Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/9.4
9.4 De eigen positie van de aansprakelijkheidsverzekering
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS357059:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook J.H. Wansink, 'De aansprakelijkheidsverzekering en opzettelijk veroorzaakte schade: een Januskop in beweging', AV&S, nummer 0, december 2000, p. 14-17.
In het Bierglasarrest (HR 30 mei 1975, NJ 1976, 572, m.nt. BW) is - kort weergegeven -bepaald dat voorwaardelijk opzet niet onder uitsluiting valt en dat de twee zwaarste vormen van opzet (opzet als oogmerk en opzet als noodzakelijkheidsbewustzijn) - ook zonder uitsluiting in de polisvoorwaarden - nimmer verzekerbaar zijn omdat in zoverre de overeenkomst in strijd is met de goede zeden en/of de openbare orde.
'In hoeverre vereist opzet van w.a.-verzekerden gerichtheid op de gevolgen?', Vrb 1991, p. 19 e.v. Volgens de zgn. Categorie-benadering is letsel categorie-intern indien het normalerwijze is te verwachten van de opzettelijk verrichte handeling en is het letsel categorie-extern, indien dat het niet is. In het eerste geval is er geen, in het tweede geval is er wel dekking.
HR 6 november 1998, NJ 1999, 200.
Zo ook Mendel zelf in zijn annotatie onder Aegon-Van der Linden, waar hij aangeeft dat 'de Hoge Raad de categoriebenadering categorisch heeft afgewezen'.
In vervolg op de bedoelde uitspraak - doch vóór het hierna in de hoofdtekst bedoeld arrest van de Hoge Raad van 27 juni 2003 - is door verzekeraars de opzetclausule aangepast in die zin dat het opzet niet langer gericht is op het gevolg, maar op de gedraging. Zie hierna meer uitvoerig in de hoofdtekst.
Het is jammer dat - noch in de RvdW -publicatie, noch in de LJN -publicatie het arrest van het gerechtshof integraal is opgenomen. De overwegingen van het Hof Arnhem zijn nu alleen te kennen uit de gedeeltelijke citaten en de eigen weergave van de Hoge Raad.
RvdW 2008, 51. Naast de hier genoemde 'tweede grond' heeft het Hof - langs de lijn van de dwingende bewijskracht die een strafrechtelijk veroordelend vonnis met zich brengt -het opzet, behoudens tegenbewijs door het slachtoffer aanwezig geoordeeld. Zie - in kritische zin - hierboven.
Uitgave Verbond van Verzekeraars met nr. MSS-b-20-002/AAA 2000-002: AVP 2000, een toelichting op de gewijzigde opzetclausule.
Zie voor een eerste toepassing in een zaak waarin opzettelijk geweld werd gepleegd de uitspraak van de Rb. Utrecht van 16 januari 2002, VR 2003, 122, waarin geoordeeld werd dat 'slechts vereist is dat een oorzakelijk verband bestaat tussen de schade en het handelen of nalaten van de verzekerde als bedoeld in die clausule'.
Eveneens uitgesloten is de aansprakelijkheid voortvloeiende uit seksuele gedragingen van een tot een groep behorende verzekerde, ook ingeval de verzekerde zelf zich niet zodanig heeft gedragen.
Zie over het evenwicht tussen dader- en slachtofferbescherming op het punt van seksuele gedragingen meer uitgebreid N. van Tiggele-van der Velde en J.H. Wansink in 'Aansprakelijkheidsverzekering in familieverband', opgenomen in de Ius Communebundel 'Aansprakelijkheid in familieverband', 2003, p. 251 e.v.
Zie voor een uitspraak in deze zin de president in kort geding Rb. Arnhem van 12 november 2001, KG 2001, 290, waarin doorslaggevend werd geacht dat het handelen van de dader/verzekerde niet is gericht geweest op het toebrengen van traumatische en psychologische gevolgen of klachten, maar op het eigen belang, te weten het bevredigen van een behoefte. Vgl. Hof Arnhem 9 december 2003, NJ F 2004, 142 en VR 2004, 119, waarin geoordeeld werd dat verzekerde zich - mede gelet op zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid - niet ervan bewust was dat hij aan het slachtoffer letsel toebracht.
NJ F 2004, 510.
Naast de hiervoor behandelde vormen van eigen schuld van de verzekerde, met al zijn gevolgen voor de dekking (in de relatie verzekeraar-verzekerde) van dien, heeft eigen schuld - en dan met name in de zin van opzet - in de aansprakelijkheidsverzekering een eigen positie ingenomen. Die positie kenmerkt zich door een duidelijke tweestrijd: enerzijds is het onwenselijk dat de aansprakelijkheidsverzekeraar schade, toegebracht door opzettelijk handelen van zijn aansprakelijke verzekerde aan een derde, onder de polis zou dienen te dekken. Anderzijds is het zo dat slachtofferbescherming met behulp van het aansprakelijkheidsrecht doorgaans alleen met de gelden uit de aansprakelijkheidsverzekering van de aansprakelijke verzekerde daadwerkelijk vorm krijgt en in dat perspectief een uitsluiting voor opzettelijk veroorzaakte schade zo beperkt mogelijk moet zijn. Dit ook vanuit het gegeven dat ook een opzettelijke handeling ongewilde en onvoorziene/onvoorzienbare schade kan veroorzaken en het, juist gelet op de afweging van de wederzijdse belangen, ongewenst is dat voor die schade geen dekking zou bestaan.1
Vanuit die achtergrond is - naar aanleiding van het zogenaamde Bier-glasarrest2 - ervoor gekozen om de opzet te koppelen aan de schade:
'uitgesloten is de aansprakelijkheid van een verzekerde voor schade die voor hem het beoogde of zekere gevolg is van zijn handelen of nalaten'.
Door voor een dergelijke clausule te kiezen heeft de Studiecommissie Opzet van het Verbond van Verzekeraars, zo blijkt uit haar rapport van april 1980, bewust het risico van bewijsproblemen genomen, waar zij opmerkt:
'de bewijslast bij de subjectieve clausule is zwaarder. Maar niet te zwaar, menen wij, want in een aantal extreme gevallen (en daarvoor moet de clausule toch gereserveerd blijven) zal de rechter ons te hulp komen. Hij zal namelijk bij extreme gedragingen het opzet uit de gedraging zelf afleiden.'
De studiecommissie heeft er daarbij duidelijk op gerekend dat (ook) naar het oordeel van de rechter een beroep op de opzet-uitsluiting gerechtvaardigd zou zijn indien het in concreto toegebrachte letsel in de lijn van de zgn. 'Categorie-benadering' van Mendel als een van de aansprakelijkheid scheppende gedraging te verwachten gevolg mocht worden aangemerkt.3 Deze benadering houdt, kort weergegeven, in dat niet de innerlijke gezindheid ten aanzien van het gevolg doorslaggevend is, maar dat er in het belang van een redelijke uitleg een zekere objectivering voorgestaan wordt: letsel is categorie-intern indien het normalerwijze is te verwachten van de opzettelijk verrichte handeling en categorie-extern, indien dat het niet is. In het eerste geval is er geen, in het tweede geval dient er volgens de benadering van Mendel wél dekking onder de polis te zijn.
Vanuit de achtergrond dat opzet een inwendige psychische toestand betreft, die - anders dan bij erkenning door de schadetoebrenger - uitsluitend kan worden bewezen door deze af te leiden uit het (wel) waarneembare gedrag van de verzekerde, zou, in de situatie waarin een cafébezoeker een ander in het gezicht slaat met gebalde vuist voorzien van een ring, hem een kniestoot geeft en hem met geschoeide voet tegen het hoofd schopt, toch zeer verdedigbaar zijn, dat dit soort opzettelijk verrichte handelingen normalerwijze schade aan het hoofd en/of de ogen toebrengt, die als categorie-intern onder de opzetuitsluiting zou horen te vallen.
Blijkens het arrest Aegon-Van der Linden4 heeft de Hoge Raad deze gedragingen echter onvoldoende geoordeeld om het opzet uit af te kunnen leiden, waar hij heeft geoordeeld dat de hierboven weergegeven opzetclau-sule uit 1980 'geen verdere strekking heeft dan van de dekking uit te sluiten de aansprakelijkheid van een verzekerde die het in feite toegebrachte (curs. NvT) letsel heeft beoogd of zich ervan bewust was dat dit letsel het gevolg van zijn handelen zou zijn.' Daarmee heeft de Hoge Raad, naar aangenomen wordt,5 de categoriebenadering verworpen en de op de verzekeraar rustende bewijslast welhaast onmogelijk gemaakt. Opmerkelijk genoeg voegt de Hoge Raad daar zelf nog aan toe dat de rechter 'onder omstandigheden uit de gedragingen van de verzekerde kan afleiden dat deze het letsel heeft beoogd of zich ervan bewust was dat dit letsel het gevolg van zijn handelen zou zijn', maar kennelijk vormde de gegeven casus geen aanleiding voor toepassing van deze overweging ten overvloede.
Kennelijk geschrokken van de uitwerking van het eerdere Aegon/Van der Linden-arrest6 heeft de Hoge Raad in 20037 in een mijns inziens op zichzelf vergelijkbare zaak (eveneens onder de 'oude' opzetclausule) wél gebruik gemaakt van de opengelaten mogelijkheid om uit de gedragingen van de verzekerde af te leiden dat deze het letsel heeft beoogd of zich ervan bewust was dat dit letsel het gevolg van zijn handelen zou zijn. De Hoge Raad is van oordeel dat in het licht van de feitelijke vaststelling van het hof (inhoudende dat de dader/verzekerde het slachtoffer 'heeft geslagen met een voorwerp, te weten een ijzeren staaf, dat geëigend is om ernstig letsel toe te brengen en dat hij met grote kracht tegen het bovenbeen van het slachtoffer heeft geslagen') het oordeel van het hof dat de dader/verzekerde zich ervan bewust was dat het in feite toegebrachte letsel het gevolg van zijn handelen zou zijn, niet onbegrijpelijk is. In deze lijn past ook het arrest van 21 december 2007, waarbij de Hoge Raad de na te noemen door het hof gegeven uitleg karakteriseert als een 'aan het hof als feitenrechter voorbehouden uitleg van de gedingstukken'. Die uitleg is naar het oordeel van de Hoge Raad 'niet onbegrijpelijk'. Hij vat het bedoeld onderdeel van het arrest van het hof als volgt samen:8
'3.3 (...) De tweede grond is dat, gelet op het feit dat [de dader] [het slachtoffer] met een zware hamer meermalen op het hoofd heeft geslagen - handelingen die door het hof zijn aangemerkt als bij uitstek geëigend om het feitelijke toegebrachte ernstige letsel te veroorzaken - geoordeeld moet worden dat [de dader] zich ervan bewust was dat dit letsel het gevolg van zijn handelen zou zijn.'9
De nieuwe opzetclausule van verzekeraars
Teneinde aan dit ongewenste gevolg van de opzetclausule te ontkomen, hebben verzekeraars, blijkens de toelichting10 op de gewijzigde opzetclau-sule, deze zodanig opgezet dat de opzet niet langer is gekoppeld aan het gevolg, maar aan de gedraging. Het opzettelijk karakter van een gedraging moet uit de gedraging zelf afgeleid worden en daarmee lijken de bewijs-problemen te worden vermeden. De tekst van de nieuwe opzetclausuleluidt:
'Niet gedekt is de aansprakelijkheid:
- van een verzekerde voor schade veroorzaakt door en/of voortvloeiende uit zijn/haar opzettelijk en tegen een persoon of zaak gericht wederrechtelijk handelen of nalaten;
- van een tot een groep behorende verzekerde voor schade veroorzaakt door en/of voortvloeiende uit opzettelijk en tegen een persoon of zaak gericht wederrechtelijk handelen of nalaten van één of meer tot de groep behorende personen, ook in geval niet de verzekerde zelf zodanig heeft gehandeld of nagelaten.
Aan het opzettelijk karakter van dit wederrechtelijk handelen of nalaten doet niet af dat de verzekerde of, ingeval deze tot een groep behoort, een of meer tot de groep behorende personen zodanig onder invloed van alcohol of andere stoffen verkeert/verkeren, dat deze/die niet in staat is/zijn de wil te bepalen.'
Met de 'nieuwe' opzetclausule11 wordt beoogd bewijsproblemen te vermijden: enerzijds dus door de opzet niet langer te koppelen aan de gevolgen, maar aan de gedraging zelf, en anderzijds door (a) onder opzet van de individuele verzekerde mede de opzet van de groep te begrijpen (de 'meeloper' kan geen dekking krijgen om de enkele reden dat hij de schade niet zelf opzettelijk heeft veroorzaakt) en (b) de opzetuitsluiting mede te laten gelden indien de verzekerde ten gevolge van alcoholgebruik niet in staat was zijn wil te bepalen (het verweer zoveel te hebben gedronken dat 'verzekerde niet meer wist wat hij deed' gaat daardoor niet op).
In vervolg op de hiervoor omschreven ontwikkelingen en in lijn met de 'nieuwe' opzetuitsluiting bevat de aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren doorgaans een zelfstandige uitsluiting voor seksuele gedragingen, op grond waarvan niet verzekerd is de aansprakelijkheid van een verzekerde12 voor schade veroorzaakt door en/of voortvloeiende uit zijn seksuele of seksueel getinte gedragingen van welke aard dan ook.13
Door deze bijzondere regeling wordt voorkomen dat - zoals onder 'oude' opzetclausule wel gold - voor een geslaagd beroep op de opzetuit-sluiting door de verzekeraar bewezen moet worden dat de verzekerde dader met zijn seksuele daad het opzet had het slachtoffer psychisch schade toe te brengen.14 Vermeldenswaard in dit verband is nog de uitspraak van het Hof Leeuwarden van 19 mei 2004,15 waarin het hof onder gebruikmaking van de door de Hoge Raad in Aegon-van der Linden gelaten opening dat 'uit de gedragingen van de verzekerde afgeleid kan worden dat deze het letsel heeft beoogd of zich ervan bewust was dat dit letsel het gevolg van zijn handelen zou zijn' dekking onder de polis weigert:
'Ten overvloede overweegt het hof dat seksueel misbruik door een ouder van zijn minderjarige kind alleszins geëigend is om ernstige psychische klachten bij het kind te veroorzaken en zulks ook feitelijk pleegt te doen. X (verzekerde dader, NvT) heeft niet gemotiveerd waarom en in hoeverre dit bij zijn dochter anders zou zijn, zodat zijn standpunt niet kan worden gevolgd. Er veronderstellender-wijs van uitgaande dat bij de dochter van X daadwerkelijk psychische klachten zijn ontstaan (X betwist 'serieuze emotionele schade' maar heeft in de procedure niets dan wel onvoldoende [gespecificeerd] gesteld, noch relevante stukken overgelegd, NvT), alsmede dat bedoelde klachten, voor de gevolgen waarvan X dekking onder de polis verlangt, inderdaad door het seksueel misbruik zijn ontstaan, kannaar het oordeel van het hof uit de gedragingen van X - het gedurende een periode van vele jaren meerderen malen seksueel misbruiken van zijn dochter -worden afgeleid dat hij zich ervan bewust was, zoals bedoeld in rechtsoverweging 5, dat psychische klachten van zijn dochter het gevolg van zijn handelen zouden zijn. Naar het oordeel van het hof kan hieraan niet afdoen dat op het moment van het seksuele misbruik - hetzij in het algemeen, hetzij subjectief aan X - mogelijkerwijs nog niet (exact) bekend was wélke psychische klachten hierdoor bij de dochter zouden ontstaan. Voldoende is dat reeds op dat moment duidelijk was dat het seksuele misbruik psychische klachten teweeg zou (kunnen) brengen en hetgeen X te dezer zake heeft gesteld is ten enenmale ontoereikend om tot een ander oordeel daaromtrent te komen. Derhalve snijdt het verweer van X dat in de jaren tachtig nog niet bekend was, althans niet in gelijke mate als thans, welke de te verwachten schade gevolgen van incest zouden zijn, naar het oordeel van het hof geen hout.
8. Nog meer ten overvloede overweegt het hof het volgende. Indien de onderhavige schade niet onder de opzetclausule mocht vallen, komt aan de orde het verweer van Achmea (verzekeraar, NvT) dat in essentie de verzekering niet bedoelt te dekken aansprakelijkheid voor schade wegens het zich willens en wetens bij herhaling seksueel vergrijpen aan zijn dochter. Het hof overweegt dienaangaande het volgende.
9. De door X voorgestane uitleg van de verzekering, in essentie hierop neerkomende dat een dergelijke aansprakelijkheid wél onder de dekking van de verzekering valt, druist naar het oordeel van het hof zozeer in tegen hetgeen als maatschappelijk wenselijk en moreel aanvaardbaar moet worden beschouwd, dat deze uitleg, zo deze niet reeds om die reden dient te worden verworpen, zou leiden tot een tussen partijen geldende regel, ten aanzien waarvan geoordeeld moet worden dat toepassing daarvan in het licht van de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, zodat in elk geval X geen uitkering onder de polis kan vorderen. Derhalve slaagt ook dit verweer van Achmea.'