Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/V.3.3.6
V.3.3.6 Onschuldpresumptie voor een bekennende verdachte?
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS595136:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.a. ECieRM 23 maart 1972, nr. 5076/71, dec. (X./Verenigd Koninkrijk); EHRM 10 mei 2011, nrs. 48059/06 en 2708/09, par. 59 (Dimitrov en Hamanov/Bulgarije); EHRM 29 april 2014, nr. 9043/05 (Natsvlishvili en Togonidze/Georgië).
Het EHRM acht “sufficient judicial review” een voorwaarde voor de toelaatbaarheid van plea bargaining. Zie EHRM 29 april 2014, nr. 9043/05, par. 92-95 (Natsvlishvili en Togonidze/Georgië). Vgl. over rechterlijke tussenkomst in Engeland & Wales, Schotland en Italië: Den Hartog & Stamhuis 1996, p. 106-107, p. 179, resp. p. 227-228. Voor de praktijk in de Verenigde Staten, zie Brants & Stapert 2004, p. 37; Beijer 2004, p. 66-68. In Frankrijk is goedkeuring van een rechter nodig, waarbij het vereiste dat de rechter van de schuld van de verdachte overtuigd is onverkort geldt, terwijl in Duitsland de rechter in het onderhandelingsproces zelf is betrokken, aldus Peters 2012, p. 365 e.v., resp. p. 270-272.
Het meest stellig is EHRM 25 januari 2000, nr. 32602/96, dec. (Aannemersbedrijf Gebroeders Van Leeuwen BV/Nederland): “This clear admission of guilt in itself rebutted the presumption of innocence and provides sufficient justification for the Court of Appeal's reliance on this admission.” Zie voorts ECieRM 5 oktober 1988, nr. 12380/86, dec. (Houswitschka/ Bondsrepubliek Duitsland); ECieRM 11 oktober 1988, nr. 12669/87, dec. (R./Bondsrepubliek Duitsland), ECieRM 9 oktober 1991, nr. 15871/89, dec. (G.S./Duitsland); EHRM 3 oktober 2002, nr. 37568/97, par. 65 (Böhmer/Duitsland); EHRM 12 november 2015, nr. 2130/10 (El Kaada/Duitsland). Vgl. ook de dissenting opinion van Trechsel, mede onderschreven door Frowein, bij ECieRM 18 oktober 1985, nr. 9912/82, rep. (Lutz/Bondsrepubliek Duitsland).
EHRM 12 november 2015, nr. 2130/10, par. 60-61 (El Kaada/Duitsland).
ECieRM 9 oktober 1991, nr. 15871/89, dec. (G.S./Duitsland).
Voor differentiatie in dit opzicht tussen behandelings- en bewijsdimensie pleiten: Wimmer 1968, p. 375; Trechsel 1981, p. 336; Tophinke 2000, p. 152.
De laatste kwestie die raakt aan het toepassingsbereik van de onschuldpresumptie heeft betrekking op de bekennende verdachte. Hoewel volgens de tekst van het IVBPR, het EVRM, het Hv en de richtlijn de onschuldpresumptie geldt totdat de verdachte schuldig is bevonden in een daarop gerichte procedure, is niet vanzelfsprekend dat verdachten die schuld bekennen dat recht steeds kunnen inroepen. Sommige nationale constituties zien in de bekentenis bijvoorbeeld een afzonderlijke grond voor beëindiging van de door de onschuldpresumptie geboden bescherming.1 In veel landen is het daarnaast gangbaar om van het recht op een volwaardig strafproces afstand te doen door middel van plea bargaining. Het EHRM acht een dergelijke vorm van afstand, als gevolg waarvan het strafbare feit in sommige gevallen als vaststaand heeft te gelden, in beginsel toegestaan.2 Een plea agreement is evenwel een geïnstitutionaliseerde vorm van erkenning, waarvan in de regel rechterlijke controle op enigerlei wijze deel uitmaakt.3 Het gaat daarbij in wezen om een sterk vereenvoudigde procedure. De verenigbaarheid daarvan met het vermoeden van onschuld, betekent nog niet dat ook de bekentenis an sich de werking van dat beginsel beëindigt.
In de Straatsburgse rechtspraak is tot op heden alleen de inroeping van de behandelingsdimensie door een bekennende verdachte aan de orde geweest. Een bekennende verdachte kan in beginsel geen beroep doen op het recht niet als schuldige te worden bejegend.4 In beginsel, want intrekking van een (bij afwezigheid van een advocaat) afgelegde bekentenis herstelt het recht niet als schuldige te worden behandeld in ere.5 Trekt de verdachte zijn bekentenis evenwel in nadat hij als schuldige is bejegend, dan leidt die intrekking op zichzelf niet met terugwerkende kracht tot schending van de behandelingsdimensie.6
Tegen gelijksoortige uitwerking van een bekentenis op de bewijsdimensie is in de literatuur op goede grond stelling genomen.7 Een bekentenis heeft doorgaans de status van een sterk bewijsmiddel. Het zal derhalve over het algemeen eenvoudig zijn om aan de hand van een bekentenis de schuld van de verdachte buiten redelijke twijfel te stellen. Bestaan echter ondanks de bekentenis twijfels over de schuld van de verdachte, dan valt niet goed in te zien waarom die twijfel in dat geval niet tot vrijspraak zou moeten leiden. Ook dient de over de schuld van een bekennende verdachte oordelende rechter met de mogelijke onjuistheid van die bekentenis rekening te houden. De kwaliteit van schuldvaststelling in een strafprocedure is een algemeen belang, geen individueel recht dat de verdachte door zijn proceshouding prijsgeeft.