NJB 2026/243
Aruba. In dit kort geding vordert eiser primair dat gedaagde 1 wordt bevolen om beslagen op te heffen en subsidiair dat gedaagden 2 en 3 wordt bevolen om ten gunste van gedaagde 1 voldoende zekerheid te stellen en dat gedaagde 1 wordt bevolen om daarna de beslagen op te heffen. In eerste aanleg voegt gedaagde 2 zich met betrekking tot de primaire vordering aan de zijde van eiser; gedaagde 3 doet dat niet. Het gerecht wijst de primaire vordering af en de subsidiaire vorderingen toe. Het hof wijst alsnog de primaire vordering toe. Hoge Raad: 1. Wie kan hoger beroep instellen? Gedaagde 3 was in de zaak betreffende de primaire vordering geen partij en kon in die zaak dan ook geen hoger beroep instellen. 2. Belang bij hoger beroep. a. Te bereiken resultaat. Het hoger beroep van gedaagde 2 kon niet tot gevolg hebben dat de primaire vordering alsnog zou worden toegewezen. In zoverre had gedaagde 2 geen belang bij het hoger beroep. b. Proceskostenveroordeling. In een Arubaanse zaak levert een proceskostenveroordeling in eerste aanleg niet zonder meer voldoende belang op voor hoger beroep. 3. Concordantiebeginsel. Het concordantiebeginsel ziet ook op concordantie tussen de Caribische delen van het Koninkrijk.
HR 23-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:95
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23 januari 2026
- Magistraten
Mrs. M.J. Kroeze, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma
- Zaaknummer
24/04005
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2026:95, Uitspraak, Hoge Raad, 23‑01‑2026
ECLI:NL:PHR:2025:1138, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑10‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 08‑10‑2024
- Wetingang
(art. 39 lid 1 Statuut; art. 3:303 BW Aruba: art. 260 Rv Aruba; art. 281b Rv Curaçao; art. 281b Rv Sint Maarten; art. 281 Rv BES)
Essentie
Aruba. In dit kort geding vordert eiser primair dat gedaagde 1 wordt bevolen om beslagen op te heffen en subsidiair dat gedaagden 2 en 3 wordt bevolen om ten gunste van gedaagde 1 voldoende zekerheid te stellen en dat gedaagde 1 wordt bevolen om daarna de beslagen op te heffen. In eerste aanleg voegt gedaagde 2 zich met betrekking tot de primaire vordering aan de zijde van eiser; gedaagde 3 doet dat niet. Het gerecht wijst de primaire vordering af en de subsidiaire vorderingen toe. Het hof wijst alsnog de primaire vordering toe. Hoge Raad: 1. Wie kan hoger ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.