Zie rov. 3.1-3.5 van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 november 2017 (hierna: het bestreden arrest).
HR, 24-05-2019, nr. 18/00250
ECLI:NL:HR:2019:791
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24-05-2019
- Zaaknummer
18/00250
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2019:791, Uitspraak, Hoge Raad, 24‑05‑2019; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2017:10403, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:249, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2019:249, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 08‑03‑2019
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:791, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑01‑2018
- Vindplaatsen
TvPP 2019, afl. 4, p. 119
JBPr 2020/2 met annotatie van Bakels, R.L.
NJ 2021/177 met annotatie van H.B. Krans
JBPr 2020/2 met annotatie van Bakels, R.L.
Uitspraak 24‑05‑2019
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Verstekprocedure waarin een derde tussenkomt of zich aan de zijde van gedaagde voegt. Toepasselijkheid art. 140 lid 3 Rv. Verplichting derde de niet verschenen gedaagde van de voeging/tussenkomst op de hoogte te stellen. Omstandigheden waaronder niet-ontvankelijkverklaring wegens overschrijding appeltermijn achterwege blijft. Gedaagde in deze zaak kan alsnog appelleren (vgl. HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2894).
Partij(en)
24 mei 2019
Eerste Kamer
18/00250
TT/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser] ,wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven,
t e g e n
1. [verweerder 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [verweerder 2] ,wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerders]
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak 5110905\VV EXPL 16-101\25115 van de kantonrechter te Arnhem van 20 juni 2016;
b. het vonnis in de zaak 5261330\VV EXPL 16-154\25115\588 van de kantonrechter te Arnhem van 9 september 2016;
c. het arrest in de zaak 200.204.055 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 november 2017.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerders] hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
( i) [verweerders] zijn eigenaar van een chalet te Ede. Zij verhuren dit.
(ii) [eiser] heeft als geïnteresseerde, samen met zijn moeder, [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), medio maart 2016 het chalet bezichtigd.
(iii) Partijen zijn met betrekking tot het chalet een huurovereenkomst aangegaan voor de periode 1 april 2016 tot en met 30 september 2016 tegen een huurprijs van € 625,--per maand. [eiser] heeft een bedrag aan borgsom van € 500,-- betaald.
(iv) [betrokkene 1] heeft vanaf eind maart 2016 het gehuurde chalet bewoond met haar dochter en heeft zich op dat adres ingeschreven. Bij brief van 1 juni 2016 heeft de gemeente Ede haar aangezegd dat zij een recreatiewoning bewoont in strijd met het bestemmingsplan en is haar een last onder dwangsom opgelegd.
( v) [eiser] en [betrokkene 1] hebben behalve de borgsom niets meer aan [verweerders] betaald.
(vi) [betrokkene 1] heeft het chalet, na het hiervoor in 1 vermelde vonnis van de kantonrechter van 20 juni 2016, op 6 juli 2016 verlaten.
3.2.1
[verweerders] hebben [eiser] op 30 mei 2016 in kort geding gedagvaard voor de kantonrechter in de rechtbank Gelderland en daarbij (onder meer) gevorderd [eiser] te veroordelen om het chalet te ontruimen. [betrokkene 1] heeft bij e-mailbericht van 2 juni 2016 gevorderd zich te mogen voegen in het geding. Bij het vonnis van 20 juni 2016 heeft de kantonrechter (in het incident) [betrokkene 1] toegestaan zich in het geding te voegen aan de zijde van [eiser] en (in de hoofdzaak) verstek verleend tegen [eiser] en hem (onder meer) tot ontruiming van het chalet veroordeeld.
3.2.2
[eiser] heeft verzet gedaan tegen het vonnis van 20 juni 2016. Bij vonnis van 9 september 2016 heeft de kantonrechter [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet.
Het hof heeft in het hoger beroep van [eiser] dit vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Het heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, overwogen:
“5.1 Het hoger beroep keert zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn verzet. In zijn eerste grief betoogt [eiser] dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft aangenomen dat [betrokkene 1] zich aan de zijde van [eiser] heeft gevoegd en inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de vordering. In het kader van de vraag of [eiser] in zijn verzet kan worden ontvangen, dient het hof ervan uit te gaan dat [betrokkene 1] bij e-mail van 2 juni 2016 verzocht heeft zich te voegen op de voet van art. 217 Rv en dat de vordering tot voeging in het vonnis van 20 juni 2016 met zaaknummer 5110905 is gehonoreerd. [eiser] is in die procedure niet verschenen. Of en zo ja, in hoeverre [betrokkene 1] zich heeft geschaard aan de zijde van [eiser] kan in zoverre in het midden blijven.
5.2
Bovendien, ook indien er van zou worden uitgegaan dat [betrokkene 1] zich niet heeft willen voegen, zoals zij heeft verzocht, maar tussenkomen als bedoeld in art. 217 Rv, maakt dat voor de uitkomst van deze procedure niet uit. Ook door tussenkomst wordt een partij immers procespartij in de hoofdzaak.
5.3
De overige grieven keren zich tegen het oordeel over de ontvankelijkheid van [eiser] . Het hof oordeelt dat [betrokkene 1] als gevoegde partij aan de zijde van gedaagde [eiser] , procespartij is geworden in de hoofdzaak. Zij is verschenen. Tegen [eiser] is (rechtmatig) verstek verleend. Een redelijke uitleg van art. 140 Rv brengt in dit geval dan mee dat [betrokkene 1] moet worden gelijkgesteld aan een medegedaagde.Art. 140 Rv bepaalt:
(…)
Op de voet hiervan geldt het vonnis van 20 juni 2016 als een vonnis op tegenspraak. Tegen een vonnis op tegenspraak staat voor alle partijen slechts hoger beroep open en geen verzet. De voorzieningenrechter heeft [eiser] dus terecht niet ontvangen in zijn verzet.
5.4
Hierop strandt het betoog van [eiser] . Overige stellingen behoeven geen bespreking meer omdat die, indien besproken, niet tot een ander oordeel zullen leiden.
3.3.1
Onderdeel 1a van het middel klaagt dat het oordeel van het hof dat een redelijke uitleg van art. 140 Rv meebrengt dat het vonnis van 20 juni 2016 moet worden beschouwd als een vonnis op tegenspraak, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Onder “alle partijen” in art. 140 lid 3 Rv moeten volgens het onderdeel worden verstaan de oorspronkelijke partijen (eiser(s) en gedaagde(n)), en niet ook gevoegde of tussengekomen partijen.
3.3.2
Een partij die zich in een geding heeft gevoegd of die daarin is tussengekomen, is daarmee procespartij geworden en is aldus bevoegd om een rechtsmiddel aan te wenden tegen in dat geding gewezen uitspraken (vgl. HR 7 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9740, rov. 3.1).
De regeling van art. 140 lid 3 Rv strekt ertoe dat wordt voorkomen dat tegen dezelfde uitspraak zowel een appelprocedure door de verschenen partij(en) als een verzetprocedure door de niet verschenen partij(en) kan worden gevoerd, met het gevaar van tegenstrijdige beslissingen (vgl. HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1274, rov. 3.3).
3.3.3
Het gevaar van tegenstrijdige beslissingen kan zich ook voordoen in een geval als het onderhavige, waarin tegen de gedaagde(n) verstek is verleend en sprake is van een tussengekomen of een aan de zijde van die gedaagde(n) gevoegde procespartij die zou kunnen besluiten hoger beroep in te stellen. Waar het betreft voeging valt te denken aan een gevoegde partij die partij is bij de rechtsbetrekking in geschil en daardoor gebonden raakt aan het gezag van gewijsde van de uitspraak in de procedure. De strekking van art. 140 Rv brengt dan ook mee dat de regeling van art. 140 lid 3 Rv overeenkomstig wordt toegepast indien in eerste aanleg van voeging of tussenkomst sprake is geweest. Deze uitleg strookt met de toepasselijkverklaring (in art. 140 lid 4 Rv) van dit voorschrift in het geval dat op de voet van art. 118 Rv een derde als partij in het geding is opgeroepen. Ook als genoemd gevaar zich in een ander dan het zojuist bedoelde geval van voeging niet voordoet, is dat geen grond om in die gevallen art. 140 lid 3 Rv buiten toepassing te laten, nu de rechtszekerheid eist dat op dit punt na voeging of tussenkomst een eenduidige regel geldt.
3.3.4
Op grond van het voorgaande faalt onderdeel 1a. [eiser] behoefde evenwel niet bekend te zijn met de uit deze uitspraak blijkende juistheid van de overeenkomstige toepassing van art. 140 lid 3 Rv. Daarom dient hem de gelegenheid te worden geboden alsnog appel in te stellen tegen het door de kantonrechter gewezen vonnis van 20 juni 2016, waarvoor de Hoge Raad een termijn van veertien dagen na heden zal bepalen.
3.4
Onderdeel 1b, dat ervan uitgaat dat voor de overeenkomstige toepassing van art. 140 lid 3 Rv onderscheid moet worden gemaakt tussen voeging en tussenkomst, faalt, gelet op hetgeen hiervoor in 3.3.3 is overwogen. De voortbouwende klacht van onderdeel 2 mist eveneens doel.
3.5
Ten overvloede wordt nog het volgende overwogen.
De hiervoor in 3.3.3 voorgeschreven overeenkomstige toepassing van art. 140 lid 3 Rv in gevallen waarin tegen de gedaagde(n) verstek is verleend en een derde zich in het geding heeft gevoegd of daarin is tussengekomen, bergt het gevaar in zich dat de niet verschenen gedaagde niet op de hoogte raakt van die voeging of tussenkomst, terwijl hij die wetenschap moet bezitten om – tijdig – het juiste rechtsmiddel te kunnen aanwenden. Ook ingeval er meerdere gedaagden zijn bestaat dit gevaar, indien alle gedaagden verstek laten gaan en dit van elkaar weten.
Daarom dient de rechter die, in een geding waarin de gedaagde – of, bij meer gedaagde partijen, alle gedaagden – niet is (zijn) verschenen, moet beslissen op een vordering tot voeging of tussenkomst als bedoeld in art. 217 Rv, bij toewijzing van een dergelijke vordering te bepalen dat de partij die aldus in het geding wordt toegelaten, de niet verschenen gedaagde(n) van die toelating in kennis stelt.
Een redelijke wetstoepassing brengt voorts mee dat in hoger beroep niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding achterwege blijft indien voorafgaand aan het verstrijken van de appeltermijn (a) de bij verstek veroordeelde gedaagde niet in kennis is gesteld van de toelating van de derde en (b) het vonnis hem niet in persoon betekend is en hij ook niet anderszins met dat vonnis bekend is geworden, mits hij het hoger beroep heeft ingesteld binnen een termijn van veertien dagen – of zoveel minder als overeenstemt met een kortere wettelijke beroepstermijn – nadat hij met dat vonnis bekend is geworden (vgl. HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2894, rov. 3.4.3).
3.6
De Hoge Raad ziet in het voorgaande aanleiding de proceskosten te compenseren.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
bepaalt dat [eiser] gedurende veertien dagen na heden hoger beroep kan instellen tegen het vonnis van de kantonrechter van 20 juni 2016;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 24 mei 2019.
Conclusie 08‑03‑2019
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Verstekprocedure waarin een derde tussenkomt of zich aan de zijde van gedaagde voegt. Toepasselijkheid art. 140 lid 3 Rv. Verplichting derde de niet verschenen gedaagde van de voeging/tussenkomst op de hoogte te stellen. Omstandigheden waaronder niet-ontvankelijkverklaring wegens overschrijding appeltermijn achterwege blijft. Gedaagde in deze zaak kan alsnog appelleren (vgl. HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2894).
Zaaknr: 18/00250 mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 8 maart 2019 Conclusie inzake:
[eiser]
tegen
1. [verweerder 1]
2. [verweerder 2]
In cassatie wordt het oordeel van het hof bestreden dat een redelijke uitleg van art. 140 lid 3 Rv meebrengt dat het vonnis van de voorzieningenrechter ten opzichte van de niet verschenen oorspronkelijke gedaagde als op tegenspraak gewezen heeft te gelden, omdat een derde zich aan de zijde van deze gedaagde heeft gevoegd en in de procedure is verschenen.
1. Feiten1. en procesverloop2.
1.1 Verweerders in cassatie (hierna: [verweerders] ) zijn eigenaar van een chalet te Ede . Zij bieden dit aan voor verhuur aan derden.
1.2 Eiser tot cassatie (hierna: [eiser] ) heeft interesse getoond in de huur van het chalet. Medio maart 2016 heeft een bezichtiging plaatsgevonden waarbij [verweerders] , [eiser] en zijn moeder, [betrokkene 1] , aanwezig zijn geweest.
1.3 Partijen zijn een huurovereenkomst aangegaan voor de huur van het chalet in de periode 1 april 2016 tot en met 30 september 2016 tegen een huurprijs van € 625,- per maand. [eiser] heeft een bedrag aan borgsom van € 500,- contant betaald waarvoor hij een kwitantie heeft ontvangen en ondertekend. Een van de overeenkomst opgemaakte huurovereenkomst is later ondertekend door [betrokkene 1] .
1.4 [betrokkene 1] heeft vanaf eind maart 2016 het gehuurde chalet bewoond met haar dochter en heeft zich op dat adres ingeschreven. Bij brief van 1 juni 2016 van de gemeente Ede is haar aangezegd dat zij een recreatiewoning bewoont in strijd met het bestemmingsplan en is haar een last onder dwangsom opgelegd.
1.5 [eiser] en/of [betrokkene 1] hebben naast de betaalde borgsom van € 500,- geen betalingen meer aan [verweerders] verricht.
1.6 [verweerders] hebben [eiser] bij dagvaarding van 30 mei 2016 in kort geding
gedagvaard voor de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, en daarbij gevorderd – samengevat3.– [eiser] te veroordelen om het chalet te ontruimen wegens ernstige overlast en wanbetaling en om de achterstallige huur te voldoen.
1.7 [betrokkene 1] heeft bij e-mailbericht van 2 juni 2016 gevorderd zich te mogen voegen in het geding.
1.8 Op 3 juni 2016 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiser] is niet verschenen.
1.9 De kantonrechter, rechtdoende als voorzieningenrechter, heeft bij kortgedingvonnis van 20 juni 20164.in het incident [betrokkene 1] toegestaan zich in het geding te voegen aan de zijde van [eiser] en in de hoofdzaak verstek verleend tegen [eiser] en hem, voor zover thans van belang, veroordeeld om het chalet binnen 14 dagen te ontruimen en aan [verweerders] een bedrag van € 1.550,- te betalen alsmede € 625,- voor iedere maand vanaf 1 juni 2016 tot de ontruiming.
1.10 [eiser] en [betrokkene 1] hebben bij dagvaarding van 28 juni 2016 een executie kort geding aanhangig gemaakt tegen [verweerders] tot schorsing van het hiervoor genoemde vonnis van 20 juni 2016. Die vordering is bij vonnis van 5 juli 2016 afgewezen.
1.11 [betrokkene 1] heeft het chalet op 6 juli 2016 verlaten.
1.12 [eiser] is bij dagvaarding van 28 juni 2016 in verzet gekomen van het vonnis van 20 juni 2016 bij de kantonrechter te Arnhem. Bij vonnis van 20 juli 20165.heeft de kantonrechter geoordeeld dat het verzet van een vonnis in kort geding moet worden ingesteld bij de voorzieningenrechter en heeft hij de zaak verwezen naar de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem.
1.13 De mondelinge behandeling heeft op 9 september 2016 plaatsgevonden. De voorzieningenrechter heeft Djuric bij vonnis van dezelfde datum niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. Daartoe heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat [betrokkene 1] door de voeging partij is geworden in de hoofdzaak en dat door haar verschijnen het vonnis van 20 juni 2016 naar analogie van art. 140 Rv een vonnis op tegenspraak betreft, waartegen slechts hoger beroep en geen verzet open staat.
1.14 [eiser] is, onder aanvoering van vier grieven6., van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en heeft daarbij gevorderd dat het hof het vonnis van 9 september 2016 zal vernietigen en de vordering van [eiser] in verzet alsnog zal toewijzen met veroordeling van [verweerders] in de kosten van beide instanties.
1.15 [verweerders] hebben de grieven bestreden.
1.16 Het hof heeft bij arrest van 28 november 2017 het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland van 9 september 2016 bekrachtigd.
1.17 [eiser] heeft tegen het arrest van 28 november 2017 tijdig7.cassatieberoep ingesteld.
[verweerders] hebben geconcludeerd tot verwerping.
Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna [eiser] heeft gerepliceerd en [verweerders] hebben gedupliceerd8..
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen.
Onderdeel 1 richt zich in het eerste subonderdeel tegen rov. 5.3 en rov. 5.4, en in het tweede subonderdeel tegen rov. 5.1. In deze rechtsoverwegingen heeft het hof als volgt geoordeeld (voor de volledigheid citeer ik ook de niet bestreden rov. 5.2):
“5.1 Het hoger beroep keert zich tegen de niet-ontvankelijkheid verklaring van [eiser] in zijn verzet. In zijn eerste grief betoogt [eiser] dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft aangenomen dat [betrokkene 1] zich aan de zijde van [eiser] heeft gevoegd en inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de vordering. In het kader van de vraag of [eiser] in zijn verzet kan worden ontvangen, dient het hof ervan uit te gaan dat [betrokkene 1] bij e-mail van 2 juni 2016 verzocht9.heeft zich te voegen op de voet van artikel 217 Rv en dat de vordering tot voeging in het vonnis van 20 juni 2016 met zaaknummer 5110905 is gehonoreerd. [eiser] is in die procedure niet verschenen. Of en zo ja, in hoeverre [betrokkene 1] zich heeft geschaard aan de zijde van [eiser] kan in zoverre in het midden blijven.
5.2
Bovendien, ook indien er van zou worden uitgegaan dat [betrokkene 1] zich niet heeft willen voegen, zoals zij heeft verzocht, maar tussenkomen als bedoeld in artikel 217 Rv, maakt dat voor de uitkomst van deze procedure niet uit. Ook door tussenkomst wordt een partij immers procespartij in de hoofdzaak.
5.3
De overige grieven keren zich tegen het oordeel over de ontvankelijkheid van [eiser] . Het hof oordeelt dat [betrokkene 1] als gevoegde partij aan de zijde van gedaagde [eiser] , procespartij is geworden in de hoofdzaak. Zij is verschenen. Tegen [eiser] is (rechtmatig) verstek verleend. Een redelijke uitleg van artikel 140 Rv brengt in dit geval dan mee dat [betrokkene 1] moet worden gelijkgesteld aan een medegedaagde. Artikel 140 Rv bepaalt:
“1. Zijn er meer gedaagden en is tenminste een van hen in het geding verschenen, dan wordt, indien ten aanzien van de niet verschenen gedaagden de voorgeschreven formaliteiten en termijnen in acht zijn genomen, tegen dezen verstek verleend en tussen de eiser en de verschenen gedaagden voortgeprocedeerd. (...)
3. Tussen alle partijen wordt één vonnis gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.”
Op de voet hiervan geldt het vonnis van 20 juni 2016 als een vonnis op tegenspraak. Tegen een vonnis op tegenspraak staat voor alle partijen slechts hoger beroep open en geen verzet. De voorzieningenrechter heeft Djuric dus terecht niet ontvangen in zijn verzet.
5.4
Hierop strandt het betoog van [eiser] . Overige stellingen behoeven geen bespreking meer omdat die, indien besproken, niet tot een ander oordeel zullen leiden.”
2.2
Subonderdeel 1a klaagt dat het oordeel van het hof, dat een redelijke uitleg van art. 140 Rv met zich brengt dat, nu [betrokkene 1] in de procedure is verschenen, zij procespartij is geworden (of dat nu is door tussenkomst of door voeging), zodat het op 20 juni 2016 gewezen vonnis in kort geding moet worden gezien als een vonnis op tegenspraak tussen alle procespartijen, waartegen derhalve geen verzet openstaat, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Onder “alle partijen” als bedoeld in art. 140 lid 3 Rv kan niet worden verstaan een partij die zich heeft gevoegd of die is tussengekomen. Het gaat daarbij om de oorspronkelijke gedaagde partij(en) als bedoeld in art. 140 lid 1 en lid 2 Rv en de eisende partij(en). Het hof heeft dit miskend, aldus het subonderdeel.
Subonderdeel 1b klaagt dat, indien en voor zover onderscheid zou moeten worden gemaakt tussen de situatie waarin een partij zich voegt aan de zijde van enige gedaagde tegen wie verstek is verleend enerzijds en de partij die tussenkomt anderzijds, het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat [betrokkene 1] bij e-mail van 2 juni 2016 gevorderd heeft zich te mogen voegen op de voet van art. 217 Rv en dit oordeel onbegrijpelijk is, omdat [eiser] in hoger beroep uitdrukkelijk heeft gegriefd tegen het oordeel van de voorzieningenrechter op dit punt10.. Uit de e-mail van de zijde van [betrokkene 1] van 2 juni 2016 blijkt dat zij stelde dat zij huurster van het chalet was en derhalve een eigen recht had jegens [verweerders] waarbij tevens is aangegeven dat zij zal bepleiten dat de dagvaarding niet aan haar is betekend, zodat [verweerders] niet-ontvankelijk zouden zijn in hun vordering. Volgens het subonderdeel heeft [betrokkene 1] in feite gevorderd te mogen tussenkomen, hetgeen door [eiser]11.in hoger beroep ook is aangevoerd.
2.3
Ik behandel eerst het tweede subonderdeel. Daarbij neem ik het volgende tot uitgangspunt.
Voeging en tussenkomst
2.4
Ingevolge art. 217 Rv kan ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, vorderen zich daarin te mogen voegen of daarin te mogen tussenkomen.
Er is sprake van voeging in de zin van art. 217 Rv, indien een derde zich aan de zijde van één van de partijen schaart. Een gevoegde partij staat hetzij de gedaagde bij het verweer tegen de vordering bij, hetzij de eiser bij de toewijzing van de vordering12..
2.5
Voor het aannemen van het in art. 217 Rv bedoelde belang is voldoende dat de partij die voeging vordert, nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt. Onder nadelige gevolgen zijn in dit verband te verstaan de feitelijke of juridische gevolgen die de toe- dan wel afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van in de uitspraak in die procedure gegeven eindbeslissingen zal kunnen hebben voor degene die de voeging vordert13..
2.6
Indien aan de eis van belang is voldaan en de incidentele vordering tot voeging volgens art. 218 Rv tijdig is ingesteld, is die vordering in beginsel toewijsbaar. Aan de toewijsbaarheid kunnen niettemin de eisen van een goede procesorde in de weg staan. Afwijzing van een incidentele vordering tot voeging wegens strijd met de goede procesorde is onder meer mogelijk indien toewijzing tot onredelijke vertraging van de hoofdzaak zou leiden (art. 20 Rv)14..
2.7
Hoewel de rol van de gevoegde partij is beperkt tot het aanvoeren van feiten en gronden die kunnen leiden tot toe- dan wel afwijzing van de vordering, mag de aan de zijde van de gedaagde gevoegde partij, gelet op haar eigen belang, zelfstandig verweer voeren tegen de vordering van de eiser15..
De rechter kan evenwel een vordering in beginsel niet toewijzen of afwijzen op gronden die door een gevoegde partij zijn aangevoerd, maar door de partij aan wiens zijde de voeging plaatsvond, zelf niet konden worden ingeroepen16..
2.8
Anders dan voeging betekent tussenkomst dat een derde partij een eigen vordering wil instellen. In zijn arrest van 28 maart 201417.overwoog de Hoge Raad dienaangaande het volgende:
“…een partij [kan] op de voet van art. 217 Rv in een aanhangig geding vorderen te mogen tussenkomen indien zij een eigen vordering wenst in te stellen tegen (een van) de procederende partijen en voldoende belang heeft zich met dat doel in te mengen in het aanhangige geding in verband met de nadelige gevolgen die zij van de uitspraak in de hoofdzaak kan ondervinden (vgl. voor het geval van voeging: HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5241, NJ 2014/58, rov. 3.6.2). Dat belang kan erin bestaan dat in verband met de gevolgen die de uitspraak in de hoofdzaak kan hebben, benadeling of verlies van een recht van de tussenkomende partij dreigt, dan wel diens positie anderszins kan worden benadeeld. Aan de toewijsbaarheid van een vordering tot tussenkomst kunnen niettemin de eisen van een goede procesorde in de weg staan.
Voor zover onderdeel 1 klaagt dat het hof heeft miskend dat een partij die verlangt te worden toegelaten tot tussenkomst, daarbij niet kenbaar behoeft te maken wat zij wenst te vorderen en van wie, berust het op een onjuiste rechtsopvatting. Een oordeel over de gerechtvaardigdheid van de verlangde tussenkomst is immers alleen mogelijk indien duidelijk is wat de interveniënt wenst te bewerkstelligen.”
De toepassing van tussenkomst leidt tot het ontstaan van een driepartijengeding waarbij de rechter eveneens beslist over de vordering van de tussengekomen partij18..
2.9
Voeging of tussenkomst is ook mogelijk in een kortgedingprocedure19..
2.10
Een derde kan zich aan de zijde van een partij voegen, ook als deze partij niet in de procedure verschijnt20.. Ten aanzien van tussenkomst geldt eveneens dat het mogelijk is voor een derde om in een geding tussen te komen waarin niet alle partijen verschijnen, indien aan de door de wet voorgeschreven voorwaarden is voldaan21..
2.11
Indien de voeging door de rechter is toegestaan, neemt de derde verder deel aan de procedure als procespartij22.en heeft zij als gevoegde partij tevens het recht om een rechtsmiddel tegen de uitspraak aan te wenden23..
Hetzelfde geldt (uiteraard) voor een tussengekomen partij24..
2.12
Welke processuele hoedanigheid een partij heeft – gevoegde of tussenkomende partij – hangt niet af van de kwalificatie die de interveniërende partij er zelf aan geeft, maar wordt bepaald door de beoordeling van de rechter aan de hand van de opstelling van de desbetreffende partij in het geding25..
Nu het subonderdeel klaagt dat het hof zijn kwalificatie van [betrokkene 1] als gevoegde partij aan de zijde van [eiser] onvoldoende heeft gemotiveerd, is van belang wat daarover in de processtukken is vermeld.
2.13
In de hiervoor onder 1.7 vermelde e-mail van 2 juni 2016 van de advocaat van [betrokkene 1] aan de voorzieningenrechter is, voor zover thans van belang, gesteld dat (i) [betrokkene 1] op haar woonadres een dagvaarding heeft ontvangen waarin wordt gevorderd dat [eiser] het chalet dient te verlaten; (ii) [betrokkene 1] met [verweerders] een huurcontract heeft afgesloten en niet [eiser] zodat de verkeerde partij is gedagvaard; (iii) [betrokkene 1] dus direct belanghebbende is bij een eventuele ontruiming en zij “zich dan ook [voegt] in deze procedure” en (iv) dat [betrokkene 1] en haar advocaat ter zitting zullen verschijnen om te bepleiten dat de verzochte ontruiming niet zal plaatsvinden.
2.14
In het vonnis van de voorzieningenrechter van 20 juni 2016 (waarvan [eiser] in verzet is gekomen) is in rov. 1 (het verloop van de procedure) opgenomen dat Lazic op 2 juni 2016 het schriftelijke verzoek heeft gedaan om als gevoegde partij aan de zijde van [eiser] op te treden, welk verzoek is toegestaan (zie rov. 5.2 en het dictum in het incident onder 7.1 van dat vonnis). In lijn hiermee heeft de rechtbank bij de behandeling van de vordering en het verweer in de hoofdzaak het gevoerde verweer van Lazic tegen de ingestelde vordering van [verweerders] in aanmerking genomen (rov. 6.1-6.10).
2.15
In het verzetvonnis van 9 september 2016 is de kwestie van de voeging van [betrokkene 1] aan de zijde van [eiser] in het kader van de ontvankelijkheid van het verzet aan de orde geweest. De kantonrechter overwoog als volgt:
“2.1. Ter zitting is de vraag aan de orde gesteld of [eiser] in zijn verzet kan worden ontvangen nu [betrokkene 1] zich als gevoegde partij aan de zijde van [eiser] , die niet is verschenen, heeft geschaard, waarbij [betrokkene 1] inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen toewijzing van de vordering tegen [eiser] . Na partijen hierover gehoord te hebben, beantwoordt de kantonrechter deze vraag ontkennend en motiveert dat als volgt.”
2.16
Daartegen heeft [eiser] zijn eerste grief gericht. Uit de toelichting leid ik af dat uitsluitend wordt opgekomen tegen het uitgangspunt dat [betrokkene 1] zich aan de zijde van [eiser] heeft gevoegd, en niet tegen de voeging als zodanig. Zo wordt bij memorie van grieven gesteld (par. 26 en 33) dat [betrokkene 1] zich als zelfstandige partij in de procedure heeft gevoegd om haar eigen belangen (en die van haar dochter) te behartigen, maar wordt “nadrukkelijk bestreden” dat [betrokkene 1] zich had gevoegd aan de zijde van [eiser] .
2.17
Uit met name de e–mail van 2 juni 2016 van de advocaat van [betrokkene 1] aan de voorzieningenrechter blijkt dat [betrokkene 1] zich wilde voegen om verweer te voeren tegen de ingestelde vordering van [verweerders] met als doel dat [verweerders] niet-ontvankelijk zouden worden verklaard in hun vordering, dan wel dat de ingestelde vordering zou worden afgewezen. [betrokkene 1] heeft dus geen eigen vordering ingesteld. De kwalificatie van [betrokkene 1] als gevoegde partij is aldus voldoende begrijpelijk gemotiveerd26..
2.18
Daarnaast geldt, zoals het hof onbestreden in rov. 5.2 heeft overwogen, dat ook indien de beoordeling van de processuele positie van [betrokkene 1] niet voldoende begrijpelijk zou zijn gemotiveerd en haar processuele hoedanigheid zou moeten worden gekwalificeerd als tussengekomen procespartij, zij heeft te gelden als procespartij (zie hiervoor onder 2.11).
2.19
Het subonderdeel faalt mitsdien op diverse gronden.
2.20
Het door subonderdeel 1a bestreden oordeel houdt in de kern in dat een redelijke uitleg van art. 140 lid 3 Rv meebrengt dat het vonnis van 20 juni 2016 ten opzichte van de niet verschenen [eiser] als op tegenspraak gewezen heeft te gelden omdat [betrokkene 1] als gevoegde partij is verschenen.
2.21
Art. 140 lid 1 Rv bepaalt dat indien er meerdere gedaagden zijn en er tenminste één van hen niet is verschenen, tegen de niet-verschenen gedaagde(n) verstek wordt verleend, en tussen de eiser en de verschenen gedaagde(n) wordt voortgeprocedeerd. Ingevolge art. 140 lid 3 Rv wordt vervolgens tussen alle partijen één vonnis gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.
2.22
In zijn arrest van 7 juli 201727., waarin de Hoge Raad de door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gestelde prejudiciële vragen heeft beantwoord over de typering van een vonnis dat is gewezen in een geding waarin van de drie gedagvaarde partijen twee gedaagde partijen niet zijn verschenen en de zaak ten aanzien van de enige verschenen gedaagde partij na de comparitie van partijen wordt doorgehaald, verwees de Hoge Raad allereerst naar eerdere rechtspraak met betrekking tot de strekking van de regeling van art. 140 Rv:
“3.3 De regeling van art. 140 Rv strekt ertoe dat in gevallen waarin een vordering tegen meer gedaagden wordt ingesteld, tussen de eiser(s) en de gedaagden geen tegenstrijdige vonnissen ten aanzien van eenzelfde rechtsbetrekking worden gewezen (HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2894, NJ 2016/89). Om die reden staat ingevolge art. 140 lid 3 Rv tegen een vonnis dat is gewezen tussen ‘alle partijen’ - waarmee, naast de eiser(s), zijn bedoeld: zowel de verschenen gedaagde(n) als de niet verschenen gedaagde(n) tegen wie verstek is verleend - slechts het rechtsmiddel van hoger beroep open. Daarmee wordt voorkomen dat tegen hetzelfde vonnis zowel een appelprocedure door de verschenen gedaagden, als een verzetprocedure door de niet verschenen gedaagden kan worden gevoerd, met het gevaar van tegenstrijdige beslissingen (vgl. HR 10 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0570, NJ 1992/448).
2.23
Deze strekking is bepalend voor de begrenzing van het toepassingsgebied van art. 140 lid 3 Rv. Art. 140 Rv veronderstelt dat de verschillende verweerders niet zonder reden gezamenlijk werden gedagvaard en dat de connexiteit van de vorderingen daartoe aanleiding is. Vanwege deze connexiteit is het dan van belang dat de zaak één geheel blijft en dat op de samenhangende vorderingen, die deels op verstek en deels op tegenspraak worden behandeld, in gelijke zin wordt beslist. Door te bepalen dat tussen partijen één vonnis wordt gewezen, wordt voorkomen dat tegenstrijdige vonnissen ten aanzien van eenzelfde rechtsbetrekking worden gewezen. De bepaling dat een vonnis wordt gewezen dat op tegenspraak heeft te gelden, heeft tot gevolg dat daarvan door een ieder, ongeacht zijn ‘status’ in het geding in eerste aanleg (verschenen of niet) hoger beroep dient te worden ingesteld. Als de verschenen gedaagden echter, voordat eindvonnis wordt gewezen, niet langer aan de procedure deelnemen, is, aldus de Hoge Raad in genoemd arrest, het risico van tegenstrijdige uitspraken geëlimineerd:
“3.4 In een geval echter waarin de verschenen gedaagden, voordat eindvonnis wordt gewezen, niet langer aan de procedure deelnemen (bijvoorbeeld doordat ten aanzien van hen de procedure is geschorst wegens hun faillissement of is doorgehaald in verband met het bereiken van een schikking), en de procedure alleen ten aanzien van de niet verschenen gedaagde(n) wordt voortgezet zodat het vonnis uitsluitend wordt gewezen tussen de eiser(s) en de niet verschenen gedaagde(n), is art. 140 lid 3 Rv niet van toepassing. Het risico van tegenstrijdige uitspraken doordat zowel het rechtsmiddel van hoger beroep als dat van verzet wordt aangewend, is dan immers niet meer aanwezig.”
2.24
In de onderhavige zaak is m.i. sprake van een aan art. 140 Rv analoge situatie dat in de procedure tegen verschillende gedaagden, ten minste een van hen wel verschijnt en een niet. Aan [betrokkene 1] is toegestaan dat zij zich voegt aan de zijde van de gedagvaarde partij [eiser] , waarna zij is verschenen. Zij is daarmee partij geworden in het geding tussen [verweerders] en [eiser] als gedaagde partij. Tegen [eiser] is vervolgens verstek verleend. Er is vervolgens vonnis gewezen tussen de twee in de procedures verschenen eisers, een niet verschenen gedaagde en een verschenen (gevoegde) partij aan de zijde van de gedaagde partij. Hierdoor kan het risico van tegenstrijdige uitspraken zich voordoen, omdat er twee mogelijke rechtsmiddelen zijn: aan [eiser] zou het rechtsmiddel van verzet toekomen en aan [betrokkene 1] het rechtsmiddel van hoger beroep.
De strekking van art. 140 Rv brengt dan mee dat de regeling van art. 140 lid 3 Rv analoog wordt toegepast en dat tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van 20 juni 2016 slechts het rechtsmiddel van hoger beroep openstaat. Hieruit volgt dat het hof met zijn bestreden oordeel niet blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
2.25
Subonderdeel 1a faalt mitsdien.
2.26
Onderdeel 2 bouwt voort op onderdeel 1 en deelt mitsdien in het lot daarvan.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 08‑03‑2019
Voor zover thans van belang. Zie rov. 2.1-2.2 van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 november 2017. Zie voor het procesverloop in eerste aanleg rov. 1.1-1.2 van het vonnis van de rechtbank Gelderland van 20 juni 2016 en rov. 1.1-1.2 van het vonnis van de rechtbank Gelderland van 9 september 2016, evenals rov. 4.1-4.4 van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 november 2017.
Zie rov. 4.1 van het bestreden arrest.
Zaaknummer 5110905.
Zaaknummer 5224540.
Zie memorie van grieven zijdens [eiser] van 24 januari 2016 (processtuknummer 9 in het A-dossier en processtuknummer 11 in het B-dossier).
Het A-dossier en het B-dossier stemmen niet geheel overeen. In het B-dossier ontbreekt het faxbericht zijdens [verweerders] van 6 september 20016 met producties 3 t/m 7 (processtuknummer 6 in het A-dossier).
Hier staat abusievelijk verzocht in plaats van gevorderd.
Verwezen wordt naar memorie van grieven, par. 14-par. 19 (processtuknummer 9 in het A-dossier en processtuknummer 11 in het B-dossier) en de inhoud van de e-mail van 2 juni 2016 (processtuknummer 2 in het A-dossier en processtuknummer 2 in het B-dossier).
De procesinleiding vermeldt abusievelijk “ [betrokkene 1] ”.
Burgerlijke Rechtsvordering, G. Snijders, Boek I, titel 2, afd. 10, aant. 2 en 5; Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/46.
HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:768, NJ 2015/206, rov. 5.3. Herhaald in HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1602, NJ 2015/295 en HR 11 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2534, NJ 2015/369. Zie voor een overzicht van de ontwikkeling van het begrip belang in de rechtspraak tot 2003 de conclusie van A-G Bakels vóór HR 14 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2833, NJ 2003/313. In dit arrest heeft de Hoge Raad in rov. 3.4 bepaald dat belang ook aanwezig is wanneer degene, die volgens de tussenkomst vorderende partij zijn schuldenaar is, door een derde wordt aangesproken tot voldoening van de desbetreffende vordering. Vijf jaar later overwoog de Hoge Raad (14 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6692, NJ 2008/168, rov. 3.3) dat voor het aannemen van het belang bij voeging voldoende is dat een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij, aan wier zijde de derde zich voegt, de rechtspositie van de derde nadelig kan beïnvloeden.
HR 28 maart 2014, 13/02422, ECLI:NL:HR:2014:768, rov. 4.2.2.
Burgerlijke Rechtsvordering, G. Snijders, Boek I, titel 2, afd. 10, aant. 5.
HR 6 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3241, rov 3.12.
HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:768, NJ 2015/206, m.nt. H.B. Krans, rov. 4.1.2-4.1.3.
Zie o.m. Burgerlijke Rechtsvordering, G. Snijders, Boek I, titel 2, afd. 10, aant. 2 en 6; M.O.J. de Folter, Vrijwaring & Interventie, Serie Burgerlijk Procesrecht & Praktijk 11, Deventer: Kluwer, 2009, nr. 114; H.J. Snijders, C.J.M. Klaassen, G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer: Kluwer, 2017, nr. 183.
Snijders, Klaassen, Meijer, a.w., nr. 339.
Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/46. In andere zin: Rb. Amsterdam 11 maart 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009:BH5759. G. Snijders (Burgerlijke Rechtsvordering, Boek I, titel 2, afd. 10, aant. 5) acht het te ver gaan om voeging niet mogelijk te achten in geval van verstek van de partij aan wier zijde de derde zich voegt.
Zie bijvoorbeeld Rb. Maastricht 23 februari 2011, ECLI:NL:RBMAA:2011:BP6046, NJF 2011/275.
Burgerlijke Rechtsvordering, G. Snijders, Boek I, titel 2, afd. 10, aant. 5; Snijders, Klaassen, Meijer, a.w., nr. 68; Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/46; Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 2018, nr. 122.
Zie Burgerlijke Rechtsvordering, G. Snijders, Boek I, titel 2, afd. 10, aant. 5 met verwijzing naar HR 7 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9740, NJ 1989/552, rov. 3.1; HR 25 september 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC9984, NJ 1988/939, rov. 3.4 en HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0173, NJ 2013/203, rov. 4.1; Snijders, Klaassen, Meijer, a.w., nr. 242.
Burgerlijke Rechtsvordering, G. Snijders, Boek I, titel 2, afd. 10, aant. 6.
HR 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9067, NJ 2012/606 m.nt. H.B. Krans, rov. 3.4.
Zo merkt De Folter, a.w., nr. 114, op dat op praktische wijze kan worden geconcludeerd of een derde zich voegt (geen eigen vordering) of tussenkomt (stelt eigen vordering in).
HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1274, NJ 2017/305. Zie ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2017:475) vóór dit arrest.
Beroepschrift 17‑01‑2018
PROCESINLEIDING IN CASSATIE
Eiser tot cassatie is:
[eiser]
wonende te [woonplaats], te dezer zake woonplaats kiezende te (2517 KL) 's‑Gravenhage aan de Eisenhowerlaan 102 ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr A.H.M. van den Steenhoven, die eisers tot cassatie als hun advocaat aanwijzen om in dit geding als zodanig op te treden en hen te vertegenwoordigen.
Verweerders in cassatie zijn:
1.
[verweerder 1], wonende te [woonplaats],
en
2.
[verweerder 2], wonende te [woonplaats],
beiden in feitelijke aanleg laatstelijk woonplaats gekozen hebbende ten kantore van hun advocaat mr B.J. Blindenbach, kantoorhoudende te (3581 BG) Utrecht aan het adres Malisingel 22 ten kantore van Advocaten in de Praktijk,
Eisers tot cassatie stellen door middel van deze procesinleiding tijdig beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwaren van 28 november 2017 gewezen in kort geding in de zaak met nummer 200.204.055 (zaaknummer rechtbank Gelderland 5261330) tussen eiser tot cassatie als appellant, in eerste aanleg opposant, en verweerders in cassatie als geïntimeerden, geopposeerden in eerste aanleg.
Verweerders kunnen in deze procedure ten laatste verschijnen op VRIJDAG 2 MAART 2018, niet in persoon maar door tussenkomst van en vertegenwoordigd door ene advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden. De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt zaken, vermeld op het in art. 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op de vrijdagen die worden genoemd in hoofdstuk 1 van het Procesreglement van de Hoge Raad voor civiele vorderingszaken (Stcrt. 2017/5928) om 10.00 uur. De behandeling van zaken vindt plaats in het gebouw van de Hoge Raad aan het Korte Voorhout te (2511 EK) 's‑Gravenhage.
Voorfase en procesverloop
Medio maart 2016 is een huurovereenkomst tot stand gekomen tussen verweerders in cassatie enerzijds (verder te noemen: ‘[verweerder 1 c.s.]’ en anderzijds dan wel eiser tot cassatie (verder te noemen: ‘[eiser]’), dan wel mevrouw [betrokkene 1] (verder te noemen: ‘[betrokkene 1]’. De huurovereenkomst betrof een chalet op een vakantiepark te Ede1.. De vraag wie exact huurder van het chalet was, is in feitelijke aanleg onderwerp van discussie geweest2..
De huurprijs van het gehuurde bedroeg € 625,-- per maand. Een bedrag ad € 500,-- is contant vooruit betaald op de borg. Het resterende bedrag ad € 125,-- aan borg zou per bank worden betaald3..
Aan [verweerder 1 c.s.] zou kort nadien gebleken zijn dat [eiser] tekort zou schieten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst. [eiser] en zijn familie zouden ondermeer overlast op het park veroorzaken4. en de huurpenningen zouden niet betaald worden5..
Bij dagvaarding d.d. 30 mei 2016 hebben [verweerder 1 c.s.] [eiser] in kort geding betrokken en, zakelijk weergegeven, ontruiming van het gehuurde gevorderd en (bij wege van voorschot op de achterstallige huurpenningen en de veroorzaakte schade) betaling van een bedrag ad € 2.075,--.
Bij e-mail d.d. 2 juni 2016 heeft mevrouw [betrokkene 1] voornoemd zich bij de voorzieningenrechter gemeld en aangegeven dat niet [eiser] maar zij de huurder van het chalet was. Zij heeft aangegeven dat zij ter zitting zal verschijnen om de ontruiming te voorkomen.
De voorzieningenrechter heeft de e-mail van de zijde van [betrokkene 1] van 2 juni 2016 de vordering van [betrokkene 1] opgevat als een vordering tot voeging aan de zijde van [eiser]. [eiser] is ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in kort geding van 3 juni 2016 niet verschenen; tegen hem is verstek verleend. [betrokkene 1] is wel ter zitting verschenen.
Bij vonnis d.d. 20 juni 2016 heeft de voorzieningenrechter de (door hem aldus geïnterpreteerde) vordering tot voeging door [betrokkene 1] toegewezen. In de hoofdzaak heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de huurovereenkomst met [eiser] was gesloten en niet met [betrokkene 1]6.. In dat vonnis heeft de voorzieningenrechter, na tegen [eiser] verstek te hebben verleend, hem veroordeeld om het chalet te ontruimen met al het zijne en de zijnen en [eiser] veroordeeld tot betaling aan [verweerder 1 c.s.] van een bedrag ad € 1.575,-- te vermeerderen met een wettelijke rente. [eiser] is daarbij veroordeeld in de proceskosten (overigens werd [betrokkene 1] ook veroordeeld in de proceskosten, in het incident begroot op € 30,--).
Bij dagvaarding d.d. 28 juni 2016 is [eiser] tijdig in verzet gekomen tegen voormeld vonnis van de voorzieningenrechter van 20 juni 2016. Daarbij dagvaardde [eiser] [verweerder 1 c.s.] om te verschijnen ter zitting van de rechtbank Gelderland, team kanton. Bij vonnis van 20 juli 2016 heeft de kantonrechter geoordeeld dat het vonnis van 20 juni 2016 in kort geding werd gewezen, zodat de kantonrechter niet bevoegd was van het verzet kennis te nemen. De kantonrechter heeft de zaak in de stand waarin zij zich bevond verwezen naar de (kantonrechter handelend als) voorzieningenrechter.
De mondelinge behandeling voor de voorzieningenrechter vond plaats op 9 september 2016. Bij vonnis van diezelfde datum heeft de voorzieningenrechter [eiser] niet-ontvankelijk verklaard, overwegende dat [betrokkene 1] in het geding als gevoegde partij is ontvangen, zodat [eiser] in zijn verzet niet-ontvankelijk zou zijn. De kantonrechter heeft daarbij artikel 140 Rv analoog toegepast.
[eiser] kon zich in dat vonnis niet vinden en is daarvan tijdig, bij dagvaarding d.d. 6 oktober 2016, in hoger beroep gekomen. [eiser] heeft daarbij in de eerste plaats gegriefd tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat [betrokkene 1] zich aan zijn zijde zou hebben gevoegd. [betrokkene 1] zou slechts haar eigen belangen als gepretendeerd huurster hebben behartigd en niet die van [eiser]. [eiser] verbleef op dat moment in het buitenland en is ook niet ter zitting verschenen7.. Met de tweede grief is [eiser] opgekomen tegen de overweging van de kantonrechter, onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 2 april 20138., dat [eiser] niet kon worden ontvangen in zijn verzet, omdat tegenstrijdige uitspraken zoveel mogelijk moeten worden vermeden. Met de derde en de vierde grief is door [eiser] opgekomen tegen de beslissing van de rechtbank dat artikel 140 Rv in dezen toepassing zou vinden, zodat sprake zou zijn van een vonnis op tegenspraak waartegen geen verzet openstaat.
Bij arrest d.d. 28 november 2017 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de voorzieningenrechter in eerste aanleg bekrachtigd, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. [eiser] kan zich in de gegeven beslissing niet vinden en voert daartegen het navolgende middel van cassatie aan.
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt, doordat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft overwogen en beslist op de daarvoor gegeven gronden als in het arrest waartegen het beroep zich richt is geschied, ten onrechte om de navolgende, ook in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen, redenen.
Onderdeel 1a
De kern van deze zaak, voorzover in cassatie van belang, ligt in r.o. 5.3 en 5.4 van het arrest a quo. Aldaar overweegt het hof dat een redelijke uitleg van artikel 140 met zich brengt dat, nu [betrokkene 1] in de procedure is verschenen, zij procespartij is geworden (of dat nu is door tussenkomst of door voeging), zodat het op 20 juni 2016 gewezen vonnis in kort geding moet worden gezien als een vonnis op tegenspraak tegen alle procespartijen, waartegen derhalve geen verzet open staat. Die beslissing van het gerechtshof getuigd van een onjuiste rechtsopvatting.
Op zich is juist dat zowel een partij die zich voegt aan de zijde van een van de procespartijen als de partij die tussenkomt (beide op basis van het bepaalde in artikel 217 Rv) procespartij wordt in die procedure. Dat betekent echter niet dat, indien tegen de enige oorspronkelijke gedaagde in die zaak verstek wordt verleend, terwijl een andere partij zich heeft gevoegd of in de procedure is tussengekomen (mogelijk zelfs zonder medeweten van deze gedaagde), voor die oorspronkelijke gedaagde daarmee op de voet van artikel 140 lid 1 juncto lid 3 Rv geen verzet meer zou openstaan. Onder ‘alle partijen’ als bedoeld in artikel 140 lid 3 Rv kan niet worden verstaan een partij die zich heeft gevoegd of die is tussengekomen. Het gaat daarbij om de oorspronkelijke gedaagde partij(en) als bedoeld in artikel artikel 140 leden 1 en 2 Rv en de eisende partij(en). Het hof heeft dit miskend.
Onderdeel 1b
Indien en voorzover bij het voorgaande onderscheid zou moeten worden gemaakt tussen de situatie waarin een partij zich voegt aan de zijde van enige gedaagde tegen wie verstek is verleend enerzijds en de partij die tussenkomt anderzijds, geldt het volgende.
Het hof heeft in r.o. 5.1 van het arrest a quo tot uitgangspunt genomen dat [betrokkene 1] bij email van 2 juni 2016 gevorderd heeft zich te mogen voegen op de voet van artikel 217 Rv. Het hof heeft de vraag in hoeverre [betrokkene 1] zich heeft geschaard aan de zijde van [eiser] in het midden gelaten. In het licht van het gestelde in de eerste grief is die beslissing van het gerechtshof onbegrijpelijk te noemen. Toegegeven kan worden dat de e-mail van 2 juni 2016 enigszins ambivalent is met betrekking tot de vraag of [betrokkene 1] zich wenst te voegen aan de zijde van [eiser] of dat zij wenste tussen te komen (voor beide ‘figuren’ zijn in de betreffende e-mail argumenten te vinden), maar in hoger beroep heeft [eiser] uitdrukkelijk gegriefd tegen het oordeel van de voorzieningenrechter op dit punt.
[eiser] heeft daarbij aangegeven dat [betrokkene 1] haar eigen belangen wilde veiligstellen omdat zij huurder was niet [eiser]. Dat het betoog van [betrokkene 1] in grote lijnen overeenkomt met het verweer van [eiser] in de verzetprocedure, deed daaraan niets af9.. In het licht van die stellingen en de inhoud van de e-mail van 2 juni 201610. kon het gerechtshof niet volstaan met het oordeel als weergegeven in r.o. 5.1.. Uit de e-mail van de zijde van [betrokkene 1] van 2 juni 2016 blijkt immers dat zij stelde dat zij huurster van het chalet was en derhalve een eigen recht had jegens [verweerder 1 c.s.] waarbij tevens is aangegeven dat zij zal bepleiten dat de dagvaarding niet aan haar is betekend (terwijl zij de huurster is), zodat het verzoek van [verweerder 1 c.s.] ‘niet-ontvankelijk’ zou zijn. Dat betekent dat [betrokkene 1] in feite gevorderd heeft te mogen tussenkomen, zoald door [betrokkene 1] in hoger beroep ook is aangevoerd.
Onderdeel 2
Gegrondbevinding van één of meer klachten in het voorgaande heeft ook gevolg dat 's hofs beslissing in r.o. in 5.5 en het aan één en ander ontleende dictum niet in stand kunnen blijven.
Mitsdien
Het de Hoge raad moge behagen het in cassatie bestreden, tussen partijen onder zaaknummer 200.204.005 op 28 november 2017 in kort geding gewezen arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden te vernietigen met zodanige verdere voorziening, mede met betrekking tot de proceskosten in alle instanties, als de Hoge Raad in goede justitie zal vermenen te behoren, waarbij [eiser] tevens vordert dat de toe te wijzen proceskostenveroordeling zal worden vermeerderd met de wettelijke rente daarover, te rekenen vanaf 14 dagen na de datum van het arrest van de Hoge Raad.
Den Haag, 17 januari 2018
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 17‑01‑2018
Inleidende dagvaarding zijdens [verweerder 1 c.s.], pos. 1 en 2
Productie 2 zijdens [eiser] in hoger beroep: e-mail van mr S.G. Blasweiler d.d. 2 juni 2016 aan de voorzieningenrechter
Kort geding vonnis d.d. 20 juni 2016, r.o. 2.4 en 2.5
inleidende dagvaarding zijdens [verweerder 1 c.s.], positum 4
inleidende dagvaarding van de zijde van [verweerder 1 c.s.], positum 8
vonnis d.d. 20 juni 2016, r.o. 6.5 en 6.6
Memorie van grieven, posita 14 tot en met 19
memorie van grieven, posita 14 tot en met 19
productie 2 in hoger beroep van de zijde van [eiser]