RBP 2026/33
Arubaanse zaak. In cassatie staat de vraag centraal door wie hoger beroep kan worden ingesteld en wanneer sprake is van een voldoende belang bij hoger beroep.
HR 23-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:95
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23 januari 2026
- Magistraten
Mrs. M.J. Kroeze, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma
- Zaaknummer
24/04005
- Conclusie
A-G mr. G. Snijders
- JCDI
JCDI:BSD104846:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Burgerlijk procesrecht (V)
Staatsrecht / Rechtspraak
Staatsrecht / Staatsinrichting
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2026:95, Uitspraak, Hoge Raad, 23‑01‑2026
ECLI:NL:PHR:2025:1138, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑10‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 08‑10‑2024
- Wetingang
Art. 260 Rv Aruba; art. 3:303 BW Aruba; art. 39 Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden
Essentie
Arubaanse zaak. Subjectieve cumulatie. Concordantiebeginsel. In cassatie staat de vraag centraal door wie hoger beroep kan worden ingesteld en wanneer sprake is van een voldoende belang bij hoger beroep.
Samenvatting
De verzoekster tot cassatie heeft ten laste van een derde beslag laten leggen ter voldoening van de verplichtingen van deze derde uit een overeenkomst inzake koop van aandelen. De verzoekster tot cassatie heeft aandelen aan de derde geleverd. De derde heeft de aandelen verkocht aan een van de verweersters in cassatie die zich daarbij heeft verbonden tot overneming van de schuld van de derde tot betaling van de ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.