Einde inhoudsopgave
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/4.4.2
4.4.2 Toelating van financiële instrumenten tot de handel
Mr. G.T.J. Hoff, datum 23-02-2011
- Datum
23-02-2011
- Auteur
Mr. G.T.J. Hoff
- JCDI
JCDI:ADS495067:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De eerste Europese richtlijn waarin het begrip 'toelating tot de handel' voorkwam is de Richtlijn transacties van ingewijden uit 1989. De introductie van het begrip 'toelating tot de handel' is toentertijd geen reden geweest om dit begrip in de Nederlandse voorwetenschapswetgeving te introduceren. Ten tijde van de overheveling van art. 336a Sr naar art. 31a Wte 1992 bij Wet van 1 juli 1992 (Stb. 1992, 378) — dat is de eerste wetswijziging geweest na de inwerkingtreding van de Richtlijn transacties van ingewijden — werd in art. 31a Wte 1992 nog verwezen naar 'effecten die zijn genoteerd op een op grond van artikel 16 erkende effectenbeurs' (cursivering toegevoegd, JH).
Zie ook ESME Report on MiFID and admission of securities to official stock exchange listing van 5 december 2007.
Richtlijn 79/279/EEG van de Raad van 5 maart 1979 tot coordinatie van de voorwaarden voor de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs (Pb EG 1979, L 66).
Zie hiervoor art. 3 en 4 van de Toelatingsrichtlijn en de bij deze richtlijn behorende schema's.
Richtlijn 80/390/EEG van de Raad van 17 maart 1980 tot coordinatie van de eisen gesteld aan de opstelling van, het toezicht op en de verspreiding van het prospectus dat gepubliceerd moet worden voor de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs (Pb EG 1980, L 100).
Richtlijn 82/121EEG van de Raad van 15 december 1982 betreffende de periodieke informatieverstrekking door vennootschappen waarvan de aandelen tot de officiële notering aan een effectenbeurs zijn toegelaten (Pb EG 1982, L 48). Deze richtlijn introduceerde bijvoorbeeld de verplichting tot publicatie van halfjaarcijfers.
Richtlijn 2001/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 mei 2001 betreffende de toelating van effecten die tot de officiële notering aan een effectenbeurs en de informatie die over deze effecten moet worden gepubliceerd (Pb EG 2001, L 184).
Zie Final Report of the Committee of Wise Men on The Regulation of European Securities Markets, Brussel, 15 februari 2001, p. 12 en 13.
Zie overweging 57 uit de preambule van de Richtlijn markten voor financiële instrumenten.
Zie Verordening (EG) Nr. 1287/2006 van de Commissie van 10 augustus 2006, tot uitvoering van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de voor beleggingsondernemingen geldende verplichtingen betreffende het bijhouden van gegevens, het melden van transacties, de markttransparantie, de toelating van financiële instrumenten tot de handel en de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn betreft (Pb EU 2006, L 241).
Deze regel is te vinden in art. 5:32a lid 1 Wft.
Zie overweging 2 uit de preambule van de Noteringsrichtlijn.
Zie ESME Report on MiFID and admission o fsecurities to official stock exchange listing, 5 december 2007, p. 8.
Zie ESME Report on MiFID and admission o f securities to official stock exchange listing, 5 december 2007, p. 11.
De werkingssfeer van de openbaarmakingsplicht knoopt onder meer aan bij het begrip 'toelating tot de handel'. Kort gezegd, moeten de door de uitgevende instelling uitgegeven fmanciële instrumenten zijn toegelaten tot de handel om de openbaarmakingsplicht te activeren. Hoewel de betekenis van dit begrip op het eerste gezicht duidelijk lijkt, behoeft het desalniettemin enige toelichting. De reden hiervoor is dat de wetgever met de omzetting van de Richtlijn marktmisbruik heeft moeten kiezen voor het begrip 'toelating tot de handel'. Ook andere Europese richtlijnen, zoals de Prospectusrichtlijn, de Transparantierichtlijn en de Richtlijn markten voor fmanciële instrumenten hanteren het begrip 'toelating tot de handel' voor de toepasselijkheid van een groot aantal in deze richtlijnen gegeven voorschriften over bijvoorbeeld de publicatie van onder meer een prospectus en periodieke financiële informatie door uitgevende instellingen en over de verwerving of overdracht van belangrijke deelnemingen door aandeelhouders van uitgevende instellingen. Daarmee lijkt het erop dat het voorheen gangbare begrip 'toelating tot de (officiële) notering' inmiddels in de ban is gedaan.1
Deze trendbreuk vraagt om een korte terugblik.2 Het begrip 'toelating tot de officiële notering' is voor het eerst in 1979 geïntroduceerd in de zogeheten Toelatingsrichtlijn.3 Met deze richtlijn werd beoogd de minimale toelatingsvoorwaarden voor uitgevende instellingen tot de officiële notering aan een effectenbeurs in Europees verband te harmoniseren. Daartoe werden enerzijds voorwaarden gesteld aan effecten die voor toelating in aanmerking kwamen en anderzijds verplichtingen opgelegd aan uitgevende instellingen van deze effecten.4 Zoals gezegd, ging het in de Toelatingsrichtlijn om minimale toelatingsvoorwaarden. Ingevolge art. 5 van de Toelatingsrichtlijn konden de lidstaten de toelating van effecten tot de officiële notering aan strengere voorwaarden dan die van de bij de Toelatingsrichtlijn behorende schema's of aan aanvullende voorwaarden onderwerpen, mits zodanige strengere of aanvullende voorwaarden algemeen toepasselijk waren voor alle uitgevende instellingen of per categorie van uitgevende instellingen en mits zij bekend waren gemaakt voordat voor de betrokken effecten de toelating werd aangevraagd. In afwijking van art. 5 van de Toelatingsrichtlijn konden de lidstaten, uitsluitend ter bescherming van beleggers, aan de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid verlenen om de toelating van effecten tot de officiële notering afhankelijk te stellen van alle bijzondere voorwaarden die zij dienstig achtten en die zij de aanvrager expliciet hadden meegedeeld. In aanvulling op de Toelatingsrichtlijn zijn ook andere richtlijnen tot stand gekomen met betrekking tot onder meer het prospectus dat voorafgaand aan de toelating tot de officiële notering gepubliceerd moet worden5 en de verplichting tot periodieke informatieverstrekking door uitgevende instellingen nadat de effecten eenmaal zijn toegelaten tot de officiële notering.6 Ook deze richtlijnen gingen, in overeenstemming met het in Europees verband beleden subsidiariteitsbeginsel, uit van minimumharmonisatie. Deze richtlijnen zijn vervolgens in 2001 alle geconsolideerd in één richtlijn, de Noteringsrichtlijn.7
Nadat in de loop der tijd was gebleken dat deze richtlijnen om diverse redenen niet (meer) het beoogde effect sorteerden — te weten de totstandkoming van een interne of gemeenschappelijke effectenmarkt in Europa — is met een ambitieus wetgevingsprogramma de koers rigoureus verlegd. Ter uitvoering van het Actieplan Financiële Diensten is een reeks van nieuwe richtlijnen tot stand gekomen, waarbij volledige harmonisatie tot uitgangspunt werd genomen (zie § 3.4.3). Daarnaast is in deze nieuwe richtlijnen gekozen voor het gebruik van het nieuwe sleutelbegrip `toelating tot de handel'. Dit is gebeurd om lacunes in de bestaande regelgeving te vermijden. Zo werd in de hiervoor genoemde richtlijnen het begrip 'toelating tot de officiële notering' nergens gedefinieerd. In sommige lidstaten werd het begrip uitgelegd als het officiële segment van de nationale effectenbeurs. Andere markten werden in die lidstaten buiten de werking van de richtlijnen gehouden. Het gevolg daarvan was dat de voorschriften voor informatievoorziening in prospectussen niet volledig geharmoniseerd waren en in vele gevallen wederzijdse erkenning van prospectussen ook niet mogelijk bleek te zijn, waar dat wel aangewezen zou zijn.
De totstandkoming van een nieuwe reeks richtlijnen heeft er ook voor gezorgd dat de Noteringsrichtlijn gefaseerd een `afslankingsoperatie' onderging. Naar gelang onderwerpen in richtlijnen opnieuw werden geregeld, zoals de Prospectusrichtlijn, de Transparantierichtlijn en de Richtlijn markten voor fmanciële instrumenten, kwamen bepalingen uit de Noteringsrichtlijn die dezelfde onderwerpen regelden te vervallen. Het resultaat van deze afslankingsoperatie is dat de Noteringsrichtlijn thans nog slechts bestaat uit een beperkt aantal bepalingen dat verband houdt met de toelating van effecten tot de officiële notering en de daaraan verbonden toelatingsvoorwaarden.
Opmerkelijk is dat het thans vigerende Europese regime zowel het begrip `toelating tot de handel' als het begrip 'toelating tot de officiële notering' kent. Omdat de recent tot stand gekomen richtlijnen, als gezegd, alle uitgaan van het begrip 'toelating tot de handel' lijkt het opportuun de volgende vragen aan de orde te stellen: (i) wat is de verhouding tussen beide begrippen en (ii) wat is de meerwaarde van het nog handhaven van het begrip 'toelating tot de officiële notering'?
(i) Hoe verhoudt 'toelating tot de handel' zich tot 'toelating tot de officiële notering'?
Hoewel in het rapport van het Comité van Wijzen als prioriteit is genoemd: "introduction of a clear distinction between admission to listing and trading"8 lijkt die oproep aan dovemansoren gericht te zijn geweest. Pas bij de totstandkoming van de Richtlijn markten voor fmanciële instrumenten is aan het onderscheid tussen de begrippen 'toelating tot de handel' en 'toelating tot de officiële notering' enige aandacht geschonken. Daar was ook alle reden voor, omdat deze richtlijn gedetailleerde minimumvereisten bevat met betrekking tot de toelating van financiele instrumenten tot de handel op een gereglementeerde markt. Dit thema roept uiteraard de vraag op of, en zo ja, welk verband bestaat tussen een dergelijke toelating tot de handel volgens de Richtlijn markten voor fmanciële instrumenten en de toelating tot de officiële notering volgens de Noteringsrichtlijn. In de preambule van de Richtlijn markten voor fmanciële instrumenten9 kunnen wij daarover het volgende lezen:
"De bepalingen van deze richtlijn betreffende de toelating van instrumenten tot de handel volgens de door de gereglementeerde markt opgelegde regels dienen de toepassing onverlet te laten van Richtlijn 2001/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 mei 2001 betreffende de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs en de informatie die over deze effecten moet worden gepubliceerd. Een gereglementeerde markt mag niet worden belet strengere dan de bij deze richtlijn opgelegde eisen te stellen aan uitgevende instellingen van effecten of instrumenten welke zij overweegt tot de handel toe te laten."
Heel veel verder helpt ons deze overweging nog niet. Beide begrippen hebben elk een eigen betekenis en functie. In welk verband die begrippen mogelijk toch nog tot elkaar staan, wordt in elk geval niet duidelijk uit deze overweging. Raadpleging van de Richtlijn markten voor financiële instrumenten en de daarbij behorende (en rechtstreeks in de lidstaten werkende) Uitvoeringsverordening10 leert ons evenwel het volgende.
In art. 40 lid 1 van de Richtlijn markten voor financiële instrumenten wordt bepaald dat de lidstaten voorschrijven dat gereglementeerde markten duidelijke en transparante regels moeten hebben vastgesteld betreffende de toelating van financiele instrumenten tot de handel.11 Deze regels dienen er voor te zorgen dat alle financiële instrumenten die tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten op billijke, ordelijke en efficiënte wijze kunnen worden verhandeld en dat zij, in het geval het effecten betreft, vrij verhandelbaar zijn. Een uitwerking van deze abstract geformuleerde toelatingseisen is vervolgens te vinden in art. 35 tot en met 37 van de Uitvoeringsverordening, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen effecten, rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging en derivaten. In art. 35 lid 5 van de Uitvoeringsverordening wordt dan het volgende bepaald:
"Een effect dat overeenkomstig Richtlijn 2001/34/EG van het Europees Parlement en de Raad tot de officiële notering is toegelaten en waarvan de notering niet is opgeschort, wordt aangemerkt als een effect dat vrij verhandelbaar is en dat op billijke, ordelijke en efficiënte wijze kan worden verhandeld."
Uit deze bepaling volgt enerzijds dat toelating van een effect tot de officiële notering overeenkomstig de Noteringsrichtlijn tot gevolg heeft dat aan één belangrijke voorwaarde om in aanmerking te komen voor toelating tot de handel op een gereglementeerde markt in één van de andere lidstaten wordt voldaan, maar anderzijds dat toelating tot de officiële notering overeenkomstig de Noteringsrichtlijn daarvoor niet een noodzakelijk vereiste is. Dat toelating tot de officiële notering overeenkomstig de Noteringsrichtlijn, als gezegd, geen noodzakelijk vereiste is voor toelating tot de handel op een gereglementeerde markt betekent dat ook op een andere wijze kan blijken dat een effect vrij verhandelbaar is en op billijke, ordelijke en efficiënte wijze kan worden verhandeld. De eis dat een effect verhandelbaar moet zijn en op billijke, ordelijke en efficiënte wijze kan worden verhandeld, is overigens slechts één van de vele toelatingsvoorwaarden die gewoonlijk worden gesteld aan toelating tot de handel op een gereglementeerde markt. Andere toelatingsvoorwaarden hebben bijvoorbeeld betrekking op het trackrecord van de uitgevende instelling, de eisen die worden gesteld aan de free float van de te verhandelen effecten en de begeleiding door een listing agent.
(ii) Wat is de meerwaarde van het nog handhaven van het begrip 'toelating tot de officiële notering'?
Gebleken is dat de Noteringsrichtlijn in afgeslankte vorm nog slechts betekenis heeft voor één van de voorwaarden voor toelating van een effect tot de handel op een gereglementeerde markt. Dit betekent dat we inmiddels ver verwijderd zijn van één van de oorspronkelijke doelstellingen van de Noteringsrichtlijn. Die doelstelling was als volgt verwoord:12
"De coordinatie van de voorwaarden voor de toelating van effecten tot de officiële notering aan in de lidstaten gelegen of werkzame effectenbeurzen kan de bescherming van de beleggers op communautair niveau gelijkwaardig maken door de meer eenvormige waarborgen die zij hun in de onderscheiden lidstaten zal bieden. Zij zal de toelating van effecten van herkomst uit andere lidstaten tot de officiële notering in elk van de lidstaten alsmede de notering van een zelfde effect aan verschillende beurzen van de Gemeenschap vergemakkelijken. Zij zal dientengevolge een verdergaande onderlinge vervlechting van de nationale effectenmarkten mogelijk maken door het opheffen van belemmeringen voorzover dat uit een oogpunt van voorzichtigheid mogelijk is en past derhalve in het kader van de totstandbrenging van een Europese kapitaalmarkt"
Gelet op de beperkte betekenis die nog aan het begrip 'toelating tot de officiële notering' toekomt en — in het verlengde daarvan — de onmogelijkheid om de hiervoor genoemde doelstelling van de Noteringsrichtlijn te realiseren, zou dan ook overwogen kunnen worden om de Noteringsrichtlijn in te trekken. Dat dit (nog) niet gebeurd is, wordt mijns inziens slechts veroorzaakt doordat in sommige lidstaten gehecht wordt aan het predicaat 'toelating tot de officiële notering'. Ook ESME13 wijst in zijn rapport op de welhaast symbolische betekenis die wordt gehecht aan dit predicaat. Zo wordt gesteld dat:
"(...) a regime for official listing creates a perception of higher quality, rather than adding higher quality in substance."
Dit brengt ESME14 er uiteindelijk toe de volgende constateringen en een aanbeveling te doen:
"(...) the importance of the concept vary from member state to member state, where the extremes are that, in some member states, official listing is deemed to be a highly important feature, whereas it in some other member states is perceived to be of marginal importance. There is no evidence of a market failure justifying a need to accommodate one single EU wide approach by way of regulation. The efficiency of the markets would instead be better served if it were to be left to individual member states to determine whether or not to recognize the notion of official listing on markets in their respective jurisdictions."
Niet onvermeld mag ten slotte blijven dat er nog wel een praktische reden is waarom enige aarzeling bestaat om het begrip 'officiële notering' te laten vervallen. Sommige institutionele beleggers worden op grond van wet, statuten of reglementen verhinderd om te beleggen in andere effecten dan die welke zijn toegelaten tot de officiële notering. Niettemin mag op grond van het voorgaande worden betwijfeld of het begrip 'toelating tot de officiële notering' nog een lang leven beschoren zal zijn.