Gerecht in eerste aanleg van Aruba 10 mei 2023, ECLI:NL:OGEAA:2023:137.
HR, 23-01-2026, nr. 24/04005
ECLI:NL:HR:2026:95
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23-01-2026
- Zaaknummer
24/04005
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Staatsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:95, Uitspraak, Hoge Raad, 23‑01‑2026; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1138
ECLI:NL:PHR:2025:1138, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑10‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:95
Beroepschrift, Hoge Raad, 08‑10‑2024
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2026-0011
Uitspraak 23‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Caribische zaak. Procesrecht. Kort geding over opheffen beslag. Subjectieve cumulatie. Wie was procespartij? Had gevoegde partij belang bij hoger beroep? Proceskostenveroordeling voldoende belang voor hoger beroep? Concordantiebeginsel.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/04005
Datum 23 januari 2026
ARREST
In de zaak van
VAN DER VALK INTERNATIONAL B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: Van der Valk,
advocaten: J.W.H. van Wijk en M.E.A. Möhring,
tegen
1. ANTILLA DEL MAR HOLDING VBA,
gevestigd te Oranjestad Oost, Aruba,
hierna: Antilla,
2. IBEROSTAR HOTELES Y APARTAMENTOS, S.L.U.,
gevestigd te Palma de Mallorca, Islas Baleares, Spanje,
hierna: Iberostar,
VERWEERSTERS in cassatie,
hierna gezamenlijk: Antilla c.s.,
advocaat: A.C. van Schaick.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak AUA202300745 van het gerecht in eerste aanleg van Aruba van 10 mei 2023 en 31 mei 2023 (herstelvonnis);
b. het vonnis in de zaak AUA202300745 - AUA2023H00098 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 27 augustus 2024.
Van der Valk heeft tegen het vonnis van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Antilla c.s. hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor Van der Valk toegelicht door haar advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot vernietiging van het vonnis van het hof en tot afdoening zoals in de conclusie onder 3.28 vermeld.
De advocaten van Van der Valk hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Van der Valk behoort tot de Van der Valk-groep. Antilla en Iberostar behoren tot de Iberostar-groep. Beide groepen houden zich bezig met de exploitatie van hotels.
(ii) Tierra del Sol Holding N.V. (hierna: TdS Holding) behoorde in 2013 tot de Van der Valk-groep. Twee dochtervennootschappen van TdS Holding (hierna gezamenlijk: de TdS-entiteiten) waren eigenaar en exploitant van het Arubaanse resort Tierra del Sol.
(iii) FMV Holding Company N.V. (hierna: FMV) heeft in september 2013 de aandelen in de TdS-entiteiten gekocht van TdS Holding.
(iv) In oktober 2013 heeft het gerecht in eerste aanleg van Aruba voorlopige surseance van betaling verleend aan de TdS-entiteiten. De TdS-entiteiten hebben een schuldeisersakkoord gesloten.
(v) De surseance van betaling was voor TdS Holding en FMV aanleiding om een nieuwe koopovereenkomst te sluiten, ter vervanging van de koopovereenkomst van september 2013. In augustus 2014 heeft FMV opnieuw de aandelen in de TdS-entiteiten gekocht van TdS Holding, tegen een koopsom van USD 3 miljoen, in twee gelijke termijnen te betalen in januari 2017 en januari 2018. De aandelen zijn in november 2014 overgedragen.
(vi) In november 2014 hebben TdS Holding en FMV een nadere overeenkomst gesloten, die inhoudt dat de koopsom pas verschuldigd en opeisbaar zal worden als aan nadere voorwaarden is voldaan. Verder garandeerden de TdS-entiteiten dat de koopsom zou worden betaald, zodra die verschuldigd en opeisbaar zou zijn geworden. Daarnaast kwamen TdS Holding en FMV overeen dat ingeval FMV de aandelen in de TdS-entiteiten vervreemdt, FMV de koopsom aan TdS Holding moet betalen binnen dertig dagen nadat aan bepaalde voorwaarden zou zijn voldaan.
(vii) TdS Holding heeft in oktober 2016 haar vordering op FMV tot betaling van de koopsom gecedeerd aan Van der Valk.
(viii) In december 2022 heeft FMV de aandelen in de TdS-entiteiten verkocht en geleverd aan Antilla. Antilla heeft zich daarbij verbonden tot overneming van de schuld van FMV tot betaling van de koopsom, wanneer die verschuldigd en opeisbaar wordt. Van der Valk heeft geweigerd toestemming te geven voor deze schuldoverneming. Iberostar heeft zich als hoofdelijk schuldenaar jegens FMV verbonden voor de verplichtingen van Antilla uit de overeenkomst.
(ix) Van der Valk heeft in januari 2023 ten laste van FMV conservatoir derdenbeslag doen leggen onder Antilla en onder Aruba Bank (hierna: de beslagen).
2.2
FMV vordert in dit kort geding – kort gezegd – primair (a) dat Van der Valk wordt bevolen om de beslagen op te heffen en subsidiair (b) dat Antilla c.s. wordt bevolen om ten gunste van Van der Valk voldoende zekerheid te stellen door het afgeven van een bankgarantie en (c) dat Van der Valk wordt bevolen om daarna de beslagen op te heffen.
Antilla heeft zich in eerste aanleg met betrekking tot de hiervoor met (a) aangeduide vordering (hierna: de primaire vordering) gevoegd aan de zijde van FMV.
2.3
Het gerecht1.heeft de primaire vordering afgewezen, en de hiervoor in 2.2 met (b) en (c) aangeduide vorderingen (hierna: de subsidiaire vorderingen) toegewezen. Het gerecht heeft per vordering beslist over de proceskosten. Ten aanzien van het onderdeel van de procedure dat betrekking heeft op de primaire vordering heeft het gerecht FMV en Antilla veroordeeld in de proceskosten.
2.4
Antilla c.s. hebben tegen Van der Valk hoger beroep ingesteld van het vonnis voor zover het betrekking heeft op de primaire vordering, en tegen FMV voor zover het betrekking heeft op de subsidiaire vorderingen.
2.5
Het hof2.heeft het vonnis van het gerecht bevestigd wat betreft het bevel aan Van der Valk om de beslagen op te heffen, met uitzondering van de passage over de afgifte van een bankgarantie. Het heeft het vonnis voor het overige vernietigd, en verstaan dat het hof niet toekomt aan de subsidiaire vorderingen. Het hof heeft onder meer het volgende overwogen:
“De primaire vordering van FMV
3.7
Anders dan Van der Valk bij memorie van antwoord heeft aangevoerd, hebben Antilla c.s. voldoende belang bij hun hoger beroep tegen de afwijzing van de primaire vordering van FMV. Als dit hoger beroep slaagt, zou dit meebrengen dat Antilla c.s. geen bankgarantie hadden behoeven te stellen. Daarbij hebben Antilla c.s. belang. Aan het aannemen van dit belang staat niet in de weg dat FMV zelf niet in hoger beroep is gekomen tegen de afwijzing van haar primaire vordering. Vergelijk HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549, rov. 3.2.
Ook de omstandigheden dat het beslag inmiddels is opgeheven en dat Antilla c.s. geen grief hebben gericht tegen hun veroordeling in de proceskosten staan niet eraan in de weg dat Antilla c.s. voldoende belang hebben bij dit hoger beroep.
(…)
3.20
Op grond van het voorgaande komt het Hof tot het oordeel dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door Van der Valk als beslaglegger ingeroepen recht. Een afweging van de wederzijdse belangen leidt niet tot het oordeel dat de beslagen toch pas mogen worden opgeheven als alternatieve zekerheid door Antilla c.s. aan Van der Valk is verschaft. (…)
3.21
De primaire vordering had dus toegewezen moeten worden zonder dat verlangd werd dat Antilla een bankgarantie zou stellen. Nu de beslagen inmiddels zijn opgeheven, zal het Hof geen nieuw bevel tot opheffing van de beslagen geven, maar het reeds gegeven bevel zo veel mogelijk in stand laten.
De subsidiaire vordering van FMV
(…)
3.26
Het Gerecht had de primaire vordering behoren toe te wijzen. Dan zou het Gerecht niet zijn toegekomen aan de subsidiaire vordering. Het Hof zal daarom het bestreden vonnis vernietigen voor zover het Gerecht Antilla c.s. heeft bevolen om een bankgarantie te stellen.
3.27
De uitkomst brengt mee dat het Hof het bestreden vonnis ook zal vernietigen, voor zover daarbij Antilla en/of Iberostar in de proceskosten zijn veroordeeld. Van der Valk zal worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg, aan de zijde van FMV en aan de zijde van Antilla c.s. gevallen, en in hoger beroep, alleen aan de zijde van Antilla c.s. gevallen. FMV zal in hoger beroep de eigen proceskosten dienen te dragen.”
3. Beoordeling van het middel
3.1
Bij de beoordeling van het middel stelt de Hoge Raad voorop dat de beslissing van het hof erop neerkomt dat Van der Valk de beslagen moest opheffen, zonder dat Antilla c.s. eerst zekerheid hoefden te stellen. Daarmee heeft het hof kennelijk alsnog de primaire vordering toegewezen, en de subsidiaire vorderingen niet. Dat het hof de primaire vordering heeft beoordeeld en toegewezen, blijkt onder meer uit de rov. 3.7-3.21 (en de kop daarboven) en uit het dictum, waarin het hof onder meer heeft verstaan dat het aan de subsidiaire vorderingen niet toekomt en waarin het Van der Valk heeft veroordeeld in de proceskosten.
3.2.1
Volgens onderdeel 1.1 van het middel heeft het hof miskend dat Iberostar in eerste aanleg geen procespartij was in de zaak betreffende de primaire vordering, en dat het daarom Iberostar niet-ontvankelijk had moeten verklaren in haar hoger beroep voor zover dat betrekking had op de primaire vordering.
3.2.2
Of en voor wie een rechtsmiddel openstaat en ten opzichte van welke partijen een rechtsmiddel en de daarop gedane uitspraak werking kunnen hebben, staat niet ter vrije bepaling van partijen. De daarvoor geldende regels zijn van openbare orde. Zij moeten daarom door de rechter zo nodig ambtshalve worden toegepast.3.
3.2.3
Hoger beroep kan alleen worden ingesteld door en tegen degenen die in eerste aanleg partij waren (art. 260 Rv Aruba). FMV heeft in eerste aanleg, voor afzonderlijke berechting vatbare, vorderingen ingesteld tegen verschillende partijen. Daarmee is sprake van subjectieve cumulatie. Dergelijke vorderingen kunnen wel gezamenlijk worden behandeld, maar de zaken tegen ieder van de partijen behouden hun processuele zelfstandigheid.4.FMV heeft de primaire vordering uitsluitend gericht tegen Van der Valk. Iberostar heeft zich, anders dan Antilla, in die zaak niet als procespartij gevoegd. Iberostar was in die zaak dus geen partij en kon in die zaak dan ook geen hoger beroep instellen. Dat het hof Iberostar ontvankelijk heeft geacht in haar hoger beroep tegen de afwijzing van de primaire vordering, is dus onjuist. De daarop gerichte klacht slaagt.
3.3.1
De onderdelen 1.2 en 1.3 klagen dat het hof heeft miskend dat, doordat FMV zelf geen hoger beroep heeft ingesteld, Antilla c.s. geen belang hebben bij hun hoger beroep tegen de afwijzing van de primaire vordering, en dat het die afwijzing in stand had moeten laten.
3.3.2
Aangezien Iberostar niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden in haar hoger beroep tegen de afwijzing van de primaire vordering (zie hiervoor in 3.2.2-3.2.3), zullen de klachten die betrekking hebben op de beslissing van het hof over het belang van het hoger beroep tegen de afwijzing van de primaire vordering, alleen worden behandeld ten aanzien van Antilla.
3.3.3
Antilla heeft zich in eerste aanleg ten aanzien van de primaire vordering gevoegd aan de zijde van FMV. Zij heeft als gevoegde partij het recht om zelfstandig en op zelfstandig aangevoerde gronden tegen de wederpartij van FMV (Van der Valk) een rechtsmiddel tegen de uitspraak aan te wenden,5.mits zij daarbij voldoende belang heeft (art. 3:303 BW Aruba). FMV heeft zelf geen hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar primaire vordering. Daarmee heeft die afwijzing in de verhouding tussen FMV en Van der Valk kracht van gewijsde gekregen en was deze met andere woorden tussen hen onherroepelijk. Het hoger beroep van Antilla, waarin FMV dus geen partij was, kon daarin geen verandering brengen.6.Dat hoger beroep kon dus ook niet tot gevolg hebben dat de primaire vordering alsnog zou worden toegewezen en dat de rechter daardoor niet aan de subsidiaire vorderingen zou kunnen toekomen. In zoverre had Antilla dus geen belang bij het hoger beroep tegen de afwijzing van de primaire vordering. Het andersluidende oordeel van het hof in rov. 3.7 is onjuist.
3.3.4
Verder geldt dat de beslissingen in het bestreden vonnis geen gezag van gewijsde konden krijgen jegens Antilla, reeds om reden dat aan beslissingen in kort geding geen gezag van gewijsde toekomt. Ook in dat opzicht had Antilla dus geen belang bij haar hoger beroep.
3.3.5
Dat belang was voor Antilla evenmin zonder meer gelegen in de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de Caribische delen van het Koninkrijk der Nederlanden grotendeels eenvormig. Ingevolge art. 281b van de Wetboeken van Burgerlijke Rechtsvordering van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba kan het hof bepalen dat een veroordeling in de kosten geen voldoende belang oplevert voor het hoger beroep. Het is onduidelijk of een dergelijke bepaling ook in Aruba in werking is getreden (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.14). Het concordantiebeginsel – dat ook ziet op concordantie van recht en rechtspraak binnen bepaalde delen van het Koninkrijk, in dit geval de Caribische delen – brengt evenwel mee dat het hof ook in Arubaanse zaken kan beslissen dat een proceskostenveroordeling onvoldoende belang oplevert voor hoger beroep. Dat strookt met de bedoeling van de Arubaanse wetgever om het burgerlijk procesrecht van de (voormalige) Nederlandse Antillen en Aruba eenvormig te laten zijn,7.en met het voornemen van de Arubaanse wetgever om een dergelijke bepaling in te voeren.8.Dat die wetgever er welbewust voor heeft gekozen om de desbetreffende bepaling toch niet in werking te laten treden, blijkt niet. Dus ongeacht of voornoemde bepaling in Aruba in werking is getreden, levert ook in een Arubaanse zaak een proceskostenveroordeling in eerste aanleg niet zonder meer voldoende belang op voor hoger beroep. Of dat het geval is, is aan het oordeel van het hof overgelaten. Het hof heeft zich daarover in het bestreden vonnis evenwel niet uitgelaten.
3.3.6
Uit wat hiervoor in 3.3.2-3.3.5 is overwogen, volgt dat de onderdelen 1.2 en 1.3 doel treffen. De beslissing van het hof de primaire vordering alsnog toe te wijzen, kan niet in stand blijven.
Na terugwijzing zal het hof alsnog moeten beoordelen of de proceskostenveroordeling voldoende belang oplevert voor het hoger beroep van Antilla. Mocht het hof alsdan oordelen dat de kosten voldoende belang opleveren voor het hoger beroep, dan kan het hoger beroep er niet toe leiden dat de primaire vordering alsnog wordt toegewezen (zie hiervoor in 3.3.3). Dat aldus mogelijk ten opzichte van de gevoegde partij een uitspraak wordt vernietigd die, bij gebreke van het aanwenden van een rechtsmiddel door de partij aan wier zijde zij zich heeft gevoegd, jegens deze laatste wel in kracht van gewijsde is gegaan, is niet beslissend, aangezien een dergelijke situatie zich steeds kan voordoen in het geval van deelneming aan het geding door meer partijen aan dezelfde zijde (subjectieve cumulatie).9.
3.4
De klachten van de onderdelen 2 en 3 kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
3.5
De onderdelen 4 en 5 richten zich tegen de rov. 3.21 en 3.26 en het dictum, en slagen in het voetspoor van onderdeel 1. Het hof had de primaire vordering niet mogen toewijzen, en de beslissing over de primaire vordering had niet in de weg mogen staan aan de behandeling van en beslissing over de subsidiaire vorderingen.
3.6
Onderdeel 6, dat klaagt over de proceskostenveroordeling, behoeft geen behandeling. Het hof zal na terugwijzing opnieuw over de proceskosten moeten beslissen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 27 augustus 2024;
- wijst het geding terug naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt Antilla c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Van der Valk begroot op € 873,-- aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Antilla c.s. deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 23 januari 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 23‑01‑2026
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 27 augustus 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:157.
HR 2 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1546, rov. 3.3.
O.a. HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1061, rov. 3.5.2; HR 20 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7414, rov. 3.6 en HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF1032, rov. 4.4.
Vgl. HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549, rov. 3.2.
Vgl. HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0173, rov. 4.1.
Staten van Aruba, zittingsjaar 2002/03, E/473, no. 3, p. 1.
Staten van Aruba, zittingsjaar 2002/03, E/473, no. 3, p. 47-48.
HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549, rov. 3.2.
Conclusie 17‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Arubaanse zaak. Procesrecht. Beslagrecht. Verbintenissenrecht. Opheffing van beslagen in kort geding. Partijperikelen bij subjectieve cumulatie en voeging: ontvankelijkheid in en belang bij hoger beroep van een mede-gedaagde en van een gevoegde partij. Waarvan is door wie, tegen wie en tegen wat hoger beroep ingesteld? Belang bij hoger beroep in verband met proceskosten? Bestaat art. 281b Rv Aruba? Verschuldigdheid vordering onder opschortende voorwaarde. Belangenafweging bij opheffing van beslag: mogen belangen van derden worden meegewogen?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/04005
Zitting 17 oktober 2025
CONCLUSIE
G. Snijders
In de zaak
Van der Valk International B.V.,
eiseres in cassatie,
advocaten: J.W.H. van Wijk en M.E.A. Möhring,
tegen
1. Antilla del Mar Holding VBA,
2. Iberostar Hoteles Y Apartamentos, S.L.U.,
verweersters in cassatie,
advocaat: A.C. van Schaick.
Partijen worden hierna aangeduid als enerzijds Van der Valk en anderzijds Antilla en Iberostar, tezamen Antilla c.s.
1. Inleiding
In dit kort geding vordert FMV opheffing van beslagen door Van der Valk , die deze heeft gelegd voor de voldoening van een koopsomvordering. Partijen verschillen van mening over de vraag of Van der Valk op dit moment betaling van de koopsom van FMV kan verlangen. Antilla c.s. zijn jegens FMV verplicht om de betaling van de koopsom te dragen. FMV heeft Antilla c.s. daarom mede in dit geding betrokken en voor het geval dat de koopsomvordering van Van der Valk niet ondeugdelijk wordt geoordeeld – wat grond zou zijn voor opheffing van de beslagen –, gevorderd dat Antilla c.s. zekerheid voor die vordering stellen aan Van der Valk , zodat deze de beslagen alsnog dient op te heffen. Antilla heeft zich in eerste aanleg aan de zijde van FMV gevoegd in de zaak van FMV tegen Van der Valk .
Het gerecht in eerste aanleg heeft geoordeeld dat Van der Valk op dit moment betaling van de koopsom kan verlangen. Het heeft daarom de (primaire) vordering van FMV tegen Van der Valk afgewezen en de vordering van FMV tegen Antilla c.s. toegewezen. Van beide beslissingen zijn uitsluitend Antilla c.s. in hoger beroep gekomen.
Het hof heeft geoordeeld dat het gerecht in eerste aanleg de vordering van FMV tegen Van der Valk had moeten toewijzen, zodat het niet zou zijn toegekomen aan de vordering van FMV tegen Antilla c.s. Het hof heeft het vonnis van het gerecht daarom vernietigd en verstaan dat het niet toekomt aan de vordering van FMV tegen Antilla c.s. Het heeft Van der Valk alsnog in de kosten van de eerste aanleg veroordeeld.
In dit cassatieberoep tegen (uitsluitend) Antilla c.s. voert Van der Valk op verschillende gronden aan dat het hof Antilla c.s. niet-ontvankelijk had moeten verklaren in hun hoger beroep tegen de afwijzing van de vordering van FMV tegen Van der Valk . Ook richt zij klachten tegen het oordeel van het hof dat haar koopsomvordering ondeugdelijk is en tegen de door het hof in het kader van de opheffing van de beslagen verrichte belangenafweging.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1.
(i) Van der Valk behoort tot de Van der Valk-groep , die zich in diverse landen bezighoudt met de exploitatie van hotels. Iberostar en Antilla behoren tot de Iberostar-groep, die zich eveneens in diverse landen bezighoudt met de exploitatie van hotels. FMV is een entiteit waarvan de gezamenlijke aandeelhouders en belanghebbenden (principals) drie particulieren zijn die wonen in het Arubaanse resort Tierra del Sol.
(ii) In 2013 behoorde Tierra del Sol Holding N.V. (hierna: TdS Holding) tot de Van der Valk-groep . Zij hield alle aandelen in haar dochtervennootschappen Tierra del Sol Real Estate N.V. (hierna: TdS Real Estate) en Tierra del Sol Golf Course N.V. Deze twee dochtervennootschappen (hierna in navolging van het hof: de TdS-entiteiten) waren eigenaar en exploitant van het hiervoor onder (i) genoemde Arubaanse resort.
(iii) In 2013 verkeerden de TdS-entiteiten in ernstige financiële moeilijkheden.
(iv) De principals van FMV wisten van de financiële moeilijkheden van de TdS-entiteiten. Bij overeenkomst van 4 september 2013 heeft FMV (toen nog in oprichting) de aandelen in de TdS-entiteiten gekocht van TdS Holding.
(v) Bij beschikking van 28 oktober 2013 heeft het gerecht in eerste aanleg van Aruba voorlopige surseance van betaling verleend aan de TdS-entiteiten. De TdS-entiteiten hebben een schuldeisersakkoord gesloten. Het schuldeisersakkoord heeft betrekking op schulden van in totaal ruim USD 18 miljoen aan erkende concurrente schuldeisers. Een groot deel hiervan betrof schulden aan Van der Valk of aan andere schuldeisers die tot de Van der Valk-groep behoorden. Daarnaast hadden de TdS-entiteiten schulden van ruim USD 20 miljoen aan preferente schuldeisers, onder wie Aruba Bank N.V. (hierna: Aruba Bank). Op 2 september 2014 heeft het gerecht in eerste aanleg het schuldeisersakkoord gehomologeerd. In hoger beroep heeft het hof de homologatie bevestigd.
(vi) De surseance van betaling was aanleiding voor TdS Holding en FMV om een nieuwe koopovereenkomst te sluiten ter vervanging van de overeenkomst van 4 september 2013. Bij overeenkomst van 28 augustus 2014 (hierna: SPA 2014) heeft FMV opnieuw de aandelen in de TdS-entiteiten gekocht van TdS Holding. Op 3 november 2014 heeft zij de aandelen overgedragen gekregen. De door haar aan TdS Holding te betalen koopsom bedroeg USD 3 miljoen, in twee gelijke termijnen te betalen op 2 januari 2017 en 2 januari 2018 (hierna: de koopsom).
(vii) Op 17 november 2014 hebben TdS Holding en FMV een nadere overeenkomst gesloten als addendum bij SPA 2014 (hierna: het addendum).
Hierbij kwamen zij (door wijziging van art. 4.1 SPA 2014) overeen dat de koopsom pas verschuldigd en opeisbaar zou worden als aan nadere voorwaarden zou zijn voldaan. Een van die voorwaarden was dat een schuld van TdS Real Estate aan Aruba Bank (hierna: de bankschuld) volledig zou zijn afbetaald. Die voorwaarde werd op verlangen van Aruba Bank overeengekomen. Verder garandeerden de TdS-entiteiten dat de koopsom zou worden betaald, zodra die verschuldigd en opeisbaar zou zijn geworden.
Daarnaast zijn TdS Holding en FMV (door invoeging van art. 4.4 SPA 2014) een beding overeengekomen dat ziet op het geval dat FMV de aandelen in de TdS-entiteiten zou vervreemden (het beding wordt in het addendum aangeduid als acceleration clause). In dat geval zou FMV de koopsom aan TdS Holding dienen te betalen binnen dertig dagen nadat aan bepaalde voorwaarden zou zijn voldaan. Verkort weergegeven zijn die voorwaarden dat alle schulden aan de preferente schuldeisers van de TdS-entiteiten (inclusief de bankschuld) zijn voldaan en dat voor de schulden aan de concurrente schuldeisers overeenkomstig het schuldeisersakkoord, voor zover die schulden niet zijn voldaan, een bedrag is gereserveerd (hierna: de betalingsvoorwaarden).
(viii) Blijkens het voorgaande heeft TdS Holding een vordering op FMV tot betaling van de koopsom als bedoeld in SPA 2014, met inachtneming van hetgeen over de verschuldigdheid en opeisbaarheid daarvan is overeengekomen in het addendum (hierna ook wel: de koopsomvordering). Deze vordering heeft zij op 11 oktober 2016 gecedeerd aan een derde, die de vordering op dezelfde dag heeft gecedeerd aan Van der Valk .
(ix) Bij overeenkomst van 31 december 2022 (hierna: SPA 2022) heeft FMV de aandelen in de TdS-entiteiten verkocht aan Antilla. De aandelen zijn op dezelfde dag geleverd. Antilla heeft zich verbonden tot overneming van de schuld van FMV uit de koopsomvordering, dus tot betaling van de koopsom, wanneer die verschuldigd en opeisbaar wordt (art. 10.1 SPA 2022). Antilla heeft FMV gevrijwaard voor schulden van de TdS-entiteiten, waaronder de bankschuld en schulden aan Van der Valk . Iberostar heeft zich als hoofdelijk schuldenaar jegens FMV verbonden voor de verplichtingen van Antilla uit de overeenkomst.
(x) Van der Valk heeft geweigerd toestemming te geven voor de schuldoverneming als bedoeld in art. 10.1 SPA 2022. Zij heeft als reden opgegeven onvoldoende zekerheid te hebben en het risico te lopen dat schuldoverneming ertoe leidt dat Antilla ervoor zorgt dat nooit aan de betalingsvoorwaarden zal worden voldaan en betaling van de koopsom dus op de lange baan zal worden geschoven.
(xi) Op 31 januari 2023 heeft Van der Valk met verlof van het gerecht in eerste aanleg van Aruba voor de koopsomvordering conservatoir derdenbeslag ten laste van FMV doen leggen onder Antilla en onder Aruba Bank (hierna: de beslagen).
2.2
Bij het deze procedure inleidende verzoekschrift van 28 februari 2023 is FMV – die in cassatie geen procespartij meer is – dit kort geding bij het gerecht in eerste aanleg van Aruba begonnen tegen Van der Valk en Antilla c.s. FMV heeft primair (a) tegen Van der Valk een bevel gevorderd dat deze de hiervoor in 2.1 onder (xi) genoemde beslagen opheft. FMV heeft subsidiair (b-i) tegen Antilla c.s. een bevel gevorderd dat deze ten gunste van Van der Valk een bankgarantie afgeven, en (b-ii) tegen Van der Valk een bevel gevorderd dat deze de beslagen opheft na afgifte van deze bankgarantie.2.
Aan de primaire vordering tegen Van der Valk heeft FMV ten grondslag gelegd dat de vordering waarvoor Van der Valk de beslagen heeft gelegd, ondeugdelijk is, aangezien niet aan de hiervoor in 2.1 onder (vii) genoemde betalingsvoorwaarden is voldaan en die vordering dus, anders dan het standpunt van Van der Valk inhoudt, niet opeisbaar is geworden.
Aan de subsidiaire vordering tegen Antilla c.s. heeft FMV ten grondslag gelegd dat zij op grond van de hiervoor in 2.1 onder (ix) genoemde bedingen tot vrijwaring jegens haar zijn gehouden.3.
2.3
Van der Valk heeft verweer gevoerd tegen toewijzing van de primaire vordering en zich ten aanzien van de tegen haar ingestelde subsidiaire vordering gerefereerd aan het oordeel van het gerecht in eerste aanleg. Met betrekking tot de primaire vordering heeft zij onder meer aangevoerd dat het ervoor moet worden gehouden dat aan de hiervoor in 2.1 onder (vii) genoemde betalingsvoorwaarden is voldaan, nu FMV zich door de overdracht van de aandelen in de TDS-entiteiten buiten staat heeft gesteld om ervoor te zorgen dat die voorwaarden worden vervuld, althans dat de koopsomvordering geacht moet worden opeisbaar te zijn geworden.4.
2.4
Antilla heeft bij incidentele conclusie verzocht om zich te mogen voegen aan de zijde van FMV met betrekking tot de primaire tegen Van der Valk ingestelde vordering.5.Dit verzoek heeft het gerecht in eerste aanleg bij de mondelinge behandeling van het kort geding terstond toegewezen.6.
2.5
Antilla c.s. hebben als verweer tegen de door FMV tegen hen ingestelde subsidiaire vordering primair het standpunt ingenomen dat de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk moet worden toegewezen, zodat er geen grond bestaat voor toewijzing van de door FMV tegen hen ingestelde subsidiaire vordering. Antilla c.s. hebben subsidiair, voor het geval dat de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk wordt afgewezen, aangevoerd dat ook in dat geval de subsidiaire vordering van FMV tegen hen moet worden afgewezen, op gronden die in cassatie niet van belang zijn.7.
2.6
Bij vonnis van 10 mei 2023 heeft het gerecht in eerste aanleg de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk afgewezen en FMV en Antilla ter zake van deze vordering in de proceskosten van Van der Valk veroordeeld (dictum onder 5.1-5.2), de subsidiaire vordering van FMV tegen Antilla c.s. toegewezen (dictum onder 5.4) en de subsidiaire vordering van FMV tegen Van der Valk toegewezen en de proceskosten ter zake van deze vordering gecompenseerd, aldus dat ieder van partijen zijn eigen kosten draagt (dictum onder 5.7).8.
Voor zover van belang, heeft het gerecht ten aanzien van de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk geoordeeld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat FMV zich beroept op het niet voldaan zijn aan de betalingsvoorwaarden, nu FMV zich door de overdracht van de aandelen in de TdS-entiteiten buiten staat heeft gesteld om ervoor te zorgen dat die voorwaarden worden vervuld (rov. 4.4-4.6).
Gelet op de afwijzing van de primaire vordering van FMV tegen Van de Valk en de tussen FMV en Antilla c.s. overeengekomen vrijwaring en hoofdelijke aansprakelijkheid heeft het gerecht de subsidiaire vordering van FMV tegen Antilla c.s. toegewezen (rov. 4.10-4.13).
De subsidiaire vordering van FMV tegen Van de Valk heeft het gerecht zonder inhoudelijke overweging en met verwijzing naar de referte door Van der Valk toewijsbaar geoordeeld (rov. 4.16). De proceskosten ter zake van deze vordering heeft het gerecht gecompenseerd in verband met de referte door Van der Valk (rov. 4.17).
2.7
Antilla c.s. hebben tegen het vonnis van het gerecht in eerste aanleg hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hiervoor en hierna: het hof). Zij hebben afzonderlijk hoger beroep ingesteld van het vonnis voor zover dat betrekking heeft op (de afwijzing van) de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk en voor zover dat betrekking heeft op (de toewijzing van) de subsidiaire vordering van FMV tegen Antilla c.s.9.Eerstgenoemd hoger beroep richtte zich, blijkens de akte van hoger beroep en de memorie van grieven in dat beroep, tegen Van der Valk , en laatstgenoemd hoger beroep, blijkens de akte van hoger beroep en de memorie van grieven in dat beroep, tegen FMV.
FMV heeft geen hoger beroep tegen het vonnis van het gerecht ingesteld. Zij is dus niet in hoger beroep gekomen van de afwijzing van haar primaire vordering tegen Van der Valk en haar veroordeling in de proceskosten met betrekking tot die vordering. Ook Van der Valk heeft geen hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van het gerecht.
2.8
Bij (één) vonnis van 27 augustus 2024 heeft het hof in beide hoger beroepen uitspraak gedaan.10.Het hof heeft wat betreft de beslissingen over de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk en de subsidiaire vordering van FMV tegen Antilla c.s. het vonnis van het gerecht in eerste aanleg vernietigd en opnieuw rechtdoende verstaan dat het niet toekomt aan beoordeling van de subsidiaire vordering van FMV tegen Antilla c.s., en Van der Valk veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg van zowel FMV als Antilla c.s. als in proceskosten in hoger beroep van Antilla c.s. Het hof heeft het vonnis van het gerecht in eerste aanleg bevestigd wat betreft de toewijzing van de subsidiaire vordering van FMV tegen Van der Valk , met uitzondering echter van de voorwaarde dat de opheffing van het beslag door Van der Valk (eerst) dient plaatst te vinden na afgifte van een bankgarantie ter hoogte van minimaal US$ 3.483.000,-. Het hof heeft bepaald dat FMV de eigen proceskosten in hoger beroep draagt.
2.9
Het hof is in zijn vonnis allereerst ingegaan op het belang van Antilla c.s. bij hun hoger beroep tegen de beslissing over de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk :
“3.7 Anders dan Van der Valk bij memorie van antwoord heeft aangevoerd, hebben Antilla c.s. voldoende belang bij hun hoger beroep tegen de afwijzing van de primaire vordering van FMV. Als dit hoger beroep slaagt, zou dit meebrengen dat Antilla c.s. geen bankgarantie hadden behoeven te stellen. Daarbij hebben Antilla c.s. belang. Aan het aannemen van dit belang staat niet in de weg dat FMV zelf niet in hoger beroep is gekomen tegen de afwijzing van haar primaire vordering. Vergelijk HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549, rov. 3.2.
Ook de omstandigheden dat het beslag inmiddels is opgeheven en dat Antilla c.s. geen grief hebben gericht tegen hun veroordeling in de proceskosten staan niet eraan in de weg dat Antilla c.s. voldoende belang hebben bij dit hoger beroep.”
2.10
Vervolgens heeft het hof de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk inhoudelijk beoordeeld. Het hof heeft als maatstaf vooropgesteld dat een conservatoir beslag dient te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt en dat die beoordeling niet los van de vereiste afweging van de wederzijdse belangen kan geschieden (rov. 3.8). Daarna heeft het hof overwogen dat vaststaat dat in elk geval de hiervoor in 2.1 onder (vii) genoemde bankschuld niet is betaald en dat dus in zoverre de hiervoor in 2.1 onder (vii) genoemde betalingsvoorwaarden niet zijn vervuld (rov. 3.9).
Het hof heeft geoordeeld dat de grief van Antilla c.s. tegen het oordeel van het gerecht dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat FMV zich beroept op het niet voldaan zijn aan de betalingsvoorwaarden, slaagt. Volgens het hof is de enkele omstandigheid dat FMV niet langer bij machte of in staat is de betalingsvoorwaarden in vervulling te laten gaan, onvoldoende voor dat oordeel (rov. 3.10-3.11).
Hierna heeft het hof, gelet op het slagen van de grief en de devolutieve werking van het hoger beroep, de overige verweren van Van der Valk tegen de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk beoordeeld (rov. 3.12). Voor zover in cassatie van belang, heeft het hof overwogen:
“3.13 Van der Valk heeft aangevoerd dat het op de weg van FMV lag ervoor te zorgen dat bij de SPA 2022 ook de bankschuld zou worden betaald. FMV heeft dat belet, althans opzettelijk teweeggebracht dat het niet is gebeurd en zich zodoende verrijkt. De voorwaarde dat de bankschuld wordt betaald, dient daarom als vervuld te worden beschouwd. (…)
3.14
De gegrondheid van dit betoog valt voorshands niet in te zien. Ten tijde van de totstandkoming van het addendum had TdS Holding kunnen bedingen dat FMV in geval van vervreemding van de aandelen verplicht zou zijn ervoor te zorgen dat meteen aan de betalingsvoorwaarden zou worden voldaan. Aruba Bank, die verlangde dat de koopsomvordering zou worden achtergesteld aan de bankschuld, zou daartegen geen bezwaar hebben gehad. Mogelijk zou het wel de commerciële mogelijkheden voor FMV om de aandelen te vervreemden hebben verkleind. In elk geval valt niet zonder meer in te zien waarom, nu in 2014 niet is bedongen dat FMV in geval van vervreemding van de aandelen ervoor zou zorgen dat de bankschuld zou worden betaald, het in 2022 op de weg van FMV lag dat zij dat toch zou doen. De aandelen zouden dan duurder zijn geweest en de belangstelling ervoor minder. FMV heeft niet belet dat Antilla c.s. de bankschuld afbetalen, zij heeft hen slechts niet contractueel daartoe verplicht. De omstandigheid dat zij dat laatste niet heeft gedaan, levert geen ongerechtvaardigde verrijking voor haar op. De bankvoorwaarden kunnen dus niet op de voet van art. 6:23 lid 1 BW als vervuld worden beschouwd.
(…)
3.16
Zolang de bankschuld niet is betaald, is de koopsom niet alleen nog niet opeisbaar, maar ook nog niet verschuldigd. In de acceleration clause is immers niet overeengekomen dat de koopsom pas betaald behoeft te worden nadat de bankschuld is betaald, maar dat de koopsom pas betaald mag worden nadat de bankschuld is betaald. Dat verlangde Aruba Bank. De koopsomvordering is dus niet alleen een voorwaardelijke vordering, maar ook een toekomstige vordering. Uit art. 6:83 sub c BW kan daarom niet worden afgeleid dat de koopsomvordering thans opeisbaar is.
3.17
FMV heeft er een redelijk belang bij dat er geen beslag op haar vermogensbestanddelen wordt gelegd. Daarom valt niet in te zien dat FMV geen redelijk belang zou hebben bij haar beroep op de betalingsvoorwaarden, of dat dit beroep misbruik van bevoegdheid zou opleveren. Voor dit laatste oordeel gelden bovendien dezelfde argumenten als voor het oordeel dat dit beroep niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
3.18
Op zichzelf is wellicht niet uitgesloten dat beslag wordt gelegd voor een toekomstige vordering, maar gelet op voorgaande oordelen bestaat daar in dit geval geen aanleiding voor.
(…)
3.20
Op grond van het voorgaande komt het Hof tot het oordeel dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door Van der Valk als beslaglegger ingeroepen recht. Een afweging van de wederzijdse belangen leidt niet tot het oordeel dat de beslagen toch pas mogen worden opgeheven als alternatieve zekerheid door Antilla c.s. aan Van der Valk is verschaft. Niet valt in te zien dat het belang van Van der Valk bij de ontvangst van een bankgarantie zwaarder behoort te wegen dan het belang van FMV bij opheffing van het beslag, gecombineerd met het belang van Antilla c.s. om geen bankgarantie te hoeven stellen.
3.21
De primaire vordering had dus toegewezen moeten worden zonder dat verlangd werd dat Antilla een bankgarantie zou stellen. Nu de beslagen inmiddels zijn opgeheven, zal het Hof geen nieuw bevel tot opheffing van de beslagen geven, maar het reeds gegeven bevel zoveel mogelijk in stand laten.”
2.11
Met betrekking tot de subsidiaire vordering van FMV op Antilla c.s. heeft het hof overwogen dat het gerecht in eerste aanleg de primaire vordering van FMV op Van der Valk had behoren toe te wijzen, dat het gerecht dan niet zou zijn toegekomen aan de subsidiaire vordering van FMV op Antilla c.s. en dat het hof daarom het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover het gerecht Antilla c.s. heeft bevolen om een bankgarantie te stellen (rov. 3.26).
2.12
Tot slot heeft het hof overwogen dat deze uitkomst meebrengt dat het hof het bestreden vonnis ook zal vernietigen voor zover daarbij Antilla en Iberostar in de proceskosten zijn veroordeeld, dat Van der Valk zal worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg, aan de zijde van FMV en aan de zijde van Antilla c.s. gevallen, en in hoger beroep, alleen aan de zijde van Antilla c.s. gevallen. Volgens het hof dient FMV in hoger beroep de eigen proceskosten te dragen (rov. 3.27).
2.13
Van der Valk heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het vonnis van het hof.11.Haar cassatieberoep keert zich uitsluitend tegen Antilla c.s. Van der Valk heeft dus geen cassatieberoep ingesteld tegen FMV. FMV is daardoor in cassatie niet langer partij in deze procedure.12.
2.14
Antilla c.s. hebben in cassatie een verweerschrift ingediend, waarbij zij hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Van der Valk heeft haar standpunt schriftelijk doen toelichten. Antilla c.s. hebben gedupliceerd.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het middel bevat zes onderdelen. Onderdeel 1, dat drie subonderdelen telt, voert kort gezegd aan dat het hof Antilla c.s. niet-ontvankelijk had moeten verklaren in hun hoger beroep tegen de afwijzing van de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk , althans de afwijzing van de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk door het gerecht in eerste aanleg had moeten bevestigen, omdat FMV van die afwijzing niet in hoger beroep is gekomen. Onderdeel 2 keert zich eveneens in meerdere subonderdelen tegen het oordeel van het hof in rov. 3.16, 3.18 en 3.20 dat erop neerkomt dat summierlijk is gebleken dat de vordering waarvoor Van der Valk de beslagen heeft gelegd, ondeugdelijk is. Onderdeel 3 betoogt dat het hof in rov. 3.20 ten onrechte het belang van Antilla c.s. heeft betrokken bij de belangenafweging ter zake van de opheffing van de beslagen. De onderdelen 4-6 bevatten voortbouwklachten, die zelfstandige betekenis missen en daarom geen bespreking behoeven.13.
Concordantie Arubaans en Nederlands recht
3.2
Deze zaak wordt beheerst door het recht van het Land Aruba. De voor deze zaak relevante wettelijke regelingen in BW en Rv van Aruba komen overeen met de wettelijke regelingen in BW en Rv van Nederland. Het concordantiebeginsel, dat kan worden gelezen in art. 39 Statuut van het Koninkrijk, brengt mee dat gelijkluidende wettelijke regelingen in dezelfde zin moeten worden uitgelegd.14.
Onderdeel 1: de regels van het meerpartijengeding in de vorderingsprocedure
3.3
De klachten van onderdeel 1 stellen de regels aan de orde die gelden voor een geding waaraan door meer dan twee partijen wordt deelgenomen, dus een meerpartijengeding. Die regels worden vaak aangeduid als de regels met betrekking tot subjectieve cumulatie. Die regels verschillen zowel in Aruba als in Nederland voor dagvaardingsprocedure en verzoekschriftprocedure. Daarbij merk ik op dat de benamingen ‘dagvaardingsprocedure’ en ‘verzoekschriftprocedure’ voor Aruba niet helemaal adequaat zijn omdat alle procedures in Aruba beginnen met een verzoekschrift, zowel die een vordering betreffen (vgl. art. 110 lid 1 RvA), als die betrekking hebben op een verzoek (art. 429a e.v. RvA). In Aruba kan daarom beter worden gesproken van ‘vorderingsprocedure’ en ‘verzoekprocedure’, zoals in Nederland al gebeurt voor de cassatieprocedure.
3.4
Voor de dagvaardings-/vorderingsprocedure geldt zowel in Aruba als in Nederland een stelsel dat kan kort worden aangeduid als het ‘tweepartijenstelsel’.15.Ook de al genoemde, meer gangbare term ‘subjectieve cumulatie’ is een adequate benaming, maar die aanduiding is op het eerste gezicht meer een beschrijving van wat er gebeurt (een cumulatie van in de procedure betrokken rechtssubjecten), dan van wat de geldende regels inhouden.
Het tweepartijenstelsel komt erop neer dat de geschilbeslechting waarvan in de dagvaardings-/vorderingsprocedure sprake is, steeds wordt opgevat als de beslechting van een geschil van één partij tegen één partij. Als sprake is van meerdere partijen die tegenover elkaar staan (hetzij doordat er sprake is van meerdere eisers, hetzij doordat er sprake is van meerdere gedaagden, hetzij doordat er sprake is van zowel meerdere eisers als meerdere gedaagden), dan wordt dat gezien als een ‘stapeling’ van een reeks van geschillen van één partij tegen één partij. Volgens het stelsel – dat ten grondslag ligt aan een reeks van wettelijke bepalingen – en volgens de – op die wettelijke bepalingen en/of dat stelsel gebaseerde – vaste rechtspraak van de Hoge Raad moeten die geschillen ieder worden gezien als afzonderlijk te berechten zaken die door de cumulatie weliswaar tezamen worden behandeld en beslist – in verband met de voordelen van gelijktijdige behandeling en beslissing –, maar die bij de cumulatie wel geheel hun zelfstandigheid behouden, dus, om zo te zeggen, niet echt één zaak worden (splitsing van de zaken is dan ook mogelijk).16.Beter zou wellicht dus kunnen worden gesproken van een ‘cumulatie van zaken’ (van één partij tegen één partij).17.
De vraag of bevoegdheid van de rechter bestaat en de vraag of een rechtsmiddel kan worden aangewend tegen een uitspraak, moeten in de dagvaardings-/vorderingsprocedure dan ook per zaak (in de zin van per geschil van één partij – een eiser – tegen één partij – een gedaagde) worden beantwoord. Dat antwoord kan per verhouding van eiser tegen gedaagde verschillen, ook al is dus sprake van één procedure (van meerdere eisers en/of meerdere gedaagden).18.Het gezag van gewijsde geldt voorts uitsluitend in en per die verhouding.19.Eisers en gedaagden zijn in hun onderlinge verhouding van eisers respectievelijk van gedaagden niet aan het gezag van gewijsde van de uitspraak gebonden en evenmin kunnen zij tegen elkaar een rechtsmiddel aanwenden tegen een uitspraak (beide geldt omdat zij onderling niet tegen elkaar procederen).20.De rechter kan ook niet de gronden die voor de vordering in het ene geschil tussen een eiser en een gedaagde zijn aangevoerd, toepassen in het andere geschil tussen een andere eiser en/of andere gedaagde als op die gronden in dat geschil niet ook een beroep is gedaan door de eiser of gedaagde in dat geschil.21.Een rechtsmiddel moet dus worden ingesteld tegen een wederpartij in een geschil dat is voorgelegd in vorige instantie en de uitspraak op dat rechtsmiddel heeft dus ook alleen betrekking op de verhouding met de wederpartij waartegen het rechtsmiddel is ingesteld.22.
Zoals uit het voorgaande volgt, zijn in dit stelsel in een meerpartijengeding verschillende uitspraken mogelijk over de verschillende voorgelegde geschillen doordat andere stellingen zijn aangevoerd of doordat sommige partijen een rechtsmiddel hebben ingesteld – en daarop anders is beslist dan in vorige instantie – en andere partijen hebben afgezien van het instellen van een rechtsmiddel.23.
Wil binding van meer dan twee partijen aan de beslissing over hetzelfde geschilpunt in hetzelfde geschil kunnen ontstaan – wat dus niet moet worden verward met de beslissing over hetzelfde geschilpunt in verschillende geschillen, dus geschillen tussen verschillende partijen –, dan zal voeging of tussenkomst moeten worden gevraagd, waardoor de derde die mag tussenkomen of zich mag voegen, mede partij wordt in het geschil tussen de oorspronkelijke twee partijen. Dat geldt, gelet op het tweepartijenstelsel, ook als de derde al als partij in de procedure was betrokken als mede-eiser of medegedaagde.24.Dit laat zien dat het bestaan van het tweepartijenstelsel onder meer volgt uit de wettelijk geregelde mogelijkheid van voeging en tussenkomst.25.
3.5
Opmerking verdient dat als sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding het tweepartijenstelsel niet in het meerpartijengeding geldt. Partijen procederen dan als groep ten aanzien waarvan één beslissing door de rechter wordt gegeven, die alle leden van de groep over en weer bindt en waartegen ieder van hen tegen alle anderen een rechtsmiddel kan aanwenden.26.Hetzelfde stelsel geldt of lijkt te gelden voor de verzoekschriftprocedure.27.In een kort geding – dus in de onderhavige procedure – geldt het tweepartijenstelsel wel.28.Voeging en tussenkomst zijn dan ook mede mogelijk in kort geding.29.
Voeging
3.6
Wie als derde belang heeft bij de uitkomst van een procedure tussen twee partijen, kan zich voegen of tussenkomen (art. 214 e.v. RvA en art. 217 e.v. RvNL). Door een voeging kan de derde gronden aanvoeren ten behoeve van het standpunt van de partij die zij wil steunen en aan wier zijde zij zich dus voegt. Wordt voeging door de rechter toegestaan, dan wordt de gevoegde partij als al gezegd mede partij in het geschil tussen de twee aanvankelijke partijen. Daardoor geldt hetgeen zij aanvoert, als aangevoerd in het geschil tussen de twee hoofdpartijen. Dat moet dan dus door de rechter mede worden beoordeeld in dát geschil (het is om dit specifieke gevolg dat het bij een voeging is te doen). Dat de gevoegde partij mede partij in het geschil tussen de twee aanvankelijke partijen wordt, betekent tevens dat zij in de proceskosten van dat geschil kan worden veroordeeld (daarbij gaat het dan om de proceskosten van de wederpartij van de partij aan wier zijde zij zich voegt). Voorts betekent dit dat zij een rechtsmiddel tegen de uitspraak in dat geschil kan instellen, aangezien zij daarbij partij is. Dat rechtsmiddel moet zij instellen tegen de wederpartij van de partij aan wier zijde zij zich heeft gevoegd.30.De gevoegde partij is ook gebonden aan het gezag van gewijsde van de uitspraak, maar dat heeft veelal geen praktische betekenis omdat in de regel in het geschil tussen de hoofdpartijen niet wordt beslist over een rechtsbetrekking waarbij zij partij is.
Meestal zal de gevoegde partij dan ook alléén belang hebben bij het rechtsmiddel als de hoofdpartij aan wier zijde zij zich heeft gevoegd, ook een rechtsmiddel aanwendt. Als die hoofdpartij dat nalaat, wordt de betrokken uitspraak jegens haar immers onherroepelijk, zodat het rechtsmiddel van de gevoegde partij niet meer tot het door deze beoogde gevolg – afwijzing van de tegen de hoofdpartij ingestelde vordering respectievelijk toewijzing van de door hoofdpartij ingestelde vordering – zal kunnen leiden.31.De gevoegde partij heeft daardoor in beginsel alleen een zelfstandig belang bij de aanwending van het rechtsmiddel als zij zelf in de kosten is veroordeeld en in het bijzondere geval dat beslist is over een rechtsbetrekking waarbij zij mede partij is, waardoor het gezag van gewijsde van die beslissing mede haar rechten raakt. Laatstgenoemd geval deed zich (naar de kennelijke vaststelling van de Hoge Raad) voor in het hiervoor al aangehaalde SGP-arrest, waarin het ging om de rechtmatigheid van het zogeheten vrouwenstandpunt van de SGP en waarin de SGP zich in hoger beroep aan de zijde van de Staat had gevoegd om verweer te voeren tegen de vordering van vrouwenorganisaties dat de Staat, in verband met die onrechtmatigheid, maatregelen tegen de SGP moest nemen.32.
Subjectieve cumulatie en voeging in deze zaak
3.7
Zoals hiervoor bleek, is in deze procedure sprake van subjectieve cumulatie. FMV heeft bij het inleidende verzoekschrift drie verschillende partijen in de procedure betrokken en tegen ieder van hen vorderingen ingesteld (zie hiervoor in 2.2). Dat betekent dat er drie geschillen zijn voorgelegd, te weten (i) tussen FMV en Van der Valk met de in die verhouding ingestelde primaire en subsidiaire vordering tot opheffing van de door Van der Valk gelegde beslagen, in de subsidiaire variant dus tegen zekerheidstelling door Antilla c.s. (in de vorm van een bankgarantie), en (ii) én (iii) tussen FMV en Antilla respectievelijk tussen FMV en Iberostar tot het stellen van die zekerheid (in de vorm van een bankgarantie) in het geval dat de primaire vordering tegen Van der Valk niet toewijsbaar is.33.Antilla heeft zich in eerste aanleg aan de zijde van FMV gevoegd in geschil (i), maar uitsluitend wat betreft de primaire vordering (zie hiervoor in 2.4). Daardoor werd zij dus partij in dat geschil en kon zij hoger beroep instellen tegen de afwijzing van de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk . Iberostar heeft zich niet gevoegd in eerste aanleg in geschil (i) (zie hiervoor in voetnoot 5). Zij kon dus geen hoger beroep instellen tegen de afwijzing van de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk .
Ook in het hoger beroep van deze procedure lagen de geschillen (i)-(iii) voor. Doordat FMV geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de afwijzing van haar primaire vordering tegen Van der Valk en Van der Valk geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de toewijzing van de subsidiaire vordering van FMV tegen haar (ten aanzien waarvan zij zich in eerste aanleg heeft gerefereerd), was geschil (i) in hoger beroep echter maar zeer beperkt aan de orde, namelijk uitsluitend voor zover door Antilla aan de orde gesteld als partij die zich in dat geschil aan de zijde van FMV heeft gevoegd. Op het belang van Antilla bij dat beroep ga ik in bij de bespreking van subonderdeel 1.2, dat dit belang aan de orde stelt.
Wat betreft geschillen (ii) en (iii) geldt dat Van der Valk daarbij geen partij is, nu zij zich daarin niet heeft gevoegd. Zij was dan ook evenmin partij in die geschillen in hoger beroep (en Antilla c.s. hebben dus terecht hun hoger beroep in die geschillen uitsluitend gericht tegen FMV; zie hiervoor in 2.7). Van der Valk heeft in die geschillen (dan ook) geen cassatieberoep ingesteld. Het cassatieberoep heeft uitsluitend betrekking op geschil (i).
Bespreking subonderdeel 1.1; ontvankelijkheid hoger beroep Iberostar
3.8
Subonderdeel 1.1 klaagt dat het hof heeft miskend dat Iberostar in eerste aanleg geen procespartij was in de zaak van de door FMV tegen Van der Valk gerichte vordering en dat het hof Iberostar daarom niet-ontvankelijk had moeten verklaren in haar hoger beroep voor zover dat betrekking had op de primaire vordering van FMV.
3.9
Dit subonderdeel slaagt. Iberostar kon in die zaak – die ik hiervoor in 3.7 heb aangeduid als geschil (i) – inderdaad geen hoger beroep instellen. De stukken laten geen andere lezing toe dan dat zij zich in eerste aanleg niet heeft gevoegd in de zaak tussen FMV en Van der Valk en dat zij dus geen partij was in die zaak (zie hiervoor in 3.7 eerste alinea). Het hof had haar dus in die zaak niet-ontvankelijk in haar hoger beroep moeten verklaren. De Hoge Raad kan dit punt zelf afdoen, door Iberostar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep voor zover dat betrekking heeft op deze zaak.
Bespreking subonderdeel 1.2; belang bij hoger beroep van Antilla
3.10
Subonderdeel 1.2 klaagt dat het hof heeft miskend dat aan het aannemen van belang van Antilla c.s. bij hun hoger beroep tegen de afwijzing van de primaire vordering van FMV wel degelijk in de weg staat dat FMV zelf niet in hoger beroep is gekomen van die afwijzing. Het hof had Antilla c.s. om deze reden niet-ontvankelijk moeten verklaren in dat hoger beroep. Het subonderdeel keert zich tegen rov. 3.7, waarin het hof overweegt dat het belang van Antilla c.s. bij het hoger beroep tegen de afwijzing van de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk erin is gelegen dat het slagen van dat beroep ertoe leidt dat zij geen bankgarantie behoeven te stellen, zoals de subsidiaire vordering van FMV tegen hen inhoudt, en dat aan het aannemen van dat belang niet in weg staat dat FMV niet in hoger beroep is gekomen van die afwijzing. Daarvoor verwijst het hof naar het hiervoor in 3.6 tweede alinea genoemde SGP-arrest. Het subonderdeel klaagt dat het hof hiermee heeft miskend wat hiervoor in 3.6 tweede alinea al is weergegeven. Volgens het subonderdeel hebben Antilla c.s., anders dan in het SGP-arrest aan de orde was, geen belang dat is gelegen in het gezag van gewijsde van het vonnis van het gerecht in eerste aanleg. Dat is volgens het subonderdeel sowieso het geval omdat dit een kort geding betreft. Voorts heeft het hof volgens het subonderdeel het proceskostenbelang niet aan zijn beslissing ten grondslag gelegd. Daarbij wijst het subonderdeel erop dat een proceskostenveroordeling in eerste aanleg naar het recht van Aruba niet zonder meer meebrengt dat belang bij een hoger beroep bestaat. Op grond van art. 281b RvA kan het hof namelijk bepalen dat een proceskostenveroordeling géén voldoende belang oplevert voor het hoger beroep, aldus het subonderdeel.
3.11
Aan het subonderdeel kan worden toegegeven dat, zoals het subonderdeel impliciet inhoudt, de overweging van het hof dat het belang van Antilla c.s. bij het hoger beroep tegen de afwijzing van de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk erin is gelegen dat het slagen van dat beroep ertoe leidt dat zij geen bankgarantie behoeven te stellen, zoals de subsidiaire vordering van FMV tegen hen inhoudt, zijn beslissing niet kan dragen. De beslissing over de subsidiaire vordering van FMV tegen hen is immers aan de orde in wat hiervoor in 3.7 is aangeduid als geschillen (ii) en (iii), dus de zaken tussen FMV en Antilla c.s. Bij de beslissing in die zaken moet en kan worden beoordeeld of grond bestaat voor toewijzing van de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk (omdat de vordering waarvoor Van der Valk beslag heeft gelegd, ondeugdelijk is), omdat de toewijsbaarheid van de vordering in geschillen (ii) en (iii) berust op het niet-toewijsbaar zijn van die primaire vordering (omdat, kort gezegd, de vordering waarvoor Van der Valk de beslagen heeft gelegd, wel voldoende deugdelijk is voor de beslagen). Zo de primaire vordering toewijsbaar is, bestaat geen grond voor toewijzing van de subsidiaire vordering van FMV tegen Antilla c.s. Een hoger beroep van Antilla c.s. tegen de afwijzing van de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk bij het dictum van het vonnis in eerste aanleg is voor de beoordeling hiervan niet nodig en vanuit dat oogpunt overbodig. Dat hoger beroep is bovendien niet passend omdat die beoordeling – voor zover zij plaatsvindt met het oog op de beoordeling van de vordering van FMV tegen Antilla c.s. – als gezegd thuishoort in geschillen (ii) en (iii) en niet in geschil (i).
3.12
Ook kan aan het subonderdeel worden toegegeven dat de verwijzing naar het SGP-arrest de beslissing van het hof evenmin kan dragen. Het gerecht in eerste aanleg heeft in zijn vonnis in het geschil tussen FMV en Van der Valk (dat hiervoor in 3.7 is aangeduid als geschil (i)) niet beslist over een rechtsbetrekking waarbij Antilla c.s. partij zijn. Bovendien is dit, zoals het subonderdeel terecht aanvoert, een kort geding en komt aan het vonnis van het gerecht om die reden geen gezag van gewijsde toe.34.
3.13
Desalniettemin is het subonderdeel ongegrond. Antilla – ik zal niet meer spreken van Iberostar, die immers niet-ontvankelijk in haar hoger beroep moet worden verklaard – had bij haar hoger beroep tegen de afwijzing van de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk onmiskenbaar voldoende belang, nu zij als gevoegde partij in eerste aanleg in de proceskosten was veroordeeld. Dat belang was in hoger beroep in het geding, nu de gegrondheid van haar grief tegen het oordeel van het gerecht in eerste aanleg dat de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk niet toewijsbaar is, meebracht dat opnieuw over de toewijsbaarheid van de vordering moest worden beslist en dus ook opnieuw over de proceskosten met betrekking tot die vordering moest worden beslist. De proceskostenveroordeling van Antilla in eerste aanleg als gevoegde partij in de zaak tussen FMV en Van der Valk berustte immers op de niet-toewijsbaarheid van de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk en kon, als daarop voortbouwende beslissing, door het slagen van de grief dus niet zonder meer in stand blijven. Een afzonderlijke grief was daarvoor (dus) niet nodig. Terecht heeft het hof dan ook opnieuw over die kosten in zijn vonnis beslist.
Dat Antilla en het hof dit procesbelang van Antilla niet hebben benoemd, maakt het voorgaande niet anders. Dat een partij procesbelang heeft, vormt immers in het burgerlijk procesrecht uitgangspunt. Gebrek aan belang dient te blijken.35.Partijen hoeven hun belang dus in beginsel niet te stellen en de rechter behoeft dat belang in beginsel niet vast te stellen. Gelet op het in de voorgaande alinea opgemerkte is het procesbelang van Antilla bij het hoger beroep als gevoegde partij in de zaak tussen FMV en Van der Valk in dit geval evident.
Het beroep op art. 281b RvA
3.14
Wat betreft het beroep op art. 281b RvA merk ik het volgende op. Het middel heeft bij die bepaling kennelijk het oog op art. 281b Rv van Curaçao, van Sint Maarten, en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Die bepaling luidt dat het hof kan bepalen dat een veroordeling in de kosten geen voldoende belang oplevert voor het hoger beroep. Daarmee wijkt het Caribische recht af van het Nederlandse recht. Vaste rechtspraak van de Hoge Raad is immers dat voor een partij die bij een uitspraak van de rechter in eerste aanleg in de proceskosten is veroordeeld, deze veroordeling al een voldoende belang oplevert bij het instellen van hoger beroep tegen die uitspraak.36.
De wetgever van Aruba is kennelijk voornemens geweest om een dergelijke bepaling ook in te voeren in het nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van Aruba, dat in 2005 in werking is getreden.37.In de memorie van toelichting op het ontwerp van dat Wetboek wordt namelijk opgemerkt:
“Ook artikel 281b is nieuw. Het komt regelmatig voor – vooral in kort geding – dat op het tijdstip dat het Hof in hoger beroep over de zaak moet oordelen, het materiële belang inmiddels is komen te ontvallen. Zo beval de rechter in eerste aanleg te Curaçao eind 2000 in kort geding dat, in verband met besmetting van de Curaçaose drinkwaterleiding, aan de gedetineerden van de gevangenis aldaar bepaald drinkwater moest worden verstrekt (…). Toen de zaak door het Land de Nederlandse Antillen in hoger beroep aan het Hof werd voorgelegd, was de besmetting al lang voorbij. Het Hof moest echter toch een oordeel geven, omdat naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad de kostenveroordeling van het Land de Nederlandse Antillen in eerste aanleg reeds voldoende belang voor het hoger beroep opleverde. De bedoeling van het onderhavige artikel is om deze rechtspraak van de Hoge Raad te doorkruisen. Het moet mogelijk zijn dat het Hof bepaalt dat de kostenveroordeling in het gegeven geval onvoldoende belang oplevert. Aan het Hof wordt hier een discretionaire bevoegdheid toegekend. Vooral bij ingewikkelde zaken zal zich spoedig voordoen dat het belang van kostenveroordeling niet opweegt tegen het beslag dat op de menskracht van het Hof wordt gelegd. (…)”38.
In het ontwerp van het Wetboek dat bij de Staten is ingediend komt een art. 281b Rv echter niet voor. In de loop van de behandeling is een bepaling met dat nummer ook niet toegevoegd.39.In het afkondigingsblad waarin de desbetreffende Landsverordening destijds is gepubliceerd ontbreekt art. 281b Rv dan ook.40.Ook een andere bepaling van genoemde inhoud of strekking ontbreekt in deze publicatie. Ook in de huidige versie van RvA, dat op de website van de Arubaanse overheid is gepubliceerd, ontbreekt een dergelijke bepaling.41.Wél kwam een bepaling met deze inhoud voor in het ontwerp van het Wetboek dat destijds bij de Staten van Aruba is ingediend en wel als art. 281a Rv (onderstreping toegevoegd). Het ontwerp bevatte twee keer een art. 281a Rv. Het eerste daarvan bevatte dezelfde inhoud als het huidige art. 281a RvA, het tweede dezelfde tekst als art. 281b van Rv van Curaçao, van Sint Maarten, en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Dit tweede ‘art. 281a Rv’ is, voor zover valt na te gaan, niet ingetrokken of gewijzigd tijdens de behandeling van het ontwerp door de Staten.42.In de publicatie van het Wetboek in het afkondigingsblad komt zoals gezegd deze bepaling echter in het geheel niet voor. Zij is dus in de tussentijd door iemand uit het ontwerp geschrapt.43.
Op grond van art. V8 van de Staatsregeling van Aruba44.treedt een landsverordening niet in werking voordat zij is bekendgemaakt.45.Afgezien van de vraag of en wanneer, al dan niet bewust, is afgezien van de invoering van art. 281b in het RvA, moet worden aangenomen dat de bepaling op dit moment geen rechtskracht heeft, nu van de vereiste publicatie daarvan niet blijkt en bovendien twijfel kan bestaan of deze bepaling wel de vereiste parlementaire instemming heeft gekregen.
Opmerking verdient dat de bepaling wel wordt weergegeven in wettenbundels,46.handboeken47.en rechtspraak,48.en dat deze daarin wordt beschouwd als een geldende wettelijke bepaling van Aruba. Komt daaraan gewicht toe? Ik zou menen van niet. De toegang tot de rechter is van openbare orde en beperkingen daarop dienen in beginsel bij wet plaatst te vinden.49.De keuze voor de beperking van art. 281b Rv zal dus door de wetgever moeten worden gemaakt en op de door de wet voorgeschreven wijze moeten blijken.
3.15
Het beroep op art. 281b RvA dat het subonderdeel doet, gaat om deze redenen niet op. Hiernaast gaat het in die bepaling om een discretionaire bevoegdheid van het hof, waarmee het zijn werklast kan beperken. Zolang het hof die bevoegdheid niet heeft toegepast, moet uitgangspunt zijn dat een proceskostenveroordeling voldoende belang voor een hoger beroep oplevert. Ook om deze reden faalt het beroep op art. 281b RvA.
Slotsom m.b.t. subonderdeel 1.2
3.16
Uit het voorgaande volgt dat het subonderdeel ongegrond is.
Bespreking subonderdeel 1.3; vernietiging door hof van beslissingen in verhouding Van der Valk /FMV
3.17
Subonderdeel 1.3 klaagt subsidiair dat het hof in ieder geval de afwijzing van de primaire vordering door het gerecht in eerste aanleg had moeten bevestigen, reeds omdat FMV zelf daartegen niet in hoger beroep is gekomen. In plaats daarvan heeft het hof ten onrechte de primaire vordering (materieel) alsnog toegewezen (het subonderdeel wijst hier op de wijziging die het hof heeft aangebracht in de toewijzing van de subsidiaire vordering van FMV tegen Van der Valk in het vonnis in eerste aanleg – zie daarvoor hiervoor in 2.8 –, die hierop inderdaad neerkomt). Ook als zou moeten worden aangenomen dat Antilla voldoende belang had bij haar hoger beroep tegen de afwijzing van de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk vanwege de proceskostenveroordeling van Antilla, dan had dat slechts kunnen leiden tot een inhoudelijke beoordeling van de betrokken rechtsbetrekking tussen FMV en Van der Valk met het oog op een nieuwe beslissing over die proceskosten, maar niet tot het alsnog toewijzen van de primaire vordering, aldus het onderdeel.
3.18
Het subonderdeel is inhoudelijk gegrond. Nu FMV geen hoger beroep had ingesteld – blijkens de akte van hoger beroep en de memorie van grieven van Antilla c.s. was zij zelfs geen partij in het hoger beroep in die zaak (dat richtte zich uitsluitend tegen Van der Valk ) –, kon het hof geen verandering brengen in de afwijzing van de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk . Evenmin kon het hof in de zaak tussen FMV en Van der Valk ten gunste van FMV verandering brengen in de toewijzing van de subsidiaire vordering van FMV tegen Van der Valk , zoals het in zijn dictum heeft gedaan, door de voorwaarde van de afgifte van een bankgarantie daaruit te schrappen. Dat schrappen komt er bovendien op neer, zoals het subonderdeel terecht aanvoert, dat de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk alsnog is toegewezen door het hof. Bovendien heeft het hof de kostenveroordeling in eerste aanleg van FMV ten gunste van Van der Valk vernietigd en Van der Valk alsnog in de proceskosten van FMV in eerste aanleg veroordeeld, wat al evenmin mogelijk was, nu FMV geen hoger beroep heeft ingesteld.
3.19
Desalniettemin kan het subonderdeel niet tot cassatie leiden. Het vonnis van het hof kan namelijk in theorie op twee manieren worden begrepen.
De eerste uitleg is dat de beslissingen van het hof geen betrekking hebben op de verhouding tussen FMV en Van der Valk . Voor die uitleg pleit dat deze in hoger beroep niet aan de orde is gesteld doordat geen van de beide betrokken partijen tegen het desbetreffende deel van het vonnis in eerste aanleg hoger beroep heeft ingesteld en daardoor in die verhouding dus geen sprake was van een hoger beroep. Dat in die verhouding geen sprake was van een hoger beroep, blijkt ook duidelijk uit het vonnis van het hof. Dat vermeldt immers FMV en Van der Valk uitsluitend als (mede-)geïntimeerden en maakt geen melding van een door hen ingesteld hoger beroep, laat staan van een tussen hen onderling ingesteld hoger beroep. Gelet op de hiervoor vermelde regels van het tweepartijenstelsel is duidelijk dat een uitspraak in dat stelsel geen bindende werking heeft in de onderlinge relatie van (mede-)geïntimeerden. Bij deze uitleg mist Van der Valk belang bij haar klachten, omdat duidelijk is dat het vonnis van het hof in de onderlinge verhouding van Van der Valk en FMV geen verandering heeft gebracht in het vonnis van het gerecht in eerste aanleg: dat is in die verhouding (onverkort) blijven gelden bij deze uitleg.
De tweede uitleg is dat het hof wél bedoeld heeft om uitspraak te doen in de verhouding van Van der Valk en FMV en dus eerst de afwijzing van de vordering van FMV tegen van der Valk in die verhouding heeft vernietigd en daarna in die verhouding materieel alsnog de vordering van FMV heeft toegewezen. In dat geval heeft Van der Valk uiteraard wél belang bij haar klachten. In dat geval geeft het vonnis FMV echter rechten jegens Van der Valk . Van der Valk had in dat geval haar cassatieberoep dus mede tegen FMV moeten richten om de hiervoor in 3.18 genoemde onjuistheden in het vonnis van het hof aan de orde te stellen en aldus de toekenning van die rechten door het hof ongedaan te laten maken. Weliswaar geldt normaal gesproken dat een partij geen rechtsmiddel kan aanwenden tegen andere partijen dan haar wederpartij(en) in vorige instantie (zie hiervoor in 3.4 derde alinea) en stonden Van der Valk en FMV als gezegd in hoger beroep niet meer als wederpartijen tegenover elkaar, nu geen van beide hoger beroep had ingesteld, maar het hof heeft bij de hier aan de orde zijnde uitleg van zijn vonnis tóch in die verhouding de hier aan de orde zijnde beslissingen gegeven. In een dergelijk geval moet, in afwijking van hetgeen normaal geldt, wél beroep worden ingesteld tegen een dergelijke partij, teneinde deze fout tegenover de juiste partij – in dit geval dus FMV – ongedaan te kunnen laten maken. Dat heeft Van der Valk niet gedaan. FMV is als gezegd in het geheel geen partij in de cassatieprocedure. Dat heeft tot gevolg dat het vonnis van het hof jegens haar onherroepelijk is geworden, dus ook in de verhouding tussen FMV en Van der Valk . Van der Valk is derhalve bij deze uitleg niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep voor zover gericht tegen de hier aan de orde zijnde beslissingen van het hof.50.Dat kan in dit stadium niet meer worden gerepareerd, nu FMV na het verstrijken van de cassatietermijn mag rekenen op de ingetreden onherroepelijkheid van het vonnis van het hof. Voor een uitzondering hierop is in dit geval geen grond, lijkt me.
Het subonderdeel kan bij beide lezingen van het vonnis dus niet slagen.
3.20
Mij lijkt de juistheid van de tweede lezing overigens onontkoombaar. Op zichzelf heeft de uiteindelijke, materiële toewijzing door het hof bij dictum van de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk – tot opheffing van het beslag – geen enkel gevolg, omdat, zoals het hof heeft vastgesteld, het beslag ten tijde van het vonnis van het hof al was opgeheven. Die toewijzing zou dus eventueel nog kunnen worden gezien als een soort (overbodige en ook verwarring wekkende) verduidelijking van het inhoudelijke oordeel van het hof over de toewijsbaarheid van de primaire vordering, die het als gezegd moest geven voor de beoordeling van de subsidiaire vordering van FMV tegen Antilla c.s. in de zaak tussen FMV en Antilla c.s. Een dergelijke redenering is echter niet mogelijk ten aanzien van de door het hof gewijzigde kostenveroordeling in de zaak tussen FMV en Van der Valk . Deze kan niet anders worden begrepen dan dat het hof alsnog Van der Valk de proceskosten heeft willen laten dragen van FMV en niet, omgekeerd, FMV de proceskosten van Van der Valk , zoals het vonnis in eerste aanleg inhoudt, met andere woorden bedoeld heeft om in de onderlinge verhouding van FMV en Van der Valk een van het vonnis in eerste aanleg afwijkende beslissing te geven, wat als gezegd niet mogelijk was, nu FMV geen hoger beroep heeft ingesteld.
Tussenconclusie
3.21
Uitsluitend de klacht van subonderdeel 1.3, dat het hof Iberostar niet-ontvankelijk in haar hoger beroep had moeten verklaren, kan dus tot cassatie leiden. Die klacht kan de Hoge Raad als gezegd zelf afdoen.
Uit het voorgaande volgt voorts dat het cassatieberoep van Van der Valk alleen betrekking heeft op de beslissing van het hof over de proceskosten in de verhouding tussen enerzijds Van der Valk en anderzijds Antilla als gevoegde partij in het geschil tussen Van der Valk en FMV. Alleen in die verhouding en dat geschil staan Van der Valk en Antilla immers in deze procedure en in dit cassatieberoep tegenover elkaar. De beslissing van het hof over de proceskosten in die verhouding berust als gezegd op zijn oordeel over de toewijsbaarheid van de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk . Tegen dat oordeel van het hof keren zich als eveneens al gezegd de onderdelen 2 en 3. Alvorens deze onderdelen te bespreken, ga ik eerst nog in op het door Antilla c.s. tegen onderdeel 1 gevoerde verweer.
Processueel ondeelbare rechtsverhouding?
3.22
Antilla c.s. voeren aan dat door de wijze waarop FMV deze procedure heeft ingestoken met verschillende vorderingen die primair en subsidiair zijn ingesteld tegen verschillende partijen, sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, zodat het tweepartijenstelsel niet geldt. Daarom gaat geen van de klachten van onderdeel 1 op, aldus Antilla c.s.51.
3.23
Dit verweer is ongegrond. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor in 3.4 vierde alinea is opgemerkt, brengt subjectieve cumulatie juist niet mee dat sprake is een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Hetzelfde geldt specifiek voor voeging en tussenkomst, naar volgt uit hetgeen hiervoor in 3.6 is vermeld. Van een ondeelbare rechtsverhouding is pas sprake als het rechtens noodzakelijk is dat de beslissing ten aanzien van eenieder die partij is bij die rechtsverhouding, in dezelfde zin luidt.52.Dat kan slechts worden aangenomen indien de aard en inhoud van de rechtsverhouding daartoe nopen.53.Het gaat erom of een niet tussen alle betrokkenen gewezen uitspraak ‘een rechtens in beginsel onhanteerbare situatie’ veroorzaakt.54.Te denken valt met name aan beslissingen over een gemeenschap. Wie deelgenoot is en hoe de gemeenschap wordt verdeeld, moet jegens eenieder in dezelfde zin worden beslist omdat anders praktisch niet oplosbare problemen ontstaan.
In dit verband moet worden bedacht dat het aannemen van een ondeelbare rechtsverhouding, betekent dat inbreuk wordt gemaakt op de vrijheid van partijen om hun rechten te handhaven jegens wie zij wensen. Die vrijheid vormt een wezenlijk onderdeel van de partijautonomie die een van de hoofdbeginselen van het burgerlijk procesrecht is. Dat een ondeelbare rechtsverhouding wordt aangenomen, legt bovendien een last op partijen die aanzienlijk kan zijn. Het moeten procederen met en tegen meerdere personen tegelijk kan immers makkelijk voor meer complicaties zorgen en leiden tot meer werk, tijd en kosten. Een verplichting tot het dragen van die last, valt daarom alleen aan te nemen bij een duidelijke noodzaak daartoe.
Het is evident dat een dergelijke noodzaak zich in een zaak als deze niet voordoet. Met verschillende uitkomsten van de onderhavige geschillen valt op zichzelf prima te werken, hoe onwenselijk die uiteenlopende uitkomsten ook zijn of gevonden kunnen worden. Zoals hiervoor in voetnoot 33 opgemerkt betreft de subsidiaire vordering van FMV tegen Antilla c.s. in feite een vrijwaringsprocedure. De wettelijke regeling van de vrijwaring is er weliswaar op gericht om te bewerkstelligen dat hoofdzaak (in dit geval dus de zaak tussen FMV en Van der Valk ) en vrijwaringszaak (in dit geval dus de zaak tussen FMV en Antilla c.s.) tegelijk en in overeenstemming met elkaar worden afgedaan – wat de ratio is van de wettelijke mogelijkheid om een annexe vrijwaringsprocedure te beginnen –, maar om de hiervoor 3.4 vierde alinea al genoemde redenen laat de wettelijke regeling van de vrijwaring toe dat de uitkomsten van beide procedures toch met elkaar kunnen strijden. Dat is ook het geval omdat hoofd- en vrijwaringszaak soms toch niet tegelijk beslist blijken te kunnen worden, zoals art. 76 RvA (art. 215 RvNL) uitdrukkelijk als mogelijkheid erkent.55.
Met andere woorden: uit het geldende stelsel volgt dat de voor het aannemen van een ondeelbare rechtsverhouding vereiste noodzaak niet bestaat. Dat wordt niet anders door de bijzonderheid van deze zaak dat in (wat kan worden aangeduid als) de hoofdzaak mede sprake is van een subsidiaire vordering (de subsidiaire vordering van FMV tegen Van der Valk om het beslag op te heffen tegen een bankgarantie van Antilla c.s.) die afhankelijk is van de uitkomst van (wat kan worden aangeduid als) de vrijwaringzaak.
Bespreking onderdeel 2: kwalificatie van de koopsomvordering
3.24
Onderdeel 2 is gericht tegen de rov. 3.16, 3.18 en 3.20, eerste zin, waarin het hof heeft geoordeeld dat de koopsomvordering niet alleen een voorwaardelijke vordering, maar ook een toekomstige vordering is, dat op zichzelf wellicht niet is uitgesloten dat beslag wordt gelegd voor een toekomstige vordering, maar dat daar in dit geval geen aanleiding voor bestaat, en dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door Van der Valk als beslaglegger ingeroepen recht. Het onderdeel valt uiteen in acht subonderdelen, waarvan subonderdeel 2.7 uitsluitend een voortbouwklacht bevat, zodat dit subonderdeel geen bespreking behoeft.
Subonderdeel 2.1 voert aan dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de koopsomvordering een voorwaardelijke vordering is (namelijk een vordering tot betaling van de koopsom onder opschortende voorwaarde van onder meer betaling van de bankschuld), maar heeft miskend dat een dergelijke vordering een bestaande vordering is en geen toekomstige vordering.
Subonderdeel 2.2 klaagt dat, indien en voor zover het hof met zijn oordeel in rov. 3.16 dat zolang de bankschuld niet is betaald, de koopsom niet alleen nog niet opeisbaar is, maar ook nog niet verschuldigd, heeft bedoeld dat de verplichting tot betaling van de koopsom nog niet bestaat, dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting om dezelfde redenen als uiteengezet in subonderdeel 2.1. Het hof heeft in dit verband ook miskend dat de (betaling van de) koopsom een “krachtens een verbintenis onder opschortende voorwaarde verschuldigde prestatie” is als bedoeld in art. 6:25 BWA.
Subonderdeel 2.3 betoogt dat het oordeel van het hof in rov. 3.16 dat in de acceleration clause niet is overeengekomen dat de koopsom pas betaald behoeft te worden nadat de bankschuld is betaald, maar dat de koopsom pas betaald mag worden nadat de bankschuld is betaald, onbegrijpelijk is.
Subonderdeel 2.4 voert aan dat dit oordeel bovendien onbegrijpelijk is, omdat zonder nadere motivering niet valt in te zien dat uit de omstandigheid dat zou zijn overeengekomen dat de koopsom pas betaald mag worden nadat de bankschuld is betaald, zou volgen dat de koopsom nog niet is verschuldigd.
Subonderdeel 2.5 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 3.16 dat uit de eerste drie zinnen van die rechtsoverweging kan worden geconcludeerd dat de koopsomvordering niet alleen een voorwaardelijke vordering, maar ook een toekomstige vordering is, onbegrijpelijk is, omdat zonder nadere motivering niet valt in te zien dat het een uit het ander kan worden geconcludeerd.
Subonderdeel 2.6 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 3.16 dat uit art. 6:83 onder c BWA niet kan worden afgeleid dat de koopsomvordering thans opeisbaar is, onbegrijpelijk is of van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, omdat die bepaling niet regelt in welke gevallen een verbintenis opeisbaar is.
Subonderdeel 2.8 klaagt dat, indien en voor zover in de door onderdeel 2 bestreden oordelen besloten zou liggen dat geen conservatoir beslag kan worden gelegd voor een nog niet opeisbare, voorwaardelijke of toekomstige vordering, in die zin dat in die gevallen reeds vanwege dat karakter sprake is van ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht, die oordelen getuigen van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft dan miskend dat in die gevallen conservatoir beslag wel mogelijk is, tenzij een afweging van de wederzijdse belangen tot het oordeel leidt dat het beslag moet worden opgeheven.
3.25
Het onderdeel faalt. In rov. 3.9 heeft het hof vooropgesteld dat (in elk geval) de bankschuld niet is betaald en dat in zoverre de betalingsvoorwaarden dus niet zijn vervuld. Blijkens rov. 3.10-3.14 heeft het hof de verschuldigdheid van de koopsom opgevat als een verbintenis onder de opschortende voorwaarde dat de bankschuld is voldaan (het hof verwerpt daar het betoog van Van der Valk dat die voorwaarde geacht moet worden te zijn vervuld als bedoeld in art. 6:23 BWA). Het hof verwerpt hierna in rov. 3.15-3.19 de diverse betogen van Van der Valk dat de koopsomvordering op een andere grond als thans opeisbaar moet worden beschouwd.56.Dit voert het hof tot de slotsom in rov. 3.20 dat de vordering van Van der Valk ondeugdelijk is.
Het onderdeel komt tegen een en ander in de eerste plaats op met klachten die betogen dat het hof ten onrechte in rov. 3.16 de koopsom als nog niet verschuldigd en de koopsomvordering als toekomstig heeft gekwalificeerd.
Dat het hof de koopsom als nog niet verschuldigd heeft gekwalificeerd, geeft echter geen blijk van onjuiste rechtsopvatting. Een opschortende voorwaarde doet de werking van de verbintenis eerst met de vervulling van de voorwaarde plaatsvinden, aldus de gelijkluidende art. 6:22 BWA en 6:22 BWNL. Voorafgaand aan de vervulling van de voorwaarde is de prestatie waarop de verbintenis ziet, dus nog niet verschuldigd. Als zij voordien wordt verricht, kan zij dan ook op grond van onverschuldigde betaling worden teruggevorderd, aldus de eveneens gelijkluidende art. 6:25 BWA en 6:25 BWNL.57.De argumenten die het hof in rov. 3.16 noemt, komen, goed beschouwd, erop neer dat in dit geval van een opschortende voorwaarde sprake is – wat Van der Valk zelf ook tot uitgangspunt bij haar standpunt neemt – en dat de koopsom dus nog niet verschuldigd is.
Het is minder gelukkig dat het hof de koopsomvordering als toekomstig aanmerkt. Een voorwaardelijke verbintenis is immers onmiskenbaar een bestaande verbintenis.58.Deze onjuiste kwalificatie is echter niet dragend voor het oordeel van het hof in rov. 3.20 dat de vordering van Van der Valk ondeugdelijk is. Dat oordeel berust immers blijkens rov. 3.13-3.19 daarop dat de opschortende voorwaarde waaronder deze vordering kan worden uitgeoefend, niet is vervuld en dat Van der Valk daarom op dit moment geen vordering kan uitoefenen.
Op een en ander stuiten de klachten van de subonderdelen 2.1-2.5 af. Subonderdeel 2.6 faalt omdat ook de verwijzing door het hof in rov. 3.16 naar art. 6:83 aanhef en onder c BWA (art. 6:83 aanhef en onder c BWNL) niet dragend is voor zijn oordeel dat de vordering van Van der Valk ondeugdelijk is. Als ik het goed zie, heeft Van der Valk ook geen beroep gedaan op deze bepaling. Het middel voert dat althans niet aan, laat staan dat het hof gebrekkig op een beroep op die bepaling heeft beslist.
Subonderdeel 2.8 faalt ten slotte omdat het hof, zoals blijkt uit rov. 3.18, niet heeft miskend dat conservatoir beslag kan worden gelegd voor een nog niet opeisbare, voorwaardelijke of toekomstige vordering.59.Het hof heeft echter in dit geval geen aanleiding gezien voor (het laten liggen van) een dergelijk beslag, zoals het met zoveel woorden in rov. 3.18 overweegt. Dat oordeel – dat het middel niet bestrijdt – geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
Onderdeel 3; belangenafweging bij opheffing beslag
3.26
Onderdeel 3 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.20 dat een afweging van de wederzijdse belangen niet tot het oordeel leidt dat de beslagen toch pas mogen worden opgeheven als zekerheid aan Van der Valk is verschaft en dat niet valt in te zien dat het belang van Van der Valk bij de ontvangst van een bankgarantie zwaarder behoort te wegen dan het belang van FMV bij opheffing van het beslag, gecombineerd met het belang van Antilla c.s. om geen bankgarantie te hoeven stellen. Het onderdeel klaagt dat het hof bij deze belangenafweging ten onrechte het belang van Antilla c.s. heeft betrokken.
3.27
Ook dit onderdeel is ongegrond. Bij de beslissing of een conservatoir beslag moet worden opgeheven dient steeds mede een afweging van de wederzijdse belangen plaats te vinden.60.Niet valt in te zien dat onder de wederzijdse belangen niet mede zijn te verstaan de aan een van beide zijden betrokken belangen van derden. Zeker de belangen van waarborgen, waar het als gezegd in dit geval om gaat, zijn rechtstreeks bij de zaak betrokken (Antilla is bovendien ook een van de beslagenen; die zie hiervoor in 2.1 onder (xi)). In het algemeen moeten bij de toepassing van een open norm en bij een belangenafweging de bij het geval betrokken algemene belangen en belangen van derden worden betrokken.61.
Slotsom
3.28
Uitsluitend de klacht van subonderdeel 1.3, dat het hof Iberostar niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de afwijzing van de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk had moeten verklaren, slaagt dus. Die klacht kan de Hoge Raad als gezegd zelf afdoen door die niet-ontvankelijkheid alsnog uit te spreken.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het vonnis van het hof en tot afdoening zoals hiervoor in 3.28 vermeld.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 17‑10‑2025
Vgl. de vaststellingen van het hof in rov. 3.1.1-3.1.11.
In deze conclusie worden de aanduidingen ‘primair’ en ‘subsidiair’ voor de vorderingen van FMV consequent in de hier vermelde zin gebruikt, dus met betrekking tot uitsluitend de vorderingen en niet ook met betrekking tot de wederpartijen. Dat is in zoverre enigszins verwarrend dat daardoor steeds wordt gesproken van de ‘subsidiaire vordering van FMV op Antilla c.s.’, terwijl er geen primaire vordering van FMV tegen Antilla c.s. is (want de primaire vordering van FMV is uitsluitend gericht tegen Van der Valk ).
Vgl. voor de vorderingen van FMV rov. 3.1 van het vonnis in eerste aanleg en rov. 3.2 van het vonnis van het hof. Het gerecht en het hof hebben de grondslag van de vordering niet vastgesteld. Die blijkt echter wel uit hun overwegingen. Zie voorts het inleidende verzoekschrift van FMV.
Vgl. de vaststelling van de referte van Van der Valk door het gerecht in rov. 3.2.1 en door het hof in rov. 3.3. Vgl. wat betreft het verweer van Van der Valk o.m. de vaststelling van het hof in rov. 3.13.
Dat verzoek is dus niet mede gedaan door Iberostar. Vgl. de in de volgende voetnoot te noemen vaststelling van het gerecht in eerste aanleg, die overeenstemt met de genomen incidentele conclusie, die uitsluitend melding maakt van Antilla als partij die voeging vraagt.
Zie aldus de vaststelling van het gerecht in rov. 1.3 van zijn vonnis.
Vgl. de vaststellingen van het hof in rov. 3.4. Zie voor een bespreking van genoemde gronden rov. 4.10-4.12 van het vonnis van het gerecht in eerste aanleg.
GEA Aruba 10 mei 2023, ECLI:NL:OGEAA:2023:137.
Zie voor e.e.a. de vaststellingen van het hof in rov. 2.1-2.2.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie 27 augustus 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:157.
De procesinleiding van Van der Valk is op 29 oktober 2024 bij de Hoge Raad ingediend, dus vóór het verstrijken van de cassatietermijn van negen weken op diezelfde dag. Zie voor de lengte van de cassatietermijn art. 4 tweede zin Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba jis de art. 235 en 264 lid 1 Rv Aruba (hierna: RvA).
Wat opvallend is omdat zij deze procedure is begonnen als enig eiser.
Dergelijke klachten zijn niet nodig. De Hoge Raad behoeft ze (dan) ook niet te behandelen. Zie mijn conclusie in zaak 21/04365, ECLI:NL:PHR:2022:842, onder 3.22, met verdere verwijzingen.
Zie bijv. recent HR 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:583, NJ 2024/147, rov. 3.1. Zie voor meer gegevens mijn conclusie in zaak 24/04109, ECLI:NL:PHR:2025:426, onder 3.3.
Zie voor die benaming Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/par. 3.2.
Vgl. voor e.e.a. bijv. HR 29 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1356, NJ 1995/609, m.nt. C.J.H. Brunner, rov. 4.1, HR 2 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1546, NJ 2023/208, m.nt. H.B. Krans, rov. 3.3, en HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1061, NJ 2024/308, m.nt. L.A.D. Keus, rov. 3.5.2.
Zie voor andere beschrijvingen van dit stelsel Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/par. 3.2, met nadere verwijzingen, en het Advies opheffing onderscheid dagvaardings- en verzoekschriftprocedure van de Adviescommissie burgerlijk procesrecht van 23 december 2024, onder 32. Dit advies is onder meer te vinden op de website van de rijksoverheid en op de website open.overheid.nl.
Zie aldus voor het aanwenden van een rechtsmiddel bijv. HR 29 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1356, NJ 1995/609, m.nt. C.J.H. Brunner, rov. 4.1-4.3, HR 2 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1546, NJ 2023/208, m.nt. H.B. Krans, rov. 3.4, en HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1061, NJ 2024/308, m.nt. L.A.D. Keus, rov. 3.5.2. Vgl. voorts bijv. Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/44 en Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/46, beide met meer verwijzingen.
Zie bijv. HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF1032, NJ 2009/477, m.nt. H.J. Snijders, rov. 4.4. Vgl. ook HR 2 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1546, NJ 2023/208, m.nt. H.B. Krans, rov. 3.3 (“Het verstekvonnis, waarbij de vorderingen van ACT tegen Youngray, WG en Rabobank zijn toegewezen, bevat dan ook naar de inhoud daarvan zelfstandige uitspraken ten aanzien van ieder van de gedaagden.”).
Vgl. HR 29 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1356, NJ 1995/609, m.nt. C.J.H. Brunner, rov. 4.3. Zie ook Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/44.
Zie HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF1032, NJ 2009/477, m.nt. H.J. Snijders, rov. 4.4.
Zie in deze zin opnieuw HR 29 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1356, NJ 1995/609, m.nt. C.J.H. Brunner, rov. 4.3, HR 2 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1546, NJ 2023/208, m.nt. H.B. Krans, rov. 3.4, en HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1061, NJ 2024/308, m.nt. L.A.D. Keus, rov. 3.5.2.
Zie aldus met zoveel woorden HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549, m.nt. E.A. Alkema (Staat en SGP/Clara Wichmann c.s.), rov. 3.2, laatste zin (‘een dergelijke situatie kan zich steeds voordoen in het geval van deelneming aan het geding door meer partijen aan dezelfde zijde (subjectieve cumulatie)’). Vgl. ook bijv. HR 2 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1546, NJ 2023/208, m.nt. H.B. Krans, rov. 3.4, en HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1061, NJ 2024/308, m.nt. L.A.D. Keus, rov. 3.5.2.
Zie voor dit laatste HR 20 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7414, NJ 2009/289, rov. 3.6. Zie aldus ook het in voetnoot 17 genoemde advies onder 32 derde alinea. Vgl. hierover ook GS Burgerlijke Rechtsvordering, commentaar op paragraaf 2.10.3 Eerste Boek Rv, aant. 7 (G. Snijders, actueel t/m 29-01-2024). Zie voor meer gegevens m.b.t. subjectieve cumulatie Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/par. 3.2.
Vandaar dat die mogelijkheid niet bestaat in de verzoekschriftprocedure: daar geldt het tweepartijenstelsel niet.
In de rechtspraak wordt dan ook vaak overwogen dat de hiervoor genoemde regels niet gelden als sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding. Vgl. bijv. de al meermalen genoemde arresten HR 2 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1546, NJ 2023/208, m.nt. H.B. Krans, rov. 3.3, en HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1061, NJ 2024/308, m.nt. L.A.D. Keus, rov. 3.5.2.
Zie aldus het hiervoor in voetnoot 17 genoemde advies onder 34.
Vgl. in die zin opnieuw HR 2 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1546, NJ 2023/208, m.nt. H.B. Krans, rov. 3.3, en HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1061, NJ 2024/308, m.nt. L.A.D. Keus, rov. 3.5.2, die beide betrekking hebben op een kort geding. Dat dit stelsel in kort geding geldt, volgt uit het gegeven dat in kort geding de procesregels van de dagvaardingsprocedure gelden, tenzij de wet of de aard van het kort geding anders meebrengt. Vgl. hiervoor bijv. Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2024/75. Zie in deze zin ook de prejudiciële uitspraak HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087, NJ 2018/56, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.3.1-3.3.2 (de procesregels van het kort geding zijn ‘geënt op’ die van de dagvaardingsprocedure).
Vgl. bijv. Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2024/104, en GS Burgerlijke Rechtsvordering, commentaar op paragraaf 2.10.3 Eerste Boek Rv, aant. 8 (G. Snijders, actueel t/m 29-01-2024), beide met verdere verwijzingen.
Zie voor e.e.a. HR 7 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9740, NJ 1989/552, rov. 3.1-3.2, HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549, m.nt. E.A. Alkema (Staat en SGP/Clara Wichmann c.s.), rov. 3.2, en HR 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:791, NJ 2021/177, m.nt. H.B. Krans, rov. 3.3.2. Zie over de gevolgen van voeging en tussenkomst nader GS Burgerlijke Rechtsvordering, commentaar op paragraaf 2.10.3 Eerste Boek Rv, aant. 5-6 (G. Snijders, actueel t/m 29-01-2024), en Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/45-47.
Zie in deze zin met zoveel woorden HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0173, NJ 2013/203, rov. 4.1. Vgl. ook B.T.M. van der Wiel & N.T. Dempsey, in: Van der Wiel, Cassatie 2019/179 en 199.
Zie voor deze duiding van het SGP-arrest HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0173, NJ 2013/203, rov. 4.1.
De vordering van FMV tegen Antilla c.s. is als gezegd een vrijwaringsvordering. Op grond van art. 71 lid 1 RvA (dat overeenkomst met art. 210 lid 2 RvNL) kan een eiser een dergelijke vordering ook nog in de loop van de procedure aanhangig maken als een vrijwaringsprocedure – die in samenhang met de hoofdzaak wordt behandeld –, mits de rechter die vrijwaringsprocedure desgevorderd (in een vrijwaringsincident) toestaat. De door FMV gevolgde weg van het instellen van deze vordering door subjectieve cumulatie bij het inleidende stuk is natuurlijk eenvoudiger. Ik wijs op dit karakter van de vordering omdat dit verderop nog terugkomt.
Vgl. daarvoor bijv. Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2024/38.
Zie de toelichting op art. 3:303 BWNL – dat overeenkomt met art. 3:303 BWA – Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 915. Zie voorts, met verwijzing naar deze toelichting, HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, NJ 2019/238, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, rov. 4.1.2. Vgl. voorts specifiek m.b.t. het hoger beroep Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/180-181, met verdere verwijzingen.
Zie bijv. HR 22 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9705, NJ 2007/188, rov. 3.2.2, en meer recent HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1782, NJ 2019/130, m.nt. A.I.M. van Mierlo, rov. 3.3.2.
Zie de Landsverordening houdende vaststelling van een nieuw Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van Aruba, AB 2005 no. 34 (bekendmaking), AB 2005 no. 48 (inwerkingtreding).
Zie p. 47-48 van de memorie, Staten van Aruba, Zittingsjaar 2002-2003, E/473, no. 3.
Zie de parlementaire stukken van de behandeling. Een en ander is ook desgevraagd bevestigd door het archiefbeheer van de Staten.
Zie AB 2005 no. 34.
Zie https://www.gobierno.aw/nl/1506-wetboek-van-burgerlijke-rechtsvordering, laatstelijk geraadpleegd op 15 oktober 2025. Ik ben overigens niet de enige die een en ander opmerkt. Zie B.T.M. van der Wiel & N.T. Dempsey, in: Van der Wiel, Cassatie 2019/198, voetnoot 306, laatste zin, en de conclusie van A-G De Bock van 14 maart 2025 in zaak 24/02140, ECLI:NL:PHR:2025:562, voetnoot 19.
Vgl. de nota van wijziging, het enige parlementaire stuk waarbij die wijziging kon plaatsvinden, naar ik begrijp van het archiefbeheer van de Staten, en de notulen van de betreffende Statenvergadering (die in het Papiaments zijn).
Art. 429q lid 6 Rv van het ontwerp bevatte een verwijzing naar de art. 281a en 281b Rv. Die verwijzing is in de versie die in het publicatieblad is geplaatst, verdwenen. In die versie bevat art. 429q lid 6 Rv in plaats daarvan dezelfde tekst als art. 281a Rv. Ook van deze wijziging is niet duidelijk wanneer deze door wie en om welke reden in de tekst is aangebracht.
AB 1997 no. GT 1.
Zie hierover nader A. van Rijn, Handboek Caribisch Staatsrecht, Den Haag: Boom juridisch 2019, nr. 306.
Zie bijv. Uitgave van het in Curaçao en materieel ook in Aruba, Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba geldende Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Stichting Jurdoc, juni 2022.
Zie bijv. G.C.C. Lewin, Het hoger beroep en het cassatieberoep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba (BPP nr. VII) 2009, nr. 2.28, en F.J.P. Lock, Caribisch burgerlijk procesrecht, Den Haag: Boom juridisch 2025, p. 196.
Zie bijv. Gem. Hof 9 april 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:41.
Vgl. in dit verband HR 19 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:423, NJ 2022/73, m.nt. S. Perrick, rov. 3.5, in samenhang met de conclusie van A-G Vlas voor die uitspraak, onder 2.7-2.12 (cassatieberoep staat open nu de wet dat niet uitsluit; dat de wetgever dat beroep blijkens de toelichting wel beoogd heeft uit te sluiten, maakt dat niet anders).
Vgl. in deze zin voor een enigszins verwant geval HR 30 maart 1990, ECLI:NL:PHR:1990:AD1082, NJ 1991/644, m.nt. C.J.H. Brunner, rov. 3.2 (door hof buiten het geding verklaarde partij niet in cassatie betrokken; incidenteel beroep dat tegen die partij keerde, daarom niet-ontvankelijk).
Zie onder 4 van het cassatieverweerschrift en onder 1-3 van de dupliek in cassatie van Antilla c.s.
Zie bijv. HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411, NJ 2018/81, m.nt. H.B. Krans, rov. 3.4.
Zie bijvoorbeeld Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/47 en Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/54-55, beide met vermelding van rechtspraak.
Zie aldus op grond van de rechtspraak Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/47 (slechts als “een rechterlijke uitspraak die niet alle bij de desbetreffende rechtsverhouding betrokkenen bindt, zou leiden tot rechtens onaanvaardbare, want door hun ongelijkheid onwerkbare, verhoudingen”) en Snijders/Wendels, Civiel appel 2009, nr. 107 (“ (…) slechts (…) als de werking of uitvoering van een rechterlijke uitspraak onvoldoende effectief is door de omstandigheid dat deze niet tussen alle bij de rechtsverhouding betrokken personen geldt”). Vgl. ook G.J. Harryvan, Exceptio plurium litis consortium: het verweer dat niet alle noodzakelijke partijen in het geding zijn betrokken, Tilburg: Celsus 2012, p. 87-91 (die zich op basis van een rechtspraakonderzoek aansluit bij de opvatting van Snijders/Wendels) en Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/55.
De mogelijkheden tot splitsing zijn bovendien ook nog aanzienlijk ruimer dan deze bepaling suggereert. Zie de rechtspraak van de Hoge Raad over art. 215 RvNL aangehaald in GS Burgerlijke Rechtsvordering, commentaar op art. 215 Rv, aant. 2-4 (G. Snijders, actueel t/m 15-01-2024).
Zie daarvoor onder 10 e.v. van de pleitnota in eerste aanleg van Van der Valk en onder 37-48 van haar memorie van antwoord.
Zie ook bijv. Asser/Sieburgh 6-IV 2023/430.
Vgl. bijv. Asser/Sieburgh 6-I 2024/166.
Zie voor het voor de hand liggende gegeven dat een dergelijk beslag op zichzelf mogelijk is, bijv. Asser Procesrecht/Steneker 5 2023/179, en Mijnssen & Van Mierlo, Materieel beslagrecht (Mon. Pr. nr. 10) 2018/1.10, met verdere verwijzingen.
Zie o.m. het ook in het onderdeel aangehaalde HR 14 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105, NJ 1997/481, m.nt. H.J. Snijders (MBO/De Ruiterij I), rov. 3.3, en HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT9060, NJ 2006/148, m.nt. G.R. Rutgers (Rohde Nielsen/De Donge), rov. 3.8.
Vgl. bijv. art. 3:12 BW m.b.t. de redelijkheid en billijkheid en art. 3:4 lid 1 Awb m.b.t. besluiten in de zin van de zin van Awb. Vgl. m.b.t. de belangenafweging in kort geding voorts Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2024/138. Vgl. m.b.t. algemene belangen bij de rechtsvorming en rechtstoepassing in het BW bijv. Overheidsprivaatrecht algemeen deel (Mon. BW A26a) 2011/3b, met o.m. verwijzing naar een uitvoerige nota over dat onderwerp in de wetgeschiedenis van Boek 5 BW. Zie voorts specifiek m.b.t. de belangafweging in de context van de opheffing van een beslag Hof Arnhem-Leeuwarden 10 mei 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3606, rov. 3.11 (ook belangen werknemers meegewogen). De beslagrechtliteratuur gaat niet op het onderwerp in, als ik het goed zie.
Beroepschrift 08‑10‑2024
PROCESINLEIDING VERZOEKPROCEDURE CARIBISCHE ZAAK1.
inzake
Van der Valk c.s./Antilla c.s.
Algemeen
Gerecht: | Hoge Raad der Nederlanden |
Adres: | Korte Voorhout 8 2511 EK Den Haag |
Datum indiening: | 29 oktober 2024 |
Partijen en advocaten
Verzoekster tot cassatie
Naam: | de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar het recht van Europees Nederland Van der Valk International B.V., |
Vestigingsplaats: | Amsterdam |
Advocaat bij de Hoge Raad: | mr. J.W.H. van Wijk, die door verzoekster als zodanig wordt aangewezen om haar in het geding in cassatie te vertegenwoordigen |
Kantoor en kantooradres advocaat: | Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V. Bezuidenhoutseweg 57 2594 AC Den Haag |
Verweersters in cassatie
Naam: | 1. De vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Antilla del Mar Holding VBA, |
Adres: | J.G. Emanstraat 61–63, Nassaustraat |
Vestigingsplaats: | Oranjestad Oost, Aruba |
Naam: | 2. de rechtspersoon naar buitenlands recht Iberostar Hoteles Y Apartamentos, S.L.U., |
Adres: | Calle General Riera 154 |
Vestigingsplaats: | Palma de Mallorca, Islas Baleares CP. 07010, Spanje |
Advocaten laatste feitelijke instantie: | mrs. A.A. Ruiz, B.F.H. Croes en I.R. Wever |
Kantoor en kantooradres advocaat: | Croes, Wever, Ruiz J.G. Emanstraat 61-63 Oranjestad, Aruba |
Bestreden uitspraak
Instantie: | Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: ‘het hof’) |
Datum: | 27 augustus 2024 |
Registratienummers: | AUA202300745 — AUA2023H00098 |
Middel van cassatie2.
Schending van het recht en/of verzuim van het vormvereiste van een toereikende motivering doordat het hof heeft geoordeeld als vermeld in het bestreden vonnis, zulks ten onrechte om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen redenen:
De primaire vordering van Fmv
1
In rov. 3.7 oordeelt het hof dat Antilla c.s., anders dan Van der Valk bij memorie van antwoord heeft aangevoerd, voldoende belang hebben bij hun hoger beroep tegen de afwijzing van de primaire vordering van FMV.
Het hof overweegt dat, als dit hoger beroep slaagt, dit zou meebrengen dat Antilla c.s. geen bankgarantie hadden behoeven te stellen. Daarbij hebben Antilla c.s. volgens het hof belang. Naar het oordeel van het hof staat aan het aannemen van dit belang niet in de weg dat FMV zelf niet in hoger beroep is gekomen tegen de afwijzing van haar primaire vordering. Het hof verwijst daarbij naar HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549(Staat en SGP/Clara Wichmann c.s.), rov. 3.2.
Ook de omstandigheden dat het beslag inmiddels is opgeheven en dat Antilla c.s. geen grief hebben gericht tegen hun veroordeling in de proceskosten staan naar het oordeel van het hof niet eraan in de weg dat Antilla c.s. voldoende belang hebben bij dit hoger beroep.
Deze oordelen van het hof getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en/of zijn niet naar behoren gemotiveerd.
Hof had Antilla c.s. niet-ontvankelijk moeten verklaren in hoger beroep tegen afwijzing primaire vordering van FMV tegen van der Valk
1.1
Het hof heeft in het bestreden vonnis, ook buiten zijn oordelen in rov. 3.7, miskend dat Iberostar in eerste aanleg geen procespartij was in de zaak van de door FMV tegen Van der Valk gerichte primaire vordering en dat het hof reeds daarom — zo nodig ambtshalve — Iberostar niet-ontvankelijk had moeten verklaren in haar hoger beroep voor zover dat betrekking had op de primaire vordering van FMV. Het hof heeft in dit verband miskend dat op grond van art. 260 Rv3. uitsluitend degenen die in eerste aanleg procespartij zijn geweest hoger beroep kunnen instellen (behoudens enkele uitzonderingen waarvan in casu geen sprake is).4. Iberostar heeft zich, anders dan Antilla, in eerste aanleg niet gevoegd aan de zijde van FMV en is dus in eerste aanleg geen procespartij geworden wat betreft het geding over de primaire vordering.
Daarom stond voor Iberostar in zoverre geen hoger beroep openen was Iberostar niet bevoegd in hoger beroep te komen tegen de afwijzing van de primaire vordering.5. Het gegeven dat Iberostar in eerste aanleg gedaagde was wat de subsidiaire6. vordering van FMV betreft, maakt het voorgaande niet anders, aangezien rechtsvorderingen in het geval van subjectieve cumulatie hun (materiële en) processuele zelfstandigheid behouden.7. De primaire vordering tegen Van der Valk en de subsidiaire vordering tegen Antilla c.s. betroffen twee zelfstandige zaken.8. Het hof heeft Iberostar dus ten onrechte in haar hoger beroep tegen de afwijzing van de primaire vordering ontvankelijk geacht, zodat het bestreden vonnis rechtens onjuist is.
Indien en voor zover het hof zou hebben aangenomen dat Iberostar zich in eerste aanleg wel heeft gevoegd aan de zijde van FMV, is die aanname rechtens onjuist en onbegrijpelijk, omdat de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat alleen Antilla en niet Iberostar zich in eerste aanleg heeft gevoegd aan de zijde van FMV.9. Het hof had (zo nodig ambtshalve) moeten vaststellen dat alleen Antilla en niet Iberostar zich in eerste aanleg had gevoegd aan de zijde van FMV.
1.2
Met zijn oordelen in rov. 3.7 heeft het hof miskend dat aan het aannemen van belang van Antilla c.s. (dus Antilla en Iberostar) bij hun hoger beroep tegen de afwijzing van de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk, wel degelijk in de weg stond dat FMV zelf niet in hoger beroep was gekomen tegen die afwijzing. Het hof had Antilla c.s. (ook om die reden) niet-ontvankelijk moeten verklaren in hun hoger beroep tegen de afwijzing van de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk (althans die afwijzing reeds daarom moeten bevestigen; zie ook subonderdeel 1.3). Het hof heeft in dit verband het volgende miskend.10.
Doordat FMV geen hoger beroep had ingesteld, was de afwijzing van haar primaire vordering tegen Van der Valk onherroepelijk. Het door Antilla als gevoegde partij en Iberostar tegen Van der Valk ingestelde hoger beroep kon daarin geen verandering brengen. Dat hoger beroep kon dan ook niet meebrengen dat (het Gerecht in eerste aanleg niet aan de subsidiaire vordering van FMV tegen Antilla c.s. had behoren toe te komen en) Antilla c.s. geen bankgarantie hadden behoeven te stellen.
Antilla c.s. hadden evenmin belang erbij dat tussen hen en Van der Valk werd vastgesteld hoe de rechtsbetrekking tussen FMV en Van der Valk luidt. In hun verhouding tot FMV was dat belang niet gelegen. De beslissing in het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg ter zake van de tegen Van der Valk gerichte primaire vordering omtrent de rechtsbetrekking tussen FMV en Van der Valk had immers geen gezag van gewijsde in de verhouding tussen Antilla c.s. en FMV. Anders dan aan de orde was in HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549(Staat en SGP/Clara Wichmann c.s.), rov. 3, deed zich hier dan ook niet het geval voor dat de gevoegde partij zelfstandig een rechtsmiddel tegen de uitspraak moet kunnen aanwenden om te voorkomen dat deze jegens haar in kracht van gewijsde gaat en beslissingen daarin jegens haar gezag van gewijsde verkrijgen (wat overigens hier sowieso niet aan de orde was, omdat het ging om beslissingen in kort geding).
Weliswaar geldt voor Antilla (niet voor Iberostar) dat zij door het Gerecht in eerste aanleg ter zake van de tegen Van der Valk gerichte, door Antilla ondersteunde primaire vordering van FMV in de kosten van Van der Valk was veroordeeld en uit dien hoofde belang bij haar hoger beroep had kunnen hebben, maar dit is niet het belang dat het hof in rov. 3.7 ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat Antilla c.s. voldoende belang hebben bij hun hoger beroep tegen de afwijzing van de primaire vordering van FMV.11. Bovendien brengt die kostenveroordeling naar het recht van Aruba niet zonder meer mee dat Antilla uit dien hoofde belang had bij dat hoger beroep. Op grond van art. 281b Rv had het hof immers — nu het door het hof aan zijn oordeel ten grondslag gelegde belang niet bestond — kunnen bepalen dat het enkele feit dat Antilla in de kosten was veroordeeld, geen voldoende belang opleverde voor het hoger beroep.
Hof had althans afwijzing primaire vordering van FMV tegen Van der Valk moeten bevestigen, reeds omdat FMV zelf niet in hoger beroep is gekomen tegen die afwijzing
1.3
Indien en voor zover het in de subonderdelen 1.1 en 1.2 gestelde niet zou meebrengen dat het hof Antilla c.s. niet-ontvankelijk had moeten verklaren in hun hoger beroep tegen de afwijzing van primaire vordering van FMV tegen Van der Valk, had het hof in ieder geval de afwijzing van die vordering door het Gerecht in eerste aanleg moeten bevestigen, reeds omdat FMV zelf niet in hoger beroep is gekomen tegen die afwijzing. In plaats daarvan heeft het hof ten onrechte de primaire vordering (materieel) alsnog toegewezen.12.
Feit blijft immers dat, doordat FMV geen hoger beroep had ingesteld, de afwijzing van haar primaire vordering tegen Van der Valk onherroepelijk was. Het hof heeft ook in dit verband miskend dat het door Antilla als gevoegde partij en Iberostar tegen Van der Valk ingestelde hoger beroep daarin geen verandering kon brengen. Antilla heeft immers als gevoegde partij geen eigen vordering tegen Van der Valk ingesteld, maar slechts de vordering van FMV tegen Van der Valk ondersteund (en in hoger beroep geconcludeerd dat het hof de primaire vordering van FMV alsnog zou toewijzen). Iberostar heeft ook geen vordering tegen Van der Valk ingesteld (en zelfs niet als gevoegde partij de vordering van FMV ondersteund; zie subonderdeel 1.1).
Zelfs als aangenomen zou moeten worden dat Antilla wél voldoende belang had bij haar hoger beroep tegen de afwijzing van de primaire vordering van FMV vanwege de proceskostenveroordeling van Antilla, dan had dat slechts kunnen leiden tot een inhoudelijke beoordeling van de betrokken rechtsbetrekking tussen FMV en Van der Valk met het oog op een nieuwe beslissing over die proceskosten, maar niet tot het alsnog toewijzen van de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk (opheffing van het beslag sec, dus zónder afgifte van een bankgarantie door Antilla c.s.). Het hof had ook in dat geval de afwijzing van die vordering door het Gerecht in eerste aanleg moeten bevestigen.
Door het voorgaande te miskennen in het bestreden vonnis, ook buiten zijn oordelen in rov. 3.7, getuigt het bestreden vonnis van een onjuiste rechtsopvatting.
Geen summierlijke ondeugdelijkheid van bestaande, voorwaardelijke koopsomvordering
2
In rov. 3.16 oordeelt het hof als volgt:
- —
Zolang de bankschuld niet is betaald, is de koopsom niet alleen nog niet opeisbaar, maar ook nog niet verschuldigd.
- —
In de acceleration clause is immers niet overeengekomen dat de koopsom pas betaald behoeft worden nadat de bankschuld is betaald, maar dat de koopsom pas betaald mag worden nadat de bankschuld is betaald. Dat verlangde Aruba Bank.
- —
De koopsomvordering is dus niet alleen een voorwaardelijke vordering, maar ook een toekomstige vordering.
- —
Uit art. 6:83 sub c BW13. kan daarom niet worden afgeleid dat de koopsomvordering thans opeisbaar is.
In rov. 3.18 oordeelt het hof vervolgens dat op zichzelf ‘wellicht’ ‘niet is uitgesloten’ dat beslag wordt gelegd voor een toekomstige vordering, maar dat daar gelet op het voorgaande in dit geval geen aanleiding voor bestaat.
In rov. 3.20, eerste volzin, komt het hof (mede) op grond van het voorgaande tot het oordeel dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door Van der Valk als beslaglegger ingeroepen recht.
De oordelen van het hof in rov. 3.16, 3.18 en 3.20, eerste volzin, getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en/of zijn niet naar behoren gemotiveerd.
2.1
Het oordeel van het hof in rov. 3.16 dat de koopsomvordering niet alleen een voorwaardelijke vordering is, maar ook een toekomstige vordering, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof oordeelt terecht dat de koopsomvordering een voorwaardelijke vordering is (namelijk een vordering tot betaling van de koopsom onder opschortende voorwaarde van onder meer betaling van de bankschuld), maar miskent dat een dergelijke voorwaardelijke vordering een bestaande vordering is en geen toekomstige vordering. Een opschortende voorwaarde doet immers weliswaar de werking der verbintenis eerst met het plaatsvinden der gebeurtenis aanvangen (art. 6:22 BW), maar (ook) in de periode vóór de vervulling van de opschortende voorwaarde bestaat de verbintenis wel.14. Het hof heeft dus het onderscheid tussen een toekomstige vordering en een terstond krachtens overeenkomst ontstane vordering onder een opschortende voorwaarde15. miskend.
2.2
Indien en voor zover het hof met zijn oordeel in rov. 3.16 dat zolang de bankschuld niet is betaald, de koopsom niet alleen nog niet opeisbaar is, maar ook ‘nog niet verschuldigd’ is, bedoelt dat de verplichting tot betaling van de koopsom (en het daarmee corresponderende vorderingsrecht) nog niet bestaat (bestaan), getuigt ook dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting om dezelfde redenen als uiteengezet in subonderdeel 2.1. Het hof miskent in dit verband tevens dat de (betaling van de) koopsom ‘een krachtens een verbintenis onder opschortende voorwaarde verschuldigde prestatie’ is als bedoeld in art. 6:25 BW. Daaraan doet niet af dat als die prestatie vóór de vervulling van de opschortende voorwaarde is verricht, op grond van art. 6:25 BW overeenkomstig afdeling 2 van titel 4 ongedaanmaking van die prestatie kan worden gevorderd, zolang de voorwaarde niet in vervulling is gegaan, en dat in die zin dan ‘onverschuldigd betaald’ is als bedoeld in art. 6:203 BW.
‘Indien en voor zover het hof bij de feitenvaststelling in rov. 3.1.7 met zijn overweging dat TdS Holding en FMV in het addendum overeenkwamen dat de koopsom ‘pas verschuldigd en opeisbaar’ zou worden als aan nadere voorwaarden zou zijn voldaan’, bedoelt dat de verplichting tot betaling van de koopsom (en het daarmee corresponderende vorderingsrecht) nog niet zou bestaan zolang niet aan nadere voorwaarden zou zijn voldaan, is bovenstaande klacht van overeenkomstige toepassing op dat oordeel (die overweging). Dat oordeel is bovendien onbegrijpelijk in het licht van de tekst van het addendum en rov. 2.10 van het vonnis in eerste aanleg (‘pas opeisbaar werd zodra’).16. Het hof heeft dus ten opzichte van de feitenvaststelling door de rechter in eerste aanleg toevoegd ‘verschuldigd en’, terwijl het hof in rov. 3.1 voorop heeft gesteld dat het uitgaat van de feiten als vermeld onder 2.1–2.24 van het vonnis in eerste aanleg. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is die toevoeging onbegrijpelijk. Het hof heeft daarmee ook ten onrechte de feitelijke grondslag van de vordering en/of het verweer aangevuld en is getreden buiten de grenzen van de rechtsstrijd. Deze klachten vitiëren ook de overweging van het hof in rov. 3.1.8 (‘met inachtneming van hetgeen over de verschuldigdheid en opeisbaarheid daarvan is overeengekomen in het addendum’), die immers voortbouwt op het oordeel in rov. 3.1.7.’
2.3
Het oordeel van het hof in rov. 3.16 dat in de acceleration clause niet is overeengekomen dat de koopsom pas betaald ‘behoeft’ te worden nadat de bankschuld is betaald, maar dat de koopsom pas betaald ‘mag’ worden nadat de bankschuld is betaald, is onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet in te zien dat uit de tekst van de acceleration clause en/of uit de overige door het hof vastgestelde omstandigheden van het geval, zou volgen dat in die clausule is overeengekomen dat de koopsom pas betaald mag worden nadat de bankschuld is betaald. Als Aruba Bank (die geen partij was bij de SPA 2014 en het addendum, waarin de acceleration clausule is opgenomen) dat al verlangde, kan uit die enkele omstandigheid niet worden afgeleid dat FMV en TdS Holding (de partijen bij de SPA 2014 en het addendum) dat onderling zijn overeengekomen.
2.4
Bovendien is onbegrijpelijk en/of getuigt van een onjuiste rechtsopvatting de redenering van het hof in rov. 3.16 dat als overeengekomen zou zijn dat de koopsom pas betaald mag worden nadat de bankschuld is betaald, daaruit zou volgen (‘immers’) dat de koopsom nog niet verschuldigd is. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet in te zien dat het laatste uit het eerste volgt. Voor zover het hof bij deze redenering is uitgegaan van dezelfde onjuiste rechtsopvatting als bedoeld in de subonderdelen 2.1 en 2.2, zijn de daarin opgenomen klachten (mutatis mutandis) van (overeenkomstige) toepassing op deze redenering van het hof.
2.5
Tevens is onbegrijpelijk en/of getuigt van een onjuiste rechtsopvatting het oordeel van het hof in rov. 3.16 dat uit de eerste drie volzinnen van rov. 3.16 zou kunnen worden geconcludeerd (‘dus’) dat de koopsomvordering niet alleen een voorwaardelijke vordering, maar ook een toekomstige vordering is. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet in te zien dat het een uit het ander kan worden geconcludeerd. Omdat het bedoelde oordeel van het hof voortbouwt op de door de subonderdelen 2.2-2.4 bestreden oordelen van het hof, vitiëren de klachten in de subonderdelen 2.2-2.4 ook dit oordeel van het hof.
2.6
Tot slot is ook onbegrijpelijk en/of getuigt van een onjuiste rechtsopvatting het oordeel van het hof in rov. 3.16 dat ‘daarom’ uit art. 6:83 sub c BW niet kan worden afgeleid dat de koopsomvordering thans opeisbaar is. Art. 6:83 BW is opgenomen in § 2 van Afdeling 9 van Titel 1. In § 1 en § 2 van die afdeling zijn de vereisten geregeld voor het ontstaan van een verbintenis tot schadevergoeding als gevolg van het niet nakomen van een verbintenis. Art. 6:83 BW regelt in welke gevallen het verzuim intreedt zonder ingebrekestelling. Art. 6:83 sub c BW bepaalt dat het verzuim zonder ingebrekestelling intreedt wanneer de schuldenaar uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten. Art. 6:83 BW regelt niet in welke gevallen een verbintenis opeisbaar is. Uit art. 6:83 sub c BW kan dus nooit worden afgeleid of een koopsomvordering opeisbaar is, waarbij het geen verschil uitmaakt of sprake is van een toekomstige vordering. Het hof heeft hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het bepaalde in art. 6:83 sub c BW door het voorgaande te miskennen hetzij zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
2.7
Het oordeel van het hof in rov. 3.18 dat op zichzelf ‘wellicht’‘niet is uitgesloten’ dat beslag wordt gelegd voor een toekomstige vordering, maar dat daar ‘gelet op voorgaande oordelen’ in dit geval geen aanleiding voor bestaat, bouwt (mede) voort op de oordelen van het hof in rov. 3.16, zodat de klachten in de subonderdelen 2.1–2.6 ook het oordeel van het hof in rov. 3.18 vitiëren.
2.8
Indien en voor zover in de oordelen van het hof in rov. 3.16, rov. 3.18 en/of rov. 3.20, eerste volzin, besloten zou liggen dat geen conservatoir (derden)beslag kan worden gelegd voor17. een nog niet opeisbare vordering, een voorwaardelijke vordering (vordering onder opschortende voorwaarde)18. en/of een toekomstige vordering, althans voor een voorwaardelijke koopsomvordering als de onderhavige, in die zin dat in die gevallen — reeds vanwege dat niet opeisbare, voorwaardelijke en/of toekomstige karakter — sprake is van ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht, getuigen die oordelen van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft dan miskend dat in beginsel wél conservatoir (derden)beslag mogelijk is voor een nog niet opeisbare vordering, een voorwaardelijke vordering (vordering onder opschortende voorwaarde) en/of een toekomstige vordering,19. en dat in ieder geval beslag kan worden gelegd voor een voorwaardelijke koopsomvordering als de onderhavige, tenzij een afweging van de wederzijdse belangen van de beslaglegger (de schuldeiser) en de beslagdebiteur (de schuldenaar)20. tot het oordeel leidt dat het beslag toch moet worden opgeheven.21. In dit verband verdient opmerking dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering voor de door het beslag ontstane schade zal kunnen worden aangesproken.22. Bovendien verdient opmerking dat in die hoofdzaak — ter zake van een vordering die nog niet opeisbaar is of waaraan een opschortende voorwaarde is verbonden — krachtens art. 3:296 lid 2 BW een veroordeling onder een overeenkomstige tijdsbepaling of voorwaarde kan worden uitgesproken.
Rechtens onjuiste belangenafweging
3
In rov. 3.20, tweede volzin, overweegt het hof dat een afweging van de wederzijdse belangen niet tot het oordeel leidt dat de beslagen toch pas mogen worden opgeheven als alternatieve zekerheid door Antilla c.s. aan Van der Valk is verschaft. Het hof legt daaraan ten grondslag dat naar het oordeel van het hof niet valt in te zien dat het belang van Van der Valk bij de ontvangst van een bankgarantie zwaarder behoort te wegen dan het belang van FMV bij opheffing van het beslag ‘gecombineerd met het belang van Antilla c.s. om geen bankgarantie te hoeven stellen’.
3.1
Dit oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de in een geval als het onderhavige — terzake van de primaire vordering van uitsluitend de beslagdebiteur (FMV) tot opheffing van het beslag tegen uitsluitend de beslaglegger (Van der Valk) — vereiste afweging van de wederzijdse belangen.23. Het hof miskent dat de rechter in kort geding in een dergelijk geval uitsluitend het belang van de beslaglegger (Van der Valk) en het belang van de beslagdebiteur (FMV) tegen elkaar moet afwegen.24. Anders gezegd: de af te wegen wederzijdse belangen zijn in een dergelijk geval de belangen van de beslaglegger (de schuldeiser) en de beslagdebiteur (de schuldenaar).25. Het belang van een aan de zijde van de beslagdebiteur gevoegde partij (Antilla) mag als zodanig in die belangenafweging geen rol spelen, althans geldt dat in ieder geval voor het onderhavige belang van die gevoegde partij om geen bankgarantie te hoeven stellen (doordat de rechter bij toewijzing van de primaire vordering niet toekomt aan de subsidiaire vordering van de beslagdebiteur tegen die gevoegde partij tot het stellen van een bankgarantie). Het voorgaande geldt te meer en/of in ieder geval voor het belang van een derde (Iberostar) die geen procespartij is, ook niet door voeging aan de zijde van de beslagdebiteur, in de zaak van de bedoelde primaire vordering. Het hof heeft in de belangenafweging terzake van het al dan niet toewijzen van de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk dus ten onrechte het belang van Antilla c.s. betrokken dat niet wordt toegekomen aan de tegen hen gerichte subsidiaire vordering van FMV tot het stellen van een bankgarantie.
Primaire vordering dus terecht niet toegewezen
4
In rov. 3.21 oordeelt het hof dat de primaire vordering ‘dus’ toegewezen had moeten worden zonder dat verlangd werd dat Antilla een bankgarantie zou stellen. Het hof oordeelt dat, nu de beslagen inmiddels zijn opgeheven, het hof geen nieuw bevel tot opheffing van de beslagen zal geven, maar het reeds gegeven bevel zo veel mogelijk in stand zal laten.
4.1
De oordelen van het hof in rov. 3.21 bouwen (mede) voort op de door de onderdelen 1–3 bestreden oordelen van het hof, zodat de klachten in die onderdelen ook de oordelen van het hof in rov. 3.21 vitiëren.
De subsidiaire vordering van FMV
Hof had wél moeten toekomen aan de subsidiaire vordering van FMV
5
In rov. 3.26 oordeelt het hof dat het Gerecht de primaire vordering had behoren toe te wijzen en dat het Gerecht dan niet zou zijn toegekomen aan de subsidiaire vordering. Het hof oordeelt dat het daarom het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover het Gerecht Antilla c.s. heeft bevolen om een bankgarantie te stellen. In het dictum van het bestreden vonnis verstaat het hof dat het niet toekomt aan de subsidiaire vordering van FMV.
5.1
Deze oordelen (en het dictum) bouwen voort op de door de onderdelen 1–4 bestreden oordelen over de primaire vordering van FMV, zodat de klachten in de onderdelen 1–4 ook de oordelen van het hof in rov. 3.26 (en het dictum) vitiëren.
Proceskostenveroordeling
6
In rov. 3.27 oordeelt het hof dat de uitkomst meebrengt dat het hof het bestreden vonnis ook zal vernietigen, voor zover daarbij Antilla en/of Iberostar in de proceskosten zijn veroordeeld. Van der Valk zal — zo oordeelt het hof vervolgens — worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg, aan de zijde van FMV en aan de zijde van Antilla c.s. gevallen, en in hoger beroep, alleen aan de zijde van Antilla c.s. gevallen.
6.1
Deze oordelen bouwen voort op de door de onderdelen 1–5 bestreden oordelen, zodat de klachten in de onderdelen 1–5 ook de oordelen van het hof in rov. 3.27 vitiëren.
Op grond van dit middel verzoekt Van der Valk vernietiging van het bestreden vonnis met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad passend acht, met hoofdelijke veroordeling van Antilla en Iberostar in de kosten van het geding, zulks met bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen arrest.
Advocaat
Totaal: 4865 aantal woorden
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 08‑10‑2024
Het beroep in cassatie in deze Caribische zaak, waarin door het hof een vonnis is gewezen, wordt in cassatie aanhangig gemaakt volgens de regels die gelden voor de verzoekprocedure. Van der Valk verzoekt uw Raad op grond van art. 3.1.19.2 Procesreglement een datum te bepalen voor het geven van een schriftelijke toelichting.
In deze procesinleiding worden dezelfde afkortingen gehanteerd als in het bestreden vonnis.
Met ‘Rv’ wordt in deze procesinleiding bedoeld het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering van Aruba.
Vgl. ten aanzien van art. 332 van het Europees-Nederlandse Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (‘RvN’): Koerts, in: T&C Rv,art. 332 Rv, aant. 7 met verwijzing naar onder meer HR 13 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1881, NJ 2015/307(Montis/Goossens). Zie rov. 5.5.1-5.5.2 van dat arrest: ‘Art. 398 Rv neemt voor de cassatie tot uitgangspunt dat een procedure dient plaats te vinden tussen de partijen uit de vorige instantie. Art. 332 Rv kent voor het hoger beroep hetzelfde uitgangspunt. (…) Op het uitgangspunt dat de procespartijen in een volgende instantie dezelfde moeten zijn als in de vorige instantie, geldt een uitzondering in geval van partijwisseling door rechtsopvolging. (…)’.
Vgl. bijvoorbeeld HR 25 september 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC9984, NJ 1988/939, rov. 3.4.
De ‘subsidiaire’ vordering van FMV was, voor zover gericht tegen Antilla en Iberostar, eigenlijk geen subsidiaire vordering, maar een voorwaardelijke vordering. Van een ‘primaire’ vordering van FMV tegen Antilla en Iberostar was immers geen sprake. In deze procesinleiding zal niettemin worden aangesloten bij de door het hof gebruikte term ‘subsidiaire’ vordering, waarvoor dus in voorkomend geval moet worden gelezen ‘voorwaardelijke’ vordering.
Zie Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, Dordrecht: Convoy Uitgevers 2024, nr. 45, onder verwijzing naar HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF1032, NJ 2009/477. Vgl. B.T.M. van der Wiel & N.T. Dempsey, in; Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/178 over meerpartijenprocedures.
Er was ook sprake van twee hoger beroepen van Antilla c.s. Een hoger beroep, voor zover betrekking hebbende op de primaire vordering van FMV en een hoger beroep, voor zover betrekking hebbende op de subsidiaire vordering van FMV. Vgl. rov. 3.23 van het bestreden vonnis.
Zie incidentele conclusie tot voeging d.d. 13 april 2023, waarbij uitsluitend Antilla verzoekt zich te mogen voegen en het vonnis in eerste aanleg van 10 mei 2023, rov. 1.3, waarin het Gerecht in eerste aanleg overweegt dat dit verzoek ter zitting terstond is toegewezen. Overigens vermeldt het hof zelf op p. 1 van het bestreden vonnis terecht uitsluitend Antilla als in eerste aanleg gevoegde partij aan de zijde van FMV en niet Iberostar. Dat Van der Valk in hoger beroep per abuis Iberostar heeft aangeduid als in eerste aanleg gevoegde partij sub 2, kan niet afdoen aan het (ook ambtshalve vast te stellen) processuele feit dat alleen Antilla en niet Iberostar zich in eerste aanleg heeft gevoegd aan de zijde van FMV.
Zie voor het navolgende: HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0173, NJ 2013/203(FPO Maasstad/Watersport Belterwiede), rov. 4.1. Vgl. ook G. Snijders, GS Burgerlijke Rechtsvordering, Boek I, Titel 2, Afd. 10, paragraaf 3 Rv, aant. 5 en Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, Dordrecht: Convoy Uitgevers 2024, nr. 110. Zie verder memorie van antwoord, sub 27–30.
Het hof heeft slechts overwogen dat de omstandigheid dat Antilla c.s. geen grief hebben gericht tegen hun veroordeling in de proceskosten ‘niet eraan in de weg [staat] dat Antilla c.s. voldoende belang hebben bij dit hoger beroep’ (zoals door het hof aangenomen: dus het belang dat zij geen bankgarantie hadden behoeven te stellen).
Het hof verpakt dat in de eerste twee alinea's van het dictum in de volgende formulering: ‘bevestigt het vonnis waarvan beroep voor wat betreft de dicta 5.7 tot en met 5.11, met uitzondering van de passage over de afgifte van een bankgarantie in dictum 5.7; ‘vernietigt het vonnis waarvan beroep voor wat betreft de dicta 5.1 tot en met 5.6’. Dit komt echter materieel neer op het alsnog toewijzen van de primaire vordering tot opheffing van het beslag. Dat volgt ook uit het feit dat het hof vervolgens ‘in zoverre opnieuw rechtdoende: verstaat dat het Hof niet toekomt aan de subsidiaire vordering van FMV’.
Met ‘BW’ wordt in het bestreden vonnis en in de procesinleiding bedoeld het Burgerlijk Wetboek van Aruba.
Zie Hijma & Olthof, Compendium Nederlands vermogensrecht 2023/306. In de periode vóór de vervulling van de opschortende voorwaarde is ook een vordering tot nakoming mogelijk, zij het dat de schuldenaar slechts zal kunnen worden veroordeeld onder dezelfde voorwaarde als waaronder hij de prestatie verschuldigd is (art. 3:296 lid 2 BW). Zie ook art. 6:26 BW: ‘Op voorwaardelijke verbintenissen zijn de bepalingen betreffende onvoorwaardelijke verbintenissen van toepassing, voor zover het voorwaardelijke karakter van de betrokken verbintenis zich daartegen niet verzet’.
Zie HR 26 maart 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4349(Visserij-arrest), NJ 1982/615, rov. 1.
Zie ook rov. 4.4 (‘pas opeisbaar werd zodra’).
Te onderscheiden van het leggen van conservatoir (derden)beslag op een dergelijke vordering.
Vóór de vervulling van de opschortende voorwaarde.
Zie: Asser Procesrecht/Steneker 5 2019/177, 179, 760; L.P. Broekveldt, Derdenbeslag (prft.), Deventer: Kluwer 2003, § 6.2.3. Zie voor wat betreft de mogelijkheid van conservatoir beslag op een nog niet opeisbare of voorwaardelijke vordering: Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), blz. 108 (waarbij er, onder verwijzing naar (thans) art. 3:296 lid 2 BW, ook op wordt gewezen dat ter zake van een zodanige vordering een veroordeling onder dezelfde tijdsbepaling of voorwaarde behoort te volgen). Zie ook HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1271, NJ 2016/400, rov. 3.3.2. Zie voor wat betreft de mogelijkheid van conservatoir beslag op een toekomstige vordering: HR 3 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2063, NJ 1996/473, rov. 3.7 (conservatoir beslag ter zake van toekomstige alimentatietermijnen) en conclusie A-G De Vries Lentsch-Kostense, sub 9, voor dit arrest. Zie ook de literatuur, jurisprudentie en wetsgeschiedenis genoemd in pleitaantekeningen in eerste aanleg Van der Valk, voetnoten 7–15.
En van de derde-beslagene als deze een vordering tot opheffing heeft ingesteld. In het onderhavige geval is weliswaar niet alleen onder Aruba Bank, maar ook onder Antilla derdenbeslag gelegd, maar slechts het beslag onder Aruba Bank kleeft. Het beslag onder Antilla heeft geen doel getroffen. Zie rov. 2.24 van het vonnis in eerste aanleg jo. rov. 3.1 van het vonnis van het hof. Zie voorts (niet bestreden door Antilla): pleitaantekeningen in eerste aanleg Van der Valk, sub 2, 59; memorie van antwoord, sub 31. Antilla heeft zelf ook geen vordering tot opheffing van het beslag ingesteld.
Vgl. bij verlofverlening Asser Procesrecht/Steneker 5 2019/179, 203.
Zie HR 14 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105, NJ 1997/481, rov. 3.3.
Zie bijvoorbeeld HR 14 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105, NJ 1997/481, rov. 3.3 en HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5529, rov. 3.4.4.
Zie ook voetnoot 20 hiervoor.
Zie Asser Procesrecht/Steneker 5 2019/396. Vgl. bij verlofverlening Asser Procesrecht/Steneker 5 2019/203. Zie naast de jurisprudentie in voetnoot 23 hiervoor ook HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT9060, NJ 2006/148, rov. 3.8-3.9 en HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1559, NJ 2007/483, rov. 3.6.