrecht, art. 3:237 lid 3 BW. Pandhoudersbeslag laat ik buiten beschouwing, zie art. 430 lid 3 jo. art. 491 lid 1 jo. art. 439 lid 1 Rv of art. 496 lid 1 Rv. Zie ook Steneker 2012, nr. 42.
Zie voor de vereisten voor verzuim, hoofdstuk 7, paragraaf 7.3.1.1.1.
HR 14 februari 2014, NJ 2014/264 (Feenstra q.q./ING).
Zie onder meer Wessels, Insolventierecht III 2013, nr. 3473; Van Zanten & Kaptein, TVI 2013/10; Verstijlen, TvI 2016/28; Van Galen, TvI 2016/29.
Zie hierover hoofdstuk 6, paragraaf 6.3.1.2.
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/916, 935; Wessels 2013, Insolventierecht VII, nr. 7137b; Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/495; Snijders & Rank-Berenschot 2017/711-712, 732; Polak/Pannevis 2017, paragraaf 11.7.5. Vgl. ook HR 5 november 1993, NJ1994/258 (DutchAir/De Bary).
Heeft de leverancier zich een pandrecht op de geleverde zaken voorbehouden, dan kan hij de verpande zaken executeren als de koper in gebreke is met voldoening van de koopprijs. De wet kent hem het recht van parate executie toe.1 Hij kan de zaken executeren zonder dat hij beslag hoeft te leggen of een executoriale titel dient te verkrijgen.2 Wel is vereist dat de koper in verzuim is met voldoening van zijn schuld.3
De executie geschiedt door middel van een openbare of onderhandse verkoop. De hoofdregel is een openbare verkoop, art. 3:250 BW. Vanaf het moment dat de koper in verzuim is, kunnen partijen ook overeenkomen dat de executie onderhands geschiedt, art. 3:251 lid 2 BW. Dit kan bijvoorbeeld inhouden dat de pandgever namens de pandhouder executeert door een opheffingsuitverkoop te houden.4 Ook kan de pandhouder een toestemming verkrijgen van de voorzieningenrechter om onderhands te executeren (art. 3:251 lid 1 BW).
Door de executie ontstaat een executieopbrengst waarop de leverancier zich met voorrang kan verhalen tot de hoogte van zijn vorderingen (art. 3:253 BW). Een overschot moet hij afdragen aan de koper, pandhouders met een lagere rang of beslagleggers op de zaak. Een waardestijging van de zaak komt dus toe aan (één van) hen en niet aan de leverancier. Ook kan de leverancier met een pandrecht, anders dan met een eigendomsvoorbehoud, de zaken niet terugnemen en zich toe-eigenen. Dit verbiedt art. 3:235 BW. De pandhouder kan de zaak wel bij hem laten verblijven, maar heeft daarvoor toestemming nodig van de voorzieningenrechter (art. 3:251 lid 1 BW).
Tijdens het faillissement van de koper is de leverancier separatist en kan hij zijn pandrecht uitoefenen als ware er geen faillissement (art. 57 Fw). Hij hoeft zijn vordering niet ter verificatie in te dienen bij de curator, tenzij hij na de uitwinning van zijn zekerheidsrecht een restvordering overhoudt (art. 59 Fw). De kredietnemer dient wel in verzuim te zijn. In de meeste kredietdocumentatie is bepaald dat de faillietverklaring van de kredietnemer terstond leidt tot opeisbaarheid van de vordering. Dit volgt ook uit art. 6:40 sub a BW. De curator kan de leverancier op grond van art. 58 Fw een redelijke termijn stellen waarbinnen hij tot uitoefening van zijn rechten dient over te gaan.5 Evenals bij het eigendomsvoorbehoud kan de leverancier tijdens een afgekondigde afkoelingsperiode ex art. 63a Fw geen executiemaatregelen nemen.
In de hierboven beschreven gevallen dient de leverancier ook rekening te houden met de meldingsplicht in art. 22bis Iw. Voordat de leverancier kan executeren of de zaken in vuistpand kan nemen, dient hij melding te doen van zijn voornemen aan de fiscus indien het bodemzaken betreft. Vervolgens moet hij een wachttermijn van vier weken in acht nemen voordat hij de zaken in vuistpand kan nemen of gaan executeren.6 In deze periode kan de fiscus zich met het bodemvoorrecht verhalen op de bodemzaken in rang vóór het stille pandrecht. Tijdens faillissement kan de fiscus dit niet. De curator kan het belang van de fiscus behartigen en bij de executie door de pandhouder afdracht van een bedrag ter hoogte van de vordering van de pandhouder verlangen.7