Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 24 juni 2021, ECLI:NL:OGEABES:2021:8.
HR, 12-04-2024, nr. 23/00472
ECLI:NL:HR:2024:583
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-04-2024
- Zaaknummer
23/00472
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:583, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑04‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:171
ECLI:NL:PHR:2024:171, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑02‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:583
Beroepschrift, Hoge Raad, 30‑12‑2022
- Vindplaatsen
Burgerlijk procesrecht.nl BPR-2024-0048
JOR 2024/180 met annotatie van mr. A. Steneker
JBPr 2024/43 met annotatie van prof. mr. K.J. Krzemiński
Uitspraak 12‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Caribische zaak. Beslagrecht. Executoriaal derdenbeslag op roerende zaken. Strekking van betwistingsprocedure (art. 477a lid 2 Rv BES). Treft beslag ook roerende zaken van geëxecuteerde die onder derde berusten anders dan uit hoofde van rechtsverhouding tussen derde en geëxecuteerde (art. 475 lid 1 Rv BES en art. 476a lid 2 Rv BES)?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/00472
Datum 12 april 2024
ARREST
In de zaak van
HUNTINGTON INGALLS INCORPORATED,
gevestigd te Newport News, Virginia, Verenigde Staten van Amerika,
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: Huntington,
advocaat: A. Stortelder,
tegen
BONAIRE PETROLEUM CORPORATION N.V.,
gevestigd in Bonaire,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: Bopec,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak BON201900558 van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 24 juni 2021;
b. het vonnis in de zaak BON201900558 - BON2021H00034 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 8 november 2022.
Huntington heeft tegen het vonnis van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Bopec heeft geen verweerschrift ingediend.
De zaak is voor Huntington toegelicht door haar advocaat, en mede door H.A.A. Essebai.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot vernietiging en terugwijzing.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Huntington heeft een vordering op de Bolivariaanse Republiek Venezuela (hierna: Venezuela) in verband met het onderhoud en de renovatie van twee fregatten van de Venezolaanse marine. Tussen Huntington en Venezuela is een arbitrageprocedure gevoerd met als plaats van arbitrage Rio de Janeiro, Brazilië. Bij arbitraal vonnis van 19 februari 2018 is het Ministerie van Defensie van Venezuela veroordeeld circa USD 130 miljoen aan Huntington te betalen.
(ii) Huntington heeft verlof gevraagd tot het leggen van conservatoir derdenbeslag ten laste van Venezuela. Dit verzoek is toegewezen bij beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 19 maart 2019.
(iii) Bij proces-verbaal van 5 april 2019 heeft de deurwaarder op grond van de hiervoor onder (ii) genoemde beschikking conservatoir derdenbeslag gelegd onder Bopec:
“Op alle olie en olieproducten die eigendom zijn van Venezuela (...) en die door de vennootschappen Petróleos de Venezuela S.A., PDVSA Petroleo S.A., Bonaire Petroleum Corporation N.V., NuStar Terminals Marine Services N.V., NuStar Terminals N.V., NuStar Logistics L.P. en/of NuStar Energy L.P. worden gehouden op de Bonaire Petroleum Corporation Terminal op Bonaire of de NuStar Terminal op St. Eustatius (…)”.
(iv) Het beslag is gelegd op:
“(…) 384.410 (...) vatten van 42 U.S. Gallons bevattende het olieproduct ‘Fuel Oil Slurry Isla’”.
Voorts is een bewaarder aangesteld.
(v) Het proces-verbaal van beslaglegging is op 5 april 2019 aan onder meer Bopec, Venezuela en PDVSA Petroleo S.A. (hierna: PDVSA) betekend.
(vi) Bopec heeft op 8 april 2019 een verklaring derdenbeslag afgelegd. In het daarvoor bestemde formulier heeft Bopec de zin omcirkeld die luidt:
“dat er tussen ondergetekende en de schuldenaar geen enkele rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan, uit hoofde waarvan de schuldenaar op het tijdstip van het beslag nog iets van de ondergetekende had te vorderen, nu te vorderen heeft of nog te vorderen kan krijgen”.
Bopec heeft daaraan toegevoegd:
“NB: de republiek Venezuela slaat geen olieproducten op bij Bopec”.
(vii) Op 10 juli 2019 heeft Huntington een uitspraak van het gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 30 januari 2019 aan Bopec doen betekenen waarin aan Huntington verlof is verleend om het hiervoor onder (i) genoemde arbitraal vonnis op Bonaire en Sint Eustatius ten uitvoer te leggen.
(viii) Op 12 augustus 2019 heeft Bopec nogmaals een verklaring derdenbeslag afgelegd. Deze verklaring is identiek aan de hiervoor onder (vi) aangehaalde verklaring van 8 april 2019.
(ix) Op 18 maart 2021 is het faillissement van Bopec uitgesproken.
(x) Op 13 december 2021 zijn de vaten olie waarop het beslag rustte, op een executieveiling aan een derde partij verkocht voor ANG 200.000,--.
2.2
Huntington betwist in deze procedure op de voet van art. 477a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES (hierna: Rv BES) de door Bopec afgelegde verklaringen derdenbeslag, en vordert onder meer een bevel tot afgifte door Bopec van een schriftelijke gerechtelijke verklaring, inhoudende dat de hiervoor in 2.1 onder (iv) genoemde olie eigendom is van Venezuela en door Bopec op haar terminal wordt opgeslagen, hetzij rechtstreeks in opdracht van Venezuela, hetzij via PDVSA als agent van Venezuela.
Bopec voert onder meer aan dat zij de hiervoor in 2.1 onder (iv) genoemde olie onder zich houdt voor PDVSA en niet voor Venezuela.
2.3
Het gerecht1.heeft de vorderingen van Huntington afgewezen.
2.4
Het hof2.heeft het vonnis van het gerecht bevestigd. Voor zover in cassatie van belang heeft het hof daartoe als volgt overwogen:
“bewijslast bij betwisting
3.16
Bopec heeft (samengevat) in haar derdenverklaring opgenomen dat zij geen olie onder zich heeft die toebehoort aan Venezuela, maar wel olie toebehorend aan PDVSA. Op Huntington rust de bewijslast dat die verklaring onjuist is. Wel is het zo dat op Bopec een verzwaarde motiveringsplicht rust en dat Bopec verplicht is haar verklaring te onderbouwen met stukken (dit is bepaald in artikel 476 b lid 2 Rv BES).
toetsing aan vereisten voor derdenverklaring juist? (…)
3.17
Het Gerecht heeft overwogen dat Bopec haar verklaring dat tussen haar en Venezuela geen rechtsverhouding bestaat op grond waarvan zij iets aan Venezuela verschuldigd is voldoende heeft onderbouwd (met een cognossement op naam van PDVSA Petroleo S.A.) en een overeenkomst ter zake opslag (waarin PDVSA Petroleo S.A. als opdrachtgever is vermeld), zodat deze verklaring de betwisting kan weerstaan. De stellingen van Huntington zien niet op de rechtsbetrekking van Bopec met haar opdrachtgever, maar op de vraag of een ander dan de opdrachtgever als eigenaar van de opgeslagen olie heeft te gelden. Daarmee ‘overvraagt’ Huntington Bopec als derdebeslagene, die op grond van artikel 476a lid 2 sub a Rv alleen hoeft te verklaren ‘of zij al dan niet iets aan de geëxecuteerde verschuldigd is of uit een ten tijde van het beslag bestaande rechtsverhouding zal worden [de Hoge Raad leest: dan wel] of zij al dan niet iets voor deze onder zich heeft’, aldus het Gerecht.
3.18
Huntington heeft (…) in de eerste plaats aangevoerd dat zij als beslaglegger niet hoeft aan te tonen welke rechtsverhouding tussen Venezuela als beslagdebiteur en Bopec als derde ten grondslag ligt aan de opslag van olie door Bopec. Anders dan Huntington betoogt valt in de motivering van het bestreden vonnis niet te lezen dat het Gerecht dit als vereiste stelt, nu het Gerecht simpelweg het op deze situatie toepasselijke artikel 476 a lid 2 sub a Rv BES citeert en toepast. Artikel 475 lid 1 Rv BES (dat Huntington als maatstaf noemt) somt de vereisten op voor het leggen van beslag onder derden en niet de vereisten waaraan een derdenverklaring moet voldoen, waar het hier om gaat. Huntington heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat het Gerecht niet aan laatstgenoemde vereisten heeft getoetst.
3.19
Huntington heeft voorts aangevoerd dat er wel degelijk een rechtsverhouding tussen Venezuela en Bopec aan de opslag ten grondslag ligt en heeft dit toegelicht door te wijzen op de volgende feiten, te weten dat (i) onbetwist is dat Venezuela enig aandeelhouder is van zowel Bopec als de PDVSA-entiteiten (ii) verschillende bestuurders van Bopec tevens bestuurders zijn van de PDVSA-entiteiten en dat een bestuurder van Bopec kolonel is in het leger van Venezuela (iii) dit alles blijkt uit openbare informatie, terwijl (iv) in verschillende gerechtelijke procedures erkend is (door Bopec, Venezuela en PDVSA) dat de beslagen olie eigendom is van Venezuela en bestemd is om door PDVSA te worden geleverd aan China.
3.20
De juistheid van deze stellingen, die betwist zijn door Bopec, kan in het midden blijven. Het Hof is het namelijk met het Gerecht eens dat het gelet op de specifieke vragen die artikel 476a lid 2 Rv BES aan Bopec voorlegt en gelet op haar positie als derdebeslagene (slechts zijdelings betrokken bij de verhouding tussen Huntington als beslaglegger en Venezuela als beslagdebiteur) niet op haar weg lag om buiten deze vragen om uitsluitsel te geven over de verhoudingen tussen Venezuela en PDVSA en de achtergronden daarvan. Dat Bopec de vragen van artikel 476a lid 2 sub a Rv BES letterlijk heeft genomen betekent dus niet dat de door haar afgelegde verklaring onjuist is.
3.21
Huntington heeft ook onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat het Gerecht de bewijslast onjuist heeft verdeeld. Het Gerecht heeft immers terecht als uitgangspunt genomen dat Bopec haar verklaring moet onderbouwen met stukken. Bopec heeft dat gedaan door stukken over te leggen waaruit blijkt dat zij al sinds 2002 een bewaarnemingsovereenkomst heeft met PDVSA (niet met Venezuela), dat alle cognossementen van ladingen die zij onder zich heeft op naam van PDVSA staan en dat PDVSA (niet Venezuela) de opdrachtgever is voor de opslag van de olie waarop beslag is gelegd. Op dat punt heeft Huntington met haar hiervoor in 4.19 [de Hoge Raad leest: 3.19] weergegeven algemene stellingen onvoldoende weerwoord geboden.”
3. Beoordeling van het middel
3.1
Bij de beoordeling van het middel dient het volgende tot uitgangspunt. Het voor deze zaak relevante recht inzake executoriaal beslag onder derden is neergelegd in de art. 475-479a Rv BES. Voor zover voor deze zaak van belang wijken deze bepalingen niet af van de art. 475-479a Rv. Het concordantiebeginsel, dat is vervat in art. 39 Statuut van het Koninkrijk, brengt mee dat de art. 475-479a Rv BES en de art. 475-479a Rv in dezelfde zin moeten worden uitgelegd.
3.2.1
Onderdeel 1.6 van het middel klaagt onder meer dat het hof (in de rov. 3.17-3.21) heeft miskend dat het in deze betwistingsprocedure niet kon volstaan met een beoordeling of de verklaring derdenbeslag van Bopec aanvankelijk te goeder trouw is of kon worden afgelegd, maar dat het hof tevens aan de hand van de inmiddels gebleken feiten en omstandigheden diende te beoordelen of die derdenverklaring juist was.
3.2.2
Deze klacht treft doel. De betwistingsprocedure van art. 477a lid 2 Rv BES strekt ertoe dat de rechter vaststelt – in voorkomend geval: mede in aanmerking genomen de feiten en omstandigheden die eerst in de betwistingsprocedure zijn komen vast te staan – welke vorderingen en zaken door het beslag onder de derde zijn getroffen, en of de verklaring die de derde daarover op de voet van art. 476a lid 1 Rv BES heeft afgelegd, juist is. In dit verband is niet van belang of de derde voorafgaand aan de betwistingsprocedure wist of behoorde te weten dat zijn verklaring over de door het beslag getroffen vorderingen en zaken onjuist was.
3.3.1
Onderdeel 1.2 klaagt over de onjuistheid van het kennelijk door het hof (in de rov. 3.17-3.21) gehanteerde uitgangspunt dat voor de verplichting van Bopec om in haar derdenverklaring de partij olie te vermelden, onvoldoende is dat komt vast te staan dat die partij olie eigendom is van Venezuela, en dat daarvoor eerst plaats is indien vaststaat dat sprake is van een (nadere) rechtsverhouding tussen Bopec en Venezuela op grond waarvan Bopec de partij olie voor Venezuela onder zich heeft.
3.3.2
Ook deze klacht is gegrond. Zoals volgt uit art. 475 lid 1 Rv BES ziet de in de art. 475-479a Rv BES neergelegde regeling van het executoriaal beslag onder derden onder meer op “beslag op (…) de geëxecuteerde (…) toebehorende roerende zaken die onder derden berusten en geen registergoederen zijn.” In aansluiting daarop bepaalt art. 476a lid 2, aanhef en onder c, Rv BES dat de verklaring die de derde verplicht is te doen, bevat “een gespecificeerde opgave van de door het beslag getroffen zaken”. Een en ander betekent dat door een executoriaal derdenbeslag als bedoeld in de art. 475-479a Rv BES in beginsel worden getroffen alle de geëxecuteerde toebehorende en onder de derde berustende roerende zaken die geen registergoederen zijn, ongeacht of de derde die zaken onder zich heeft op grond van een tussen hem en de geëxecuteerde bestaande rechtsverhouding dan wel uit anderen hoofde.
3.4
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 8 november 2022;
- wijst het geding terug naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt Bopec in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Huntington begroot op € 7.115,-- aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Bopec deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, H.M. Wattendorff, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 12 april 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 12‑04‑2024
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 8 november 2022, ECLI:NL:OGHACMB:2022:232.
Conclusie 16‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Beslagrecht. Caribische zaak. Derdenbeslag op roerende zaken die eigendom zijn van de beslagdebiteur. Inzet van betwistingsprocedure. Onderzoek mogelijk naar wie eigenaar is? Aansprakelijkheid derde-beslagene voor onjuiste verklaring. Positie derde-beslagene ten opzichte van beslagdebiteur en eventuele andere derden.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/00472
Zitting 16 februari 2024
CONCLUSIE
G. Snijders
In de zaak
Huntington Ingalls Incorporated,
eiseres tot cassatie,
advocaat: A. Stortelder,
tegen
Bonaire Petroleum Corporation N.V.,
verweerster in cassatie,
niet verschenen.
Partijen worden hierna aangeduid als Huntington respectievelijk Bopec.
1. Inleiding
Huntington heeft ten laste van haar schuldenaar de staat Venezuela derdenbeslag gelegd onder Bopec. Volgens Huntington waren bij Bopec op Bonaire vaten olie van Venezuela opgeslagen. Bopec heeft als derde-beslagene ex art. 476a lid 1 Rv BES verklaard dat tussen haar en Venezuela geen rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan, uit hoofde waarvan Venezuela op het tijdstip van het beslag iets van Bopec had te vorderen of te vorderen kan krijgen, en dat Venezuela geen olie bij haar heeft opgeslagen.
Huntington heeft de juistheid van Bopec’s verklaring betwist en is op de voet van art. 477a lid 2 Rv BES deze betwistingsprocedure tegen Bopec begonnen. Grondslag van haar vordering is dat de deurwaarder een grote partij vaten olie bij Bopec heeft aangetroffen (en inbeslaggenomen) die volgens haar toebehoort aan Venezuela en dus onder het gelegde beslag valt.
Bopec heeft aangevoerd dat de vaten bij haar zijn opgeslagen door PDVSA Petroleo S.A. (hierna: PDVSA), die daarbij op eigen naam handelde. Zij houdt de vaten daarom niet voor Venezuela onder zich en de betwisting door Huntington is daarom niet terecht.
Het gerecht in eerste aanleg en het hof hebben Bopec in het gelijk gesteld.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1.
(i) Huntington heeft een vordering op de republiek Venezuela in verband met het onderhoud en de renovatie van twee fregatten van de Venezolaanse marine. Daarover is tussen Huntington en Venezuela een arbitrageprocedure gevoerd met als plaats van arbitrage Rio de Janeiro, Brazilië. Bij arbitraal vonnis van 19 februari 2018 is het Ministerie van Defensie van Venezuela veroordeeld om circa USD 130 miljoen aan Huntington te betalen.
(ii) Huntington heeft vervolgens verlof gevraagd tot het leggen van conservatoir beslag op basis van dit arbitraal vonnis. Dit verzoek is eerst in hoger beroep toegewezen bij beschikking van het hof van 19 maart 2019.2.
(iii) Bij proces-verbaal gedateerd 5 april 2019 heeft de deurwaarder op grond van deze beschikking conservatoir derdenbeslag gelegd onder Bopec:
“Op alle olie en olieproducten die eigendom zijn van Venezuela (...) en die door de vennootschappen Petróleos de Venezuela S.A., PDVSA Petroleo S.A., Bonaire Petroleum Corporation N.V., NuStar Terminals Marine Services N.V., NuStar Terminals N.V., NuStar Logistics L.P. en of NuStar Energy L.P. worden gehouden op de Bonaire Petroleum Corporation Terminal op Bonaire of de NuStar Terminal op St. Eustatius,”
zulks tot verzekering en ter verkrijging van betaling van afgerond USD 146 miljoen.
(iv) Het beslag is gelegd op:
“384.410 (...) vaten van 42 U.S. Gallons bevattende het olieproduct “Fuel Oil Slurry Isla”
en er is een bewaarder aangesteld.3.
(v) Het proces-verbaal van beslaglegging is op 5 april 2019 aan onder meer Bopec, Venezuela en PDVSA betekend.
(vi) Bopec heeft op 8 april 2019 een verklaring derdenbeslag afgelegd. In het daarvoor bestemde formulier heeft Bopec de zin omcirkeld:
“dat er tussen ondergetekende en de schuldenaar geen enkele rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan, uit hoofde waarvan de schuldenaar op het tijdstip van het beslag nog iets van de ondergetekende had te vorderen, nu te vorderen heeft of nog te vorderen kan krijgen”.4.
(vii) Bopec heeft daar met de hand geschreven aan toegevoegd:
“NB: de republiek Venezuela slaat geen olieproducten op bij Bopec.”
(viii) Op 10 juli 2019 heeft Huntington een uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 30 januari 2019 aan Bopec doen betekenen waarin aan Huntington verlof is verleend om het arbitraal vonnis tegen Venezuela op Bonaire en Sint Eustatius ten uitvoer te leggen.
(ix) Op 12 augustus 2019 heeft Bopec nogmaals de verklaring van 8 april 2019 afgegeven.5.
(x) Op 18 maart 2021 is het faillissement van Bopec uitgesproken.6.
(xi) Op 13 december 2021 zijn de vaten olie waarop het beslag rustte op een executieveiling verkocht aan een derde partij voor ANG 200.000,-.
2.2
Huntington heeft bij het deze procedure inleidende, op 28 augustus 2019 bij het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba ingediende verzoekschrift de door Bopec afgelegde verklaringen betwist. Zij heeft verzocht te bevelen dat Bopec een schriftelijke gerechtelijke verklaring afgeeft inhoudende dat de hiervoor in 2.1 onder (iv) genoemde olie eigendom is van Venezuela en door haar op haar terminal wordt opgeslagen, hetzij rechtstreeks in opdracht van Venezuela, hetzij middels PDVSA als agent van Venezuela.
2.3
Bopec heeft verweer gevoerd. Zij heeft onder meer aangevoerd dat zij de hiervoor in 2.1 onder (iv) genoemde olie onder zich houdt voor PDVSA en niet voor Venezuela.7.
2.4
Het gerecht in eerste aanleg heeft de vordering bij vonnis van 24 juni 2021 afgewezen.8.Het gerecht in eerste aanleg heeft overwogen:
“4.5. Huntington betwist de juistheid van de door Bopec afgegeven verklaring derdenbeslag. Volgens Huntington geldt primair dat de bij Bopec opgeslagen olie in eigendom toebehoort aan Venezuela, waarbij PDVSA (slechts) als agent voor Venezuela optreedt. De olie is volgens Huntington bestemd om door PDVSA, als agent voor Venezuela, te worden geleverd aan China. Subsidiair stelt Huntington met verwijzing naar door haar overgelegde rechtskundige adviezen dat beoordeeld naar het recht van Venezuela als de lex societatis, PDSVA moet worden vereenzelvigd met haar aandeelhouder Venezuela. Meer subsidiair komt PDVSA volgens Huntington geen beroep toe op haar vermeende juridische zelfstandigheid, omdat dit kwalificeert als misbruik van bevoegdheid.
4.6.
Bopec heeft haar verklaring dat tussen haar en Venezuela geen rechtsverhouding bestaat op grond waarvan zij iets aan Venezuela verschuldigd is in dit geding onderbouwd met een cognossement (productie 5 Bopec) en met verwijzing naar het Warehousing and Throughput Agreement van 2002 (productie 18 Huntington). In het cognossement is PDVSA Petróleo S.A. (en niet: Venezuela) vermeld als geconsigneerde van de betreffende lading ‘fuel oil slurry isla’ met als haven van bestemming Bonaire. Het Agreement vermeldt PDVSA Petróleo (en niet: Venezuela) als de opdrachtgever van Bopec met betrekking tot de opslag van olieproducten.
4.7
Naar het oordeel van het gerecht heeft Bopec haar verklaring voldoende onderbouwd en kan die verklaring de betwisting door Huntington weerstaan. De stellingen van Huntington zien niet op de rechtsbetrekking van Bopec met haar opdrachtgever, maar op de vraag of een ander dan de opdrachtgever als de eigenaar van de bij Bopec opgeslagen olie moet hebben te gelden. Huntington ‘overvraagt’ Bopec als derde onder wie beslag is gelegd door van Bopec te verlangen dat zij Huntington volgt – en in die zin haar verklaring aanpast – in de stelling dat niet de opdrachtgever van Bopec maar een ander (Venezuela) eigenaar is van de olie op grond van leerstukken (naar vreemd recht) als vereenzelviging en misbruik (niet door Bopec zelf) van identiteitsverschil. Bopec stelt zich – naast haar inhoudelijke betwisting van de desbetreffende stellingen van Huntington – op goede grond op het standpunt dat dit een debat zou moeten zijn dat Huntington met de (vermeend) eigenaren van de olie voert (PDVSA Petróleo, PDVSA, Venezuela), niet met een bewaarder als Bopec. De verplichting van Bopec strekt blijkens artikel 476a lid 2 sub a Rv tot opgave ‘of hij al dan niet iets aan de geëxecuteerde verschuldigd is of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding zal worden, dan wel of hij al dan niet iets voor deze onder zich heeft’. Van die verplichting heeft Bopec zich gekweten. Ook indien zou worden aangenomen dat Venezuela als eigenaar van de olie moet worden aangemerkt – al dan niet op een van de door Huntington gestelde gronden – dan doet dat aan de juistheid van de verklaring van Bopec niet af. Bopec heeft ook dan geen rechtsverhouding met Venezuela op grond waarvan zij Venezuela iets verschuldigd is en heeft ook dan niets voor (niet: ‘van’) Venezuela onder zich.”
2.5
Huntington heeft tegen het vonnis van het gerecht in eerste aanleg hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Bij vonnis van 8 november 2022 heeft het hof het vonnis van het gerecht in eerste aanleg bevestigd.9.
2.6
Met betrekking tot het faillissement van Bopec heeft het hof overwogen dat de vorderingen van Huntington geen voldoening van een verbintenis uit de boedel van Bopec ten doel hebben en dat daarover dus tegen Bopec verder geprocedeerd kan worden, zij het dat een veroordeling geen rechtskracht toekomt jegens die boedel (rov. 3.10-3.13).10.
Het hof heeft voorts overwogen:
“bewijslast bij betwisting
3.16
Bopec heeft (samengevat) in haar derdenverklaring opgenomen dat zij geen olie onder zich heeft die toebehoort aan Venezuela, maar wel olie toebehorend aan PDVSA. Op Huntington rust de bewijslast dat die verklaring onjuist is. Wel is het zo dat op Bopec een verzwaarde motiveringsplicht rust en dat Bopec verplicht is haar verklaring te onderbouwen met stukken (dit is bepaald in artikel 476b lid 2 Rv BES).
toetsing aan vereisten voor derdenverklaring juist? (grief 1)
3.17
Het Gerecht heeft overwogen dat Bopec haar verklaring dat tussen haar en Venezuela geen rechtsverhouding bestaat op grond waarvan zij iets aan Venezuela verschuldigd is voldoende heeft onderbouwd (met een cognossement op naam van PDVSA Petroleo S.A.) en een overeenkomst ter zake opslag (waarin PDVSA Petroleo S.A. als opdrachtgever is vermeld), zodat deze verklaring de betwisting kan weerstaan. De stellingen van Huntington zien niet op de rechtsbetrekking van Bopec met haar opdrachtgever, maar op de vraag of een ander dan de opdrachtgever als eigenaar van de opgeslagen olie heeft te gelden. Daarmee ‘overvraagt’ Huntington Bopec als derdebeslagene, die op grond van artikel 476a lid 2 sub a Rv BES alleen hoeft te verklaren ‘of zij al dan niet iets aan de geëxecuteerde verschuldigd is of uit een ten tijde van het beslag bestaande rechtsverhouding zal worden of zij al dan niet iets voor deze onder zich heeft’, aldus het Gerecht.
3.18
Huntington heeft in haar toelichting op grief 1 in de eerste plaats aangevoerd dat zij als beslaglegger niet hoeft aan te tonen welke rechtsverhouding tussen Venezuela als beslagdebiteur en Bopec als derde ten grondslag ligt aan de opslag van olie door Bopec. Anders dan Huntington betoogt valt in de motivering van het bestreden vonnis niet te lezen dat het Gerecht dit als vereiste stelt, nu het Gerecht simpelweg het op deze situatie toepasselijke artikel 476a lid 2 sub a Rv BES citeert en toepast. Artikel 475 lid 1 Rv BES (dat Huntington als maatstaf noemt) somt de vereisten op voor het leggen van beslag onder derden en niet de vereisten waaraan een derdenverklaring moet voldoen, waar het hier om gaat. Huntington heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat het Gerecht niet aan laatstgenoemde vereisten heeft getoetst.
3.19
Huntington heeft voorts aangevoerd dat er wel degelijk een rechtsverhouding tussen Venezuela en Bopec aan de opslag ten grondslag ligt en heeft dit toegelicht door te wijzen op de volgende feiten, te weten dat (i) onbetwist is dat Venezuela enig aandeelhouder is van zowel Bopec als de PDVSA-entiteiten, (ii) verschillende bestuurders van Bopec tevens bestuurders zijn van de PDVSA-entiteiten en dat een bestuurder van Bopec kolonel is in het leger van Venezuela, (iii) dit alles blijkt uit openbare informatie, terwijl (iv) in verschillende gerechtelijke procedures erkend is (door Bopec, Venezuela en PDVSA) dat de beslagen olie eigendom is van Venezuela en bestemd is om door PDVSA te worden geleverd aan China.
3.20
De juistheid van deze stellingen, die betwist zijn door Bopec, kan in het midden blijven. Het Hof is het namelijk met het Gerecht eens dat het gelet op de specifieke vragen die artikel 476a lid 2 Rv BES aan Bopec voorlegt en gelet op haar positie als derdebeslagene (slechts zijdelings betrokken bij de verhouding tussen Huntington als beslaglegger en Venezuela als beslagdebiteur) niet op haar weg lag om buiten deze vragen om uitsluitsel te geven over de verhoudingen tussen Venezuela en PDVSA en de achtergronden daarvan. Dat Bopec de vragen van artikel 476a lid 2 sub a Rv BES letterlijk heeft genomen betekent dus niet dat de door haar afgelegde verklaring onjuist is.
3.21
Huntington heeft ook onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat het Gerecht de bewijslast onjuist heeft verdeeld. Het Gerecht heeft immers terecht als uitgangspunt genomen dat Bopec haar verklaring moet onderbouwen met stukken. Bopec heeft dat gedaan door stukken over te leggen waaruit blijkt dat zij al sinds 2002 een bewaarnemingsovereenkomst heeft met PDVSA (niet met Venezuela), dat alle cognossementen van ladingen die zij onder zich heeft op naam van PDVSA staan en dat PDVSA (niet Venezuela) de opdrachtgever is voor de opslag van de olie waarop beslag is gelegd. Op dat punt heeft Huntington met haar hiervoor in 3.19 weergegeven algemene stellingen onvoldoende weerwoord geboden.”11.
2.7
De subsidiaire grondslag van de vorderingen van Huntington, dat Venezuela en PDVSA vereenzelvigd moeten worden, heeft het hof eveneens ongegrond geoordeeld (rov. 3.23-3.28).
2.8
Huntington heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het vonnis van het hof.12.Bopec is in cassatie niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel bevat twee onderdelen. Onderdeel 1 bestrijdt rov. 3.16-3.21, waarin het hof de grief verwerpt tegen het oordeel van het gerecht in eerste aanleg in rov. 4.7 met betrekking tot de primaire grondslag van de vordering van Huntington. Onderdeel 2 richt zich tegen de verwerping door het hof in rov. 3.24-3.28 van de subsidiaire grondslag van de vordering van Huntington, dat Venezuela en PDVSA moeten worden vereenzelvigd.
3.2
Onderdeel 1 stelt aan de orde welke regels gelden voor het derdenbeslag op roerende zaken naar het recht van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Alvorens de klachten van het onderdeel te bespreken, sta ik eerst stil bij die regels en vervolgens bij hetgeen, uitgaande van die regels, met betrekking tot de primaire grondslag van de vordering van Huntington heeft te gelden, en bij het oordeel van het hof met betrekking tot die grondslag.
Concordantie Rv BES en Rv NL
3.3
Op het derdenbeslag op roerende zaken is afdeling 2 van titel 2 van Boek 2 Rv BES van toepassing (de art. 475-479a Rv BES). De bepalingen van deze afdeling zijn, voor zover voor deze zaak van belang, geheel gelijkluidend aan die van afdeling 2 van titel 2 van Boek 2 Rv NL (art. 475-479a Rv NL).13.Het concordantiebeginsel, dat is vervat in art. 39 Statuut, brengt mee dat deze bepalingen ook in dezelfde zin moeten worden uitgelegd.14.
Omvang van het beslag
3.4
Een schuldeiser kan in beginsel verhaal nemen op alle goederen van zijn schuldenaar (art. 3:276 BW BES, dat hetzelfde luidt als art. 3:276 BW NL). Een schuldeiser kan dan ook in beginsel voor dat verhaal beslag leggen op al die goederen (art. 435 Rv BES, dat hetzelfde luidt als art. 435 Rv NL). Dat geldt uiteraard ook als die goederen zich niet onder de schuldenaar zelf bevinden, maar onder een derde. Wat betreft roerende zaken geeft de wet de schuldeiser twee mogelijkheden. De schuldeiser kan onder de schuldenaar zélf beslag leggen, bijvoorbeeld als de zaak zich bevindt op een plaats die de schuldenaar huurt of in gebruik heeft van een derde. De derde is dan verplicht aan dit beslag mee te werken (de art. 444a en 444b Rv BES, die hetzelfde luiden als de art. 444a en 444b Rv NL). Daarnaast kan de schuldeiser derdenbeslag leggen onder de derde overeenkomstig de hiervoor in 3.3 genoemde bepalingen.15.
3.5
Art. 475 lid 1 Rv BES regelt (onder meer) de omvang van het verhaalsbeslag dat onder derden gelegd kan worden, dat wil zeggen hetgeen waarop dat beslag gelegd kan worden.16.Volgens art. 475 lid 1 Rv BES kan beslag worden gelegd “op vorderingen die de schuldenaar op de derde-beslagene heeft of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen, en op aan de schuldenaar toebehorende roerende zaken die onder de derde-beslagene berusten en die geen registergoederen zijn” (cursivering toegevoegd).
Zoals de toelichting op art. 475 Rv NL uitdrukkelijk vermeldt, is bij een derdenbeslag op roerende zaken van de schuldenaar geen sprake van een beslag op een vordering, maar van een beslag rechtstreeks op de roerende zaken zélf. Gedacht moet worden aan het geval dat niet de derde, maar de geëxecuteerde daarvan de eigenaar is, aldus de toelichting.17.
Alle roerende zaken die in eigendom aan de schuldenaar toebehoren en die zich onder de derde-beslagene bevinden, vallen van rechtswege onder het gelegde beslag, blijkens diezelfde toelichting.18.
Verklaring derde over hetgeen onder het beslag valt
3.6
Anders dan bij een beslag op roerende zaken onder de schuldenaar zelf (art. 443 Rv BES en art. 443 Rv NL) behoeft de deurwaarder die derdenbeslag legt, geen proces-verbaal op te maken met een opgave van de in beslag genomen goederen. Om welke vorderingen en roerende zaken het gaat, moet blijken uit de schriftelijke verklaring die de derde-beslagene op grond van art. 476a lid 1 Rv BES verplicht is om binnen vier weken na de datum van beslaglegging te verstrekken.19.Het gevolg van het afleggen van de verklaring is dat de derde-beslagene verplicht is om “de volgens zijn verklaring verschuldigde geldsommen aan de deurwaarder te voldoen en de verschuldigde goederen of af te geven zaken tot zijn beschikking te stellen” (art. 477 lid 1 Rv BES). Eventueel kan hij hiertoe worden veroordeeld, met schadevergoeding (art. 477a lid 4 Rv BES).
3.7
Laat de derde na om een verklaring af te leggen, dan kan de beslaglegger hem dagvaarden en vorderen dat hij wordt veroordeeld tot betaling van de vordering(en) van de beslaglegger “als ware hij daarvan zelf schuldenaar, onverminderd zijn verplichting tot vergoeding van de schade, zo daartoe gronden zijn” (art. 477a lid 1 eerste zin Rv BES). De derde-beslagene tegen wie deze vordering wordt ingesteld, kan aan dit gevolg ontkomen door alsnog een gerechtelijke verklaring te doen. De kosten die in dat geval nodeloos zijn veroorzaakt, worden voor zijn rekening gebracht (art. 477a lid 1 tweede en derde zin Rv BES).
3.8
Heeft de derde wel een verklaring afgelegd, dan is de beslaglegger bevoegd om deze te betwisten wegens onjuist- of onvolledigheid en de derde te dagvaarden tot het doen van een gerechtelijke verklaring en tot betaling of afgifte van hetgeen volgens de vaststelling door de rechter aan de executant zal blijken toe te komen (art. 477a lid 2 Rv BES). Deze procedure pleegt te worden aangeduid als de betwistingsprocedure. De onderhavige procedure is een dergelijke procedure. In deze procedure dient de rechter vast te stellen wat de derde aan de schuldenaar verschuldigd is en welke roerende zaken van de schuldenaar de derde onder zich heeft.20.
De beslaglegger draagt in de betwistingsprocedure de bewijslast dat de (gerechtelijke) verklaring van de derde-beslagene onjuist is.21.De derde-beslagene is echter gehouden zijn verklaring zoveel mogelijk te staven met gegevens en bescheiden (de art. 476a lid 2 en 476b lid 2 Rv BES). Dat maakt de bewijslevering door de beslaglegger makkelijker.
3.9
De inhoud van de door de derde af te leggen verklaring is geregeld in art. 476a lid 2 Rv BES. Voor zover van belang luidt deze bepaling:
“2. De verklaring wordt door de derde-beslagene gedagtekend en ondertekend en bevat:
a. de met redenen omklede opgave of hij al dan niet iets aan de geëxecuteerde verschuldigd is of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding zal worden, dan wel of hij al dan niet iets voor deze onder zich heeft;
(…)
c. een gespecificeerde opgave van de door het beslag getroffen zaken;”
3.10
Ingevolge art. 476b lid 1 Rv BES wordt bij het afleggen van de verklaring gewerkt met een bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld formulier, dat de deurwaarder bij de beslaglegging aan de derde verstrekt. Dat formulier is vastgesteld bij het Besluit verklaring derdenbeslag BES (in Nederland bij het Besluit Verklaring derdenbeslag NL; de besluiten en formulieren verschillen op enkele detailpunten; geen daarvan is voor dit cassatieberoep echter van belang). Gebruikmaking van het formulier is niet verplicht. De derde-beslagene mag ook verklaren door een ander door de deurwaarder of advocaat als verklaring aanvaard geschrift (art. 2 lid 1 onder d Besluit verklaring derdenbeslag BES; art. 2 lid 1 onder e Besluit verklaring derdenbeslag NL is nagenoeg gelijkluidend). Het formulier is bedoeld als een hulpmiddel voor de derde-beslagene, die immers niet altijd deskundig is.22.
Primaire grondslag vordering Huntington
3.11
Zoals hiervoor bleek, houdt de primaire grondslag van de vordering van Huntington in dat de hiervoor in 2.1 onder (iv) genoemde vaten olie eigendom zijn van Venezuela, haar schuldenaar, en dat Bopec dus, kort gezegd, dient te worden veroordeeld tot afgifte van de vaten olie – als roerende zaken – aan de deurwaarder, overeenkomstig art. 477a lid 2 Rv BES.23.Huntington heeft onder meer aangevoerd dat volstaat dat de vaten eigendom van Venezuela zijn en dat dus niet van belang is – zoals het hiervoor in 2.3 vermelde standpunt van Bopec inhoudt – of Bopec de vaten onder zich houdt krachtens een rechtsverhouding met Venezuela dan wel met een derde, in dit geval PDVSA, die volgens Huntington als middellijk of onmiddellijk agent van Venezuela optrad.24.Dat de vaten olie eigendom zijn van Venezuela, heeft Huntington onderbouwd met onder meer een verwijzing naar de tussen haar en Venezuela gewezen beschikking tot het leggen van het verlof (hiervoor in 2.1 onder (ii) genoemd), waarin met zoveel woorden staat dat Venezuela dat volmondig heeft erkend.25.
Is deze grondslag toereikend?
3.12
Uit het hiervoor in 3.4 en 3.5 vermelde volgt dat, als de vaten eigendom waren van Venezuela, zij inderdaad door het beslag zijn getroffen. Het wet stelt niet de eis dat de derde de roerende zaken van de beslagdebiteur krachtens enige rechtsverhouding met de beslagdebiteur onder zich heeft.26.Het volstaat dat de zaken eigendom zijn van de beslagdebiteur en zich onder de derde bevinden. Dat op dit punt een nadere eis moet worden gesteld, vindt ook elders geen steun. Wetsgeschiedenis, rechtspraak en literatuur bevatten daarvoor geen aanknopingspunt. Het stellen van die eis zou verhaal op roerende zaken ook onmogelijk maken als de schuldenaar die zaken via een op eigen naam handelende tussenpersoon zou onderbrengen bij een derde of als om een andere reden geen rechtsverhouding tussen de schuldenaar en de derde-beslagene bestaat. Die uitkomst zou geheel haaks staan op de hiervoor in 3.4 genoemde wettelijke uitgangspunten dat schuldeisers verhaal kunnen nemen op alle goederen van hun schuldenaar en daartoe beslag kunnen leggen op al die goederen, en is om deze reden niet te rechtvaardigen.
Bespreking oordeel hof
3.13
Het hof heeft de vordering van Huntington desalniettemin afgewezen, net als het gerecht in eerste aanleg. Het hof overweegt allereerst in rov. 3.18 dat art. 475 lid 1 Rv BES – dat Huntington, naar het hof vaststelt, als maatstaf heeft genoemd – de vereisten opsomt voor het leggen van beslag onder derden en dat deze bepaling niet de vereisten vermeldt waaraan een derdenverklaring moet voldoen, waar het hier om gaat en waarvoor het hof in het voetspoor van het gerecht in eerste aanleg – als zijnde “op deze situatie toepasselijk” – verwijst naar art. 476a lid 2 sub a Rv BES. Volgens het hof, eveneens in rov. 3.18, heeft Huntington onvoldoende gesteld om aan te nemen dat het gerecht in eerste aanleg niet aan laatstgenoemde vereisten heeft getoetst.
In rov. 3.20 overweegt het hof dat het met het gerecht in eerste aanleg eens is dat het, gelet op de specifieke vragen die art. 476a lid 2 Rv BES aan Bopec voorlegt en gelet op haar positie als derde-beslagene (slechts zijdelings betrokken bij de verhouding tussen Huntington als beslaglegger en Venezuela als beslagdebiteur), niet op haar weg lag om buiten deze vragen om uitsluitsel te geven over de verhoudingen tussen Venezuela en PDVSA en de achtergronden daarvan. Dat Bopec de vragen van artikel 476a lid 2 sub a Rv BES letterlijk heeft genomen, betekent dus niet dat de door haar afgelegde verklaring onjuist is, aldus het hof in rov. 3.20.
In rov. 3.21 gaat het hof nog in op de bewijslast. Die overweging bouwt kennelijk echter geheel voort op de voorgaande overwegingen. Het hof overweegt dat Bopec haar verklaring voldoende heeft onderbouwd met stukken, namelijk de op naam van PDVSA staande bewaarnemingsovereenkomst en cognossementen en stukken waaruit blijkt dat PDVSA haar opdrachtgever is.
3.14
Het oordeel van het hof komt dus erop neer dat het in deze procedure erom gaat of Bopec heeft verklaard overeenkomstig de wettelijke vereisten van art. 476a lid 2 onder a Rv BES – waaronder of zij iets voor Venezuela onder zich heeft –, dat Bopec dit hééft gedaan, omdat zij heeft verklaard voor wie zij de vaten olie onder zich heeft en dat ook met stukken kan onderbouwen (de bewaarnemingsovereenkomst en cognossementen en de stukken waaruit blijkt dat PDVSA haar opdrachtgever is), dat Bopec zich volgens die vereisten (het hof spreekt van vragen) niet behoefde te verdiepen in de achterliggende verhoudingen tussen Venezuela en PDVSA en de achtergronden daarvan (dat ‘lag niet op haar weg’), en dat de vordering op de primaire grondslag daarop afstuit.
3.15
Zoals uit het voorgaande volgt, is dit oordeel om meerdere redenen onjuist, die alle – zoals hierna zal blijken – in onderdeel 1 aan de orde worden gesteld. In de eerste plaats gaat het in deze procedure niet erom of de verklaring van Bopec voldoet aan de wettelijke vereisten, maar of die verklaring juist is (zie met name hiervoor in 3.8 eerste alinea en 3.12).27.Waar het hof niet is ingegaan op de vraag of de vaten olie toebehoren aan Venezuela, is de vraag waar het om gaat – of die verklaring juist is –, niet beantwoord door het hof.
Omdat het gaat om de vraag of de verklaring van Bopec juist is – of, wat simpeler gezegd, omdat het erom gaat dat Bopec een juiste verklaring diende af te leggen – is het voorts zo dat Bopec zich, anders dan het hof overweegt, wél moest verdiepen in de achterliggende verhoudingen tussen Venezuela en PDVSA naar aanleiding van het gelegde beslag – zij moest de vraag beantwoorden of Venezuela eigenaar is van de vaten –, zij het dat zij dit niet tot de bodem behoefde uit te onderzoeken (zie hierna onder 3.16).
Onjuist is ook de overweging van het hof in rov. 3.18 dat art. 475 lid 1 Rv BES (slechts) de vereisten opsomt voor het leggen van beslag onder derden. In de toelichting op die bepaling staat met zoveel woorden te lezen dat die bepaling, zoals ook volgt uit de tekst ervan, óók regelt wáárop beslag kan worden gelegd (zie hiervoor in 3.5).
Onjuist is voorts de overweging van het hof in rov. 3.18 dat de vordering (uitsluitend) beoordeeld moet worden aan de hand van art. 476a lid 2 onder a Rv BES, als zijnde de “op deze situatie toepasselijke” bepaling. In dit geval is immers (ook) het hiervoor in 3.9 aangehaalde art. 476a lid 2 onder c Rv BES van belang, dat – overeenkomstig hetgeen hiervoor in 3.4-3.5 over het derdenbeslag op roerende zaken van de schuldenaar is vermeld – voorziet in het moeten verstrekken van “een gespecificeerde opgave van de door het beslag getroffen zaken”. Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor in 3.5 is vermeld, ziet deze plicht – zoals ook blijkt uit de formulering ervan (die geen beperking op dit punt bevat) – mede op zaken die de derde onder zich heeft zonder dat terzake een rechtsverhouding bestaat tussen hem en de beslagdebiteur.
Aansprakelijkheid Bopec voor onjuiste verklaring?
3.16
Mogelijk heeft hof zich bij zijn oordeel laten leiden door de gedachte dat een onjuiste verklaring consequenties kan hebben voor Bopec, met name in de vorm van aansprakelijkheid. De herhaalde verwijzing door het hof naar hetgeen in dit geval wel en niet van Bopec gevergd of verwacht kon worden (rov. 3.20, tweede en derde zin, en ook rov. 3.25 en 3.28 slot), wijst daarop. Anders dan bij het geval van niet-verklaren door de derde (art. 477a lid 1 Rv BES) en bij het geval van niet-betalen of niet-afgeven overeenkomstig de buiten rechte afgelegde verklaring (art. 477a lid 4 Rv BES), bepaalt de wet niet dat de derde aansprakelijk is voor schade in het geval dat de afgelegde verklaring onjuist blijkt. Uiteraard kan de derde op grond van onrechtmatige daad ook aansprakelijk zijn bij een onjuiste verklaring, maar dan zal hij – volgens de gewone regels van het onrechtmatige daadsrecht – verwijtbaar moeten hebben gehandeld en het enkele feit dat de verklaring onjuist blijkt te zijn, brengt die verwijtbaarheid nog niet mee. Dat maakt begrijpelijk waarom de wet voor dit geval geen specifieke bepaling bevat. Er is geen grond om voor dit geval met een dergelijke bepaling de aansprakelijkheid a priori in de wet buiten twijfel te stellen, zoals in de gevallen van niet-verklaren, niet-betalen en niet-afgeven. Bij onjuist verklaren is dus beslissend of de onjuistheid de derde valt te verwijten.28.Waar PDVSA cognossementshouder was met betrekking tot de vaten olie en zich dus identificeert als rechthebbende op de vaten (art. 8:441 BW BES, dat hetzelfde luidt als art. 8:441 BW NL), valt dat ten aanzien van Bopec niet zonder meer in te zien.
3.17
Overigens kan m.i. aan het hof worden toegegeven dat de tekst van art. 476a lid 2 Rv niet heel helder is toegespitst op het geval dat de derde roerende zaken van de beslagdebiteur onder zich heeft zonder dat dit berust op een rechtsverhouding tussen hen beide. De tekst van art. 476a lid 2 onder a Rv BES (‘of hij iets voor deze onder zich heeft’) kan de lezer wat dit betreft op het verkeerde been zetten (mogelijk heeft dat het gerecht in eerste aanleg en het hof parten gespeeld). Dat neemt echter niet weg dat in het licht van hetgeen hiervoor in 3.4-3.5 en 3.12 is vermeld, duidelijk is wat (in art. 476a lid 2 onder c Rv BES) is bedoeld.
Ook de tekst van het formulier voor de verklaring van de derde is niet heel duidelijk. Ook die tekst lijkt uitsluitend naar het bestaan van een rechtsverhouding te vragen. Men zal moeten begrijpen dat hetgeen onder 4 derde regel van het formulier staat – “Aan de schuldenaar zijn de volgende zaken of rechten verschuldigd:” –, een zelfstandige vraag betreft én het begrip ‘verschuldigd’ niet per se impliceert ‘krachtens een bepaalde rechtsverhouding’, maar ook het verschuldigd zijn enkel op de grond dat de zaak aan de schuldenaar toebehoort.
De huidige Nederlandse versie van het formulier is overigens op vergelijkbare wijze onduidelijk door eveneens te eisen dat de zaak ‘verschuldigd is’ aan de beslagdebiteur.
Deze onduidelijkheden zijn echter gelet op het hiervoor vermelde niet van belang voor deze zaak. Overigens is ook niet duidelijk – naar ik volledigheidshalve opmerk – of deze onduidelijkheden Bopec in dit geval parten hebben gespeeld.
Positie derde-beslagene ten opzichte van beslagdebiteur en eventuele andere derden
3.18
Hiernaast wijs ik nog erop dat de derde-beslagene door de afgifte jegens beslagdebiteur wordt gekweten (art. 477b lid 1 Rv BES). Het vonnis dat tussen de beslaglegger en de derde wordt gewezen, heeft echter geen bindende kracht tussen de derde-beslagene en de beslagdebiteur (art. 477b lid 3 Rv BES).29.Dat geldt a fortiori voor de verhouding tussen de derde-beslagene en eventuele andere betrokken derden, zoals in dit geval PDVSA. De derde-beslagene heeft echter wel het recht om de beslagdebiteur in het geding te roepen om te bewerkstelligen dat de beslagdebiteur mede gebonden wordt door de uitspraak (art. 477b lid 3 Rv BES).30.Het ligt voor de hand om de derde-beslagene hetzelfde recht toe te kennen jegens een derde zoals in dit geval PDVSA, met wie hij een rechtsverhouding heeft krachtens welke hij de zaken onder zich heeft, waarvan de beslaglegger beweert dat deze aan de beslagdebiteur toebehoren.31.
Bopec had in deze zaak dus eventueel Venezuela of PDVSA op de voet van art. 477b lid 3 Rv in het geding kunnen roepen om te bewerkstellingen dat deze mede gebonden zouden zijn aan de uitspraak daarin. Dat betekent dat, anders dan het gerecht in eerste aanleg en hof lijken te hebben gemeend (Huntington ‘overvraagt’ Bopec), voor Bopec dus niet het probleem bestond dat zij per se moest uitzoeken wie eigenaar van de vaten was – PDVSA of Venezuela – maar dat eventueel aan henzelf kon overlaten.
Bespreking onderdeel 1
3.19
Onderdeel 1.1 klaagt dat de door het hof gegeven samenvatting van de derdenverklaring van Bopec in rov. 3.16 – dat Bopec geen olie van Venezuela onder zich heeft, maar wel van PDVSA – onbegrijpelijk is. In die verklaring staat volgens het onderdeel slechts dat Venezuela geen olieproducten bij Bopec opslaat. De verklaring zegt niets over aan wie de bij Bopec opgeslagen olie toebehoort, terwijl dat de centrale vraag in deze procedure vormt.
3.20
Dit onderdeel faalt. Bopec heeft in haar verklaring inderdaad niets gezegd over aan wie de olie toebehoort, alleen dat zij geen olie van Venezuela opslaat. De samenvatting van de derdenverklaring door het hof in rov. 3.16 betreft echter een uitleg van de verklaring. Die uitleg houdt in (dat daaruit volgt) dat Bopec zegt dat zij geen olie onder zich heeft die aan Venezuela toebehoort. Klaarblijkelijk omdat Bopec in dit geding heeft aangevoerd dat de vaten olie die volgens Huntington eigendom van Venezuela zijn, door haar worden gehouden voor PDVSA, heeft het hof aan zijn uitleg toegevoegd dat Bopec verklaart wel olie onder zich te hebben die aan PDVSA toebehoort. Deze uitleg van de verklaring en de processtukken is van feitelijke aard en kan in cassatie dus niet op juistheid worden onderzocht. Onbegrijpelijk is zij niet.
3.21
Onderdeel 1.2 klaagt dat het hof heeft miskend dat voor het aannemen van de verplichting van Bopec de olie in de derdenverklaring te vermelden, althans voor de dienovereenkomstige correctie van de derdenverklaring, voldoende is dat komt vast te staan dat de olie eigendom is van Venezuela.
Volgens onderdeel 1.3 geeft de verwerping van het standpunt van Huntington dat de olie toebehoorde aan Venezuela en dus door het beslag is getroffen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft miskend dat de derdenverklaring (ook) een gespecificeerde opgave van de door het beslag getroffen zaken dient te omvatten (het onderdeel verwijst hiervoor naar art. 476a lid 1 en lid 2 onder c Rv BES), in dit geval de olie die eigendom is van Venezuela. Dat, naar het hof overweegt in rov. 3.20, Bopec geen uitsluitsel hoefde te geven over de verhoudingen tussen Venezuela en PDVSA en de achtergronden daarvan, laat volgens het onderdeel onverlet dat Bopec op grond van art. 476a lid 2 Rv de aan Venezuela toebehorende, door het beslag getroffen zaken moest vermelden en dat de verklaring vanwege het ontbreken van die vermelding onjuist is. In ieder geval vormen de oordelen van het hof een onvoldoende begrijpelijke reactie op het primaire standpunt van Huntington dat de olie toebehoort aan Venezuela en dat zij dus door het beslag is getroffen.
Onderdeel 1.4 klaagt dat, voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat de betwisting van de derdenverklaring alleen betrekking had op hetgeen art. 476a lid 2 sub a Rv BES vereist, het hof een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan de stellingen van Huntington. Huntington heeft aangevoerd dat vereist, maar ook voldoende is dat zich onder de derde bevindende roerende zaken eigendom zijn van de beslagdebiteur. Voorts heeft het hof in rov. 3.18 miskend dat de door een beslag op de voet van art. 475 lid 1 Rv BES getroffen objecten alle in de op dat beslag betrekking hebbende verklaring ex art. 476a Rv BES dienen te worden vermeld.
Onderdeel 1.5 klaagt in het verlengde van voorgaande onderdelen over de juistheid van het oordeel van het hof in rov. 3.20 dat de juistheid van de in rov. 3.19 genoemde stellingen van Huntington in het midden kan blijven. Uit die stellingen volgt dat Venezuela eigenaar was van de olie en dat Bopec daarmee bekend was. Het hof kon deze stellingen niet in het midden laten, omdat zij tot de conclusie kunnen nopen dat de olie als eigendom van Venezuela in de derdenverklaring had moeten of moet worden vermeld.
Volgens onderdeel 1.6 heeft het hof miskend dat het in de betwistingsprocedure niet kon volstaan met een beoordeling of de derdenverklaring aanvankelijk te goeder trouw is of kon worden afgelegd. Het diende aan de hand van inmiddels gebleken feiten en omstandigheden te beoordelen of de derdenverklaring juist was. Dan kan het zijn dat wordt geoordeeld dat de derdenverklaring achteraf bezien onjuist was, en dat deze in de betwistingsprocedure moet worden aangevuld. Uit onder meer de overweging in rov. 3.20 dat de juistheid van de in rov. 3.19 genoemde stellingen in het midden kan blijven, blijkt dat het hof heeft miskend dat een betwistingsprocedure als deze juist ertoe dient om te bewerkstelligen dat de verklaring zo nodig wordt gecorrigeerd. In ieder geval is onbegrijpelijk waarom in deze zaak geen aanleiding zouden kunnen en moeten zijn voor aanvulling.
3.22
Uit het hiervoor in deze conclusie vermelde volgt dat al deze klachten – die elkaar deels overlappen – gegrond zijn. Daarbij merk ik nog op dat de stellingen van Huntington die het hof in rov. 3.19 aanhaalt, mede betrekking hebben op de standpunt van Huntington dat wel een rechtsverhouding tussen Bopec en Venezuela bestond met betrekking tot de vaten olie (vgl. voetnoot 24 van deze conclusie).
De paar klachten van onderdelen 1.2-1.6 die ik hiervoor in 3.21 niet heb weergegeven, behoeven geen behandeling.
Bespreking onderdeel 2; subsidiaire grondslag vordering: vereenzelviging PDVSA en Venezuela
3.23
Gelet op het slagen van onderdeel 1 behoeft onderdeel 2 geen behandeling. Dat is niet alleen het geval omdat het slagen van onderdeel 1 meebrengt dat de primaire grondslag van de vordering na terugwijzing van de zaak naar het hof opnieuw moet worden onderzocht, maar ook omdat de ongegrondbevinding door het hof van de bij onderdeel 2 aan de orde gestelde subsidiaire grondslag van de vordering – de vereenzelviging van PDVSA en Venezuela – in de eerste plaats berust op het oordeel van het hof in rov. 3.25-3.28 dat van Bopec als derde-beslagene niet mocht worden verwacht (rov. 3.25) of gevergd (rov. 3.28 op een na laatste zin) dat zij zich bij het afleggen van haar derdenverklaring verdiepte in de vraag of PDVSA en Venezuela met elkaar zijn te vereenzelvigen, dan wel dat zij die vereenzelviging aannam en dienovereenkomstig verklaarde. Dit oordeel bouwt onmiskenbaar voort op het met succes door onderdeel 1 bestreden oordeel van het hof dat het in deze procedure erom zou gaan of de verklaring van Bopec voldoet aan de wettelijke vereisten. Dit oordeel kan dus reeds niet in stand blijven wegens het slagen van dat onderdeel. Desalniettemin bespreek ik volledigheidshalve nog kort de klachten van onderdeel 2.
3.24
Onderdeel 2.1 klaagt over het oordeel van het hof dat naar Nederlands recht geen ruimte is voor vereenzelviging tussen PDVSA en Venezuela. Het hof heeft volgens het onderdeel miskend dat aan de hand van Venezolaans recht moest worden beoordeeld of PDVSA en Venezuela moeten worden vereenzelvigd. In ieder geval is de toepassing van Nederlands recht in het licht van de (gemotiveerde) onbetwiste stelling van Huntington dat Venezolaans recht van toepassing is, onbegrijpelijk.
3.25
Deze klacht mist feitelijke grondslag in het vonnis van het hof. Het hof heeft zich niet uitgelaten over de vraag of Venezolaans recht van toepassing is op de vraag of PDVSA en Venezuela moeten worden vereenzelvigd. In rov. 3.25-3.28 heeft het hof slechts beoordeeld of van Bopec mocht worden verwacht (rov. 3.25) of gevergd (rov. 3.28 op een na laatste zin) dat zij zich bij het afleggen van haar derdenverklaring verdiepte in de vraag of PDVSA en Venezuela met elkaar zijn te vereenzelvigen, dan wel dat zij die vereenzelviging aannam. Die vraag heeft het hof, gelet op hetgeen naar zijn oordeel naar het recht van Bonaire, Sint Eustatius en Saba geldt (dus niet, zoals het onderdeel zegt, het – gelijkluidende – Nederlandse recht denk ik), ontkennend beantwoord. Dat Venezolaans recht niet van toepassing is, zegt het hof niet en volgt ook niet uit zijn oordeel.
3.26
Onderdeel 2.2 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 3.28 dat van Bopec niet kon worden gevergd dat zij meer of anders zou verklaren dan zij heeft gedaan, ook onjuist, althans onbegrijpelijk is, omdat het hof Venezolaans recht had moeten toepassen en naar Venezolaans recht snel vereenzelviging kan plaatsvinden. Dit oordeel van het hof miskent dat het karakter van de betwistingsprocedure niet is om te beoordelen of de derdenverklaring aanvankelijk te goeder trouw is afgelegd, maar of de derdenverklaring mede in het licht van inmiddels gebleken feiten en omstandigheden achteraf bezien juist is of aanvulling behoeft.
3.27
Deze klacht slaagt op dezelfde gronden als de hiermee overeenstemmende klacht(en) van onderdeel 1. Het oordeel van het hof dat van Bopec niet kon worden verwacht of gevergd dat zij meer of anders zou verklaren dan zij heeft gedaan, is onjuist, nu, zoals hiervoor opgemerkt, hetgeen van Bopec kon worden verwacht of gevergd, niet relevant is. Het gaat er in deze procedure slechts om of de verklaring van Bopec juist is.
Slotsom
3.28
De onderdelen 1.2-1.6 en 2.2 zijn gegrond en het beroep slaagt daarom.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing van de zaak naar het hof ter verdere behandeling en beslissing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑02‑2024
Vgl. rov. 2.1.1-2.1.10 van het vonnis van het hof.
Deze beschikking is als productie 2 overgelegd bij het inleidende verzoekschrift van Huntington. Het hof heeft in deze beschikking onder meer het beroep van Venezuela op immuniteit van executie verworpen. Dat beroep speelt in deze procedure geen rol.
Het proces-verbaal van beslaglegging is als productie 3 overgelegd bij het inleidende verzoekschrift van Huntington.
De afgelegde verklaring is als productie 5 overgelegd bij het inleidende verzoekschrift van Huntington.
Deze verklaring is als productie 8 overgelegd bij het inleidende verzoekschrift van Huntington.
Dat was nadat het laatste processtuk in eerste aanleg in deze procedure was genomen.
Zie haar conclusie van dupliek onder 9 en haar memorie van antwoord, onder meer onder 4.8-4.15. Vgl. voorts de hierna aan te halen rov. 4.6 van het vonnis van het gerecht in eerste aanleg en rov. 3.16 van het vonnis van het hof.
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 24 juni 2021, ECLI:NL:OGEABES:2021:8. Bopec heeft in eerste aanleg een reconventionele vordering ingesteld die het gerecht in eerste aanleg eveneens heeft afgewezen. In hoger beroep en in cassatie speelt deze vordering geen rol meer.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 8 november 2022, ECLI:NL:OGHACMB:2022:232.
Het gerecht in eerste aanleg heeft in rov. 4.1 geoordeeld dat het faillissement van Bopec voor deze zaak niet van belang is. Huntington heeft bij pleidooi in hoger beroep aangevoerd dat dit oordeel terecht is nu de olie, als eigendom van Venezuela, geen onderdeel vormt van de boedel van Bopec (pleitnota onder 4.5). Bopec heeft bij pleidooi in hoger beroep erop gewezen dat de hiervoor in 2.1 onder (xi) genoemde verkoop heeft plaatsgevonden op initiatief van een schuldeiser van PDVSA en dat de opbrengst bestemd is om te worden verdeeld onder de schuldeisers van PDVSA (pleitnota onder 2.2).
De procesinleiding is op 8 februari 2023 ingediend, dus binnen drie maanden na het vonnis van het hof.
Rv BES is sinds 10 oktober 2010 van kracht (Stb. 2010, 497) en, voor zover voor deze zaak van belang, gelijk aan Rv NL zoals dat tot 2002 luidde. Na 2010 is afdeling 2 van titel 2 van Boek 2 Rv NL gewijzigd, onder meer door toevoeging van de huidige art. 475aa-475gb Rv NL. Deze wijzigingen hebben niet plaatsgevonden in het Rv BES. Voor deze zaak zijn deze wijzigingen echter niet van belang. Zij kunnen daarom verder buiten beschouwing worden gelaten.
Vgl. Kamerstukken II 1959-1960, 5959, nr. 3, p. 1 (mvt). Zie voorts bijv. HR 14 februari 1997, NJ 1999/409, m.nt. S.C.J.J. Kortmann, rov. 3.4, HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1499, NJ 2021/72, m.nt. J.L.R.A. Huydecoper, rov. 3.2.2, en HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:199, rov. 3.1.
Zie aldus met zoveel woorden Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw, p. 154, laatste alinea (M.v.T.Inv., tweede alinea). Naast het in art. 475 e.v. Rv geregelde verhaalsbeslag – het beslag dat strekt tot verhaal van een vordering, om welk beslag het in deze zaak gaat – is er het beslag tot afgifte ex art. 491 e.v. Rv BES (en art. 491 e.v. Rv NL) op grond van een zakelijk recht op de zaak of van een recht op levering. Vgl. o.m. de toelichting op art. 730 Rv NL, Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw, p. 332 (M.v.T. Inv., eerste alinea). Zie voorts Mijnssen & Van Mierlo, Materieel beslagrecht (Mon. Pr. nr. 10), 2018/4.5.
Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw, p. 155-156 (M.v.T.Inv.).
Zie opnieuw Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw, p. 154, laatste alinea (M.v.T.Inv., tweede alinea): “Het eerste lid is tezamen met het volgende artikel tevens van belang voor de omvang van het beslag. Het gaat ervan uit dat door beslag onder de derde de in dit lid bedoelde goederen in beginsel worden getroffen, ook zonder dat zij in het beslagexploit uitdrukkelijk zijn vermeld, zoals dit ook in het huidige recht het geval is” (de tekst vervolgt hierna met uitzonderingen hierop, maar tot die uitzonderingen behoren niet de roerende zaken van de schuldenaar). Zie in deze zin ook bijv. Hugenholtz-Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands Burgerlijk procesrecht, 2021, p. 392, T&C Rv, commentaar op art. 475 Rv, aantek. 5 (Gieske, actueel t/m 12-01-2024) en GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 475 Rv, aant. 11.1 (L.P. Broekveldt, actueel t/m 01-10-2015).
Zie aldus Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw, p. 178, derde volle alinea (M.v.T. Inv., zesde alinea). Zie in deze zin ook bijv. GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 477a Rv, aant. 3 (A.I.M. van Mierlo, actueel t/m 01-03-2005), Asser Procesrecht/Steneker 5 2019/357 (op twee na laatste alinea), en Snijders, Klaassen, Krans & Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht 2022/451, p. 619.
Vgl. HR 13 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5256, NJ 2009/106 ( […] /Ontvanger), rov. 3.3. Vgl. voorts Van Mierlo t.a.p. en T&C Rv, commentaar op art. 477a Rv, aantek. 2a (Gieske, actueel t/m 10-01-2023).
Vgl. Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw, p. 169 (M.v.T. Inv.) en de nota van toelichting bij het Besluit verklaring derdenbeslag NL, besluit van 22 augustus 1991, Stb 1991, 436, p. 9.
Volgens die bepaling diende Huntington een veroordeling tot deze afgifte te vorderen. Zij heeft echter volstaan met de vordering dat Bopec een verbeterde verklaring moet afleggen. M.i. ligt het evenwel in de rede om deze – ook in art. 477a lid 2 Rv BES genoemde – vordering te verstaan als mede een vordering tot afgifte als bedoeld in art. 477a lid 2 Rv BES.
Zie o.m. het inleidend verzoekschrift van Huntington, onder 5.2-5.3, haar memorie van grieven onder 1,2, 4.4 en met name 4.7 (in de toelichting op grief 1 en in reactie op rov. 4.7 van het vonnis van het gerecht in eerste aanleg), en de pleitnotities van haar advocaat in hoger beroep, onder 2.2-2.6. Bij conclusie van dupliek in reconventie in eerste aanleg is Huntington wel meegegaan in de hiervoor in 2.3 vermelde gedachte van Bopec dat van belang is voor wie Bopec de vaten onder zich had en heeft zij betoogd dat PDVSA jegens Bopec optrad namens Venezuela, dus als onmiddellijk vertegenwoordiger. Ook in de memorie van grieven is zij veiligheidshalve mede voor dat anker gaan liggen. Zie onder 4.5-4.6 en 4.9-4.21 van die memorie.
Zie o.m. het inleidend verzoekschrift van Huntington, onder 2.1-2.8, en memorie van grieven Huntington, onder 4.13-4.21.
Zie de gecursiveerde woorden hiervoor in 3.5. Het ontwerp van de Staatscommissie uit 1973, dat bij de totstandkoming van de huidige regeling blijkens de wetsgeschiedenis tot uitgangspunt is genomen, luidde minder duidelijk met de omschrijving ‘gelden of roerende goederen die een derde aan de geëxecuteerde verschuldigd is of van deze onder zich heeft’ (art. 475 lid 1 ontwerp). Kennelijk was deze omschrijving de wetgever niet duidelijk genoeg.
In rov. 3.16 lijkt het hof dit overigens zelf ook te zeggen – met de overweging dat op Huntington de bewijslast rust dat de verklaring van Bopec dat de olie toebehoort aan PDVSA en niet aan Venezuela, onjuist is –, maar blijkens zijn daarop volgende overwegingen is die overweging kennelijk niet zo bedoeld of heeft het hof dit juiste uitgangspunt vervolgens uit het oog verloren.
Zie deze zin ook Asser Procesrecht/Steneker 5 2019/356, en Snijders, Klaassen, Krans & Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht 2022/451.
De reden daarvan is dat de beslagdebiteur zich anders gedwongen kan zien om deel te nemen aan de procedure tussen de beslaglegger en de derde-beslagene, hetgeen de wetgever begrijpelijkerwijs onwenselijk heeft geoordeeld. Zie Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw, p. 174 (M.v.T. Inv.), laatste alinea, en p. 181, (M.v.T. Inv.), derde alinea. Blijkens de toelichting heeft de beslagdebiteur (dan ook) niet het recht om zich in die procedure te voegen of daarin tussen te komen. Zie opnieuw Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw, p. 181 (M.v.T. Inv.), derde alinea. Blijkens deze passages kan de beslagdebiteur zich wel tegen het derdenbeslag verzetten door middel van een executiegeschil tegen de beslaglegger (art. 438 Rv BES, dat hetzelfde luidt als art. 438 Rv NL).
Daarbij wijs ik erop dat de procedure ex art. 477 lid 2 Rv BES een gewone procedure is. Zie Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw, p. 178-179 (M.v.T. Inv.), laatste twee alinea’s. Oproeping van derden op de voet van art 12a Rv BES (art. 118 Rv NL) is dus zonder meer mogelijk te achten, als daartoe gronden bestaan.
Beroepschrift 30‑12‑2022
PROCESINLEIDING VERZOEKPROCEDURE HOGE RAAD1.
Verzoeker:
Huntington Ingalls Incorporated,
een rechtspersoon naar buitenlands recht, gevestigd te Newport News, Virginia, Verenigde Staten van Amerika (‘Huntington’).
De advocaat bij de Hoge Raad mr. A. Stortelder (Houthoff, Gustav Mahlerplein 50, 1082 MA Amsterdam) vertegenwoordigt als zodanig Huntington in deze cassatieprocedure.
Verweerster:
Bonaire Petroleum Corporation N.V.,
een rechtspersoon naar buitenlands recht, gevestigd te Bonaire aan de Kaminda Turistiko Brazil (‘Bopec’), in staat van faillissement met als curator mr. C.M. van Liere van nagenoemd kantoor HBN Law & Tax.
Voor Bopec trad in laatste feitelijke instantie als advocaat op mr. L.F.F.M. Drissen van kantoor HBN Law & Tax, kantoorhoudende op het adres Bulevar Gobernador Nicolaas Debrot 20, Kralendijk, Bonaire (lucas.drissen@hbnlawtax.com).
Bestreden uitspraak
Huntington stelt hierbij cassatieberoep in tegen het vonnis (het ‘vonnis’) van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (het ‘hof’) uitgesproken in de procedure met zaaknummer BON201900558 — BON2021H00034 tussen Huntington als appellant en Bopec als geïntimeerde op 8 november 2022.
Middel van cassatie
Huntington voert tegen het vonnis het volgende middel van cassatie aan:
Schending van het recht, althans verzuim van wezenlijke vormen, doordat het Hof heeft overwogen en beslist als in het vonnis is weergegeven, zulks op de volgende, mede in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen gronden.
A. Kern van de zaak
1.
Deze zaak betreft de betwisting door Huntington van de door Bopec afgelegde verklaring derdenbeslag.
2.
Huntington heeft een vordering op de Bolivariaanse Republiek Venezuela (‘Venezuela’) in verband met het onderhoud en de renovatie van twee fregatten van de Venezolaanse marine. Daarover is tussen Huntington en Venezuela een arbitrageprocedure gevoerd. Bij arbitraal vonnis van 19 februari 2018 is Venezuela veroordeeld circa USD 130 miljoen aan Huntington te betalen.2. Huntington heeft tot op heden niets daarvan ontvangen.
3.
Huntington heeft op 5 april 2019 derdenbeslag gelegd onder Bopec, van wie alle aandelen indirect door Venezuela worden gehouden:
‘Op alle olie en olieproducten die eigendom zijn van Venezuela (…) en die door de vennootschappen Petróleos de Venezuela S.A., PDVSA Petroleo S.A., Bonaire Petroleum Corporation N.V., NuStar Terminals Marine Services N.V., NuStar Terminals N.V., NuStar Logistics L.P. en of NuStar Energy L.P. worden gehouden op de Bonaire Petroleum Corporation Terminal op Bonaire of de NuStar Terminal op St. Eustatius.’3.
Het beslag is gelegd op ‘384.410 (…) vatten van 42 U.S. Gallons bevattende het olieproduct ‘Fuel Oil Slurry Isla’’ en er is een bewaarder aangesteld.4.
4.
Bopec heeft op 8 april 2019 een verklaring derdenbeslag afgelegd. In het daarvoor bestemde formulier heeft Bopec de zin omcirkeld ‘dat er tussen ondergetekende en de schuldenaar geen enkele rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan, uit hoofde waarvan de schuldenaar op het tijdstip van het beslag nog iets van de ondergetekende had te vorderen, nu te vorderen heeft of nog te vorderen kan krijgen.’ Bopec heeft daaraan toegevoegd ‘NB: de republiek Venezuela slaat geen olieproducten op bij Bopec.’5. Nadat aan Huntington verlof is verleend om het arbitraal vonnis tegen Venezuela op Bonaire en Sint Eustatius ten uitvoer te leggen, heeft Bopec nogmaals de betreffende verklaring afgegeven.
5.
Huntington heeft de juistheid van deze verklaring(en) in rechte betwist en zowel in eerste aanleg als in hoger beroep een nieuwe schriftelijke verklaring gevorderd.
6.
Huntington heeft daartoe primair aangevoerd dat de bij Bopec opgeslagen olie(producten) (hierna gezamenlijk: de ‘olie’) in eigendom toebehoort aan Venezuela, waarbij Petróleos de Venezuela S.A. en/of PDVSA Petroleo S.A. (tezamen ‘PDVSA’) handelde als agent van Venezuela. Daarnaast heeft Huntington betoogd dat PDVSA naar Venezolaans recht vereenzelvigd moet worden met Venezuela of dat het beroep van PDVSA op haar zelfstandigheid ten opzichte van Venezuela misbruik van bevoegdheid oplevert, zodat de beslagen olie, ook als deze strikt genomen toebehoort aan PDVSA, moet worden gezien als toebehorend aan Venezuela.6. Bij vonnis van 24 juni 2021 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (het ‘gerecht’) voornoemde gronden verworpen en de vorderingen afgewezen. Met zijn vonnis heeft het hof het vonnis van het gerecht bekrachtigd.
7.
Het cassatiemiddel komt tegen 's hofs oordeel over beide hiervoor genoemde grondslagen op.
B. Klachten
1. Aan de derdenverklaring te stellen eisen
1.0.
Het hof overweegt in rov. 3.16 dat Bopec in haar derdenverklaring heeft opgenomen dat zij geen olie onder zich heeft die toebehoort aan Venezuela, maar wel olie toebehorend aan PDVSA.
In rov. 3.17 overweegt het hof dat het gerecht heeft overwogen dat Bopec haar verklaring dat tussen haar en Venezuela geen rechtsverhouding bestaat op grond waarvan zij iets aan Venezuela verschuldigd is, voldoende heeft onderbouwd (met een cognossement op naam van PDVSA Petroleo S.A. en een overeenkomst van opslag waarin PDVSA Petroleo S.A. als opdrachtgever is vermeld), zodat deze verklaring de betwisting kan weerstaan. De stellingen van Huntington zien niet op de rechtsbetrekking van Bopec met haar opdrachtgever, maar op de vraag of een ander dan de opdrachtgever als eigenaar van de opgeslagen olie heeft te gelden. Daarmee ‘overvraagt’ Huntington Bopec als derdebeslagene, die op grond van artikel 476a lid 2 sub a Rv alleen hoeft te verklaren of zij al dan niet iets aan de geëxecuteerde verschuldigd is of uit een ten tijde van het beslag bestaande rechtsverhouding zal worden of zij al dan niet iets voor deze onder zich heeft, aldus de weergave van het oordeel van het gerecht door het hof.
Hierop vervolgt het hof in rov. 3.18 (onder meer) dat het gerecht simpelweg het op deze situatie toepasselijke artikel 476a lid 2 sub a Rv BES citeert en toepast. Het hof verwerpt het beroep van Huntington op artikel 475 lid 1 Rv BES, dat de vereisten opsomt voor het leggen van beslag onder derden en niet de vereisten waaraan een derdenverklaring moet voldoen, waar het hier om gaat. Huntington heeft volgens het hof onvoldoende gesteld om aan te nemen dat het gerecht niet aan deze vereisten heeft getoetst.
In rov. 3.19 wijst het hof erop dat Huntington in dit verband onder meer heeft aangevoerd dat (i) onbetwist is dat Venezuela enig aandeelhouder is van zowel Bopec als de PDVSA-entiteiten, (ii) verschillende bestuurders van Bopec tevens bestuurders zijn van de PDVSA-entiteiten, (iii) dit alles blijkt uit openbare informatie en (iv) in verschillende gerechtelijke procedures is erkend (door Bopec, Venezuela en PDVSA) dat de beslagen olie eigendom is van Venezuela en bestemd is om door PDVSA te worden geleverd aan China.
Het hof oordeelt in rov. 3.20 dat de juistheid van deze stellingen in het midden kan blijven. Het hof is namelijk met het gerecht eens dat het gelet op de specifieke vragen die artikel 476a lid 2 Rv BES aan Bopec voorlegt en gelet op haar positie als derdebeslagene (slechts zijdelings betrokken bij de verhouding tussen Huntington als beslaglegger en Venezuela als beslagdebiteur) niet op de weg van Bopec lag om buiten deze vragen om uitsluitsel te geven over de verhoudingen tussen Venezuela en PDVSA en de achtergronden daarvan. Dat Bopec de vragen van artikel 476a lid 2 sub a Rv BES letterlijk heeft genomen betekent volgens het hof dus niet dat de door haar afgelegde verklaring onjuist is.
In rov. 3.21 oordeelt het hof nog dat Huntington met de in rov. 4.19 (bedoeld zal zijn 3.19) weergegeven algemene stellingen onvoldoende weerwoord heeft geboden tegen de door Bopec voor haar verklaring gegeven onderbouwing.
1.1.
's Hofs ‘samenvatting’ van de derdenverklaring van Bopec in rov. 3.16 vormt een onbegrijpelijke lezing van de derdenverklaring, die in rov. 2.1.6 is geciteerd (zie hiervoor § 4). Bopec heeft immers in de derdenverklaring slechts opgenomen dat Venezuela geen olieproducten bij Bopec opslaat (rov. 2.1.6). De verklaring zegt niets over aan wie bij Bopec opgeslagen olie toebehoort. Niet valt te begrijpen dat of hoe uit deze tekst van de derdenverklaring volgt dat de olie niet aan Venezuela toebehoorde, noch dat deze aan PDVSA zou toebehoren. De andersluidende lezing van het hof is temeer onbegrijpelijk nu de kwestie aan wie de olie toebehoorde de centrale vraag in deze procedure vormt. Huntington heeft zich in deze betwistingsprocedure immers primair op het standpunt gesteld dat de verklaring zijdens Bopec onjuist is omdat de olie toebehoort aan Venezuela, en door PDVSA als agent voor Venezuela wordt opgeslagen bij Bopec.7. Dit standpunt van Huntington vroeg van Bopec en van het hof om na te gaan of de olie weliswaar werd opgeslagen in opdracht van PDVSA, maar toebehoorde aan Venezuela, welk primaire standpunt op grond van 's hofs onbegrijpelijke (want zonder dat daartoe door het hof een verklaring wordt gegeven), met de tekst onverenigbare, samenvatting van de derdenverklaring wordt verworpen. Het is dan ook, temeer in het licht van het primaire twistpunt in deze procedure, onbegrijpelijk dat het hof de derdenverklaring samenvat zoals in rov. 3.16 is gedaan.
1.2.
Voor zover het hof bij zijn in § 1.0 hiervoor weergegeven oordelen tot uitgangspunt heeft genomen dat voor de verplichting van Bopec de olie in de derdenverklaring te vermelden althans voor de dienovereenkomstige correctie van de derdenverklaring onvoldoende is dat komt vast te staan dat de olie eigendom is van Venezuela als beslagdebiteur, en dat voor genoemde verplichting respectievelijk correctie nodig is dat een (nadere) rechtsverhouding tussen Bopec en Venezuela of PDVSA en Venezuela komt vast te staan, getuigt dit van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het aannemen van de verplichting van Bopec de olie in de derdenverklaring te vermelden althans voor de dienovereenkomstige correctie van de derdenverklaring is immers voldoende dat komt vast te staan dat de olie eigendom is van Venezuela.
1.3.
De in § 1.0 hiervoor weergegeven oordelen van het hof, op grond waarvan het hof het primaire standpunt van Huntington heeft verworpen dat de olie toebehoorde aan Venezuela en dus door het beslag is getroffen, geven blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft immers miskend dat de derdenverklaring (ook) een gespecificeerde opgave van de door het beslag getroffen zaken dient te omvatten (artikel 476a lid 1 en lid 2 sub c Rv BES). Nu het beslag ten laste van Venezuela is gelegd en veronderstellenderwijs vaststaat dat, zoals Huntington overigens ook uitvoerig heeft onderbouwd,8. de olie eigendom is van Venezuela (zie rov. 3.19 sub (iv) en rov. 3.20, eerste zin), dient in cassatie tot uitgangspunt dat de olie als door het beslag getroffen eigendom van Venezuela in de derdenverklaring vermeld had moeten worden. Dat het hof dit heeft miskend, blijkt in het bijzonder uit het oordeel dat het gelet op de specifieke vragen die artikel 476a lid 2 Rv BES aan Bopec voorlegt niet op haar weg lag om buiten deze vragen om uitsluitsel te geven over de verhoudingen tussen Venezuela en PDVSA en de achtergronden daarvan en het oordeel dat het feit dat Bopec de vragen van artikel 476a lid 2 sub a Rv BES letterlijk heeft genomen niet betekent dat de door haar afgelegde verklaring onjuist is (rov. 3.20). Dat Bopec geen uitsluitsel hoefde te geven over de verhoudingen tussen Venezuela en PDVSA en de achtergronden daarvan laat immers onverlet dat Bopec op grond van de door het hof genoemde bepaling de aan Venezuela toebehorende door het beslag getroffen zaken moest vermelden en dat de verklaring vanwege het ontbreken van die vermelding onjuist is. Het oordeel van het hof en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen geven aldus blijk van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de aan de derdenverklaring te stellen eisen. In ieder geval vormen die oordelen een onvoldoende begrijpelijke reactie op het primaire standpunt van Huntington dat de olie toebehoort aan Venezuela en dat zij dus door het beslag is getroffen.9. De specifieke door artikel 476a lid 2 Rv BES aan Bopec voorgelegde vragen vergden immers ook vermelding van door het beslag getroffen, immers aan Venezuela toebehorende, olie, zodat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom het niet op de weg van Bopec lag deze te vermelden en waarom de derdenverklaring op die grond niet onjuist is. De derdenverklaring van Bopec is blijkens het voorafgaande niet alleen niet (kenbaar) op de juiste wijze getoetst, maar bevat als gevolg van het voorgaande ook daadwerkelijk niet de vereiste opgave van door het beslag getroffen zaken.
1.4.
Voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat de betwisting van de derdenverklaring alleen betrekking had op hetgeen artikel 476a lid 2 sub a Rv BES vereist, heeft het hof een onbegrijpelijke uitleg gegeven aan de stellingen van Huntington. Huntington heeft aangevoerd dat vereist, maar ook voldoende is dat zich onder de derde bevindende roerende zaken eigendom zijn van de beslagdebiteur.10. Bovendien/althans heeft het hof dan miskend dat het hof zo nodig ambtshalve de rechtsgronden had behoren aan te vullen en had moeten toetsen aan (alle onderdelen van) artikel 476a lid 1 en lid 2, aldus ook sub c Rv BES, mede gelet op de strekking van de betwistingsprocedure (zie ook subonderdeel 1.6). Uit voornoemde stellingen van Huntington volgt immers dat de derdenverklaring onjuist is, omdat deze ook een opgave diende te bevatten van de zaken die zich onder Bopec bevonden die toebehoorden aan Venezuela, meer in het bijzonder de aan Venezuela toebehorende olie. Deze stellingen zijn duidelijk (mede) op de door artikel 476a lid 1 en lid 2 sub c Rv BES vereiste opgave van aan de beslagdebiteur toebehorende roerende zaken gericht. Voor zover het hof met zijn overweging in rov. 3.18 over artikel 475 lid 1 Rv BES heeft miskend dat de in die bepaling genoemde beslagobjecten, voor zover door een beslag getroffen, ook de objecten zijn die in een derdenverklaring moeten worden genoemd, geeft dit blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De door een beslag op de voet van artikel 475 lid 1 Rv BES getroffen objecten dienen alle in de op dat beslag betrekking hebbende verklaring ex artikel 476a Rv BES te worden vermeld.
1.5.
Van de in voorgaande subonderdelen als onjuist bestreden rechtsopvatting getuigt ook/althans het oordeel van het hof in rov. 3.20 dat de juistheid van de in rov. 3.19 genoemde stellingen in het midden kan blijven. Immers volgt uit deze stellingen, van de juistheid waarvan in cassatie moet worden uitgegaan, dat Venezuela eigenaar was van de olie en dat Bopec daarmee bekend was. Het hof kon deze stellingen niet in het midden laten, omdat zij tot de conclusie kunnen nopen dat de olie als eigendom van Venezuela in de derdenverklaring had moeten althans moet worden vermeld. Dat Bopec als derdebeslagene slechts zijdelings is betrokken bij de verhouding tussen Huntington als beslaglegger en Venezuela als beslagdebiteur en ‘overvraagd’ wordt, is in het licht van deze stellingen ook onjuist, althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. De veronderstelde juistheid van de stellingen maakt dat Bopec niet alleen (i) in algemene zin vanuit de rol van derdebeslagene op grond van artikel 476a Rv BES verplicht was melding te maken van deze zaken (§ 1.3), hetgeen nog temeer gold omdat het beslag zich juist, met het afgebakend omschreven object van het beslagverlof11., daarop richtte, maar (ii) maakt daarnaast dat Bopec in dit geval niet slechts zijdelings betrokken is, maar ook daadwerkelijk bekend was en nota bene heeft toegegeven te zijn12. met de eigendom van Venezuela en de tussen PDVSA en Venezuela bestaande rechtsverhouding, in de hoedanigheid van aan PDVSA en Venezuela gerelateerde partij met een deels overlappend bestuur.13. Het oordeel in rov. 3.21 dat Huntington met de in rov. 3.19 weergegeven stellingen onvoldoende weerwoord heeft geboden op de door Bopec voor haar verklaring gegeven onderbouwing is om dezelfde redenen onjuist, althans onbegrijpelijk.
1.6.
Het hof heeft miskend dat het in de betwistingsprocedure niet kon volstaan met een beoordeling of de derdenverklaring aanvankelijk te goeder trouw is of kon worden afgelegd, maar dat het hof tevens aan de hand van inmiddels gebleken feiten en omstandigheden diende te beoordelen of de derdenverklaring juist was.
Een derdenverklaring kan en moet worden gecorrigeerd of aangevuld indien de feiten en omstandigheden die tijdens de betwistingsprocedure naar voren komen daartoe aanleiding geven. Zo kan het zijn dat de derdebeslagene ten tijde van het afleggen van een derdenverklaring niet bekend was met het feit dat zaken die hij op moment van beslaglegging onder zich had aan de beslagdebiteur toebehoorden, maar dat gedurende een betwistingsprocedure wel van deze eigendomsverhouding blijkt. In zo'n geval moet worden geoordeeld dat de derdenverklaring achteraf bezien onjuist was, en dat deze in de betwistingsprocedure moet worden aangevuld. Indien niet reeds op grond van de in rov. 3.19 weergegeven stellingen had moeten worden geoordeeld dat de derdenverklaring onjuist was, had juistheid van deze stellingen in ieder geval reden moeten, althans kunnen, zijn voor gerechtelijke aanvulling van de derdenverklaring gedurende de procedure (waar Huntington ook om heeft verzocht14.). Uit de overweging van het hof dat de juistheid van de stellingen in het midden kan blijven, en ook door de overige overwegingen in het oordeel heen, valt te lezen dat het hof heeft miskend dat een betwistingsprocedure als deze juist ertoe dient om te bewerkstelligen dat de verklaring zo nodig wordt gecorrigeerd. Daarbij dient de werkelijke stand van zaken tot uitgangspunt, en niet, althans niet zonder meer, hetgeen de derdebeslagene hierover wist of behoorde te weten. Het hof heeft dit miskend door de door Bopec afgelegde verklaring te beoordelen vanuit het perspectief dat het niet op de weg van Bopec lag om uitsluitsel te geven over de verhoudingen tussen Venezuela en PDVSA en de achtergronden daarvan en de (stellingen omtrent de) eigendomskwestie in het midden te laten. Voor zover het hof niet heeft miskend dat het ook had te beoordelen of de feiten en omstandigheden die zich in de betwistingsprocedure aandienen grond vormen voor aanvulling van de derdenverklaring, is zonder nadere motivering, welke ontbreekt, in ieder geval onbegrijpelijk waarom de (deels veronderstellenderwijs vaststaande) feiten en omstandigheden van dit geval, waaronder de stellingen waaruit (bekendheid van Bopec met) eigendom van Venezuela blijkt, geen aanleiding zouden kunnen en moeten zijn voor aanvulling.
2. Vereenzelviging van PDVSA en Venezuela naar Venezolaans recht
2.0.
In rov. 3.24 overweegt het hof — samengevat — onder verwijzing naar rechtspraak van uw Raad dat misbruik kan worden gemaakt van identiteitsverschil tussen twee rechtspersonen door degene die (volledige) of overheersende zeggenschap over die rechtspersonen heeft, en dat dit misbruik zodanig kan zijn dat het identiteitsverschil in rechte niet hoeft te worden gehonoreerd. Dit misbruik levert in de regel een onrechtmatige daad op, maar kan onder bijzondere omstandigheden ook reden zijn voor vereenzelviging in die zin dat het identiteitsverschil van de betrokken rechtspersonen volledig wordt weggedacht.
Vervolgens komt het hof in rov. 3.25 t/m 3.28 aan de hand van een vergelijking met de (omstandigheden aan de orde in de) rechtspraak van uw Raad (Krijger/- Citco, waarnaar Huntington heeft verwezen, en [A]/Ontvanger) tot het oordeel dat Huntington onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat de feiten in deze zaak daarmee gelijk te stellen zijn. Met name is niet komen vast te staan dat Bopec met Venezuela heeft samengespannen of verwarring heeft gewekt om dit specifieke beslag te frustreren. Tegen deze achtergrond oordeelt het hof dat niet van Bopec gevergd kon worden dat zij meer of anders zou verklaren dan zij heeft gedaan en wordt het beroep van Huntington op vereenzelviging en misbruik van identiteitsverschil verworpen.
2.1.
Het hiervoor in § 2.0 weergegeven oordeel van het hof miskent dat aan de hand van Venezolaans recht moest worden beoordeeld of PDVSA en Venezuela moeten worden vereenzelvigd. Venezolaans recht is van toepassing op grond van (i) een (impliciete) rechtskeuze, (ii) de onbestreden bevestiging van toepasselijkheid van vreemd (Venezolaanse) recht door het gerecht15. of (iii) het volgens internationaal privaatrecht toepasselijke beginsel van de lex societatis,16. op grond waarvan wordt aangesloten bij de plaats waar PDVSA is opgericht. De rechtskeuze is tot stand gekomen doordat Bopec de meermaals herhaalde (gemotiveerde) stelling van Huntington17. dat Venezolaans recht van toepassing is niet heeft betwist.18. Door aan de hand van Nederlands recht te beoordelen of er grond bestond voor vereenzelviging, heeft het hof miskend dat het op een van de genoemde gronden tot toepassing van Venezolaans recht had moeten overgaan. In ieder geval is de toepassing van Nederlands recht in het licht van de (gemotiveerde) onbetwiste stelling van Huntington dat Venezolaans recht van toepassing is zonder motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.
2.2.
Nu het hof Venezolaans recht had moeten toepassen (subonderdeel 2.1) en naar Venezolaans recht — anders dan naar Nederlands recht, zoals door Huntington onweersproken is aangevoerd — binnen een concern snel vereenzelviging kan plaatsvinden,19. is het oordeel in rov. 3.28 dat van Bopec niet kon worden gevergd dat zij meer of anders zou verklaren dan zij heeft gedaan ook onjuist, althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Dat naar Nederlands recht slechts onder bijzondere omstandigheden, zoals samenspanning of het wekken van verwarring, sprake kan zijn van vereenzelviging kan immers — temeer in het licht van de in subonderdeel 1.6 genoemde mogelijkheid om naar aanleiding van tijdens de betwistingsprocedure gebleken feiten en omstandigheden aanvulling te verlangen — geen reden vormen om van Bopec niet meer of anders te verlangen. De ratio van een betwistingsprocedure is immers niet (alleen) om te beoordelen of de derdenverklaring aanvankelijk te goeder trouw is of kon worden afgelegd, maar (ook) of de derdenverklaring mede in het licht van inmiddels gebleken feiten en omstandigheden achteraf bezien juist is of aanvulling behoeft.
Conclusie
Huntington verzoekt op grond van dit middel de vernietiging van het vonnis, met zodanige verdere beslissing, mede ten aanzien van de kosten, als de Hoge Raad juist zal achten. Huntington verzoekt voorts dat de toe te wijzen proceskostenvergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover, te rekenen vanaf veertien dagen na de datum van de uitspraak van de Hoge Raad.
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 30‑12‑2022
Het beroep in cassatie in deze Caribische zaak, waarin door het hof een vonnis is gewezen, wordt in cassatie aanhangig gemaakt volgens de regels die gelden voor de verzoekprocedure. Huntington verzoekt uw Raad op grond van art. 3.1.19.2 Procesreglement een datum te bepalen voor het geven van een schriftelijke toelichting.
Vonnis, rov. 2.1.1.
Vonnis, rov. 2.1.3.
Vonnis, rov. 2.1.4.
Vonnis, rov. 2.1.6.
Vonnis, rov. 3.15.
Zie hiervoor § 6 met verwijzingen en Verzoekschrift Huntington § 2.1–2.8; CvR § 4.1–4.11; CvD in reconventie § 4.1–4.28; MvG § 1.2–1.3, 4.5–4.7, 4.10–4.11, 4.17, 4.20–4.21; Plta Huntington hoger beroep, § 2.8–2.12.
Verzoekschrift betwisting derdenverklaring GEA Bonaire § 2.2–2.8; CvR § 1.2, 4.2–4.10; CvD reconventie § 4.7–4.27; MvG § 4.5–4.21; Pleitnotities Huntington hoger beroep § 2.8–2.12.
Zie ook MvG § 4.6–4.7, 4.21; Plta Huntington hoger beroep § 2.2–2.6.
MvG § 1.2, 4.4, 4.6–4.7, 4.21; Plta Huntington hoger beroep § 2.3–2.6; CvR, § 1.2, 4.10–4.11
Vonnis, rov. 2.1.3.
CvR § 4.5; MvG § 3.6, 4.6, 4.14, 4.16, 4.21; Plta Huntington hoger beroep § 2.10, 3.9.
Welke verondersteld juiste stelling door Huntington zeer uitvoerig is onderbouwd bijvoorbeeld in Verzoekschrift betwisting GEA, § 4.3.
Vonnis, rov. 1.2.
Vonnis GEA Bonaire, rov. 4.5, 4.7.
Verzoek betwisting derdenverklaring GEA Bonaire, § 3.2; CvR § 5.2; Plta Huntington hoger beroep, § 3.1.
Verzoek betwisting derdenverklaring GEA Bonaire § 3.7; CvR § 5.1–5.2; CvD in reconventie, § 1.6, 5.13–5.14; MvG § 4.25, 4.40, Pleitnotities Huntington hoger beroep § 3.1, 3.9–3.10.
Zie CvR § 20–21. In de verwijzing door Bopec in hoger beroep (MvA (§ 1.3, 4.18–4.20) en Pleitnotities Bopec hoger beroep (§ 6.1–6.2)) naar rechtspraak van uw Raad kan — in het licht van de uitdrukkelijke stellingen van Huntington omtrent het toepasselijke recht — geen (voldoende gemotiveerde) betwisting worden gelezen.
Verzoek betwisting derdenverklaring GEA Bonaire, § 3.4–3.7; CvR § 5.3–5.6, 5.9; MvG § 4.10, 4.25, 4.40; Pleitnotities Huntington hoger beroep § 3.1, 3.8–3.12, onder verwijzing naar de door Bopec overgelegde expert opinion van Baker McKenzie.