Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/3.1
3.1 Bewijs van voorlopige dekking
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS360643:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over aanbod en aanvaarding nader hierna onder 3.2.
De overeenkomst geldt voor de duur van de vooraf door de verzekeraar aangegeven periode van voorlopige dekking en eindigt - ingeval de verzekeraar niet accepteert - zodra die periode afloopt.
Rb. Utrecht 12 juli 1972, VR 1978, 42.
Hof Den Haag 17 december 2002 en 11 november 2003, S&S 2004, 47. Ook de Raad van Toezicht gaat uit van toepasselijkheid van algemene voorwaarden tijdens de voorlopige dekking, zie RvT nr. V-94/23. Zie verder Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 131.
Anders W. Luiten, 'Voorlopige dekking', in de Wansink-bundel, p. 332, die - zonder nadere motivering - ervan uitgaat dat de verzekerde de vernietigbaarheid van de hem onwelgevallige bepaling kan inroepen. Zonder in het kader van dit boek op de onderhavige materie nader in te willen gaan, merk ik nog op dat het niet toestaan van een beroep op vernietigbaarheid op de grond van niet/te laat ter hand stellen meteen de discussie over de kernbedingen wegneemt. Een kernbeding - zie later in de hoofdtekst onder 3.3.3 - is immers (evenmin) vernietigbaar op grond van art. 6:233 aanhef en onder b jo. 6:234 BW. Wel blijft voor verzekeringnemer de mogelijkheid bestaan om zich te beroepen op het ontbreken van wilsovereenstemming ten aanzien van een dergelijk beding. Zie daarover nader onder 3.3.
Vgl. ook art. 57 Bgfo Wft dat voor de situatie waarin - in de gebezigde terminologie -'onmiddellijke dekking noodzakelijk is', voor andersoortige informatie ook van de financiële dienstverlener verlangt dat deze onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst wordt verstrekt. De 'bescherming' die verzekeringnemer - er is bij de voorlopige dekking strikt genomen immers sprake van een overeenkomst op afstand - zou kunnen ontlenen aan art. 4:28-30 Wft en het daarop gebaseerde art. 78 van de Bgfo Wft, lijkt hier in de praktijk nauwelijks of geen betekenis te hebben nu het daar bedoelde ont-bindingsrecht niet van toepassing is op verzekeringsovereenkomsten met een looptijd van minder dan een maand en daarvan zal toch bij voorlopige dekkingen in de regel sprake zijn (zie. 4:28, lid 4 onder b, Wft).
Raad van Toezicht 3 april 1995, nr. III-95/20.
De casus is vrij ontleend aan meergenoemde uitspraak van de Raad van Toezicht van 3 april 1995, RvT nr. III-95/20. De Raad komt aan enige overweging ten aanzien van bewijsrechtelijke implicaties van een en ander niet toe en doet de zaak af op bij de verzekeringnemer als aanwezig bekend veronderstelde informatie af.
Vgl. voor Duitsland in dezelfde zin Prölls/Martin 2004, p. 94 en met name BGH 19 maart 1986, VersR 1986, p. 541 e.v. Voorts wordt verwezen naar het arrest van het BGH van 13 november 1985, VersR 1986, p. 131, waarin het hof oordeelt dat de afwijzing van dekking door de verzekeraar met een beroep op een frauduleuze antidatering van de voorlopige dekking in samenspel met de gevolmachtigd agent de facto een 'zelfdragend verweer' is dat niet ziet op een betwisting van het afgeven van een voorlopige dekking als zodanig, maar op nietigheid daarvan ingevolge par. 138 Abs. 1 BGB. Mitsdien rust alsdan de stelplicht en bewijslast op de verzekeraar.
Bij een keuze voor het gebruik van e-mailverkeer dient rekening te worden gehouden met de bijzondere eisen die in dat kader ingevolge art. 7:932 BW en het daarbij behorende Besluit van 8 februari 2008, Stb. 2008, 45 worden gesteld. Zie hiervoor in 2.3
Een dergelijke zorgplicht wordt - anders dan verwacht zou kunnen en mogen worden -in de Wft niet weergegeven. Wel geeft, vergelijkbaar, art. 32 van het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen (Bgfo Wft) in het kader van de controleerbaarheid van gegeven advisering een dergelijke administratieverplichting.
Teneinde in voorkomende gevallen te voorzien in de behoefte van de verzekeringnemer aan onmiddellijk ingaande dekking bestaat de mogelijkheid dat de verzekeraar voorlopige dekking verleent. Door deze vorm van dekking ontstaat een evenwicht tussen het belang van verzekeringnemer bij het onmiddellijk verkrijgen van dekking en dat van verzekeraar, die gedurende de periode van voorlopige dekking van bijvoorbeeld zeven of veertien dagen, in de gelegenheid is te komen tot een verantwoorde risicobeoordeling. Na het (in de regel: telefonisch) verlenen van de voorlopige dekking dient de verzekerde binnen een door de verzekeraar gestelde termijn alsnog een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier terug te sturen en kan de verzekeraar vervolgens alsnog overgaan tot de volledige beoordeling van het risico. De verzekeraar zal zich daarop uitlaten over de vraag of hij het aangeboden risico (zoals dat is vervat in het ingevulde en ondertekende aanvraagformulier) wenst te accepteren of niet.1 Wat bijzonder is aan de voorlopige dekking in relatie tot de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst, is dat de dekking doorgaans mondeling aangevraagd wordt, dat de verzekeraar in beginsel genoegen neemt met summiere gegevens en dat er vervolgens, met het eveneens mondeling verlenen van die (voorlopige) dekking, wel degelijk een volwaardige, zij het tijdelijke overeenkomst tot stand komt. 2 De verzekeraar is gehouden om, ingeval zich in de periode tussen het verlenen van de voorlopige dekking en die van de beslissing omtrent de voortzetting van de overeenkomst een schade valt, deze te vergoeden.3
Voorlopige dekking en algemene voorwaarden
In het licht van de problematiek van de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst is interessant te bezien hoe dit (relatief gemakkelijk) verlenen van voorlopige dekking zich verhoudt tot de bescherming die afdeling 6.5.3 BW aan de verzekeringnemer beoogt te bieden. Ook ingeval er voorlopige dekking verleend wordt, immers, zijn voor de inhoud van de dekking in beginsel bepalend de door de verzekeraar gebruikelijk gehanteerde voorwaarden.4 Kan de verzekeringnemer nu, ingeval zich een verzekerd voorval voordoet en de verzekeraar zich ter bevrijding van zijn betalingsverplichting beroept op een of meer bepalingen uit die door hem gehanteerde voorwaarden, een beroep doen op de vernietigbaarheid van die voorwaarde(n) op grond van art. 6:233 aanhef en onder b jo. 6:234 BW (de vernietiging op de grond dat de verzekeraar 'de wederpartij niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen')? Op het eerste gezicht lijkt dat - ook gevoelsmatig - niet gerechtvaardigd, omdat de verzekeraar nu juist vanwege het belang van verzekeringnemer onmiddellijk ingaande dekking verleent.5 Maar tegelijkertijd valt niet goed in te zien waarom van de verzekeraar niet kan en mag worden verlangd dat hij - in het kader van de ingevolge art. 6:234 BW op hem rustende verplichting om de verzekeringnemer een redelijke mogelijkheid te bieden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen - na het verlenen van de voorlopige dekking, tegelijkertijd met het toezenden van het aanvraagformulier die voorwaarden toevoegt met de mededeling dat deze (mede) tijdens de duur van de voorlopige dekking zullen hebben te gelden.6 Alhoewel deze toezending van de polisvoorwaarden naar de regel van art. 6:234 BW nog steeds te laat is, is het toch zo dat dit voor de verzekeraar in feite toch de eerste mogelijkheid is om de verzekeringnemer een redelijke mogelijkheid om van die polisvoorwaarden kennis te nemen, in de zin van art. 6:233 lid 2 BW te bieden.
Iets anders is vanzelfsprekend dat de verzekeraar bij gelegenheid van het mondeling verstrekken van voorlopige dekking daaraan bepaalde, met name genoemde voorwaarden kan verbinden. Zoals bijvoorbeeld het overleggen van een taxatierapport over de waarde van een afwijkend type auto of de aanwezigheid van een alarminstallatie (omdat de waarde of het type auto daartoe aanleiding geeft). Dergelijke voorwaarden dienen - er vanuit gaande dat zij tussen partijen duidelijk gecommuniceerd zijn - door de verzekeringnemer in acht genomen te worden. Wat nu, wanneer er gedurende die periode van voorlopige dekking zich een schade voordoet, terwijl aan de door verzekeraar gestelde voorwaarde niet voldaan is? Op dat moment zullen in beginsel de 'gewone', voor een voorwaarde/preventieve garantie geldende spelregels voor bewijs hebben te gelden (zie nader hoofdstuk 10). Voorwaarde daartoe is echter wel dat tussen partijen vaststaat dät die voorwaarde is afgesproken. De bewijslast van dat laatste rust in beginsel op degene die zich daarop beroept, de verzekeraar. Teneinde hierin voor zichzelf te voorzien, alsook om in de onderlinge relatie duidelijkheid te verschaffen over de afgesproken voorwaarden voor voorlopige dekking, is het goed dat de verzekeraar de tussen partijen telefonisch gemaakte afspraken zo spoedig mogelijk schriftelijk bevestigt. De verzekeraar handelt daarmee tevens in overeenstemming met het standpunt van de Raad van Toezicht die in het algemeen juist acht dat een voorlopige dekking, zeker als daarbij beperkende voorwaarden worden gesteld, zo spoedig mogelijk schriftelijk wordt bevestigd.7 De vraag die in dit kader rijst, is hoe de bewijsrechtelijke verhoudingen liggen, indien er in die periode van voorlopige dekking -al dan niet in de periode dat de dekkingsvoorwaarden door de verzekeraar bevestigd zijn - zich een verzekerd voorval voordoet.
Bewijs van voorlopige dekking
Hoewel mij - anders dan de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad van Toezicht - geen zaken op dit punt bekend zijn, is voorstelbaar dat tussen partijen ter discussie staat of en zo ja, onder welke voorwaarden voorlopige dekking wel verleend is. Bijvoorbeeld in het kader van het verlenen van een aan de voorlopige dekking te stellen voorwaarde, zoals de zo-even genoemde voorwaarde tot plaatsing van een deugdelijk alarmsysteem omdat het type auto daartoe aanleiding geeft. Stel, verzekeringnemer belt de verzekeraar met het verzoek om voorlopige dekking voor een zojuist door hem aangeschafte Porsche. De verzekeraar geeft, zo staat tussen partijen vast, in het telefoongesprek aan dat hij tot dekking van het risico in beginsel wel bereid is, maar dat een auto als de onderhavige zonder een alarminstallatie tegen het cascorisico niet te verzekeren is. Verzekeringnemer, die de noodzaak voor de plaatsing van een alarm ook wel ziet, gaat meteen op onderzoek en vindt een installatiebedrijf waar hij over vier dagen terecht kan. Verzekeringnemer belt nog dezelfde middag de verzekeraar op om hem te informeren over de door hem voor later in die week gemaakte afspraak tot inbouw van de vereiste installatie. De verzekeraar neemt het bericht voor kennisgeving aan en maakt een notitie. Nog voordat de installatie geplaatst kan worden, wordt de auto gestolen.
Bij de beoordeling van een casus als de onderhavige8 dient vooropgesteld te worden dat het in beginsel aan de verzekeringnemer is om te stellen en zo nodig te bewijzen dat door verzekeraar voorlopige dekking is verleend en tegen welke risico's.9 Ingeval door de verzekeraar - in lijn met de op hem rustende verplichtingen uit hoofde van tuchtrechtspraak/Wft -daags na het telefoongesprek een bevestiging daarvan is uitgegaan, waarin hij aangeeft dat, onder welke voorwaarde en, daarmee samenhangend, vanaf wanneer tot wanneer dekking is verleend, kan deze bevestiging voor partijen de benodigde duidelijkheid verschaffen. Enerzijds voor de verzekeringnemer omdat door de bevestiging aanstonds duidelijk is of hij en zijn wederpartij, de verzekeraar, van dezelfde uitgangspunten uit (zijn) (ge)gaan. Het risico dat verzekeringnemer zich mogelijk ten onrechte verzekerd waant (bijvoorbeeld gedurende de periode waarin hij in afwachting is van het inbouwen van de alarminstallatie), neemt daardoor af. Bovendien stelt het hem in de gelegenheid om alsnog maatregelen te nemen, ofwel om alsnog (versneld) aan de voorwaarde(n) te voldoen, dan wel om de auto tijdelijk ergens te stallen. Anderzijds verschaft een schriftelijke bevestiging ook duidelijkheid voor de verzekeraar zelf: het is immers, zoals hiervoor aan de orde kwam, aan hem om - er vanuit gaande dat de voorlopige dekking vaststaat - het bewijs van de door hem gestelde voorwaarde bij te brengen. Het is daardoor mede in het eigen belang van verzekeraar dat hij allereerst in het telefoongesprek en daarna ook in de bevestiging de verzekeringnemer uitdrukkelijk erop wijst dat er geen dekking is zolang niet aan de voorwaarde is voldaan.10
Wat nu, indien de auto toevalligerwijs wordt gestolen in de periode voordat de installatie is ingebouwd en voordat de verzekeraar heeft kunnen overgaan tot het toezenden van een bevestiging? Ook dan is in beginsel het bewijs van voorlopige dekking aan verzekeringnemer en hij bevindt zich daarmee in de lastige positie dat hij bewijs moet leveren van feiten en/of omstandigheden, die hij vaak niet anders dan door de eigen verklaringen op dit punt kan bijbrengen. Voor de verzekeraar is dat in zoverre anders, dat van hem in het kader van zijn zorgplicht verlangd mag worden dat hij van hetgeen tussen hem en de (aspirant-)verzekeringnemer besproken is over het verzoek om voorlopige dekking en de beslissing die daarop (vooralsnog) genomen is, aantekening maakt. Ofwel in het computersysteem, dan wel in het dossier (telefoonnotitie).11 Voorstelbaar is onder deze omstandigheden, mede vanuit de gedachte dat het hier relevante informatie betreft in het domein van de verzekeraar (hij weet binnen de gegeven relatie welke gegevens wezenlijk zijn (geweest) in het kader van de besluitvorming), dat de rechter aan hem een 'extra informatieplicht' oplegt. Van de verzekeraar mag hierbij verlangd worden dat hij zijn verweer ('er is geen voorlopige dekking verleend') zodanig adstrueert, dat de partij op wie de bewijslast rust, hieraan aanknopingspunten voor bewijslevering kan ontlenen. Doet hij dat niet, dan kan de rechter daaraan het gevolg verbinden dat hij geraden acht (zie over mogelijke 'sanctionering' op dit punt nader onder1.2.2.2).