HR, 09-12-2025, nr. 25/00813 Bv
ECLI:NL:HR:2025:1788
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-12-2025
- Zaaknummer
25/00813 Bv
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1788, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑12‑2025; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1098
ECLI:NL:PHR:2025:1098, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑10‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1788
Beroepschrift, Hoge Raad, 03‑06‑2025
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0389
JIN 2026/13 met annotatie van mr. S. Rozing, mr. V.J.C. de Bruijn
Uitspraak 09‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Beklag ex art. 98.4 jo. art. 552a Sv door voormalige advocaat tegen beslissing RC dat OM en politie mogen kennisnemen van fragmenten van geluidsbestanden met gesprekken tussen klager, toenmalige kantoorgenoot en kantoordirecteur, die door anonieme afzender per e-mail aan Rijksrecherche zijn verzonden, i.v.m. verdenking tegen klager t.z.v. (poging tot) oplichting van cliënt, dan wel (poging tot) omkoping van medewerker van Dienst Justitiële Inrichtingen. 1. Ontvankelijkheid beklag. Moest RC beslissing nemen overeenkomstig art. 98 Sv en staat tegen die beslissing beklag open? 2. Doorbreking verschoningsrecht o.g.v. zeer uitzonderlijke omstandigheden. Bescherming van belangen van andere cliënten van advocaat dan cliënten die betrokken zijn bij strafbaar feit. Heeft Rb nagelaten gemotiveerd te beslissen op wat is aangevoerd over vermelding in geluidsfragmenten van namen van andere cliënten? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2024:377 over procedure van art. 98 Sv en inschakelen van RC via art. 181 Sv. Uit vaststellingen van Rb volgt dat beklag betrekking heeft op 3 geluidsbestanden die anoniem aan Rijksrecherche zijn toegestuurd en ten aanzien waarvan redelijk vermoeden bestaat dat zij (deels) gegevens betreffen die onder verschoningsrecht vallen, dat (nu het gaat om gegevens) geen sprake is geweest van inbeslagneming van voorwerpen en dat ook niet sprake is geweest van doorzoeking van plaats met als doel vastlegging van gegevens die op deze plaats zijn opgeslagen of vastgelegd a.b.i. art. 125i Sv. Gelet op belangen die met verschoningsrecht zijn gemoeid, moet RC echter ook in zo’n geval beslissing nemen overeenkomstig art. 98 Sv. OvJ moet daartoe (zoals i.c. is gebeurd) vordering a.b.i. art. 181 Sv richten aan RC. Gegevens moeten in handen worden gesteld van RC, zodat deze kan beslissen of kennisneming is toegestaan. Tegen beslissing van RC dat kennisneming is toegestaan, staat voor verschoningsgerechtigde beklag open bij (raadkamer van) gerecht in feitelijke aanleg waarvoor zaak wordt vervolgd. Tegen beschikking van dit gerecht staat beroep in cassatie open. Beklag tegen beschikking van RC is daarom ontvankelijk. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2025:302 over doorbreking van verschoningsrecht en uit HR:1999:ZD7280 over betrachten van zorg om te voorkomen dat belangen van andere cliënten dan cliënten die betrokken zijn bij strafbaar feit onevenredig worden getroffen. Rb heeft overwogen dat zij in het midden laat of betreffende geluidsfragmenten onder verschoningsrecht van klager en kantoorgenoot vallen omdat, v.zv. sprake is van verschoningsgerechtigde informatie, zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen (verdenking tegen klager in hoedanigheid van (toenmalige) advocaat t.z.v. (poging tot) oplichting van cliënt, dan wel (poging tot) omkoping van medewerker van Dienst Justitiële Inrichtingen) waardoor belang van waarheidsvinding zwaarder moet wegen dan belang van verschoningsrecht. Gelet op wat is vooropgesteld en in het licht van wat is aangevoerd over vermelding in fragmenten van namen van verschillende (andere) cliënten en betrokkenen ‘die geen subject van onderzoek zijn’, is ongegrondverklaring van klaagschrift niet toereikend gemotiveerd. Rb heeft niet kenbaar in oordeel betrokken of belangen van bedoelde andere cliënten niet onevenredig worden getroffen door (ongeclausuleerd) ter beschikking stellen van fragmenten. Weliswaar houdt beschikking van RC in dat slechts (in beschikking genoemde) 3 geluidsbestanden aan OvJ beschikbaar worden gesteld wat betreft ‘passages die naar inschatting van RC kunnen dienen om waarheid aan het licht te brengen', terwijl ‘overige passages’ niet worden vrijgegeven. Uit beschikkingen van RC en Rb blijkt echter niet of en, zo ja, in hoeverre daarmee specifieke beperking is gesteld in relatie tot beschikbaar stellen van betreffende passages. Gelet daarop kan uit die beschikkingen niet z.m. volgen dat ook is voldaan aan wat is vooropgesteld over bescherming van belangen van andere cliënten. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 25/00719 Bv.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/00813 Bv
Datum 9 december 2025
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 11 februari 2025, nummer RK 24/027771, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 98 lid 4 in samenhang met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft de advocaat P.T.C. van Kampen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
De raadsvrouw van de klager heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Waar het in deze zaak om gaat
De conclusie van de advocaat-generaal houdt over de achtergrond van deze zaak in:
“2.1 De klager was enige tijd advocaat in hetzelfde kantoor als de [medeklager] . Vanaf januari 2024 verschijnen in de media berichten over opnames van gesprekken die [betrokkene 1] , de toenmalige directeur van het advocatenkantoor, zou hebben gemaakt. In deze gesprekken, met onder anderen de klager en de medeklager, zou te horen zijn dat de klager verklaart dat hij een medewerker van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) van het ministerie van Justitie en Veiligheid heeft omgekocht of dat heeft willen doen.
2.2
Na deze berichten starten zowel de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam als het ministerie van Justitie en Veiligheid als de politie een onderzoek. Nadat bekend wordt dat de eerste twee onderzoeken geen aanwijzingen hadden opgeleverd voor een dergelijke omkoping, ontvangt de rijksrecherche van een anonieme bron een zevental geluidsbestanden. Deze worden door het openbaar ministerie overgedragen aan de rechter-commissaris om te beoordelen in hoeverre hetgeen in de fragmenten te horen is onder het verschoningsrecht van de advocaten valt. De rechter-commissaris neemt op 25 oktober 2024 de beslissing die aanleiding is voor de klaagschriften van de klager en de medeklager.”
3. De beslissingen van de rechter-commissaris en van de rechtbank
3.1
De rechter-commissaris heeft op 25 oktober 2024 beslist dat de officier van justitie en opsporingsambtenaren kennis mogen nemen van bepaalde delen van drie geluidsbestanden – met de aanduidingen ‘Feb 2019 […] ’ (ook wel aangeduid als ‘Feb 2019 […] [betrokkene 2] ’), ‘Driegesprek 1 na […] ’ en ‘Driegesprek 2 na [betrokkene 2] ’ – en dat zij daarvan gebruik mogen maken in het strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvan de klager wordt verdacht. De beschikking van de rechter-commissaris houdt onder meer in:
“beslissing op grond van artikel 98 Wetboek van Strafvordering
(...)
Procesgang
De officier van justitie heeft op 3 juli 2024 schriftelijk gevorderd dat de rechter-commissaris, met het oog op de opsporing van een strafbaar feit, onderzoekshandelingen verricht.
Uit de vordering en het onderliggende proces-verbaal van aanvraag volgt dat het Openbaar Ministerie (ongevraagd) van een anonieme afzender ( [e-mailadres] ) via downloadlinks meerdere geluidsbestanden (7) heeft ontvangen. Het vermoeden bestaat dat de geluidsbestanden mogelijk geheimhoudersgegevens bevatten. De officier van justitie heeft de rechter-commissaris verzocht de geluidsbestanden te filteren op verschoningsgerechtigde informatie, en vervolgens, indien dergelijke informatie aanwezig blijkt te zijn, te beoordelen of het verschoningsrecht doorbroken moet worden omdat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden. In aanvulling op deze vordering heeft de officier van justitie per mail van 24 juli 2024 de rechter-commissaris verzocht ex artikel 181 lid 3 Sv af te zien van het aan de verdachte toesturen van deze beslissing en de vordering van de officier van justitie, omdat het onderzoeksbelang zich daartegen verzet.
Bij beslissing van 25 juli 2024 heeft de rechter-commissaris het verzoek tot het verrichten van deze onderzoekshandelingen toegewezen. (...)
De rechter-commissaris heeft vervolgens twee geheimhoudersfunctionarissen benoemd, die niet betrokken zijn bij dit onderzoek en enkel onder regie van de rechter-commissaris werken. Die geheimhoudersfunctionarissen hebben zorg gedragen voor een schriftelijke uitwerking van de geluidsfragmenten. Op 29 juli 2024 heeft de rechter-commissaris uit handen van één van de twee geheimhoudingsfunctionarissen een beveiligde USB stick ontvangen, met daarop zowel de geluidsbestanden als de schriftelijke uitwerking daarvan.
(...)
De rechter-commissaris heeft per brief van 15 oktober 2024 mr. [klager] uitgenodigd een standpunt in te nemen ten aanzien van het verschoningsrecht. Na een kort telefoongesprek heeft mr. [klager] per mail van 16 oktober 2024 zijn standpunt kenbaar gemaakt.
Beoordeling
Door de anonieme afzender zijn 7 geluidsbestanden aan het Openbaar Ministerie gestuurd. Het gaat om de volgende bestanden:
(...)
e) Feb 2019 […]
f) Driegesprek 1 na […]
g) Driegesprek 2 na [betrokkene 2]
Valt de inhoud van de geluidsbestanden onder het verschoningsrecht?
(...)
Ten aanzien van geluidsbestanden Feb 2019 […] [betrokkene 2] , Driegesprek 1 na […] en Driegesprek 2 na [betrokkene 2]
Geluidsbestand Feb 2019 […] bevat een gesprek tussen wijlen [betrokkene 1] en een persoon die ‘ [betrokkene 2] ’ wordt genoemd. Gelet op onder meer het proces-verbaal van aanvraag gaat de rechter-commissaris ervan uit dat [betrokkene 2] de gesprekpartner is van [betrokkene 1] . [betrokkene 2] was, zo blijkt uit het gesprek, enige tijd cliënt van mr. [klager] . Mr. [klager] was advocaat bij een advocatenkantoor waarvan [betrokkene 1] de directeur was. Goed betoogd kan worden dat [betrokkene 1] in zijn hoedanigheid van directeur van het advocatenkantoor aan het gesprek deelneemt en hem een (van mr. [klager] afgeleid) verschoningsrecht toekomt.
Uit de titel die geluidsbestanden ‘Driegesprek 1 na […] ’ en ‘Driegesprek 2 na [betrokkene 2] ’ is gegeven, lijkt te volgen dat aan beide opgenomen gesprekken steeds drie personen deelnemen. Op geluidsbestand Driegesprek 2 na [betrokkene 2] zijn inderdaad drie verschillende personen te horen, namelijk wijlen [betrokkene 1] , mr. [klager] (destijds advocaat) en mr. [medeklager] . Op het geluidsbestand Driegesprek 1 na […] hoort de rechter-commissaris slechts twee verschillende stemmen, maar uitgaande van de ingenomen standpunten gaat de rechter-commissaris ervan uit dat mr. [medeklager] ook aan dat gesprek deelnam.
Ook ten aanzien van deze drie geluidsbestanden hebben zowel mr. [klager] , mr. [medeklager] als de deken zich op het standpunt gesteld dat deze onder het verschoningsrecht vallen. Als eerder aangegeven dient het door de geheimhouders ingenomen standpunt ten aanzien van het verschoningsrecht in beginsel te worden geëerbiedigd.
Van sommige passages in deze geluidsbestanden – bijvoorbeeld als in de ‘driegesprekken’ wordt gesproken over andere cliënten dan [betrokkene 2] – is het evident dat deze onder het verschoningsrecht vallen. Het is volgens de rechter-commissaris echter maar zeer de vraag of dit ook geldt voor de passages in de ‘driegesprekken’ waarin – kort gezegd – de inhoud van het eerdere gesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] wordt besproken. Het verschoningsrecht strekt zich immers (slechts) uit over wetenschap van informatie die rechtstreeks verband houdt met de taakuitoefening van de verschoningsgerechtigde. Dat betekent dat een advocaat alleen een verschoningsrecht toekomt met betrekking tot wetenschap die hij in de normale uitoefening van zijn beroep heeft gekregen (zie ook HR 12 maart 2024, rov. 6.2.1). Goed betoogd kan worden dat daar (deels) geen sprake van was. De rechter-commissaris laat beantwoording van deze vraag verder echter in midden, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen.
Zeer uitzonderlijke omstandigheden?
Het verschoningsrecht is niet absoluut. Er kunnen zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen waarbij het belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven het belang dat het verschoningsrecht dient.
(...)
Ten aanzien van geluidsbestanden Feb 2019 […] [betrokkene 2] , Driegesprek 1 na […] en Driegesprek 2 na [betrokkene 2] overweegt de rechter-commissaris dat wel sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden. Daarbij gaat het om de volgende zeer uitzonderlijke omstandigheden:
Er is – gezien het proces-verbaal van aanvraag en het proces-verbaal van verdenking – een serieuze verdenking dat een advocaat ten behoeve van een cliënt een selectiefunctionaris heeft omgekocht om een gunstiger detentieverloop te realiseren, ofwel dat deze advocaat een cliënt heeft geprobeerd op te lichten met de suggestie dat hij, de advocaat, een selectiefunctionaris kan omkopen voor een gunstiger detentieverloop. De publieke versie van het rapport van de deken van 27 maart 2024 – de enige versie waarvan de rechter-commissaris kennis heeft – neemt deze verdenking niet weg.
De advocaat bekleedt een essentiële rol binnen de rechtsstaat en heeft zich daarbij te houden aan gedragsregels, waarin belangrijke kernwaarden zijn vastgelegd. Integriteit is één van die kernwaarden. Procesdeelnemers moeten op de integriteit van een advocaat kunnen vertrouwen in het belang van een eerlijk proces en een goede procesorde. Er is ook een breder belang: de advocaat is één van de hoofdrolspelers in de rechtsbedeling en zijn handelen heeft daardoor ook effect op het vertrouwen dat de samenleving in de advocatuur en de rechtspleging stelt.
De verdenking die in dit onderzoek centraal staat is al onderwerp geweest van meerdere publicaties in dagbladen en vele andere media-uitingen, en heeft voor de nodige maatschappelijke beroering gezorgd. De aard van de verdenking berokkent schade aan het aanzien van het beroep van advocaat en het maatschappelijk vertrouwen in de advocatuur. Gelet hierop is de rechter-commissaris van oordeel dat er zeer uitzonderlijke omstandigheden aanwezig zijn die maken dat het belang dat de waarheid aan het licht moet komen prevaleren boven het verschoningsrecht van zowel mr. [klager] als mr. [medeklager] . Ten aanzien van mr. [medeklager] wordt nog opgemerkt dat de inbreuk op zijn verschoningsrecht beperkter is. Het betrof niet zijn eigen cliënt en zijn inbreng in de ‘driegesprekken’ is beperkt.
Ook aan het vereiste van subsidiariteit – kunnen de gegevens ook op een andere manier worden verkregen? – is voldaan. Een rol speelt daarbij dat [betrokkene 1] niet meer in leven is.
De geluidsbestanden Feb 2019 […] , Driegesprek 1 na […] en Driegesprek 2 na [betrokkene 2] zullen dan ook aan de officier van justitie beschikbaar worden gesteld. Dat geldt uiteraard alleen voor de passages die naar de inschatting van de rechter-commissaris kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. Overige passages worden niet vrijgegeven.”
3.2
De klager heeft tegen de beschikking van de rechter-commissaris een klaagschrift ingediend. Dit klaagschrift strekt tot vernietiging van de (fragmenten van de) drie geluidsbestanden waarvan de rechter-commissaris heeft beslist dat de officier van justitie en opsporingsambtenaren daarvan kennis mogen nemen.
3.3
De rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard. De beschikking van de rechtbank houdt onder meer in:
“beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 98 jo. 552a Wetboek van Strafvordering (...)
Feiten
(...)
De verstrekte geluidsbestanden
Op 5 april 2024 (daags na het rapport van de DJI) werd via het algemene mailadres van de Rijksrecherche een mail ontvangen, afkomstig van ‘ [e-mailadres] ’. De mail had als onderwerp ‘ [naam] ’. Deze e-mail bevatte (links naar) zeven geluidsbestanden, die direct door een digitaal rechercheur zijn veiliggesteld, gescand op virussen en in een aparte geheimhoudersregistratie zijn opgeslagen, zodat het onderzoeksteam er geen toegang toe had.
(...)
Beklag
Het beklag strekt tot vernietiging van de inbeslaggenomen geheimhoudersinformatie, te weten de (fragmenten van de) drie geluidsbestanden waarvan de rechter-commissaris heeft geoordeeld dat het verschoningsrecht moet wijken voor de waarheidsvinding.
Namens [klager] en [medeklager] zijn de volgende standpunten ingenomen:
(....)
4) De rechter-commissaris heeft op onbegrijpelijke gronden geoordeeld dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden en de beslissing is ook onbegrijpelijk gemotiveerd;
5) Er is ten onrechte geconcludeerd dat is voldaan aan de eis van subsidiariteit; en
6) De verstrekking is niet noodzakelijk en niet proportioneel.
(...)
Beoordeling
(...)
Zeer uitzonderlijke omstandigheden
Zoals eerder door de rechter-commissaris is overwogen in zijn beslissing van 25 oktober 2024 is het de vraag of de fragmenten van de drie geluidsbestanden onder het verschoningsrecht van [klager] en [medeklager] vallen. Een advocaat komt namelijk alleen een verschoningsrecht toe met betrekking tot wetenschap die hij in de normale uitoefening van zijn beroep heeft gekregen (zie ook HR 12 maart 2024, rov. 6.2.1). Gelet op de aard van de verdenking en de inhoud van de gesprekken is het de vraag of dat aan de orde was. Net als de rechter-commissaris zal de rechtbank (het antwoord op) deze vraag echter in het midden laten en zich richten op de vervolgvraag of, als al sprake zou zijn van verschoningsgerechtigde informatie, het belang dat het verschoningsrecht dient, zou moeten wijken voor het belang van de waarheidsvinding. De vraag ligt dan ook voor of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het verschoningsrecht van klager zou moeten worden doorbroken ten behoeve van de waarheidsvinding. De rechtbank stelt bij de beoordeling daarvan het volgende voorop.
Het verschoningsrecht van de advocaat is niet absoluut. Er zijn immers zeer uitzonderlijke omstandigheden denkbaar waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt – ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap de advocaat als zodanig is toevertrouwd – moet prevaleren boven het verschoningsrecht. Dit brengt mee dat de toestemming van de advocaat voor kennisneming van inbeslaggenomen gegevens die onder het verschoningsrecht vallen in zeer uitzonderlijke omstandigheden niet nodig is.
De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt, laat zich niet in een algemene regel samenvatten. De enkele omstandigheid dat een advocaat als verdachte wordt aangemerkt is in ieder geval niet toereikend, maar wel de verdenking van een ernstig strafbaar feit. Dan zal het belang van die cliënten dat zij ervan moeten kunnen uitgaan dat de advocaat geheim houdt hetgeen zij hem in die criminele aangelegenheid hebben toevertrouwd moeten wijken voor het belang dat de waarheid aan het licht komt (Vgl. ECLI:NL:HR:2009:BH7284). Bij de beoordeling of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die de doorbreking van het verschoningsrecht van een advocaat rechtvaardigen, dienen de volgende factoren in aanmerking te worden genomen:
- de aard en ernst van de verdenking in de strafzaak,
- de omstandigheid of het een tegen de advocaat bestaande verdenking betreft,
- het belang van de betreffende gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek, en
- de vraag of de betreffende gegevens niet op andere wijze kunnen worden verkregen.
Aard en ernst van de verdenking
[klager] wordt ervan verdacht zich te hebben schuldig gemaakt aan (poging tot) oplichting van een cliënt, dan wel (poging tot) omkoping van een ambtenaar in functie. De verdenking bestaat erin dat [klager] een van deze strafbare feiten heeft begaan in zijn hoedanigheid van advocaat. Volgens de advocaat van [klager] is dit niet alleen een “weinig ernstige” verdenking, er zou überhaupt geen begin van een verdenking jegens [klager] zijn.
De rechtbank kan de advocaat niet volgen in deze stellingen. Dat er nog geen begin van een verdenking zou zijn, is, gelet op het (door de advocaat van [klager] in deze procedure ingebrachte) proces-verbaal van verdenking van 6 juni 2024 en de beslissing van de rechter-commissaris van 25 oktober 2024, een onbegrijpelijk standpunt. Uit deze stukken, en met name uit de daarin opgenomen passages van de geluidsbestanden, blijkt naar het oordeel van de rechtbank namelijk duidelijk een redelijke verdenking. Hier doen de rapporten van de deken en de DJI niets aan af. De door hen ingestelde onderzoeken vonden immers telkens plaats met beperkte onderzoeksmiddelen en enkel binnen het eigen domein, wat in beide gevallen een significant ander domein betreft dan een strafrechtelijk onderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie. Bovendien heeft het Openbaar Ministerie, net als de rechtbank, geen inzage gehad in het volledige rapport van de deken, waardoor het Openbaar Ministerie des te meer gerechtigd is onderzoek te doen.
Het betreft verder een verdenking van een buitengewoon ernstig feit. Het gaat immers om een verdenking dat een advocaat een cliënt zou hebben opgelicht, dan wel een selectiefunctionaris van de DJI zou hebben omgekocht. Nu de verdenking eruit bestaat dat het feit door een advocaat is gepleegd, zou, bij een bewezenverklaring, sprake zijn van een grove integriteitsschending die ook nog eens in negatieve zin afstraalt op de gehele advocatuur als beroepsgroep. Dat dit een “weinig ernstig” feit zou zijn, vindt de rechtbank, gelet op de bijzondere aard van de verhouding tussen een advocaat en zijn of haar cliënt geen begrijpelijk standpunt.
(...)
Een tegen een advocaat bestaande verdenking
In het geval van [klager] is sprake van een verdenking tegen hemzelf als advocaat, terwijl in het geval van [medeklager] hij zelf niet als verdachte is aangemerkt. In hoeverre dit van belang is voor de uitkomst van deze procedure (voor zowel [klager] , als [medeklager] ), zal de rechtbank hieronder (in de conclusie) meewegen.
Het belang van de gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek
De gegevens zijn van essentieel belang voor het strafrechtelijk onderzoek. Immers, zo is de rechtbank gebleken uit onder meer het proces-verbaal van verdenking van 6 juni 2024 en de beslissing van de rechter-commissaris van 25 oktober 2024, een aanzienlijk deel van de verdenking en mogelijk bewijs zal gelegen zijn in de geluidsbestanden ten aanzien waarvan het verschoningsrecht is ingeroepen. Ook de officier van justitie heeft op de zitting het belang van de geluidsbestanden benadrukt. Ten behoeve van de waarheidsvinding zijn deze gegevens dan ook cruciaal.
Kunnen de gegevens op andere wijze worden verkregen?
Een situatie waarin deze specifieke gegevens op andere wijze kunnen worden verkregen, laat zich moeilijk voorstellen. Het gaat namelijk om informatie die, in beginsel, onder het verschoningsrecht valt en dus niet kan worden gebruikt in een strafrechtelijk onderzoek. De informatie is bovendien alleen maar beschikbaar bij de twee personen die zich op hun verschoningsrecht zouden kunnen beroepen ( [klager] en [medeklager] ). Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de derde deelnemer aan de bewuste gesprekken ( [betrokkene 1] ) niet meer in leven is.
De aard van de gegevens
De rechtbank zal enkele aanvullende opmerkingen maken aangaande de aard en inhoud van de gegevens. Het gaat om drie opgenomen gesprekken, namelijk een gesprek tussen een voormalig cliënt van [klager] en [betrokkene 1] en twee gesprekken tussen de drie (voormalig) kantoorgenoten [klager] , [medeklager] en [betrokkene 1] . Ten aanzien van [medeklager] (...)geldt dat hij een beperkte rol speelt. Het betreft immers niet zijn cliënt met wie is gesproken en zijn inbreng in de gesprekken is beperkt. Dat maakt dat ook een eventuele inbreuk op zijn verschoningsrecht beperkt van aard is. Daarbij komt dat in de driegesprekken niet wordt gesproken over een strafzaak, processtrategie of evidente zaken die het verdedigingsbelang dienen, maar vooral hoe een dubieuze kwestie zowel intern, als extern het beste kan worden afgewikkeld. De rechtbank meent dan ook dat de gegevens in elk geval niet tot de kern van het verschoningsrecht kunnen worden gerekend, wat meespeelt bij de weging of het belang dat het verschoningsrecht dient zou moeten prevaleren boven het belang van de waarheidsvinding.
Conclusie
Als de rechtbank het voornoemde samenvat: er is sprake van een redelijke verdenking van een buitengewoon ernstig strafbaar feit jegens een advocaat ( [klager] ). De gegevens waarop het verschoningsrecht van toepassing is, zijn essentieel voor het onderzoek naar de verdenking jegens [klager] en kunnen niet op andere wijze worden verkregen. Hierbij is bovendien van belang dat de inhoud van de gegevens weliswaar binnen het domein van het verschoningsrecht valt (en als zodanig wordt getoetst), maar niet de kern ervan raakt. Ten aanzien van [medeklager] geldt verder dat zijn rol en inbreng en daarmee de inbreuk op zijn verschoningsrecht, beperkt is. Weliswaar is de verdenking gericht tegen [klager] (als advocaat), maar gelet op de aard en inhoud van de gesprekken (zie hiervoor) is de rechtbank van oordeel dat ook ten aanzien van [medeklager] (ook kijkend naar zijn summiere inbreng in de gesprekken) een doorbreking van zijn verschoningsrecht (als niet-verdachte verschoningsgerechtigde) gerechtvaardigd is.
De rechtbank is al met al van oordeel dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waardoor het maatschappelijk belang van de waarheidsvinding dient te prevaleren boven het maatschappelijk belang van het verschoningsrecht van [klager] en [medeklager] en de daarmee samenhangende beperkingen van de uitoefening van de beslag- en doorzoekingsbevoegdheden.
(...)
De rechtbank zal daarom het beklag van zowel [klager] , als [medeklager] ongegrond verklaren.”
4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beklag
4.1
Artikel 98 lid 1 tot en met 4 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt:
“1. Bij personen met bevoegdheid tot verschooning, als bedoeld bij de artikelen 218 en 218a, worden, tenzij met hunne toestemming, niet in beslag genomen brieven of andere geschriften, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt. De rechter-commissaris is bevoegd ter zake te beslissen.
2. Indien de persoon met bevoegdheid tot verschoning bezwaar maakt tegen de inbeslagneming van brieven of andere geschriften omdat zijn plicht tot geheimhouding zich daartoe uitstrekt, wordt niet tot kennisneming overgegaan dan nadat de rechter-commissaris daarover heeft bepaald.
3. De rechter-commissaris die beslist dat inbeslagneming is toegestaan, deelt de persoon met bevoegdheid tot verschoning mede dat tegen zijn beslissing beklag open staat bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd en tevens dat niet tot kennisneming wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag is beslist.
4. Tegen de beschikking van de rechter-commissaris kan de persoon met bevoegdheid tot verschoning binnen veertien dagen na de betekening daarvan een klaagschrift indienen bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd. Artikel 552a is van toepassing.”
4.2.1
In het geval van inbeslagneming van voorwerpen voorziet artikel 98 Sv in voorschriften die strekken tot bescherming van het verschoningsrecht. In artikel 98 Sv wordt onder meer geregeld dat de rechter-commissaris – zo nodig na kennisneming van de betreffende stukken – beslist of inbeslagneming is toegestaan (lid 3), waarbij tegen die beschikking beklag openstaat voor de verschoningsgerechtigde (lid 4). Ook als de inbeslagneming van de betreffende voorwerpen feitelijk al heeft plaatsgevonden, kan onder omstandigheden aanleiding bestaan om (alsnog) de procedure van artikel 98 Sv te volgen. De procedure van artikel 98 Sv is ook van toepassing in het geval van doorzoeking van een plaats ter vastlegging van gegevens die op deze plaats op een gegevensdrager zijn opgeslagen of vastgelegd op grond van artikel 125i Sv.
4.2.2
Hoewel de regeling van artikel 181 Sv daarop niet specifiek is toegesneden, verzet deze regeling zich er niet tegen dat de officier van justitie een vordering doet aan de rechter-commissaris die ertoe strekt dat de rechter-commissaris ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen dan wel bij een doorzoeking van een plaats vastgelegde gegevens toepassing zal geven aan de voorschriften van artikel 98 Sv. De officier van justitie is daartoe ook gehouden als met het oog op het waarborgen van de door het verschoningsrecht beschermde belangen het volgen van de procedure van artikel 98 Sv noodzakelijk is, met name als filtering van stukken of gegevens niet mogelijk is zonder dat inhoudelijk kennis wordt genomen van stukken of gegevens waarvan het redelijk vermoeden bestaat dat zij onder het verschoningsrecht vallen. (Vgl. HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:377, rechtsoverwegingen 2.3.3 en 2.3.4.)
4.3
Uit de vaststellingen van de rechtbank volgt dat het beklag betrekking heeft op drie van de onder 2 bedoelde geluidsbestanden die anoniem aan de Rijksrecherche zijn toegestuurd en ten aanzien waarvan het redelijk vermoeden bestaat dat zij (deels) gegevens betreffen die onder het verschoningsrecht vallen, dat – nu het gaat om gegevens – geen sprake is geweest van inbeslagneming van voorwerpen (vgl. artikel 134 Sv) en dat ook niet sprake is geweest van een doorzoeking van een plaats met als doel de vastlegging van gegevens die op deze plaats zijn opgeslagen of vastgelegd als bedoeld in artikel 125i Sv. Gelet op de belangen die met het verschoningsrecht zijn gemoeid, moet de rechter-commissaris echter ook in zo’n geval een beslissing nemen overeenkomstig artikel 98 Sv. De officier van justitie moet daartoe – zoals in deze zaak is gebeurd – een vordering als bedoeld in artikel 181 Sv richten aan de rechter-commissaris. De betreffende gegevens moeten daarbij in handen worden gesteld van de rechter-commissaris, zodat deze kan beslissen of kennisneming van de gegevens is toegestaan. Tegen de beslissing van de rechter-commissaris dat kennisneming van de gegevens is toegestaan, staat voor de verschoningsgerechtigde beklag open bij (de raadkamer van) het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd. Tegen de beschikking van dit gerecht staat beroep in cassatie open.
4.4
Bij beschikking van 25 oktober 2024 heeft de rechter-commissaris onder meer beslist dat de officier van justitie en opsporingsambtenaren kennis mogen nemen van delen van de betreffende drie geluidsbestanden. Tegen de achtergrond van wat onder 4.2 en 4.3 is vooropgesteld, is het tegen die beslissing gerichte beklag ontvankelijk.
5. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
5.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat de rechtbank heeft nagelaten gemotiveerd te beslissen op wat namens de klager is aangevoerd over de doorbreking van het verschoningsrecht. Het voert daartoe aan dat het klaagschrift inhoudt dat in de geluidsfragmenten ook namen van andere cliënten van het advocatenkantoor van de klager worden genoemd dan de cliënt [betrokkene 2] .
5.2
Bij de behandeling in raadkamer heeft de raadsvrouw van de klager, onder verwijzing naar het klaagschrift, aangevoerd dat geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen. Het klaagschrift houdt onder meer in:
“18. De gegevens waar het in casu over gaat – vertrouwelijke gesprekken van en tussen verschoningsgerechtigden over zaken, cliënten en informatie die aan hen is toevertrouwd – leiden tot het standpunt dat de geluidsbestanden gegevens betreffen waar de slotzin van artikel 126ng lid 1 Sv op ziet. In elk geval is dat vooralsnog niet onaannemelijk. (...)
46. In de eventueel te verstrekken fragmenten van transcriptie Feb 2019 […] [betrokkene 2] is bij herhaling een naam van een andere cliënt van het advocatenkantoor vermeld. Er staan uitlatingen van een andere advocaat in genoemd waar het verschoningsrecht op van toepassing is. Datzelfde geldt ook voor de beide andere gesprekken. Ook in die gesprekken zijn namen genoemd van verschillende cliënten en betrokkenen van in behandeling zijnde dossiers. Het spreekt voor zich dat de namen van cliënten en het besprokene vallen onder het bereik van een verschoningsrecht. Zeker nu het daaraan ten grondslag liggende dossier in behandeling was bij het advocatenkantoor.
(...)
48. Duidelijk is dus dat op tal van punten het verschoningsrecht in het geding is, ook omdat in de fragmenten de nodige namen zijn te horen en in de transcripties de nodige namen staan van andere cliënten/betrokkenen. De beslissing van de RC laat niet zien dat dit punt betrokken is in zijn oordeel en bij zijn afweging. Ook daarom schiet de motivering van de beslissing tekort.
(...)
56. Als gezegd, bevatten de bestanden gegevens van verschillende cliënten, ook van cliënten die geen subject van onderzoek zijn. Die vaststelling kleurt de aard van de gegevens.”
5.3.1
Op grond van artikel 218 Sv kan degene die uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding is verplicht, zich op zijn verschoningsrecht beroepen over hetgeen waarvan de wetenschap aan hem als zodanig is toevertrouwd. Aan dit verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in een juridische procedure aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden. Het verschoningsrecht ziet daarbij op de wetenschap die rechtstreeks verband houdt met de taakuitoefening van de verschoningsgerechtigde. Dit betekent dat een advocaat alleen een verschoningsrecht toekomt met betrekking tot de wetenschap die hij in de normale uitoefening van zijn beroep heeft verkregen, dat wil zeggen wat hem is toevertrouwd in het kader van zijn juridische dienstverlening aan een rechtzoekende die zich tot hem heeft gewend vanwege zijn hoedanigheid van advocaat. Algemeen uitgangspunt daarbij is dat het voor een beroep op het verschoningsrecht niet van belang is of de informatie waar het om gaat zich al dan niet bij de verschoningsgerechtigde zelf bevindt.
5.3.2
Het verschoningsrecht van onder meer de advocaat is echter in zoverre niet absoluut, dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt – ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap hem als zodanig is toevertrouwd in de normale uitoefening van zijn beroep – zwaarder moet wegen dan het verschoningsrecht. De vraag of zich zo uitzonderlijke omstandigheden voordoen laat zich niet in het algemeen beantwoorden. Voor het oordeel dat van zeer uitzonderlijke omstandigheden – en dus van een uitzondering op de hoofdregel met betrekking tot het verschoningsrecht – sprake is, gelden zware motiveringseisen.Daarbij komt in een geval als dit betekenis toe aan de aard en de ernst van het strafbaar feit waarvan het vermoeden bestaat dat het is begaan, de aard en de inhoud van het materiaal waarover zich het verschoningsrecht uitstrekt in verband met het belang dat door het verschoningsrecht wordt gediend, de mate waarin de betrokken belangen van de cliënt worden geschaad als het verschoningsrecht wordt doorbroken en de omstandigheid dat de gegevens niet op een andere manier kunnen worden verkregen.
5.3.3
Wat betreft het belang van de waarheidsvinding geldt als beoordelingsmaatstaf of de betreffende gegevens redelijkerwijs in een zodanig direct verband staan met het strafbare feit waarvan het vermoeden bestaat dat dit is begaan, dat deze gegevens kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen.
(Vgl. HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:302.)
5.3.4
Als moet worden geoordeeld dat het belang van de waarheidsvinding zwaarder moet wegen dan het verschoningsrecht, mag de inbreuk op het verschoningsrecht niet verder gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het betreffende feit. Daarbij moet zorg worden betracht om te voorkomen dat de belangen van andere cliënten van de advocaat dan de cliënten die betrokken zijn bij het strafbare feit, onevenredig worden getroffen. (Vgl. HR 30 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD7280, rechtsoverweging 5.2.3.)
5.4
De rechtbank heeft overwogen dat zij in het midden laat of de fragmenten van de drie geluidsbestanden, waarvan de rechter-commissaris heeft beslist dat de officier van justitie en opsporingsambtenaren daarvan kennis mogen nemen, onder het verschoningsrecht van de klager en [medeklager] vallen. Daartoe heeft de rechtbank in de kern overwogen dat, voor zover sprake is van verschoningsgerechtigde informatie, zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen – kort gezegd: de verdenking dat de klager in zijn hoedanigheid van (toenmalig) advocaat zich heeft schuldig gemaakt aan een (poging tot) oplichting van een cliënt, dan wel een (poging tot) omkoping van een medewerker van de Dienst Justitiële Inrichtingen – waardoor het belang van de waarheidsvinding zwaarder moet wegen dan het belang van het verschoningsrecht.
5.5
Gelet op wat onder 5.3.4 is vooropgesteld en in het licht van wat namens de klager is aangevoerd over de vermelding in de betreffende fragmenten van de namen van verschillende (andere) cliënten en betrokkenen “die geen subject van onderzoek zijn”, zoals weergegeven onder 5.2, is de ongegrondverklaring van het klaagschrift niet toereikend gemotiveerd. De rechtbank heeft immers niet kenbaar in haar oordeel betrokken of de belangen van de bedoelde andere cliënten niet onevenredig worden getroffen door het (ongeclausuleerd) ter beschikking stellen van de fragmenten van de geluidsbestanden. Weliswaar houdt de beschikking van de rechter-commissaris in dat slechts de – in die beschikking genoemde – drie geluidsbestanden aan de officier van justitie beschikbaar worden gesteld, maar alleen wat betreft “de passages die naar de inschatting van de rechter-commissaris kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen”, terwijl “overige passages” niet worden vrijgegeven. Uit de beschikkingen van de rechter-commissaris en van de rechtbank blijkt echter niet of en, zo ja, in hoeverre daarmee een specifieke beperking is gesteld in relatie tot het beschikbaar stellen van de betreffende passages. Gelet daarop kan uit die beschikkingen niet zonder meer volgen dat ook is voldaan aan wat onder 5.3.4 is overwogen over de bescherming van de belangen van andere cliënten.
5.6
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het.
6. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De beoordeling door de Hoge Raad van het eerste cassatiemiddel en de overige klachten van het tweede cassatiemiddel heeft als uitkomst dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het derde cassatiemiddel niet nodig.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2025.
Conclusie 14‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Beklag beslag op/gebruik van geluidsopnamen van gesprekken waaraan advocaten deelnemen. Ambtshalve overwegingen over de ontvankelijkheid van het klaagschrift omdat de geluidsopnamen niet met dwangmiddelen zijn verkregen. Eerste middel over beoordeling of de opnamen deel uitmaken van het verschoningsrecht van de advocaten, faalt. Tweede middel over oordeel dat vanwege zeer uitzonderlijke omstandigheden (verdenking tegen een van de advocaten) het verschoningsrecht mag worden doorbroken, faalt grotendeels. Wel slaagt de klacht dat de rechtbank niet is ingegaan op de stelling dat ook namen zijn te horen van cliënten die niet betrokken zijn bij de verdenking. Derde middel behoeft geen bespreking. Conclusie strekt tot vernietiging van de beslissing en tot terugwijzing naar de rechtbank Amsterdam. Samenhang met 25/00719 Bv.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00813 Bv
Zitting 14 oktober 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de klager.
1. Inleiding
1.1
De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 11 februari 2025 het klaagschrift van de klager ongegrond verklaard.1.Dit beklag had betrekking op een aantal fragmenten van geluidsbestanden waarvan de officier van justitie en opsporingsambtenaren volgens een beslissing van de rechter-commissaris in die rechtbank van 25 oktober 2024 kennis mochten nemen.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. P.T.C. van Kampen, advocaat in Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. Er bestaat samenhang met de zaak 25/00719 Bv waarin de verwerping van het klaagschrift van [medeklager] aan de orde is. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
2. De zaak in het kort
2.1
De klager was enige tijd advocaat in hetzelfde kantoor als de medeklager [medeklager] . Vanaf januari 2024 verschijnen in de media berichten over opnames van gesprekken die Peter R. de Vries, de toenmalige directeur van het advocatenkantoor, zou hebben gemaakt. In deze gesprekken, met onder anderen de klager en de medeklager, zou te horen zijn dat de klager verklaart dat hij een medewerker van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) van het ministerie van Justitie en Veiligheid heeft omgekocht of dat heeft willen doen.
2.2
Na deze berichten starten zowel de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam als het ministerie van Justitie en Veiligheid als de politie een onderzoek. Nadat bekend wordt dat de eerste twee onderzoeken geen aanwijzingen hadden opgeleverd voor een dergelijke omkoping, ontvangt de rijksrecherche van een anonieme bron een zevental geluidsbestanden. Deze worden door het openbaar ministerie overgedragen aan de rechter-commissaris om te beoordelen in hoeverre hetgeen in de fragmenten te horen is onder het verschoningsrecht van de advocaten valt. De rechter-commissaris neemt op 25 oktober 2024 de beslissing die aanleiding is voor de klaagschriften van de klager en de medeklager.
2.3
Samengevat, zal ik hierna als eerste ambtshalve ingaan op de vraag of de rechtbank terecht geen aandacht heeft besteed aan de ontvankelijkheid van het beklag. De reden dat hieraan zou kunnen worden getwijfeld, is dat de wettelijke beklagmogelijkheden volgens de tekst van de wet allemaal zijn gerelateerd aan de inzet van dwangmiddelen, terwijl in dit geval de betreffende gegevens vrijwillig aan de politie zijn verstrekt. Ik kom echter op basis van de wetsgeschiedenis en de rechtspraak van Hoge Raad tot de conclusie dat in deze zaak de procedure voor geheimhoudersinformatie van art. 98 Sv op overeenkomstige wijze kan worden toegepast (randnr. 4).
2.4
Het eerste middel gaat over de wijze waarop de rechtbank heeft beoordeeld of de geluidsfragmenten onder het verschoningsrecht van de klager en de medeklager vallen. De eerste deelklacht is gericht tegen de beoordeling van dit verschoningsrecht per afzonderlijk fragment van de geluidsbestanden. De tweede deelklacht houdt in dat de rechtbank niet in het midden had mogen laten of het verschoningsrecht zich over alle delen van de geluidsbestanden uitstrekt. Beide klachten behoeven echter geen bespreking omdat de rechtbank in haar beschikking wel degelijk tot uitgangspunt neemt dat de geluidsbestanden in hun geheel onder het verschoningsrecht vallen (randnrs. 5.15-5.17). Ik merk verder nog op dat voor zover er al sprake was van een beoordeling per fragment, deze overeenkomstig het geldende beslisschema (en dus terecht) heeft plaatsgevonden in het kader van de vraag welke gegevens kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen (randnr. 5.18).
2.5
De derde deelklacht richt zich met name tegen de overweging van de rechtbank dat de te verstrekken fragmenten niet tot ‘de kern van verschoningsrecht’ behoren. De rechtbank zou hiermee hebben miskend dat er niet zoiets bestaat als ‘een beetje verschoningsgerechtigd’: gegevens vallen wel of niet onder het verschoningsrecht, aldus de steller van het middel. In mijn bespreking zet ik uiteen dat en waarom de rechtbank, in het kader van de vraag of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die een doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen, de inhoud van de betreffende gegevens (wel degelijk) heeft mogen relateren aan de reden voor het bestaan van dat recht, namelijk dat iedereen zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde tot de verschoningsgerechtigde kan wenden voor bijstand en advies (randnrs. 5.19-5.23). Ten slotte wordt tevergeefs geklaagd over een aantal feitelijke vaststellingen (randnrs. 5.24-5.25).
2.6
Het tweede middel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waardoor het belang van de waarheidsvinding zwaarder moet wegen dan het belang van het verschoningsrecht. Het middel omvat vier deelklachten. De eerste deelklacht heeft betrekking op het (impliciete) oordeel van de rechtbank dat de belangen van de in deze zaak betrokken cliënt zich niet tegen doorbreking van het verschoningsrecht verzetten. Ik acht dit oordeel echter niet onbegrijpelijk, mede gelet op de omstandigheid dat door de klager niets is aangevoerd over andere belangen dan het algemene belang dat met het verschoningsrecht is gemoeid (randnrs. 6.2-6.6). De tweede deelklacht richt zijn pijlen op de overwegingen van de rechtbank over de aard en ernst van de jegens de klager aangenomen verdenking. De eerste drie onderdelen van de klacht berusten op een onjuiste lezing van de bestreden beschikking (randnrs. 6.7-6.12). In het vierde onderdeel van de deelklacht wordt betoogd dat de rechtbank geen verdenking heeft kunnen aannemen omdat het onderzoek van de deken van de orde van advocaten geen aanwijzingen voor strafbare feiten heeft opgeleverd. Ik ga nader in op de wettelijke taakverdeling tussen de deken van de orde en het openbaar ministerie en concludeer dat het openbaar ministerie zich eigenstandig, met behulp van een opsporingsonderzoek, een oordeel dient te vormen of er reden bestaat tot een strafvervolging en dat het onderzoek van de deken voor de rechtbank geen reden hoefde te zijn om de verdenking ongegrond te verklaren (randnrs. 6.13-6.19). Bij het laatste onderdeel van deze deelklacht komt aan de orde dat de rechtbank steeds een tweetal (alternatieve) verdenkingen aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd (randnr. 6.20). De derde deelklacht komt erop neer dat de rechtbank heeft miskend dat zij moet onderzoeken of de gegevens kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. Dat dit het geval zou zijn, vermag ik echter niet in te zien (randnr. 6.22-6.23). De vierde deelklacht is ten slotte gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de gegevens niet op een andere wijze kunnen worden verkregen dan met doorbreking van het verschoningsrecht. Dat oordeel acht ik echter, mede gelet op de overweging over het overlijden van Peter R. de Vries, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd (randnrs. 6.24-6.25).
2.7
De derde en vierde deelklacht stellen echter ook een punt aan de orde dat wel tot cassatie dient te leiden. In de beklagprocedure heeft de klager namelijk gesteld dat in de te verstrekken geluidsfragmenten ook namen zijn te horen van andere cliënten dan de cliënt die betrokken is bij de verdenking tegen de klager. Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad dient er bij het oordeel of het verschoningsrecht kan worden doorbroken rekening mee te worden gehouden dat andere cliënten van de advocaat niet onevenredig in hun belangen worden getroffen. Door tegen die achtergrond in het geheel niet in te gaan op de stelling van de klager, is de beschikking van de rechtbank niet toereikend gemotiveerd, zodat het middel doel treft (randnrs. 6.27-6.29).
2.8
Het derde middel gaat in op de betekenis van het feit dat tegen de medeklager geen verdenking bestaat zoals tegen de klager. Dit middel behoeft geen bespreking. Enerzijds vanwege het slagende tweede middel. Anderzijds omdat naar mijn mening de klager niet kan opkomen voor het verschoningsrecht van de medeklager (randnr. 7).
2.9
Voordat ik uitgebreider inga op het bovenstaande, zal ik eerst het relevante procesverloop weergeven.
3. Procesverloop
3.1
Bij vordering gedateerd 3 juli 2024 heeft de officier van justitie bij het landelijk parket de rechter-commissaris in de rechtbank Amsterdam gevraagd om onderzoekshandelingen te verrichten. Deze vordering houdt onder andere het volgende in:
“De officier van justitie, werkzaam bij het Openbaar Ministerie, Landelijk parket te Rotterdam,
Gelet op het proces-verbaal van verdenking met kenmerk 20240005 en documentnummer 2405021547.AMB, d.d. 6 juni 2024, opgemaakt door de rijksrecherche;
Overwegende, dat in bovenbedoeld opsporingsonderzoek onder meer na te noemen persoon als verdachte is aangemerkt:
Naam : [klager]
(…)
ter zake van de volgende strafbare feiten over de periode 1 februari 2018 tot en met 31 december 2018:a. actieve omkoping, strafbaar gesteld in artikel 177 wetboek van strafrecht,b. oplichting, strafbaar gesteld in artikel 326 wetboek van strafrecht
Vordert, dat de rechter-commissaris:
(…)
I. beoordeelt of de alsdan uitgefilterde gegevens daadwerkelijk gegevens inhouden die afkomstig zijn van dan wel bestemd zijn voor een persoon of personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in de zin van art. 218 Sv respectievelijk art. 218a Sv, en;
zo ja, te beoordelen of desalniettemin tot het ter beschikking stellen aan het onderzoeksteam van die gegevens (digitale geluidsbestanden of uitgewerkte gesprekken) kan worden overgegaan omdat zich één of meer van de volgende (bijzondere) omstandigheden voordoen:
• de rechter-commissaris oordeelt dat de betreffende gegeven(s) niet aan de betrokkene(n) in diens/hun hoedanigheid zijn toevertrouwd en/of afkomstig zijn, en/of• de rechter-commissaris oordeelt dat de betreffende gegeven(s) deel uitmaken van één of meer strafbare feiten waarnaar onderzoek gedaan wordt in de strafzaak met voornoemd parketnummer tegen genoemde verdachte en/of tot het begaan daarvan hebben gediend (art. 98 lid 5 Sv), en/of• de rechter-commissaris oordeelt dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die rechtvaardigen dat het belang dat de waarheid aan het licht komt prevaleert boven het verschoningsrecht, ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap aan de geheimhouder(s) als zodanig is toevertrouwd;
en vervolgens die gegeven(s) op die grond(en) door tussenkomst van de officier van justitie ter beschikking te stellen aan het opsporingsteam ten behoeve van het opsporingsonderzoek en daarvan proces-verbaal te laten opmaken, dan wel;
• te bevelen de uitgefilterde (digitale) gegevens te bewaren op een zodanige veilige plaats dat het opsporingsteam geen kennis krijgt van de inhoud daarvan totdat de betrokken geheimhouder(s) alsnog door de rechter-commissaris om diens/hun standpunt kan/kunnen worden gevraagd ex art. 98 lid 1 Sv (vrijwillige toestemming voor inbeslagneming, al dan niet in diens hoedanigheid toevertrouwd) dan wel art. 98 lid 5 Sv (object of instrument delict), en een verdere beslissing over het al dan niet ontoegankelijk maken van die gegevens aanhoudt;
Gelet op artikel 98, artikel 126aa lid 2 en de artikelen 181 tot en met 185 Wetboek van Strafvordering;
Vordert, dat de rechter-commissaris de hierboven omschreven onderzoekshandelingen zal verrichten, voor zover en zodra het onderzoeksbelang dat toelaat”
3.2
De rechter-commissaris heeft deze vordering toegewezen. Na zijn onderzoek heeft de rechter-commissaris de onder 2.2 genoemde beslissing van 25 oktober 2024 genomen, waaraan de volgende passages kunnen worden ontleend:
“beslissing op grond van artikel 98 Wetboek van Strafvordering
In de strafzaak tegen de verdachte:
[klager] ,
(…)
Uit de vordering en het onderliggende proces-verbaal van aanvraag volgt dat het Openbaar Ministerie (ongevraagd) van een anonieme afzender (…) via downloadlinks meerdere geluidsbestanden (7) heeft ontvangen (…)
De rechter-commissaris heeft vervolgens twee geheimhoudersfunctionarissen benoemd, die niet betrokken zijn bij dit onderzoek en enkel onder regie van de rechter-commissaris werken. Die geheimhoudersfunctionarissen hebben zorg gedragen voor een schriftelijke uitwerking van de geluidsfragmenten. Op 29 juli 2024 heeft de rechter-commissaris uit handen van één van de twee geheimhoudingsfunctionarissen een beveiligde USB stick ontvangen, met daarop zowel de geluidsbestanden als de schriftelijke uitwerking daarvan.
(…)
Ten aanzien van geluidsbestanden [...] Geluidsbestand [...] bevat een gesprek tussen wijlen Peter R. de Vries en een persoon die [betrokkene 1] wordt genoemd. Gelet op onder meer het proces-verbaal van aanvraag gaat de rechter-commissaris ervan uit dat [betrokkene 1] de gesprekpartner is van Peter R. de Vries. [betrokkene 1] was, zo blijkt uit het gesprek, enige tijd cliënt van [klager] . [klager] was advocaat bij een advocatenkantoor waarvan Peter R. de Vries de directeur was. Goed betoogd kan worden dat Peter R. de Vries in zijn hoedanigheid van directeur van het advocatenkantoor aan het gesprek deelneemt en hem een (van [klager] afgeleid) verschoningsrecht toekomt.
Uit de titel die geluidsbestanden [...] is gegeven, lijkt te volgen dat aan beide opgenomen gesprekken steeds drie personen deelnemen. Op geluidsbestand [...] zijn inderdaad drie verschillende personen te horen, namelijk wijlen Peter R. de Vries, [klager] (destijds advocaat) en [medeklager] . Op het geluidsbestand [...] hoort de rechter-commissaris slechts twee verschillende stemmen, maar uitgaande van de ingenomen standpunten gaat de rechter-commissaris ervan uit dat [medeklager] ook aan dat gesprek deelnam.
(…)
Ten aanzien van geluidsbestanden [...] overweegt de rechter-commissaris dat wel sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden. Daarbij gaat het om de volgende zeer uitzonderlijke omstandigheden:
Er is - gezien het proces-verbaal van aanvraag en het proces-verbaal van verdenking - een serieuze verdenking dat een advocaat ten behoeve van een cliënt een selectiefunctionaris heeft omgekocht om een gunstiger detentieverloop te realiseren, ofwel dat deze advocaat een cliënt heeft geprobeerd op te lichten met de suggestie dat hij, de advocaat, een selectiefunctionaris kan omkopen voor een gunstiger detentieverloop. De publieke versie van het rapport van de deken van 27 maart 2024 - de enige versie waarvan de rechter-commissaris kennis heeft - neemt deze verdenking niet weg.
De advocaat bekleedt een essentiële rol binnen de rechtsstaat en heeft zich daarbij te houden aan gedragsregels, waarin belangrijke kernwaarden zijn vastgelegd. Integriteit is één van die kernwaarden. Procesdeelnemers moeten op de integriteit van een advocaat kunnen vertrouwen in het belang van een eerlijk proces en een goede procesorde. Er is ook een breder belang: de advocaat is één van de hoofdrolspelers in de rechtsbedeling en zijn handelen heeft daardoor ook effect op het vertrouwen dat de samenleving in de advocatuur en de rechtspleging stelt.
De verdenking die in dit onderzoek centraal staat is al onderwerp geweest van meerdere publicaties in dagbladen en vele andere media-uitingen, en heeft voor de nodige maatschappelijke beroering gezorgd. De aard van de verdenking berokkent schade aan het aanzien van het beroep van advocaat en het maatschappelijk vertrouwen in de advocatuur. Gelet hierop is de rechter-commissaris van oordeel dat er zeer uitzonderlijke omstandigheden aanwezig zijn die maken dat het belang dat de waarheid aan het licht moet komen prevaleren boven het verschoningsrecht van zowel [klager] als [medeklager] . Ten aanzien van [medeklager] wordt nog opgemerkt dat de inbreuk op zijn verschoningsrecht beperkter is. Het betrof niet zijn eigen cliënt en zijn inbreng in de ‘driegesprekken’ is beperkt.
Ook aan het vereiste van subsidiariteit - kunnen de gegevens ook op een andere manier worden verkregen? - is voldaan. Een rol speelt daarbij dat Peter R. de Vries niet meer in leven is.
De geluidsbestanden [...] zullen dan ook aan de officier van justitie beschikbaar worden gesteld. Dat geldt uiteraard alleen voor de passages die naar de inschatting van de rechter-commissaris kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. Overige passages worden niet vrijgegeven
beslissing
De rechter-commissaris verklaart ten aanzien van (delen van) de geluidsbestanden (…) het regime van de zeer uitzonderlijke omstandigheden van toepassing.
(…)
Dit betekent dat de officier van justitie en opsporingsambtenaren kennis mogen nemen van voornoemde passages en daarvan gebruik mogen maken in het een strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvan [klager] verdacht wordt.
De rechter-commissaris zal de geheimhoudersfunctionarissen opdracht geven om de bovengenoemde fragmenten te verstrekken aan het onderzoeksteam en zal de geheimhoudersfunctionarissen opdracht geven ervoor te zorgen dat de geluidsbestanden voor het overige ontoegankelijk blijven.
(…)
De verschoningsgerechtigden kunnen zich desgewenst op grond van artikel 98 juncto artikel 552a WSv bij de raadkamer van de rechtbank schriftelijk beklagen over deze beslissing. Dit moet binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing worden ingesteld. De geluidsbestanden (en schriftelijke uitwerkingen daarvan) zoals hierboven genoemd onder het kopje ‘beslissing' worden in geval van een klaagschrift nog niet verstrekt en dat blijft zo totdat daarover definitief is beslist. Gedurende de veertien dagen dat een klaagschrift kan worden ingediend wordt eveneens niets verstrekt.”
3.3
Namens de klager is op 8 november 2024 een klaagschrift ingediend. Hieraan kan onder andere het volgende worden ontleend:
“Beklag ex artikel 98 lid 4 Sv jo. artikel 552a Sv
(…)
60. De slotsom van alle verweren, elk afzonderlijk en ook in samenhang bezien, is dat de beslissing van de rechter-commissaris niet in stand kan blijven en vernietigd dient te worden. Van verstrekking kan geen sprake zijn. De geluidsbestanden in de beslissing dienen niet alleen ontoegankelijk gemaakt te worden, deze dienen ook vernietigd te worden.”
3.4
De in cassatie bestreden beschikking van de rechtbank luidt als volgt:
“beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 98 jo. 552a Wetboek van Strafvordering van:
[klager] , (…)
Feiten
Vooraf Vanaf 18 augustus 2017 zijn [klager] en [medeklager] als advocaat werkzaam bij [A] , inmiddels na een structuurwijziging maar feitelijk binnen dezelfde kantoororganisatie - [B] BV geheten. Vanaf november 2017 tot en met 29 mei 2020 was wijlen Peter R. de Vries kantoordirecteur van dit advocatenkantoor.
Mediaberichten Vanaf januari 2024 wordt in diverse media melding gemaakt van mogelijke omkoping, dan wel een poging hiertoe, van een selectiefunctionaris van de Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: DJI) door [klager] . Op 3 april 2024 wordt op de website geenstijl.nl een geluidsopname gepubliceerd van een gesprek waaraan volgens de website Peter R. de Vries, [klager] en [medeklager] zouden deelnemen. De inhoud van dit gesprek zou zien op het feit waarvan [klager] wordt verdacht. Volgens de website is het bestand bij hen terechtgekomen via ‘de drie musketiers’.
De verdenking Sinds 14 maart 2024 heeft het onderzoeksteam contact met een getuige, die in 2018 van [klager] het aanbod zou hebben gekregen om voor € 12.000,- een gunstiger detentieverloop te kunnen realiseren. Hiervoor zou een selectiefunctionaris, een oude studievriendin van [klager] , € 10.000,- ontvangen, waarbij er voor [klager] € 2.000,- overbleef. Dit zou hij eerder hebben gedaan bij een andere gedetineerde, die € 8.000,- zou hebben betaald aan [klager] .
Rapporten van de Deken en de DJI Op 27 maart 2024 heeft de deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten (hierna: de deken) de conclusies van haar onderzoek (naar aanleiding van de berichtgeving in de media) gepubliceerd op hun website. De deken heeft geen aanwijzingen kunnen vinden voor omkoping van selectiefunctionarissen of pogingen daartoe [klager] . Wel heeft hij zich volgens haar ongepast uitgelaten naar een cliënt om betaling van een factuur te verkrijgen. Op 4 april 2024 publiceerde de DJI een persbericht waarin stond dat het Bureau Integriteit (BI) heeft geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat er sprake is van een integriteitschending.
De verstrekte geluidsbestandenOp 5 april 2024 (daags na het rapport van de DJl) werd via het algemene mailadres van de Rijksrecherche een mail ontvangen, afkomstig van [e-mailadres 1]. De mail had als onderwerp [...] . Deze e-mail bevatte (links naar) zeven geluidsbestanden, die direct door een digitaal rechercheur zijn veiliggesteld, gescand op virussen en in een aparte geheimhoudersregistratie zijn opgeslagen, zodat het onderzoeksteam er geen toegang toe had.
De vordering van de officier van justitieOp 3 juli 2024 heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechter-commissaris zal beoordelen of sprake is van geheimhoudersinformatie en, zo ja, dan ook te beoordelen of desalniettemin tot het ter beschikking stellen aan het onderzoeksteam kan worden overgegaan.
De werkwijze van de rechter-commissaris Op 29 juli 2024 heeft de rechter-commissaris uit handen van één van de twee geheimhoudingsfunctionarissen een beveiligde USB stick ontvangen, met daarop zowel de geluidsbestanden als de schriftelijke uitwerking daarvan. Op 24 september 2024 heeft de rechter-commissaris het standpunt ingewonnen van de Amsterdamse deken, die zich op het standpunt stelde dat sprake was van geheimhoudersinformatie. Op 15, respectievelijk 16 oktober 2024 heeft de rechter-commissaris het standpunt ingewonnen van verdachte, [klager] en, klager, [medeklager] . Beiden stelden zich op het standpunt dat sprake was van geheimhoudersinformatie.
Het oordeel van de rechter-commissaris Op 25 oktober 2024 heeft de rechter-commissaris ten aanzien van vier van de zeven geluidsbestanden de standpunten van klagers (en de deken) gevolgd dat sprake is van geheimhoudersinformatie. Ten aanzien van drie geluidsbestanden heeft de rechter-commissaris geoordeeld dat weliswaar sprake is van geheimhoudersinformatie, maar ook dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan de waarheidsvinding dient te prevaleren boven het belang dat het verschoningsrecht dient. Er is immers “een serieuze verdenking dat een advocaat ten behoeve van een cliënt een selectiefunctionaris heeft omgekocht om een gunstiger detentieverloop te realiseren, ofwel dat deze advocaat een cliënt heeft geprobeerd op te lichten met de suggestie dat hij, de advocaat, een selectiefunctionaris kan omkopen voor een gunstiger detentieverloop. De publieke versie van het rapport van de deken van 27 maart 2024 - de enige versie waarvan de rechter commissaris kennis heeft - neemt deze verdenking niet weg.” Ook wordt gewezen op de essentiële rol van een advocaat binnen de rechtsstaat, het belang van integriteit, het (maatschappelijk) vertrouwen in de advocatuur en de rechtspleging en de nodige maatschappelijke beroering. Tot slot wordt nog opgemerkt dat de inbreuk op het verschoningsrecht van [medeklager] beperkter is: het betrof immers niet zijn eigen cliënt en zijn inbreng in de ‘driegesprekken’ is beperkt. Aan het vereiste van subsidiariteit is bovendien voldaan, waarbij een rol speelt dat Peter R. de Vries niet meer in leven is. Vervolgens heeft de rechter-commissaris delen van de gesprekken (die zich lenen voor waarheidsvinding) ter beschikking gesteld aan de officier van justitie.
Het beklag van [medeklager] en [klager] De klaagschriften van [klager] en [medeklager] verzetten zich tegen de beslissing van de rechter-commissaris van 25 oktober 2024.
(…)
Beklag Het beklag strekt tot vernietiging van de inbeslaggenomen geheimhoudersinformatie, te weten de (fragmenten van de) drie geluidsbestanden waarvan de rechter-commissaris heeft geoordeeld dat het verschoningsrecht moet wijken voor de waarheidsvinding.
(…)
Beoordeling De rechtbank stelt met betrekking tot het beroep op het verschoningsrecht het volgende voorop.
De aard van de hier aan de orde zijnde bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel over de vraag of brieven of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken, in beginsel toekomt aan de advocaat. Dit standpunt dient door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.
De rechtbank stelt aan de hand van de stukken en het onderzoek in raadkamer de volgende feiten en omstandigheden vast.
Het gebruik van mediaberichten in de opsporing In elk geval sinds 6 juni 2024 (de datum van het proces-verbaal van verdenking) is een verdenking ontstaan jegens [klager] dat hij zich - in zijn hoedanigheid van advocaat - schuldig zou hebben gemaakt aan (poging tot) omkoping, dan wel (poging tot) oplichting. De verdenking is mede ontstaan naar aanleiding van berichtgeving in diverse media sinds januari 2024. De rechtbank merkt hierover op dat het Openbaar Ministerie wel degelijk bevoegd is een strafrechtelijk onderzoek op te starten naar aanleiding van openbare informatie, óók als deze informatie verschoningsgerechtigde informatie bevat. De veel aangehaalde conclusie van advocaat-generaal Spronken wordt door de advocaten veel te ruim geïnterpreteerd, nu deze conclusie ziet op een andere situatie. In die situatie ging het erom dat als verschoningsgerechtigde informatie aan één instantie is verstrekt, dat er volgens Spronken niet toe mag leiden dat ook andere instanties kennis mogen nemen van die informatie. Dat laatste doet zich hier echter niet voor. De visie van de advocaten is niet alleen onjuist, maar ook rechtens en maatschappelijk absoluut onwenselijk, omdat het zou betekenen dat het Openbaar Ministerie op geen enkel maatschappelijk signaal met betrekking tot verschoningsgerechtigd materiaal zou mogen reageren. Hiermee wordt de klacht van de advocaten onder 7) verworpen.
(…) De werkwijze van de rechter-commissarisBij het inwinnen van de standpunten van [klager] en [medeklager] heeft de rechter-commissaris hen verzocht een standpunt in te nemen “ten aanzien van het verschoningsrecht met betrekking tot de opgenomen gesprekken”. Zowel [klager] , als [medeklager] stelde zich op het standpunt dat ten aanzien van alle gesprekken sprake was van verschoningsgerechtigde informatie, wat in de weg zou staan aan verstrekking aan het onderzoeksteam. Vervolgens volgde de rechter-commissaris het standpunt van [klager] en [medeklager] ten aanzien van vier van de zeven gesprekken, maar ten aanzien van fragmenten in de drie overige gesprekken was de rechter-commissaris van oordeel dat sprake was van uitzonderlijke omstandigheden die een doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigden. Wellicht hadden [klager] en [medeklager] niet kunnen voorzien dat de rechter-commissaris de geluidsbestanden per fragment zou beoordelen, maar zij hadden zich reeds op het standpunt gesteld dat sprake was van verschoningsgerechtigde informatie, een standpunt waar de rechter-commissaris in zekere zin in mee is gegaan. Vervolgens heeft de rechter-commissaris echter ten aanzien van enkele fragmenten geoordeeld dat sprake was van uitzonderlijke omstandigheden, op grond waarvan het verschoningsrecht moest wijken voor de waarheidsvinding. Dat is echter geen beslissing waar [klager] en [medeklager] (of hun advocaten) op dat moment in de procedure zich over mochten uitlaten; daar is deze beklagprocedure ex art. 98 jo. 552a Sv voor bedoeld (ECLI:NL:HR:2002:AD5297, ro. 5.4.3). De werkwijze van de rechter-commissaris bevat in dat opzicht dan ook geen gebreken. Hiermee wordt de klacht van de advocaten onder 2) verworpen.
(…)
Zeer uitzonderlijke omstandigheden Zoals eerder door de rechter-commissaris is overwogen in zijn beslissing van 25 oktober 2024 is het de vraag of de fragmenten van de drie geluidsbestanden onder het verschoningsrecht van [klager] en [medeklager] vallen. Een advocaat komt namelijk alleen een verschoningsrecht toe met betrekking tot wetenschap die hij in de normale uitoefening van zijn beroep heeft gekregen (zie ook HR 12 maart 2024, rov. 6.2.1). Gelet op de aard van de verdenking en de inhoud van de gesprekken is het de vraag of dat aan de orde was. Net als de rechter-commissaris zal de rechtbank (het antwoord op) deze vraag echter in het midden laten en zich richten op de vervolgvraag of, als al sprake zou zijn van verschoningsgerechtigde informatie, het belang dat het verschoningsrecht dient, zou moeten wijken voor het belang van de waarheidsvinding. De vraag ligt dan ook voor of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het verschoningsrecht van klager zou moeten worden doorbroken ten behoeve van de waarheidsvinding. De rechtbank stelt bij de beoordeling daarvan het volgende voorop.
Het verschoningsrecht van de advocaat is niet absoluut. Er zijn immers zeer uitzonderlijke omstandigheden denkbaar waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt – ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap de advocaat als zodanig is toevertrouwd – moet prevaleren boven het verschoningsrecht. Dit brengt mee dat de toestemming van de advocaat voor kennisneming van inbeslaggenomen gegevens die onder het verschoningsrecht vallen in zeer uitzonderlijke omstandigheden niet nodig is. De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt, laat zich niet in een algemene regel samenvatten. De enkele omstandigheid dat een advocaat als verdachte wordt aangemerkt is in ieder geval niet toereikend, maar wel de verdenking van een ernstig strafbaar feit. Dan zal het belang van die cliënten dat zij ervan moeten kunnen uitgaan dat de advocaat geheim houdt hetgeen zij hem in die criminele aangelegenheid hebben toevertrouwd moeten wijken voor het belang dat de waarheid aan het licht komt (Vgl. ECLI:NL:HR:2009:BH7284). Bij de beoordeling of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die de doorbreking van het verschoningsrecht van een advocaat rechtvaardigen, dienen de volgende factoren in aanmerking te worden genomen:- de aard en ernst van de verdenking in de strafzaak,- de omstandigheid of het een tegen de advocaat bestaande verdenking betreft,- het belang van de betreffende gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek, en- de vraag of de betreffende gegevens niet op andere wijze kunnen worden verkregen.
Aard en ernst van de verdenking [klager] wordt ervan verdacht zich te hebben schuldig gemaakt aan (poging tot) oplichting van een cliënt, dan wel (poging tot) omkoping van een ambtenaar in functie. De verdenking bestaat erin dat [klager] een van deze strafbare feiten heeft begaan in zijn hoedanigheid van advocaat. Volgens de advocaat van [klager] is dit niet alleen een “weinig ernstige” verdenking, er zou überhaupt geen begin van een verdenking jegens [klager] zijn. De rechtbank kan de advocaat niet volgen in deze stellingen. Dat er nog geen begin van een verdenking zou zijn, is, gelet op het (door de advocaat van [klager] in deze procedure ingebrachte) proces-verbaal van verdenking van 6 juni 2024 en de beslissing van de rechter-commissaris van 25 oktober 2024, een onbegrijpelijk standpunt. Uit deze stukken, en met name uit de daarin opgenomen passages van de geluidsbestanden, blijkt naar het oordeel van de rechtbank namelijk duidelijk een redelijke verdenking. Hier doen de rapporten van de deken en de DJI niets aan af. De door hen ingestelde onderzoeken vonden immers telkens plaats met beperkte onderzoeksmiddelen en enkel binnen het eigen domein, wat in beide gevallen een significant ander domein betreft dan een strafrechtelijk onderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie. Bovendien heeft het Openbaar Ministerie, net als de rechtbank, geen inzage gehad in het volledige rapport van de deken, waardoor het Openbaar Ministerie des te meer gerechtigd is onderzoek te doen. Het betreft verder een verdenking van een buitengewoon ernstig feit. Het gaat immers om een verdenking dat een advocaat een cliënt zou hebben opgelicht, dan wel een selectiefunctionaris van de DJl zou hebben omgekocht. Nu de verdenking eruit bestaat dat het feit door een advocaat is gepleegd, zou, bij een bewezenverklaring, sprake zijn van een grove integriteitsschending die ook nog eens in negatieve zin afstraalt op de gehele advocatuur als beroepsgroep. Dat dit een “weinig ernstig” feit zou zijn, vindt de rechtbank, gelet op de bijzondere aard van de verhouding tussen een advocaat en zijn of haar cliënt geen begrijpelijk standpunt Hiermee wordt de klacht van de advocaat van [klager] onder 8) verworpen.
Een tegen een advocaat bestaande verdenking In het geval van [klager] is sprake van een verdenking tegen hemzelf als advocaat, terwijl in het geval van [medeklager] hij zelf niet als verdachte is aangemerkt. In hoeverre dit van belang is voor de uitkomst van deze procedure (voor zowel [klager] , als [medeklager] ), zal de rechtbank hieronder (in de conclusie) meewegen.
Het belang van de gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek De gegevens zijn van essentieel belang voor het strafrechtelijk onderzoek. Immers, zo is de rechtbank gebleken uit onder meer het proces-verbaal van verdenking van 6 juni 2024 en de beslissing van de rechter-commissaris van 25 oktober 2024, een aanzienlijk deel van de verdenking en mogelijk bewijs zal gelegen zijn in de geluidsbestanden ten aanzien waarvan het verschoningsrecht is ingeroepen. Ook de officier van justitie heeft op de zitting het belang van de geluidsbestanden benadrukt. Ten behoeve van de waarheidsvinding zijn deze gegevens dan ook cruciaal.
Kunnen de gegevens op andere wijze worden verkregen? Een situatie waarin deze specifieke gegevens op andere wijze kunnen worden verkregen, laat zich moeilijk voorstellen. Het gaat namelijk om informatie die, in beginsel, onder het verschoningsrecht valt en dus niet kan worden gebruikt in een strafrechtelijk onderzoek. De informatie is bovendien alleen maar beschikbaar bij de twee personen die zich op hun verschoningsrecht zouden kunnen beroepen ( [klager] en [medeklager] ). Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de derde deelnemer aan de bewuste gesprekken (Peter R. de Vries ) niet meer in leven is.
De aard van de gegevens De rechtbank zal enkele aanvullende opmerkingen maken aangaande de aard en inhoud van de gegevens. Het gaat om drie opgenomen gesprekken, namelijk een gesprek tussen een voormalig cliënt van [klager] en Peter R. de Vries en twee gesprekken tussen de drie (voormalig) kantoorgenoten [klager] , [medeklager] en Peter R. de Vries . Ten aanzien van [medeklager] (klager) geldt dat hij een beperkte rol speelt. Het betreft immers niet zijn cliënt met wie is gesproken en zijn inbreng in de gesprekken is beperkt. Dat maakt dat ook een eventuele inbreuk op zijn verschoningsrecht beperkt van aard is. Daarbij komt dat in de driegesprekken niet wordt gesproken over een strafzaak, processtrategie of evidente zaken die het verdedigingsbelang dienen, maar vooral hoe een dubieuze kwestie zowel intern, als extern het beste kan worden afgewikkeld. De rechtbank meent dan ook dat de gegevens in elk geval niet tot de kern van het verschoningsrecht kunnen worden gerekend, wat meespeelt bij de weging of het belang dat het verschoningsrecht dient zou moeten prevaleren boven het belang van de waarheidsvinding.
Conclusie Als de rechtbank het voornoemde samenvat: er is sprake van een redelijke verdenking van een buitengewoon ernstig strafbaar feit jegens een advocaat ( [klager] ). De gegevens waarop het verschoningsrecht van toepassing is, zijn essentieel voor het onderzoek naar de verdenking jegens [klager] en kunnen niet op andere wijze worden verkregen. Hierbij is bovendien van belang dat de inhoud van de gegevens weliswaar binnen het domein van het verschoningsrecht vallen (en als zodanig worden getoetst), maar niet de kern ervan raken. Ten aanzien van [medeklager] geldt verder dat zijn rol en inbreng en daarmee de inbreuk op zijn verschoningsrecht, beperkt is. Weliswaar is de verdenking gericht tegen [klager] (als advocaat), maar gelet op de aard en inhoud van de gesprekken (zie hiervoor) is de rechtbank van oordeel dat ook ten aanzien van [medeklager] (ook kijkend naar zijn summiere inbreng in de gesprekken) een doorbreking van zijn verschoningsrecht (als niet-verdachte verschoningsgerechtigde) gerechtvaardigd is. De rechtbank is al met al van oordeel dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waardoor het maatschappelijk belang van de waarheidsvinding dient te prevaleren boven het maatschappelijk belang van het verschoningsrecht van [klager] en [medeklager] en de daarmee samenhangende beperkingen van de uitoefening van de beslag- en doorzoekingsbevoegdheden. Hiermee wordt de klacht van de advocaten onder 4), 5) en 6) verworpen.
De rechtbank zal daarom het beklag van zowel [klager] , als [medeklager] ongegrond verklaren.
De rechtbank sluit af met een algemene overweging. De rechtbank onderkent het grote belang dat het verschoningsrecht dient en het is met recht een hoeksteen van de rechtsstaat te noemen. Verschoningsgerechtigden en hun cliënten moeten immers in alle vrijheid met elkaar kunnen communiceren, waarbij zij er op moeten kunnen vertrouwen dat deze communicatie niet naar buiten komt, of ter beschikking wordt gesteld aan opsporingsinstanties. De keerzijde van dit grote belang is echter, dat als sprake is van een redelijke verdenking van een ernstig strafbaar feit jegens een verschoningsgerechtigde, deze verdenking ook uiterst serieus wordt genomen.
Beslissing De rechtbank verklaart het beklag, van zowel [klager] , ais [medeklager] ongegrond.”
4. Ontvankelijkheid van het beklag
4.1
Dat de rechtbank kennelijk geen aandacht heeft besteed aan de ontvankelijkheid van het klaagschrift, roept vragen op die ik hier ambtshalve aan de orde stel. Het probleem is in de kern dat de gegevens waarop het klaagschrift gericht is, vrijwillig aan de politie zijn verstrekt, terwijl de wettelijke beklagmogelijkheden op het eerste gezicht slechts betrekking lijken te hebben op voorwerpen en gegevens die (aanvankelijk) zijn verkregen door het gebruik van opsporingsbevoegdheden.
4.2
Ik zal daarom hierna de reikwijdte van de wettelijke beklagmogelijkheden nader onderzoeken. Daartoe zal ik het wettelijke kader uiteenzetten, met daarbij aandacht voor het onderscheid tussen inbeslagneming van voorwerpen en de vastlegging van gegevens. Daarna zal ik nagaan hoe de onderscheiden wettelijke regelingen in de rechtspraak wordt toegepast. Vervolgens zal ik bespreken hoe het klaagschrift door de rechtbank is uitgelegd en ingaan op de ontvankelijkheid van het beklag. Als eerste wil ik echter iets zeggen over het verschoningsrecht en de belangen die daarmee zijn gemoeid. Dit maakt deel uit van de context waarin de wettelijke regeling moet worden begrepen.
Het verschoningsrecht
4.3
De Hoge Raad heeft het verschoningsrecht van (onder andere) advocaten, het beginsel dat daaraan ten grondslag ligt en de reikwijdte ervan samengevat in HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375 (met weglating van voetnoten):
“6.2.1Op grond van art. 218 Sv kan degene die uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding is verplicht, zich op zijn verschoningsrecht beroepen over hetgeen waarvan de wetenschap aan hem als zodanig is toevertrouwd. Aan dit verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden. Het verschoningsrecht ziet daarbij op de wetenschap die rechtstreeks verband houdt met de taakuitoefening van de verschoningsgerechtigde. Dit betekent dat een advocaat alleen een verschoningsrecht toekomt met betrekking tot de wetenschap die hij in de normale uitoefening van zijn beroep heeft verkregen, dat wil zeggen wat hem is toevertrouwd in het kader van zijn juridische dienstverlening aan een rechtzoekende die zich tot hem heeft gewend vanwege zijn hoedanigheid van advocaat.
6.2.2
Algemeen uitgangspunt daarbij is dat het voor een beroep op het verschoningsrecht niet van belang is of de informatie waar het om gaat zich al dan niet bij de verschoningsgerechtigde zelf bevindt. De bescherming van het verschoningsrecht strekt zich bijvoorbeeld uit tot geprivilegieerde gegevens van een verschoningsgerechtigde die zijn opgeslagen bij een aanbieder van een communicatiedienst, ook als die gegevens door toedoen van een cliënt daar zijn opgeslagen.
6.2.3
Het verschoningsrecht is in zoverre niet absoluut dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden kunnen voordoen waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt – ook betreffende datgene waarvan de wetenschap de verschoningsgerechtigde als zodanig is toevertrouwd – moet prevaleren boven de eerbiediging van het verschoningsrecht.”
Relevante bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering
4.4
Ik haal de meest revelante wetsbepalingen aan:
Artikel 98 Sv:“1. Bij personen met bevoegdheid tot verschooning, als bedoeld bij de artikelen 218 en 218a, worden, tenzij met hunne toestemming, niet in beslag genomen brieven of andere geschriften, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt. De rechter-commissaris is bevoegd ter zake te beslissen.2. Indien de persoon met bevoegdheid tot verschoning bezwaar maakt tegen de inbeslagneming van brieven of andere geschriften omdat zijn plicht tot geheimhouding zich daartoe uitstrekt, wordt niet tot kennisneming overgegaan dan nadat de rechter-commissaris daarover heeft bepaald.3. De rechter-commissaris die beslist dat inbeslagneming is toegestaan, deelt de persoon met bevoegdheid tot verschoning mede dat tegen zijn beslissing beklag open staat bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd en tevens dat niet tot kennisneming wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag is beslist.4. Tegen de beschikking van de rechter-commissaris kan de persoon met bevoegdheid tot verschoning binnen veertien dagen na de betekening daarvan een klaagschrift indienen bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd. Artikel 552a is van toepassing.5. Een doorzoeking vindt bij zodanige personen, tenzij met hun toestemming, alleen plaats voor zover het zonder schending van het stands-, beroeps- of ambtsgeheim kan geschieden, en strekt zich niet uit tot andere brieven of geschriften dan die welke het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben.6. De rechter-commissaris kan zich bij de beoordeling van de aannemelijkheid van het beroep van de verschoningsgerechtigde op zijn geheimhoudingsplicht laten voorlichten door een vertegenwoordiger van de beroepsgroep waartoe de verschoningsgerechtigde behoort.”
Artikel 125i Sv:
Aan de rechter-commissaris, de officier van justitie, de hulpofficier van justitie en de opsporingsambtenaar komt onder dezelfde voorwaarden als bedoeld in de artikelen 96b, 96c, eerste, tweede en derde lid, 97, eerste tot en met vierde lid, en 110, eerste en tweede lid, de bevoegdheid toe tot het doorzoeken van een plaats ter vastlegging van gegevens die op deze plaats op een gegevensdrager zijn opgeslagen of vastgelegd. In het belang van het onderzoek kunnen zij deze gegevens vastleggen. De artikelen 96, tweede lid, 98, 99 en 99a zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 552a leden 1, 2 en 8 Sv:“1.De belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over inbeslagneming, over het gebruik van in beslag genomen voorwerpen, over het uitblijven van een last tot teruggave, over het al dan niet toepassen van de in artikel 116, vierde lid, neergelegde bevoegdheid, over de vordering van gegevens, over het bevel toegang te verschaffen tot een geautomatiseerd werk of delen daarvan, tot een gegevensdrager of tot versleutelde gegevens dan wel kennis omtrent de beveiliging daarvan ter beschikking te stellen, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking of op vordering verstrekt, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk en vastgelegd bij een onderzoek in zodanig werk, over de kennisneming of het gebruik van gegevens als bedoeld in de artikelen 100, 101 en 114, over de vordering gegevens te bewaren en beschikbaar te houden, alsmede over de ontoegankelijkmaking van gegevens, aangetroffen in een geautomatiseerd werk, bedoeld in de artikelen 125o en 126cc, vijfde lid, de opheffing van de desbetreffende maatregelen of het uitblijven van een last tot zodanige opheffing. De belanghebbenden kunnen zich voorts schriftelijk beklagen over een bevel tot het ontoegankelijk maken van gegevens, bedoeld in artikel 125p. Over het beklag, bedoeld in de vorige volzin, beslist het gerecht zo spoedig mogelijk.2. De belanghebbenden kunnen schriftelijk verzoeken om vernietiging van gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking of op vordering verstrekt.(…)8. Indien het klaagschrift is ingediend door een persoon met de bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in artikel 218 beslist het gerecht binnen dertig dagen na ontvangst van het klaagschrift.”
Artikel 552d leden 1, 2 en 3:“1. Een beschikking ingevolge artikel 552a, 552ab of 552b wordt onverwijld aan de klager betekend.2. Beroep in cassatie kan door het openbaar ministerie worden ingesteld binnen veertien dagen na de dagtekening der beschikking, en door de klager binnen veertien dagen na de betekening.3. Indien het klaagschrift is ingediend door een persoon met de bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in artikel 218 beslist de Hoge Raad binnen negentig dagen na indiening van de schriftuur. Artikel 447 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn voor indiening van middelen van cassatie veertien dagen bedraagt.”
4.5
Uit dit, niet altijd even overzichtelijke, wettelijke stelsel volgt dat degene die bij de rechtbank de bescherming wil inroepen die toekomt aan geheimhoudersinformatie, verschillende rechtsingangen heeft.2.De regeling van art. 98 (en 125i) Sv voorziet, kort gezegd, in een beslissing van de rechter-commissaris of het verschoningsrecht toestaat dat voorwerpen in beslag worden genomen dan wel gegevens worden vastgelegd of ter beschikking gesteld. Tegen die beslissing kan een klaagschrift worden ingediend bij de rechtbank en tegen de beschikking van de rechtbank kan cassatie worden ingesteld. Zowel de duur van de procedure bij de rechtbank als de procedure bij de Hoge Raad is aan een termijn gebonden. Art. 552a lid 1 Sv voorziet daarnaast in een groot aantal andere mogelijkheden tot beklag bij de rechtbank, onder ander over inbeslagneming en over het gebruik en de kennisneming van gegevens. Art. 552a lid 2 Sv voorziet ten slotte in de mogelijkheid de rechtbank om vernietiging van gegevens te verzoeken. Ook tegen deze beschikkingen van de rechtbank kan cassatie worden ingesteld.
4.6
Daarbij dient in het oog te worden gehouden dat beslaglegging alleen mogelijk is op voorwerpen (art. 94 en 94a Sv). Gegevens als zodanig zijn geen voorwerpen en daarop kan dus geen beslag worden gelegd. Dat is anders voor een gegevensdrager en (de fysieke verschijning van) een geautomatiseerd werk.3.De gegevens die in een dergelijk inbeslaggenomen voorwerp worden aangetroffen, mogen in beginsel worden onderzocht.4.Verder bestaat de mogelijkheid om gegevens vast te leggen en de wet kent verschillende bevoegdheden om gegevens te vorderen.5.Daarbij geldt dat het verschoningsrecht ook betrekking kan hebben op gegevens zoals geluidsbestanden6.en camerabeelden7..
Art. 98 Sv
4.7
De wetgever heeft voor informatie die wordt verkregen bij verschoningsgerechtigden in het bijzonder de procedure van art. 98 Sv in het leven geroepen, met, zoals gezegd, een beslissing van de rechter-commissaris, beklag bij de rechtbank en cassatie bij de Hoge Raad. Deze wettelijke regeling is ingevoerd per 1 maart 20158.met als doel de doorlooptijden van geschillen over de status van mogelijke geheimhoudersinformatie te verkorten. Vóór de invoering van deze procedure diende te worden afgewacht totdat de geheimhouder een klaagschrift indiende op basis van art. 552a Sv. Door een aparte rechtsingang te creëren en de behandeling van het klaagschrift (art. 552a lid 8 Sv) en de eventueel tegen de beslissing van de rechtbank ingestelde cassatie (art. 552d Sv) aan termijnen te binden, werd verwacht dat informatie die niet onder het verschoningsrecht zou blijken te vallen sneller ter beschikking zou komen van de opsporing. Tegelijkertijd werd voorkomen dat tussentijdse, achteraf als onrechtmatig beoordeelde, kennisneming van de inhoud van stukken gevolgen zou hebben voor de bewijsverzameling in de strafzaak.9.
4.8
Deze procedure was dus bedoeld als een aanvulling op de destijds reeds in art. 552a Sv opgenomen rechtsmiddelen en kent, zowel wat het subject als het object betreft, beperkingen. Het beklag kan alleen worden ingediend door de verschoningsgerechtigde zelf.10.Verder is de procedure volgens de tekst van art. 98 lid 1 Sv alleen van toepassing op de inbeslagneming van brieven en andere geschriften bij de verschoningsgerechtigde.11.Hieraan is een wettelijke uitbreiding gegeven in art. 125i Sv. Art. 98 Sv wordt daar van overeenkomstige toepassing verklaard op gegevens die zijn vastgelegd bij een daarop gerichte doorzoeking. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de rechter-commissaris dat de inbeslagneming respectievelijk de kennisneming van gegevens is toegestaan.12.
4.9
In de rechtspraak is het bereik van art. 98 Sv echter vergroot. Zo spreekt art. 98 lid 1 Sv weliswaar over inbeslagneming “[b]ij personen met bevoegdheid tot verschooning”, maar doet het volgens de Hoge Raad niet ter zake “of de desbetreffende stukken en/of gegevens zich bij de verschoningsgerechtigde zelf of bij diens cliënt bevinden”.13.Onder het bereik van 125i Sv vallen verder niet alleen gegevens die op het moment van een doorzoeking zijn vastgelegd. Met overeenkomstige toepassing van art. 98 lid 4 Sv kan ook worden geklaagd over gegevens die zijn gekopieerd van in beslag genomen gegevensdragers, zelfs als die gegevensdagers later weer zijn teruggegeven.14.
4.10
Vermelding verdient hierbij ook HR 19 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1268. In die zaak deed zich het “bijzondere geval” voor, kort weergegeven, dat (i) de rechter-commissaris diende na te gaan of stukken of gegevens onder een verschoningsrecht vielen en de beslagene daarvoor een lijst met geheimhouders had verstrekt, (ii) de officier van justitie een afschrift wilde van deze lijst dan wel anderszins wilde kennisnemen van de namen die daarop stonden en (iii) de beslagene zich daartegen verzette. De Hoge Raad overwoog als eerste dat in die situatie deze lijst niet “als zodanig” in beslag is genomen.15.De rechter-commissaris mag verder in beginsel de officier van justitie geen afschrift geven of kennis laten nemen van de lijst. Doet hij dat toch omdat bijvoorbeeld zeer uitzonderijke omstandigheden bestaan, dan moet hij “een beslissing nemen overeenkomstig artikel 98 Sv”.16.Tegen die beslissing staat beklag open ex art. 98 lid 4 Sv.17.Ik stel vast dat de Hoge Raad art. 98 Sv dus van overeenkomstige toepassing acht in een geval waarin het niet gaat om een in beslag genomen stuk of om gegevens die zijn vastgelegd bij een doorzoeking.18.De reden hiervoor vermeldt de Hoge Raad niet, maar aangenomen mag worden dat van belang wordt geacht dat een voorgenomen inbreuk op het verschoningsrecht (tijdig) wordt getoetst.
4.11
De procedure van art. 98 Sv heeft in de rechtspraak van de Hoge Raad ook de betekenis gekregen van een voorliggende voorziening. Zo is uitgemaakt dat de officier van justitie gehouden is bij de rechter-commissaris toepassing ervan te vorderen als “met het oog op het waarborgen van de met het verschoningsrecht beoogde belangen het volgen van de procedure van artikel 98 Sv noodzakelijk is”.19.In het geval van een klacht ex art. 552a Sv over geheimhoudersgegevens die is ingediend door een ander dan de verschoningsgerechtigde zelf, dient eerst de procedure van art. 98 Sv te worden gevolgd. Daarna dient te worden afgewacht of de verschoningsgerechtigde zelf een klaagschrift indient en, zo ja, wat daarop wordt beslist. De uitkomst van die procedure bepaalt het lot van het eerdere 552a Sv-klaagschrift van de niet-verschoningsgerechtigde.20.Zo nodig houdt de rechtbank de behandeling van het 552a Sv-klaagschrift aan voor het volgen van de 98 Sv-procedure.21.
4.12
Deze beweging naar een centrale rol22.voor de rechter-commissaris bij de beoordeling van potentiële geheimhoudersgegevens heeft een parallel in hetgeen de Hoge Raad overwoog in HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, rov. 6.5.4. Daarin ging het over gegevens die door het openbaar ministerie niet waren verkregen door inbeslagneming of vastlegging maar door een vordering. De Hoge Raad constateerde over het toepasselijke art. 126aa Sv “dat het de bedoeling van de wetgever is geweest – ook al heeft dit geen specifieke uitwerking in die wettelijke regeling gekregen – dat de rechter-commissaris een centrale rol heeft bij de selectie van de geprivilegieerde gegevens als dat nodig is om het verschoningsrecht van geheimhouders te waarborgen.” De ratio hiervan is dat het beginsel achter het verschoningsrecht wordt ondergraven als de officier van justitie en opsporingsambtenaren kunnen kennisnemen van informatie die (vermoedelijk) voorwerp is van verschoningsrecht.23.
4.13
Deze rol van de rechter-commissaris kan echter niet altijd op art 98 Sv worden gebaseerd, zodat ook niet altijd het rechtsmiddel van art. 98 lid 4 Sv beschikbaar is. Zo is art 98 Sv niet van toepassing op informatie die niet in beslag wordt genomen of vastgelegd, maar is verkregen door een vordering.24.In het kader van de onderhavige zaak is verder relevant HR 25 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:456. Daarin oordeelde de Hoge Raad over gegevens die volgens de Hoge Raad niet in beslag waren genomen, maar door de Belastingdienst op grond van een wettelijke regeling waren verstrekt aan de FIOD en het openbaar ministerie. Deze stukken waren door de betreffende advocaat ingebracht in een fiscale procedure bij het gerechtshof. De Belastingdienst had de stukken op zijn beurt ontvangen als partij in die procedure. Omdat in zo’n geval geen sprake is van inbeslagneming, stond volgens de Hoge Raad niet de beklagmogelijkheid van art. 98 Sv open.
4.14
4.15
Van de vele beklagmogelijkheden die art. 552a Sv biedt, zijn in dit verband vooral van belang het beklag over het gebruik en de kennisneming van gegevens in het eerste lid en het verzoek om vernietiging van gegevens in het tweede lid.25.Deze rechtsmiddelen staan ter beschikking van belanghebbenden. Daaronder kunnen worden begrepen personen waaronder beslag is gelegd of die een recht hebben op de gegevens, maar ook verschoningsgerechtigden.26.
4.16
Net als art. 98 Sv kent de tekst van deze wettelijke regeling een beperking in object. Het beklag over kennisneming en gebruik van gegevens dient betrekking te hebben op gegevens die hetzij zijn “vastgelegd tijdens een doorzoeking of op vordering verstrekt”, hetzij zijn “opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk en vastgelegd bij een onderzoek in zodanig werk”. De bevoegdheid vernietiging te verzoeken sluit aan bij het eerstgenoemde. Ook daar moet het dus gaan om gegevens die zijn “vastgelegd tijdens een doorzoeking of op vordering verstrekt”.
4.17
Wat hieronder valt en wat dus de grenzen zijn van de beklag- en verzoekmogelijkheden, kan nauw luisteren. Wanneer voorwerpen in beslag zijn genomen waarop zich gegevens bevinden en waar verder geen handelingen mee zijn verricht, kan geen verzoek worden gedaan tot vernietiging van deze gegevens. Evenmin is dan sprake van gegevens die zijn opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk en vastgelegd bij een onderzoek in zodanig werk.27.Van dit laatste kan wel sprake zijn zodra die gegevens uit een geautomatiseerd werk door de autoriteiten zijn vastgelegd.28.
4.18
Een uitbreiding dan wel nuancering van deze rechtspraak vloeit voort uit HR 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:578. In die zaak ging het om inbeslaggenomen gegevensdragers waarop zich geheimhoudersgegevens zouden bevinden. De rechter-commissaris heeft deze “(forensische kopie van) een gegevensdrager” ‘ontsloten’ en geoordeeld dat van een groot aantal bestanden geen kennis mocht worden genomen en dat deze moesten worden vernietigd. Die vernietiging had hier de vorm van uitgrijzen. Kort gezegd houdt dit in dat de gegevens nog wel zijn opgeslagen, maar niet meer toegankelijk zijn voor de opsporingsautoriteiten. Om deze ontoegankelijkheid door de rechter te laten controleren, kan volgens de Hoge Raad de verschoningsgerechtigde een verzoek ex art. 552a lid 2 Sv doen tot vernietiging van gegevens die zijn vastgelegd tijdens een doorzoeking als bedoeld in artikel 125i Sv of die op vordering zijn verstrekt. De Hoge Raad verwoordt dit als volgt: “Gelet op de belangen die met het verschoningsrecht zijn gemoeid, brengt redelijke wetstoepassing mee dat een vergelijkbare procedure kan worden gevolgd met betrekking tot gegevens die zijn ontleend aan inbeslaggenomen gegevensdragers. Daarvoor kan aansluiting worden gezocht bij de regeling van artikel 552a lid 2 Sv.”29.
4.19
Hier wordt dus ten eerste een minder strikt onderscheid gemaakt tussen een gegevensdrager en de gegevens die uit die gegevensdrager zijn gekopieerd. Ten tweede wordt het toepassingsbereik van art. 552a lid 2 Sv uitgebreid wat het object betreft, althans wordt deze regeling analoog toegepast voor gegevens “ontleend aan” inbeslaggenomen gegevensdragers. De grondslag voor deze uitbreiding is een redelijke wetsuitleg in het licht van de belangen die met het verschoningsrecht zijn gemoeid.
4.20
Een soortgelijk beroep op het belang van het verschoningsrecht is te vinden in HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:403. De verschoningsgerechtigde had onder andere geklaagd over het gebruik en de kennisneming van gegevens, maar overleed voordat de Hoge Raad uitspraak deed. Normaliter zou dit leiden tot het vervallen van het klaagschrift. De Hoge Raad oordeelt in deze zaak echter anders, gelet op “het belang van de rechtzoekenden die zich in deze zaak om bijstand en advies tot de klager als verschoningsgerechtigde hebben gewend” en verwijst daarmee naar het maatschappelijk belang dat aan het verschoningsrecht ten grondslag ligt.30.
4.21
Ten slotte vermeld ik ook hier HR 19 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1268 over de verstrekking van een lijst met geheimhouders. Naast de al beschreven overeenkomstige toepassing van art. 98 Sv waardoor verschoningsgerechtigden kunnen opkomen tegen de voorgenomen vrijgave van die lijst, ziet de Hoge Raad ook reden voor de uitbreiding van het toepassingsbereik van art. 552a lid 1 Sv. De Hoge Raad benadrukt de nauwe samenhang tussen enerzijds de inbeslaggenomen stukken of gegevens en anderzijds de lijst die wordt gebruikt om uit die stukken en gegevens geprivilegieerd materiaal te filteren. Vanwege die band brengt een “redelijke wetstoepassing” mee dat ook de beslagene een klaagschrift als bedoeld in art. 552a lid 1 Sv kan indienen, namelijk tegen de voorgenomen kennisneming door de officier van justitie van de vermelding van namen op de lijst van geheimhouders.31.
4.22
In de hier genoemde gevallen is dus sprake van een uitleg van de wet die al in de fase van het opsporingsonderzoek rechterlijke controle mogelijk maakt op (potentiële) inbreuken op het verschoningsrecht. Desondanks blijven er gevallen waarin een dergelijke controle ontbreekt. Daarbij kan wederom worden gewezen op HR 25 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:456 over de stukken die werden ingebracht in de fiscale procedure bij het hof. Omdat de Belastingdienst deze gegevens op grond van een wettelijke regeling had verstrekt aan de FIOD en het openbaar ministerie, waren zij volgens de Hoge Raad niet verkregen door een vordering. Daarmee waren het geen gegevens als bedoeld in art. 552a lid 1 Sv, te weten “gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking of op vordering verstrekt”.32.Het indienen van een klaagschrift is dan niet mogelijk.
Art. 359a Sv
4.23
In de rechtspraak van de Hoge Raad is er verschillende keren op gewezen dat wel altijd bij het onderzoek ter zitting een beroep kan worden gedaan op een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv. De verdachte heeft dan de mogelijkheid in de strafzaak het verweer te voeren dat onderzoeksresultaten die door een vormverzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit. De verdachte kan een dergelijk verweer voeren op de grond dat door het gebruik van bepaalde (digitale) stukken of gegevens het verschoningsrecht wordt geschonden. Als de verdachte dit verweer voert en daarbij gemotiveerd aanvoert dat hij door het gebruik van de betreffende onderzoeksresultaten in zijn belangen is of zal worden aangetast, is de strafrechter gehouden op dat verweer te beslissen overeenkomstig art. 359a Sv.33.Deze mogelijkheid om ter zitting verweer te voeren noemt de Hoge Raad ook in het arrest over de stukken die in de fiscale procedure zijn ingebracht.34.
Afronding wettelijk kader
4.24
De artikelen 98 en 552a Sv bieden verschillende mogelijkheden voor tussentijdse rechterlijke controle op (potentiële) inbreuken op het verschoningsrecht. Soms overlappen deze mogelijkheden elkaar, bijvoorbeeld als gegevens worden vastgelegd bij een doorzoeking. Op grond van art. 125i kan dan de procedure van 98 Sv worden gevolgd. Tegelijkertijd is het mogelijk te klagen over het gebruik of de kennisneming van gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking (art. 552a lid 1 Sv) en kan worden verzocht om de vernietiging van dergelijke gegevens (art. 552a lid 2 Sv).
4.25
Dit brede palet aan controlemogelijkheden voorkomt voor een deel dat er gaten vallen in de rechtsbescherming. Waar bijvoorbeeld alleen de verschoningsgerechtigde een klaagschrift kan indienen op grond van art. 98 lid 4 Sv, kan de cliënt van de verschoningsgerechtigde een beroep doen op art. 552a Sv. In de rechtspraak van de Hoge Raad wordt deze samenloop gereguleerd door de procedure leidend te maken die door de verschoningsgerechtigde wordt gevoerd, wiens verschoningsrecht immers in het geding is.35.Zoals beschreven, kan daarnaast een verzoek tot vernietiging van gegevens ex art. 552a Sv worden gebruikt om door de rechter te laten controleren of een, bijvoorbeeld op grond van art. 98 Sv bevolen, vernietiging of ontoegankelijkmaking van gegevens correct is uitgevoerd.
4.26
In de rechtspraak is verder een tendens te bespeuren van een ruime uitleg van de wettelijke mogelijkheden om de rechter in te schakelen om onterechte inbreuk op het verschoningsrecht te voorkomen. Aan hetgeen daarover hiervoor al is weergegeven, kan worden toegevoegd het geval waarin een grote hoeveelheid gegevens is verkregen door een vordering, zoals besproken in HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375. (Zeer) kort samengevat constateert de Hoge Raad hier een leemte in de wetgeving als het gaat om de filtering van deze gegevens op de aanwezigheid van geheimhoudersinformatie. Wanneer deze filtering alleen mogelijk is door kennis te nemen van de betreffende gegevens, dan dient deze op vordering van de officier van justitie door of onder verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris plaats te vinden. De Hoge Raad overweegt vervolgens over de wettelijke grondslag voor een dergelijke vordering en filtering: “Hoewel de regeling van art. 181 Sv niet specifiek daarop is toegesneden, staat geen rechtsregel eraan in de weg dat de officier van justitie daartoe een vordering tot de rechter-commissaris richt.”
4.27
Een ruime uitleg van de wet bevordert dat de rechter-commissaris oordeelt over de status van informatie voordat het openbaar ministerie en opsporingsambtenaren daarvan kennisnemen. Dit voorkomt niet alleen een ongerechtvaardigd inbreuk op het verschoningsrecht, maar ook dat later onrechtmatig geoordeelde gegevens problemen opleveren in het vervolg van de strafzaak36.. Dit geldt a fortiori als de beslissing van de rechter-commissaris voorafgaand aan de verstrekking van de gegevens kan worden getoetst door de rechtbank en de Hoge Raad.
4.28
Dit vindt echter zijn begrenzing in het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. De rechter kan geen afzonderlijke rechtsingang openstellen waar de wet dit heeft nagelaten. Wanneer deze afzonderlijke rechtsingang ontbreekt, zal in beginsel alleen de zittingsrechter zich over de gestelde schending van het verschoningsrecht kunnen buigen. Het beroepsgeheim is dan echter al geschonden en de gevolgen voor de bewijsvoering zijn dan onzeker.
Ontvankelijkheid van het beklag in deze zaak
4.29
Zoals blijkt uit (de kop van) de bestreden beschikking, behandelt de rechtbank het klaagschrift in ieder geval als een beklag op grond van art. 98 lid 4 Sv. Ook de aangehaalde beslissing van de rechter-commissaris en het klaagschrift hebben naar eigen zeggen het oog gehad op de procedure van art. 98 Sv, net als de oorspronkelijke vordering van de officier van justitie. Bij dit laatste moet echter worden opgemerkt dat art. 98 Sv niet enkel door een dergelijke vordering van toepassing kan worden, maar dat daarvoor aan de materiële toepassingsvoorwaarden moet zijn voldaan.
4.30
Daarbij is van belang dat volgens de vaststellingen van de rechtbank de audiobestanden vrijwillig door een onbekend persoon aan de rijksrecherche zijn verstrekt. Dit gebeurde door de toezending van een mail met daarin downloadlinks naar de betreffende bestanden. Volgens de rechtbank zijn de bestanden vervolgens meteen “veiliggesteld, gescand op virussen en in een aparte geheimhoudersregistratie opgeslagen, zodat het onderzoeksteam er geen toegang toe had”. Vervolgens zijn de bestanden opgeslagen op een beveiligde usb-stick en is een transcriptie gemaakt, die beide aan de rechter-commissaris zijn overhandigd.
4.31
Dat de rijksrecherche daarbij enig dwangmiddel heeft gebruikt, heeft de rechtbank niet vermeld en dit volgt ook niet uit de genoemde vaststellingen. De bestanden zijn immers vrijwillig verstrekt. Het downloaden en vastleggen van deze gegevens vereist ook niet noodzakelijkerwijs het gebruik van enige bevoegdheid.
4.32
Daarmee is dus ook geen sprake van een inbeslagneming, laat staan van een inbeslagneming in de zin van art. 98 Sv. De betreffende geluidsbestanden zijn immers geen voorwerpen, maar enkel gegevens. Zoals onder 4.6 uiteengezet is beslaglegging dan niet mogelijk. Evenmin is sprake van de situatie als bedoeld in art. 125i Sv. De gegevens zijn namelijk niet vastgelegd tijdens een doorzoeking.
4.33
Daarmee is de kous echter niet zonder meer af omdat dan nog wel overeenkomstige toepassing van art. 98 Sv aan de orde zou kunnen zijn. Hiervoor heb ik al op een dergelijk geval gewezen, te weten HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2537.37.In de zaak die aan dit arrest ten grondslag lag, werden bij de aanhouding van een advocaat diens telefoons in beslag genomen. Van die telefoons werd een kopie (‘image’) gemaakt, waarna ze aan de advocaat werden teruggegeven. Het beklag tegen de kennisneming van de inhoud van deze kopieën werd door de rechtbank beoordeeld in het licht van art. 98 Sv en vervolgens niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad kon zich echter met dat deel van de beschikking van de rechtbank niet verenigen. Hij maakt eerst een vergelijking met de bevoegdheid van art. 125i Sv en merkt in dat verband op dat het niet in strijd is met het recht om gegevens die op inbeslaggenomen gegevensdragers worden aangetroffen in het belang van het onderzoek vast te leggen. De Hoge Raad vervolgt dan: “Overeenkomstige toepassing van art. 98 Sv brengt mee dat het eerst aan de Rechter-Commissaris is om te beslissen over het beroep op het verschoningsrecht dat is gedaan ten aanzien van gegevens die zijn opgeslagen op de gegevensdragers. Ingevolge art. 98, vierde lid, Sv kan de verschoningsgerechtigde tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift indienen bij de Rechtbank.“
4.34
Beargumenteerd kan worden dat in de onderhavige zaak dezelfde overeenkomstige toepassing van art. 98 Sv aangewezen is. Ook hier gaat het om gegevens die in het belang van het onderzoek zijn vastgelegd. Wel anders is het dat deze gegevens niet zijn ontleend aan inbeslaggenomen voorwerpen. Hoewel dit geen onbelangrijk verschil is in het licht van de beschreven wettelijke systematiek, waarin de inzet van dwangmiddelen en zeker ook inbeslagneming een belangrijk aanknopingspunt is voor beklagmogelijkheden, zou dit overeenkomstige toepassing van art. 98 Sv niet de weg hoeven te staan.
4.35
Ik heb in wet en wetsgeschiedenis geen aanwijzing gevonden dat de wetgever het geval dat geheimhoudersgegevens niet via dwangmiddelen worden verkregen, maar ook niet vrijwillig door de verschoningsgerechtigde zijn verstrekt aan de opsporingsautoriteiten, van de toepassing van art. 98 Sv heeft willen uitsluiten. Meer voor de hand ligt dat de wetgever een dergelijk geval niet heeft voorzien. Dit laat de mogelijkheid open aansluiting te zoeken bij de ratio van de wet. De bestaansreden van art. 98 Sv is niet in de eerste plaats gelegen in het reguleren van dwangmiddelen, maar in de bescherming van het verschoningsrecht en de integriteit van het strafproces.
4.36
Dit belang is zonder meer aan de orde in deze zaak, waarin op voorhand al het redelijke vermoeden bestond dat de verstrekte gegevens (deels) onder een verschoningsrecht zouden vallen. Dit belang werd ook ingezien door de rechter-commissaris, de klagers, de rechtbank en zeker ook de officier van justitie, die zelf het initiatief nam om een vordering in te dienen tot toepassing van art. 98 Sv.
4.37
Ik zie niet in dat dan van doorslaggevend belang moet zijn dat geen dwangmiddel is toegepast om de gegevens te verkrijgen, terwijl wel de handeling van vastlegging van de gegevens is verricht. Overeenkomstige toepassing van art. 98 Sv zou bovendien wel aan de orde zijn geweest als de bestanden niet via een downloadlink, maar op een usb-stick aan de politie zouden zijn verstrekt. Die usb-stick zou dan in beslag zijn genomen, waarna de daarop aanwezige bestanden hadden kunnen worden vastgelegd.38.Ik zou ervoor willen pleiten de mate van bescherming van het verschoningsrecht niet te laten afhangen van de toevallig gekozen techniek. Voor een te grote oprekking van het bereik van art. 98 Sv hoeft in een bijzonder geval als dit niet te worden gevreesd.39.
4.38
Zou art. 98 Sv hier niet van overeenkomstige toepassing zijn, dan lees ik in de door de rechtbank gegeven omschrijving van het beklag dat zij het klaagschrift tevens heeft aangemerkt als een verzoek tot vernietiging van gegevens.40.Hoewel het op zichzelf binnen de procedure van art. 98 Sv mogelijk is dat de rechter-commissaris beslist tot vernietiging van bepaalde gegevens,41.kunnen de procedures van art. 98 Sv en art. 552a lid 2 Sv goed samengaan.42.Deze uitleg van het klaagschrift door de rechtbank ligt dan ook voor de hand.
4.39
Ook bij art. 552a lid 2 Sv geldt dat op zichzelf niet aan de wettelijke voorwaarden voor het beklag is voldaan, te weten dat de gegevens zijn vastgelegd tijdens een doorzoeking of op vordering zijn verstrekt. Zoals ik heb uiteengezet kan een redelijke wetsuitleg in het licht van de met het verschoningsrecht gemoeide belangen echter meebrengen dat ook op andere wijze verkregen informatie voorwerp kan zijn van een verzoek tot vernietiging.43.Dit acht ik ook in een geval als dit zeer goed verdedigbaar, gelet op hetgeen ik hiervoor heb geschreven over de redenen voor een ruime toepassing van art. 98 Sv.
4.40
Ten slotte zou kunnen worden nagegaan of sprake is van een beklag over de kennisneming of het gebruik van gegevens, opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk en vastgelegd bij een onderzoek in zodanig werk. Vaststaat dat daadwerkelijk is kennisgenomen of gebruik is gemaakt van de gegevens.44.Uit de beslissing van de rechter-commissaris blijkt immers dat de geluidsbestanden in ieder geval door twee geheimhoudersfunctionarissen zijn beluisterd en schriftelijk zijn uitgewerkt. Of de vastlegging van die gegevens is gedaan bij een onderzoek in een geautomatiseerd werk staat echter niet vast (ook al ligt dit wel voor de hand).45.Ik zal dan ook niet verder nagaan of de rechtbank heeft aangenomen dat een dergelijk beklag over gebruik en kennisneming van de gegevens in het klaagschrift besloten ligt.
4.41
Ik concludeer om andere redenen al dat de rechtbank het beklag terecht ontvankelijk heeft geacht. De steller van het middel komt overigens tot dezelfde conclusie op deels dezelfde gronden. Ik kom nu toe aan de bespreking van de cassatiemiddelen.
5. Het eerste middel
5.1
Het eerste middel bevat een drietal deelklachten over de (wijze van) beoordeling door de rechtbank of de geluidsfragmenten die volgens de rechter-commissaris mogen worden verstrekt, vallen onder het verschoningsrecht van de klager en de medeklager. De eerste deelklacht houdt in dat het verschoningsrecht ten onrechte per onderdeel (fragment) van ieder geluidsbestand is beoordeeld. Volgens de tweede deelklacht heeft de rechtbank niet in het midden mogen laten of deze fragmenten allemaal onder het verschoningsrecht vallen. De derde deelklacht richt zich tegen de overwegingen van de rechtbank dat een onderscheid kan worden gemaakt tussen informatie die wel en die niet tot de kern van het verschoningsrecht behoort.
Het juridisch kader
5.2
Onder 4.3 heb ik de ratio en omvang van het verschoningsrecht weergegeven. Daarbij is ook al vermeld dat in zeer uitzonderlijke omstandigheden dit recht moet wijken voor het belang van de waarheidsvinding. Hier gaat HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:302 nader op in:
“3.3.2Het verschoningsrecht van onder meer de advocaat is echter in zoverre niet absoluut, dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt – ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap hem als zodanig is toevertrouwd in de normale uitoefening van zijn beroep – zwaarder moet wegen dan het verschoningsrecht. De vraag of zich zo uitzonderlijke omstandigheden voordoen laat zich niet in het algemeen beantwoorden. Voor het oordeel dat van zeer uitzonderlijke omstandigheden – en dus van een uitzondering op de hoofdregel met betrekking tot het verschoningsrecht – sprake is, gelden zware motiveringseisen. (Vgl. HR 30 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5665.)Daarbij komt in een geval als dit betekenis toe aan de aard en de ernst van het strafbaar feit waarvan het vermoeden bestaat dat het is begaan, de aard en de inhoud van het materiaal waarover zich het verschoningsrecht uitstrekt in verband met het belang dat door het verschoningsrecht wordt gediend, de mate waarin de betrokken belangen van de cliënt worden geschaad als het verschoningsrecht wordt doorbroken en de omstandigheid dat de gegevens niet op een andere manier kunnen worden verkregen (vgl. onder meer HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1369 en HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1205).
3.3.3
Wat betreft het belang van de waarheidsvinding geldt als beoordelingsmaatstaf of de betreffende gegevens redelijkerwijs in een zodanig direct verband staan met het strafbare feit waarvan het vermoeden bestaat dat dit is begaan, dat deze gegevens kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen (vgl. HR 30 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD7280).”
5.3
Over de verhouding tussen het verschoningsrecht en de uitzondering daarop en over de wijze waarop daarover wordt geoordeeld, kan eveneens het een en ander worden ontleend aan de rechtspraak van de Hoge Raad. Deze rechtspraak was in eerste instantie gebaseerd op een voorganger van het huidige art. 98 Sv, dat toen nog alleen bestond uit, in de kern, het huidige eerste en vijfde lid. Het eerste lid bepaalde dat geen beslag wordt gelegd op geschriften die onder een verschoningsrecht vallen. Het tweede lid bepaalde dat bij een verschoningsgerechtigde geen huiszoeking plaatsvindt die een inbreuk zou kunnen maken op het verschoningsrecht, tenzij die huiszoeking ziet op geschriften die het voorwerp uitmaken van het strafbare feit of tot het begaan daarvan hebben gediend.
5.4
HR 30 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD7280 houdt het volgende in:
“5.2.1(…)Ten eerste moet art. 98, tweede lid, Sv, welke bepaling ingevolge art. 113, tweede lid, Sv ook van toepassing is in geval van een huiszoeking ter inbeslagneming door de rechter-commissaris, aldus worden verstaan dat huiszoeking ter inbeslagneming bij een advocaat, ook zonder diens toestemming mag plaatsvinden wanneer zij is gericht op brieven en geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, nu dergelijke brieven en geschriften geen object zijn van de aan de advocaat toekomende bevoegdheid tot verschoning (vgl. ook rov. 6.2.2, HR 29 maart 1994, NJ 1994, 537).Ten tweede brengt de aard van de hier aan de orde zijnde bevoegdheid tot verschoning mee dat het oordeel omtrent de vraag of brieven of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken in beginsel toekomt aan de advocaat als de tot verschoning bevoegde persoon. Wanneer deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.
5.2.2.
Het verschoningsrecht van de advocaat is echter in zoverre niet absoluut, dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt – ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap hem als zodanig is toevertrouwd – moet prevaleren boven het verschoningsrecht (vgl. HR 1 maart 1985, NJ 1986, 173; HR 14 okt. 1986, NJ 1987, 490).Dit brengt mee dat, waar huiszoeking ter inbeslagneming bij een advocaat zonder diens toestemming reeds kan plaatsvinden als het gaat om brieven en geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, die toestemming in geval van zeer uitzonderlijke omstandigheden evenmin nodig is als de huiszoeking een verdere strekking heeft, en de huiszoeking ter inbeslagneming is gericht op brieven en geschriften die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen.In een dergelijk uitzonderlijk geval dient de huiszoeking door de rechter-commissaris te geschieden en is het niet aan de verschoningsgerechtigde advocaat om te bepalen of en zo ja welke stukken al dan niet onder zijn verschoningsrecht vallen. Het oordeel of in een zodanig geval bepaalde brieven of geschriften redelijkerwijs in een zodanig direct verband staan met de desbetreffende feiten dat zij kunnen dienen om de waarheid daaromtrent aan het licht te brengen, komt dan in eerste instantie toe aan de rechter-commissaris, bij voorkeur in gezamenlijk overleg met de deken van de Orde van Advocaten in het desbetreffende arrondissement of diens vervanger. Het oordeel van de rechter-commissaris kan worden aangevochten in een beklagprocedure als de onderhavige dan wel ter gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting in de strafzaak zelf.”
5.5
Uit dit citaat volgt een beslisschema voor de beoordeling of een geschrift in beslag mag worden genomen. Als eerste dient te worden vastgesteld of het geschrift onder het verschoningsrecht valt. Daarvan is in elk geval geen sprake als het geschrift voorwerp van het strafbare feit uitmaakt of tot het begaan daarvan heeft gediend. Voor het oordeel of een geschrift onder het verschoningsrecht valt, is het standpunt van de verschoningsgerechtigde in beginsel bepalend.46.Dit brengt mee dat de verschoningsgerechtigde in staat moet worden gesteld zich uit te laten over zijn verschoningsrecht met betrekking tot de betreffende stukken. Diens standpunt kan alleen niet worden gevolgd als redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Het oordeel of daarvan sprake is, komt, in eerste instantie, toe aan de rechter-commissaris, die daartoe bij voorkeur in overleg treedt met een vertegenwoordiger van de beroepsgroep van de verschoningsgerechtigde. Bij die beoordeling mag de rechter-commissaris, voor zover dat noodzakelijk is, kennisnemen van de betreffende stukken.47.
5.6
Als wordt aangenomen dat de betreffende gegevens object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken, dan dient vervolgens te worden nagegaan of zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen die maken dat het belang van de waarheidsvinding zwaarder moet wegen dan het verschoningsrecht. Ook nu is het de rechter-commissaris die hier, in eerste instantie, over oordeelt.48.Bij die beoordeling zal kennisneming van de inhoud van de stukken volgens de Hoge Raad doorgaans niet vereist zijn, nu het daarbij gaat om de beoordeling van omstandigheden die zich ongeacht de inhoud van de stukken voordoen.49.
5.7
In het geciteerde arrest, maar ook in andere uitspraken, worden de ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’ betrokken op de vraag of een huiszoeking kan worden gedaan ter inbeslagname van geschriften die onder het verschoningsrecht vallen.50.In andere gevallen is de vraag of zulke zeer uitzonderlijke omstandigheden bestaan echter niet aan een dergelijke afzonderlijke handeling gekoppeld. De vraag kan bijvoorbeeld ook aan de orde komen als de beslaglegging al heeft plaatsgevonden51.of als moet worden beoordeeld of een getuige zich op zijn verschoningsrecht mag beroepen.52.
5.8
Als wordt aangenomen dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die de doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen, dan mag die inbreuk niet verder gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit. Daarom moet te allen tijde (ook nog) worden beoordeeld of bepaalde gegevens redelijkerwijs in een zodanig direct verband staan met het strafbare feit waarvan het vermoeden bestaat dat dit is begaan, dat deze gegevens kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen.53.Alleen voor die gegevens mag het verschoningsrecht uiteindelijk worden doorbroken. Het oordeel dienaangaande komt, volgens het geciteerde arrest, in eerste instantie toe aan de rechter-commissaris, die daartoe bij voorkeur in overleg treedt met een vertegenwoordiger van de beroepsgroep.
5.9
Als tegen het oordeel van de rechter-commissaris een klaagschrift wordt ingediend, dan kan de rechtbank vervolgens niet volstaan met een marginale toetsing of de zeer uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen, maar moet zij zich daaromtrent aan de hand van de stukken en het onderzoek in raadkamer een eigen, zelfstandig, oordeel vormen.54.Daarbij moet wel worden opgemerkt dat als het gaat om de in dat verband (ook) te beantwoorden vraag of sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan een (ernstig) strafbaar feit, in aanmerking moet worden genomen dat in een beklagprocedure slechts in beperkte mate kan worden onderzocht in hoeverre een eventueel jegens de verschoningsgerechtigde geformuleerde verdenking gegrond is. Bij de beantwoording van die vraag zal het er daarom veelal op aankomen of hetgeen de klager dienaangaande heeft aangevoerd de rechter ertoe noopte de jegens de klager bestaande verdenking als ongegrond aan te merken.55.
5.10
Als tegen de beschikking van de rechtbank op het klaagschrift cassatie wordt ingesteld, dan kan het oordeel van de rechtbank over het bestaan van zeer uitzonderlijke omstandigheden slechts op begrijpelijkheid worden getoetst.56.
5.11
Uit de rechtspraak over de vraag of zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen, zijn lastig algemene conclusies te trekken. Dit stelt de Hoge Raad ook zelf in HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:302.57.In iedere zaak speelt immers vaak meer dan één gezichtspunt, al dan niet zoals in het citaat onder 5.2 genoemd:
- de aard en de ernst van het strafbaar feit waarvan het vermoeden bestaat dat het is begaan;
- de aard en de inhoud van het materiaal waarover zich het verschoningsrecht uitstrekt in verband met het belang dat door het verschoningsrecht wordt gediend;
- de mate waarin de betrokken belangen van de cliënt worden geschaad als het verschoningsrecht wordt doorbroken; en
- de omstandigheid dat de gegevens niet op een andere manier kunnen worden verkregen.
Schalken signaleert dat uit deze opsomming volgt dat de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een belangrijke rol spelen.58.
5.12
Het is wel vaste rechtspraak dat het enkele feit dat tegen de verschoningsgerechtigde zelf een verdenking bestaat, onvoldoende is om te kunnen spreken van zeer uitzonderlijke omstandigheden.59.Dit kan anders zijn als het gaat om de verdenking van een ernstig strafbaar feit, zoals het vormen van een crimineel samenwerkingsverband tussen de advocaat en diens cliënt:
“De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt, laat zich niet in een algemene regel samenvatten. De enkele omstandigheid dat een advocaat als verdachte wordt aangemerkt is in ieder geval niet toereikend maar wel de verdenking van een ernstig strafbaar feit, zoals het vormen van een crimineel samenwerkingsverband van een advocaat met bepaalde cliënten. Dan zal het belang van die cliënten dat zij ervan moeten kunnen uitgaan dat de advocaat geheim houdt hetgeen zij hem in die criminele aangelegenheid hebben toevertrouwd moeten wijken voor het belang dat de waarheid aan het licht komt. In een dergelijk geval dienen het verschoningsrecht en de daarmee samenhangende beperkingen van de uitoefening van de beslag- en doorzoekingsbevoegdheden te wijken voor het belang van de strafvordering, zij het dat ook dan de inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit, waarbij zorg moet worden betracht om te voorkomen dat de belangen van andere cliënten van de advocaat dan de cliënten die betrokken zijn bij de strafbare feiten waarvan de advocaat wordt verdacht, onevenredig worden getroffen (vgl. HR 30 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD7280, NJ 2002/438 en HR 12 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9162, NJ 2002/439).”60.
5.13
Uit deze overweging van de Hoge Raad volgt dat het bestaan van zeer uitzonderlijke omstandigheden onder meer kan worden aangenomen indien jegens de advocaat sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan een ernstig strafbaar feit in de daar bedoelde zin. Zolang er voldoende aanwijzingen zijn voor een redelijk vermoeden van schuld aan zo een feit, is de (verdere) mate van stevigheid van de jegens de verschoningsgerechtigde bestaande verdenking niet van doorslaggevende betekenis bij de beantwoording van de vraag of sprake is van dergelijke zeer bijzondere omstandigheden.
5.14
Het bestaan van zeer uitzonderlijke omstandigheden dient verder steeds specifiek te worden onderzocht in relatie tot het verschoningsrecht van de klager. Dat tegen andere verschoningsgerechtigden dan de klager een zodanige verdenking bestaat dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die de doorbreking van het aan deze anderen toekomende verschoningsrecht rechtvaardigen, brengt dus niet zonder meer mee dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die de doorbreking van het verschoningsrecht van de klager rechtvaardigen.61.Verder geldt dat indien eenmaal is aangenomen dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden (hetgeen als gezegd pas aan de orde komt nadat is getoetst of de betreffende gegevens onder het verschoningsrecht vallen62.), enkel nog de vraag resteert welke gegevens kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. Niet geldt daarnaast nog als vereiste dat aanwijzingen blijken dat de betreffende gegevens geen verband houden met een normale advocaat-cliënt relatie.63.
Bespreking van het middel
5.15
De eerste en de tweede deelklacht keren zich tegen de wijze waarop de rechtbank heeft beoordeeld of de geluidsfragmenten die volgens de rechter-commissaris mochten worden vrijgegeven, onder het verschoningsrecht vallen. Aangevoerd wordt in de eerste plaats dat bij de beantwoording van die vraag de geluidsbestanden niet in fragmenten opgeknipt hadden mogen worden, maar als geheel hadden moeten worden beschouwd. Deze “beoordeling per fragment” was voor de klager bovendien onvoorzienbaar. Daarnaast zou de beslissing van de rechtbank innerlijk tegenstrijdig zijn omdat zij enerzijds de vraag of bepaalde fragmenten onder het verschoningsrecht in het midden laat en anderzijds het oordeel inhoudt dat zij in beginsel wél onder het verschoningsrecht vallen. Vervolgens wordt in de toelichting op het middel uiteengezet waarom volgens de klager de geluidsbestanden in hun geheel onder diens verschoningsrecht vallen.
5.16
Voor de bespreking van deze deelklachten zijn de volgende passages uit de beslissing van de rechter-commissaris respectievelijk de beschikking van de rechtbank relevant:
- de beslissing van de rechter-commissaris:
“Van sommige passages in deze geluidsbestanden - bijvoorbeeld als in de ‘driegesprekken’ wordt gesproken over andere cliënten dan [betrokkene 1] - is het evident dat deze onder het verschoningsrecht vallen. Het is volgens de rechter-commissaris echter maar zeer de vraag of dit ook geldt voor de passages in de ‘driegesprekken’ waarin - kort gezegd - de inhoud van het eerdere gesprek tussen Peter R. de Vries en [betrokkene 1] wordt besproken. Het verschoningsrecht strekt zich immers (slechts) uit over wetenschap van informatie die rechtstreeks verband houdt met de taakuitoefening van de verschoningsgerechtigde. Dat betekent dat een advocaat alleen een verschoningsrecht toekomt met betrekking tot wetenschap die hij in de normale uitoefening van zijn beroep heeft gekregen (zie ook HR 12 maart 2024, rov. 6.2.1). Goed betoogd kan worden dat daar (deels) geen sprake van was. De rechter-commissaris laat beantwoording van deze vraag verder echter in midden, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen.”
- de beschikking van de rechtbank:
“Zeer uitzonderlijke omstandigheden
Zoals eerder door de rechter-commissaris is overwogen in zijn beslissing van 25 oktober 2024 is het de vraag of de fragmenten van de drie geluidsbestanden onder het verschoningsrecht van [klager] en [medeklager] vallen. Een advocaat komt namelijk alleen een verschoningsrecht toe met betrekking tot wetenschap die hij in de normale uitoefening van zijn beroep heeft gekregen (zie ook HR 12 maart 2024, rov. 6.2.1). Gelet op de aard van de verdenking en de inhoud van de gesprekken is het de vraag of dat aan de orde was. Net als de rechter-commissaris zal de rechtbank (het antwoord op) deze vraag echter in het midden laten en zich richten op de vervolgvraag of, als al sprake zou zijn van verschoningsgerechtigde informatie, het belang dat het verschoningsrecht dient, zou moeten wijken voor het belang van de waarheidsvinding.”
5.17
Uit deze overwegingen blijkt dat zowel de rechter-commissaris als de rechtbank tot uitgangspunt heeft genomen dat het verschoningsrecht van de klager zich uitstrekt tot de betreffende geluidsbestanden in hun geheel. Dit komt zo ook terug in de conclusie van de rechtbank waarin staat dat de gegevens “binnen het domein van het verschoningsrecht vallen (en als zodanig worden getoetst)”. Ik zie dan ook niet in welk belang de klager heeft bij de bespreking van deze twee deelklachten.
5.18
Bovendien geldt dat, voor zover verder al sprake zou zijn van een “beoordeling per fragment”, deze overeenkomstig het onder randnummers 5.5–5.8 weergegeven beslisschema heeft plaatsgevonden in het kader van de vraag of de gegevens kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. Ik wijs er in dat verband op dat de rechter-commissaris volgens zijn beslissing “[t]en aanzien van drie geluidsbestanden” heeft geoordeeld dat deze onder het verschoningsrecht vallen, maar dat vanwege zeer uitzonderlijke omstandigheden de waarheidsvinding dient te prevaleren.64.Vervolgens heeft de rechter-commissaris geoordeeld dat de geluidsbestanden ter beschikking zullen worden gesteld van de officier van justitie, maar dat dit alleen geldt “voor de passages die naar de inschatting van de rechter-commissaris kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen” (cursivering steeds toegevoegd, MvW).65.Op deze manier is deze beslissing van de rechter-commissaris ook weergegeven in de beschikking van de rechtbank.66.
5.19
De derde deelklacht komt erop neer dat de rechtbank, bij de beoordeling van de vraag of de gegevens onder het verschoningsrecht vallen, ten onrechte een onderscheid heeft gemaakt tussen gegevens die wel en gegevens die niet “tot de kern van het verschoningsrecht kunnen worden gerekend”. De rechtbank zou daarmee hebben miskend dat ‘een beetje verschoningsgerechtigd’ niet bestaat. “Gegevens zijn verschoningsgerechtigd, of zij zijn dat niet”, aldus de steller van het middel.
5.20
Deze klacht heeft kennelijk het oog op de volgende overweging van de rechtbank:
“De aard van de gegevensDe rechtbank zal enkele aanvullende opmerkingen maken aangaande de aard en inhoud van de gegevens. Het gaat om drie opgenomen gesprekken, namelijk een gesprek tussen een voormalig cliënt van [klager] en Peter R. de Vries en twee gesprekken tussen de drie (voormalig) kantoorgenoten [klager] , [medeklager] en Peter R. de Vries . Ten aanzien van [medeklager] (klager) geldt dat hij een beperkte rol speelt. Het betreft immers niet zijn cliënt met wie is gesproken en zijn inbreng in de gesprekken is beperkt. Dat maakt dat ook een eventuele inbreuk op zijn verschoningsrecht beperkt van aard is. Daarbij komt dat in de driegesprekken niet wordt gesproken over een strafzaak, processtrategie of evidente zaken die het verdedigingsbelang dienen, maar vooral hoe een dubieuze kwestie zowel intern, als extern het beste kan worden afgewikkeld. De rechtbank meent dan ook dat de gegevens in elk geval niet tot de kern van het verschoningsrecht kunnen worden gerekend, wat meespeelt bij de weging of het belang dat het verschoningsrecht dient zou moeten prevaleren boven het belang van de waarheidsvinding.”
5.21
Anders dan de steller van het middel tot uitgangspunt neemt, haalt de rechtbank het hier overwogene niet aan in het kader van de beoordeling van de vraag of de betreffende gegevens onder het verschoningsrecht vallen (de hiervoor beschreven eerste stap van het beslisschema). Die vraag heeft de rechtbank op de hiervoor genoemde wijze reeds bevestigend beantwoord.67.De geciteerde overweging dient daarentegen ter onderbouwing van het oordeel dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden (de vervolgstap). Daarbij heeft de rechtbank zich uitgelaten over de relatie van de te verstrekken gegevens tot het door de rechtbank aangenomen verschoningsrecht en is daarmee tot op zekere hoogte getreden in de relevantie van de gegevens voor de door de verschoningsgerechtigde geleverde bijstand en advies aan de cliënt. Ik ben het met de steller van het middel eens dat verschoningsgerechtigden vrijheid toekomt om te bepalen hoe zij een cliënt bijstaan en dat als gevolg daarvan de rechter in beginsel terughoudendheid past bij een beoordeling welke gegevens meer of minder van belang zijn voor de verlening van deze bijstand.
5.22
Bij het oordeel of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden is volgens de Hoge Raad echter wel degelijk relevant wat de aard en de inhoud van het materiaal is waarover zich het verschoningsrecht uitstrekt in verband met het belang dat door het verschoningsrecht wordt gediend.68.Dit belang is, zoals gezegd, daarin gelegen dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden.69.Gezegd zou kunnen worden dat cliënten door een doorbreking van de geheimhoudingsplicht minder worden afgeschrikt om zich voor hulp tot een advocaat te wenden als die doorbreking betrekking heeft op informatie die niet van doen heeft met een reguliere hulpverleningsrelatie. Mij lijkt dat zich, ook bij inachtneming van de door mij voorgestane terughoudendheid, gevallen kunnen voordoen waarin de rechter kan vaststellen dat dit aan de orde is, bijvoorbeeld in het door de Hoge Raad genoemde geval van een crimineel samenwerkingsverband tussen de advocaat en zijn cliënten waarbij het gaat om hetgeen die cliënten hun advocaat ”in die criminele aangelegenheid hebben toevertrouwd”.70.
5.23
De rechtbank heeft met haar overwegingen over de “kern van het verschoningsrecht” kennelijk onderzocht in hoeverre de betreffende gegevens kunnen worden gerelateerd aan het inwinnen van ‘bijstand en advies’ in de hiervoor bedoelde zin en dit in haar afweging betrokken. Gelet op het voorgaande getuigt dit niet van een onjuiste rechtsopvatting. Evenmin acht ik dit oordeel onbegrijpelijk. De rechtbank stelt vast dat in het gesprek slechts een “dubieuze kwestie” aan de orde was, waarmee kennelijk ook wordt verwezen naar de bestaande verdenking. Over die verdenking heeft de rechtbank met de rechter-commissaris vastgesteld dat een van de verdenkingen jegens de klager is dat hij “ten behoeve van een cliënt een selectiefunctionaris heeft omgekocht om een gunstiger detentieverloop te realiseren”, hetgeen impliceert dat de verdenking zich uitstrekt tot de cliënt zelf. Het proces-verbaal van verdenking waar de rechtbank naar verwijst, bevat ook gronden voor de verdenking dat de gelden voor de omkoping door de cliënt zijn verstrekt. Daarmee volgt uit de vaststellingen van de rechtbank dat het ging om informatie die was toevertrouwd in een criminele aangelegenheid, als hiervoor bedoeld.
5.24
In de toelichting op het middel wordt ten slotte nog geklaagd over de feitelijke vaststellingen die blijken uit het hiervoor onder 5.20 opgenomen citaat uit de beschikking van de rechtbank, kort gezegd over: wie deelnemen aan de opgenomen gesprekken, dat de cliënt van de klager niet óók de cliënt van de medeklager was en dat niet werd gesproken over (de verdediging) in een strafzaak, maar over het afwikkelen van een dubieuze kwestie. Wat betreft de deelnemers aan het gesprek en de vaststelling dat niet werd gesproken over een cliënt van de medeklager, volgt de rechtbank de vaststellingen van de rechter-commissaris.71.Over die vaststellingen is bij de rechtbank niet geklaagd. Dat de rechtbank deze van de rechter-commissaris heeft overgenomen is dan ook niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.
5.25
Over de inhoud van de gesprekken, waaraan ook de medeklager heeft deelgenomen, wordt in de schriftuur gesteld dat de rechtbank deze vaststelling niet heeft kunnen baseren op eigen waarneming omdat zij “(kennelijk) niet zelf heeft kennis genomen van de bewuste geluidsbestanden/-fragmenten”. Waaruit de steller van het middel dit afleidt, wordt echter niet toegelicht en volgt ook niet uit de beschikking of het proces-verbaal van de raadkamerzitting. In zoverre ontbeert de klacht feitelijke grondslag.
5.26
Het eerste middel faalt.
6. Het tweede middel
6.1
Het tweede middel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt zwaarder moet wegen dan het belang van het verschoningsrecht. Dit middel bestaat uit verschillende deelklachten.
6.2
Bij de eerste deelklacht beroept de steller van het middel zich op het al aangehaalde beoordelingskader zoals dat door de Hoge Raad is geformuleerd in HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:30272.. Het beoordelingskader dat de rechtbank heeft toegepast “loopt niet synchroon” met dit beoordelingskader van de Hoge Raad, aldus de steller van het middel. Vervolgens wordt gesteld dat de rechtbank heeft nagelaten iets te overwegen over de mate waarin de belangen van de cliënt(en) worden geschaad als het verschoningsrecht wordt doorbroken. Ook zou de rechtbank niet zijn ingegaan op de vraag of de betreffende gegevens redelijkerwijs in een zodanig direct verband staan met het strafbare feit waarvoor de verdenking bestaat, dat deze gegevens kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen.
6.3
Wat het tweede punt betreft, geldt dat het aspect van de gevolgen voor de cliënt één van factoren is die worden betrokken in de uiteindelijk afweging of (naar maatstaven van proportionaliteit en subsidiariteit) reden bestaat voor de doorbreking van het verschoningsrecht. In zijn motivering heeft de rechtbank een groot aantal aspecten genoemd die naar de slotsom leiden dat in dit geval zeer uitzonderlijke omstandigheden bestaan. In dit oordeel ligt besloten dat de belangen van de cliënt niet zodanig in het gedrang komen als gevolg van de doorbreking van het verschoningsrecht dat deze afweging anders moet uitvallen. Dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, gelet op wat de rechtbank heeft vastgesteld over de aard van het te verstrekken materiaal en aangezien de klager geen andere belangen van de cliënt heeft aangevoerd dan het algemene belang dat met het verschoningsrecht is gemoeid.
6.4
Wat betreft de vraag of de gegevens de waarheidsvinding kunnen dienen, verwijs ik naar hetgeen ik hiervoor heb geschreven over de selectie van de fragmenten door de rechter-commissaris.73.De rechter-commissaris heeft beoordeeld welke delen van de geluidsbestanden “kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen” en de rechtbank heeft deze selectie bij haar oordeel tot uitgangspunt genomen. In zoverre mist deze deelklacht feitelijke grondslag.
6.5
Dat de overweging van de rechtbank over de factoren die in aanmerking dienen te worden genomen bij de beoordeling of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden, niet woordelijk overeenkomt met het door de Hoge Raad in zijn arrest van 18 februari 2025 geschetste beoordelingskader, maakt verder, gelet op het voorgaande, nog niet dat de rechtbank een onjuist beoordelingskader heeft toegepast.
6.6
De eerste deelklacht faalt in zijn geheel.
6.7
De tweede deelklacht keert zich tegen de overwegingen van de rechtbank over de aard en de ernst van de verdenking tegen de klager.
6.8
Begrijp ik de klacht goed, dan gaat het de steller van het middel om de volgende overweging:
“Aard en ernst van de verdenking[klager] wordt ervan verdacht zich te hebben schuldig gemaakt aan (poging tot) oplichting van een cliënt, dan wel (poging tot) omkoping van een ambtenaar in functie. De verdenking bestaat erin dat [klager] een van deze strafbare feiten heeft begaan in zijn hoedanigheid van advocaat. Volgens de advocaat van [klager] is dit niet alleen een “weinig ernstige” verdenking, er zou überhaupt geen begin van een verdenking jegens [klager] zijn. De rechtbank kan de advocaat niet volgen in deze stellingen. Dat er nog geen begin van een verdenking zou zijn, is, gelet op het (door de advocaat van [klager] in deze procedure ingebrachte) proces-verbaal van verdenking van 6 juni 2024 en de beslissing van de rechter-commissaris van 25 oktober 2024, een onbegrijpelijk standpunt. Uit deze stukken, en met name uit de daarin opgenomen passages van de geluidsbestanden, blijkt naar het oordeel van de rechtbank namelijk duidelijk een redelijke verdenking. Hier doen de rapporten van de deken en de DJI niets aan af. De door hen ingestelde onderzoeken vonden immers telkens plaats met beperkte onderzoeksmiddelen en enkel binnen het eigen domein, wat in beide gevallen een significant ander domein betreft dan een strafrechtelijk onderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie. Bovendien heeft het Openbaar Ministerie, net als de rechtbank, geen inzage gehad in het volledige rapport van de deken, waardoor het Openbaar Ministerie des te meer gerechtigd is onderzoek te doen. Het betreft verder een verdenking van een buitengewoon ernstig feit. Het gaat immers om een verdenking dat een advocaat een cliënt zou hebben opgelicht, dan wel een selectiefunctionaris van de DJl zou hebben omgekocht. Nu de verdenking eruit bestaat dat het feit door een advocaat is gepleegd, zou, bij een bewezenverklaring, sprake zijn van een grove integriteitsschending die ook nog eens in negatieve zin afstraalt op de gehele advocatuur als beroepsgroep. Dat dit een “weinig ernstig” feit zou zijn, vindt de rechtbank, gelet op de bijzondere aard van de verhouding tussen een advocaat en zijn of haar cliënt geen begrijpelijk standpunt.”
6.9
Als eerste wordt aangevoerd dat de rechtbank de door de Hoge Raad (in onder meer voornoemd arrest van 18 februari 2025; randnr. 5.2) geformuleerde factor omtrent ‘de aard en ernst van het strafbare feit’ verkeerd heeft toegepast. De rechtbank zou de aard en ernst van de verdenking hebben losgekoppeld van de vraag of het een tegen een advocaat gerichte verdenking betreft. Door die “ontkoppeling” zou de rechtbank hebben miskend dat de enkele omstandigheid dat de klager (als advocaat) als verdachte is aangemerkt, niet voldoende is voor het aannemen van zeer uitzonderlijke omstandigheden.
6.10
Deze klacht faalt reeds omdat ik de gestelde loskoppeling in de overwegingen van de rechtbank niet teruglees. Expliciet overweegt de rechtbank immers dat de verdenking bestaat dat de klager de omkoping of oplichting “heeft begaan in zijn hoedanigheid van advocaat”. Dat de rechtbank schrijft dat “bij een bewezenverklaring sprake zou zijn van een grove integriteitsschending” houdt in dat ook de verdenking op een dergelijke integriteitsschending ziet. De klacht berust dan ook op een onjuiste lezing van de bestreden beschikking.
6.11
Hetzelfde geldt voor de klacht dat de rechtbank voor de onderbouwing van de verdenking niet kan verwijzen naar de beslissing van de rechter-commissaris die bij de rechtbank juist was bestreden. De rechtbank heeft hier kennelijk het oog gehad op de onderbouwing van de verdenking die in de beslissing van de rechter-commissaris is opgenomen en waarbij de rechtbank zich mag aansluiten.
6.12
Eveneens is sprake van een onjuiste lezing van de beschikking als wordt gesteld dat de rechtbank niet heeft gerespondeerd op hetgeen de klager bij de rechtbank heeft aangevoerd over het gebruik in het proces-verbaal van verdenking van een geluidsopname die zelf onder het verschoningsrecht valt. De rechtbank heeft onder het kopje “Het gebruik van mediaberichten in de opsporing” immers gemotiveerd uiteengezet “dat het Openbaar Ministerie wel degelijk bevoegd is een strafrechtelijk onderzoek op te starten naar aanleiding van openbare informatie, óók als deze informatie verschoningsgerechtigde informatie bevat.”
6.13
De deelklacht keert zich verder tegen het onderdeel van de overweging van de rechtbank dat aan de gerezen verdenking niet wordt afgedaan door het rapport van de deken, omdat haar onderzoek plaatsvond met beperkte onderzoeksmiddelen en enkel binnen het eigen domein, wat een significant ander domein betreft dan een strafrechtelijk onderzoek onder leiding van het openbaar ministerie. In de toelichting op deze klacht worden de bij de rechtbank door de klager aangevoerde argumenten herhaald dat het onderzoek van de deken ook was gericht op de feiten waarvoor de rechtbank de verdenking aanneemt, dat de deken bij haar onderzoek over veel materiaal kon beschikken en dat haar onderzoek vollediger is dan een strafrechtelijk onderzoek omdat de klager en de medeklager zich tegenover de deken niet op hun verschoningsrecht konden beroepen. Verder wordt in de toelichting gesteld dat het primaat van het onderzoek van de onderhavige verdenking bij de deken ligt en behoort te liggen en dat de deken na een gronding onderzoek heeft geconcludeerd dat de vermeende strafbare feiten zich niet hebben voorgedaan.
6.14
Bij de bespreking van dit middel herhaal ik om te beginnen dat in een beklagprocedure slechts in beperkte mate kan worden onderzocht in hoeverre een eventueel jegens de verschoningsgerechtigde geformuleerde verdenking gegrond is en dat het er in dat verband veelal op aankomt of hetgeen is aangevoerd de rechtbank ertoe noopt die verdenking als ongegrond aan te merken.74.Daarmee samenhangend geldt dat, als er voldoende aanwijzingen zijn voor een redelijk vermoeden van schuld, de mate waarin de verdenking (verder) is onderbouwd niet van doorslaggevende betekenis is voor het oordeel dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden.75.
6.15
Volgens art. 45a lid 1 Advocatenwet zijn de lokale dekens van de orde van advocaten belast met het toezicht op de naleving door advocaten van het bepaalde bij of krachtens de Advocatenwet met inbegrip van toezicht op de zorg die zij als advocaten behoren te betrachten ten opzichte van degenen wiens belangen zij als zodanig behartigen of behoren te behartigen, inbreuken op verordeningen van de Nederlandse orde van advocaten en enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Voor de uitvoering van dit toezicht komen de dekens de toezichtsbevoegdheden toe van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daaronder valt bijvoorbeeld het vorderen van inlichtingen en het doen van onderzoek. Advocaten zijn verplicht aan dit onderzoek mee te werken (art. 5:20 Awb) en kunnen zich daarbij niet op hun verschoningsrecht beroepen (art. 45a lid 2 Advocatenwet in afwijking van art. 5:20 lid 2 Awb).76.
6.16
De norm dat een advocaat bij de uitoefening van zijn beroep integer is en zich onthoudt van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt, is ook nog eens neergelegd in art. 10a lid 1, onder d, Advocatenwet. In de toelichting op de wet waarmee dit artikel is ingevoerd, wordt gesteld dat integer handelen inherent is aan de uitoefening van een beroep waaraan in het kader van het algemeen belang rechten en verplichtingen zijn verbonden. Integere beroepsuitoefening is dan essentieel om de bijzondere positie van de advocaat te legitimeren en het vertrouwen in de beroepsgroep te waarborgen. Cliënten moeten erop kunnen vertrouwen dat de advocaat zich op hun belang richt, zij het binnen de grenzen van het recht. Ook de rechter moet daarop kunnen vertrouwen in het belang van een eerlijk proces en een goede procesorde. De advocaat is een van de hoofdrolspelers in de rechtsbedeling en zijn handelen heeft daardoor ook effect op het vertrouwen dat de samenleving in de rechtspleging stelt, aldus die toelichting.77.
6.17
De steller van het middel brengt terecht naar voren dat een advocaat die een strafbaar feit pleegt, ook inbreuk zal maken op deze norm van integer en betamelijk handelen. Op deze wijze kan strafbaar handelen ook voorwerp zijn van een toezichtsonderzoek door de deken. Dat neemt echter niet weg dat volgens art. 45a lid 1 Advocatenwet het toezicht van de deken niet is gericht op het opsporen van strafbare feiten, maar op de naleving van het gestelde bij of krachtens de Advocatenwet. Het is het openbaar ministerie dat is belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde (art. 124 RO) en dat na een opsporingsonderzoek beslist of vervolging moet plaatshebben (art. 167 Sv). In die zin is wel degelijk sprake van verschillende ‘domeinen’.
6.18
Voor de uitoefening van zijn taak staat het openbaar ministerie (en de politie) de opsporingsbevoegdheden van onder andere het Wetboek van Strafvordering ter beschikking, die aanmerkelijk uitgebreider en ingrijpender zijn dan de toezichtsbevoegdheden van de Awb. Dat de handhaving van strafrechtelijke normen een eigen plaats heeft naast het toezicht en eventueel het tuchtrecht van de Advocatenwet, wordt in cassatie terecht niet bestreden. Ik wijs in dat verband nog op een passage in de wetsgeschiedenis bij de Wet positie en toezicht advocatuur waarmee het huidige toezichtstelsel is ingevoerd.78.Daarin wordt benadrukt dat de geheimhoudingsplicht van toezichthouders hen niet ontslaat van hun wettelijke plicht om aangifte te doen tegen een advocaat.79.
6.19
Dit brengt mee dat het openbaar ministerie zich eigenstandig, met behulp van een opsporingsonderzoek, een oordeel dient te vormen of er reden bestaat tot het instellen van een strafvervolging. De conclusie van de deken dat geen strafbare feiten hebben plaatsgevonden, kan niet in de plaats komen van een dergelijk oordeel. De stelling dat het primaat in deze situatie bij de deken ligt, gaat dan ook niet op. Omdat het onderzoeksmateriaal en hetgeen de deken op grond daarvan heeft bevonden, geen deel uitmaakt van het gepubliceerde rapport, konden de rechter-commissaris en de rechtbank eventueel ontlastend materiaal niet in hun afweging betrekken. Hetgeen over dat rapport is aangevoerd noopte de rechtbank dan ook niet de jegens de klager bestaande verdenking als ongegrond aan te merken. Gelet hierop en gelet op het voorgaande is de overweging van de rechtbank dat het rapport van de deken niet afdoet aan de verdenking niet onbegrijpelijk.
6.20
Aan het slot van deze deelklacht wordt nog aangevoerd dat een verdenking van oplichting onvoldoende zwaarwegend is om het verschoningsrecht te doorbreken. De rechtbank heeft echter niet geoordeeld dat de verdenking van (poging tot) oplichting zelfstandig reden kan zijn om zeer uitzonderlijke omstandigheden aan te nemen. Steeds heeft zij de verdenking van (poging tot) omkoping daarnaast gezet. Over de door de rechtbank aangenomen zwaarte van deze combinatie van alternatieve verdenkingen wordt in cassatie niet geklaagd.
6.21
Mijn conclusie is dat de tweede deelklacht faalt.
6.22
De derde deelklacht komt erop neer dat de rechtbank heeft miskend dat het – zo volgt uit HR 25 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:446 – had moeten onderzoeken of de betreffende gegevens ‘redelijkerwijs in een zodanig direct verband staan met het strafbare feit waarvan het vermoeden bestaat dat dit is begaan, dat deze gegevens kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen’. Met haar overweging dat “een aanzienlijk deel van de verdenking en mogelijk bewijs gelegen [zal] zijn in de geluidsbestanden” zou de rechtbank die vraag niet hebben beantwoord. Door en namens de klager zou immers uitdrukkelijk zijn aangevoerd dat die geluidsbestanden, mede gelet op het uitgebreide onderzoek door de deken, in redelijkheid niet van belang (kunnen) zijn voor het strafrechtelijk onderzoek.80.
6.23
De rechtbank heeft in haar beschikking onder het kopje ‘Het belang van de gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek’81.tot uitdrukking gebracht dat en waarom het de klager niet volgt in zijn standpunt dat de geluidsbestanden in redelijkheid niet van belang (kunnen) zijn voor het strafrechtelijk onderzoek. Tot een nadere motivering was zij, mede gelet op hetgeen ik hiervoor reeds uiteen heb gezet over rol en de betekenis van het onderzoek door de deken, niet gehouden. Dat de rechtbank op enige (andere) wijze zou hebben miskend dat zij het in de klacht genoemde onderzoek had moeten uitvoeren vermag ik, gelet op haar overwegingen onder voornoemd kopje, niet in te zien en wordt (verder) ook niet toegelicht. De klacht faalt.
6.24
Met de vierde deelklacht wordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de gegevens niet op andere wijze kunnen worden verkregen. Dan gaat het om de volgende overweging uit de bestreden beschikking:
“Kunnen de gegevens op andere wijze worden verkregen?Een situatie waarin deze specifieke gegevens op andere wijze kunnen worden verkregen, laat zich moeilijk voorstellen. Het gaat namelijk om informatie die, in beginsel, onder het verschoningsrecht valt en dus niet kan worden gebruikt in een strafrechtelijk onderzoek. De informatie is bovendien alleen maar beschikbaar bij de twee personen die zich op hun verschoningsrecht zouden kunnen beroepen ( [klager] en [medeklager] ). Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de derde deelnemer aan de bewuste gesprekken (Peter R. de Vries ) niet meer in leven is.”
6.25
Hiermee heeft de rechtbank kennelijk tot uitdrukking gebracht dat het gaat om geprivilegieerde gegevens die daarom niet op een andere wijze dan met een doorbreking van het verschoningsrecht kunnen worden verkregen. Van Peter R. de Vries , die aan beide gesprekken heeft deelgenomen en op alle drie de geluidsbestanden is te horen, kan deze informatie alleen al daarom niet worden gevraagd omdat hij is overleden. De klager en de medeklager zouden zij zich bij een verhoor op hun verschoningsrecht als verdachte dan wel getuige kunnen beroepen. Voor zover het gaat om een verhoor als getuige zou dezelfde vraag opkomen naar de doorbreking van dit verschoningsrecht als bij de rechtbank al voorlag, zodat dit geen minder bezwarend alternatief is voor vrijgave van de fragmenten. Het hierop gebaseerde oordeel van de rechtbank dat in zoverre aan het subsidiariteitsvereiste is voldaan is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
6.26
De vierde deelklacht faalt in zoverre.
6.27
De derde en vierde deelklacht stellen een ander punt aan de orde dat mijns inziens wel tot cassatie dient te leiden. In de schriftuur wordt erop gewezen dat in het klaagschrift wordt aangevoerd dat in één van de geluidsfragmenten de namen van andere cliënten worden genoemd dan de cliënt die betrokken is bij de verdenking.82.Dit is geen omstandigheid die van belang is voor het in deelklacht 3 bestreden oordeel over het belang van de gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek of voor het in deelklacht 4 aangevallen oordeel dat de gegevens niet op andere wijze kunnen worden verkregen.
6.28
Dit neemt echter niet weg dat als, bij de afweging of zeer uitzonderlijke omstandigheden doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen, kan worden aangenomen dat tegen de verschoningsgerechtigde een verdenking van een ernstig strafbaar feit bestaat, zorg moet worden betracht om te voorkomen dat de belangen van andere cliënten van de advocaat dan de cliënten die betrokken zijn bij de strafbare feiten waarvan de advocaat wordt verdacht, onevenredig worden getroffen.83.Het bestaan van deze zorgplicht had de rechtbank ertoe moeten zetten de feitelijke stelling te beoordelen dat in de vrij te geven fragmenten ook de namen van andere cliënten worden genoemd. Bij een bevestigend antwoord had de rechtbank vervolgens dienen na te gaan of deze fragmenten ook zonder deze namen hadden kunnen worden verstrekt en zo niet, nader moeten afwegen of bij verstrekking mét die namen de betreffende cliënten onevenredig in hun belangen worden getroffen en of dit aan verstrekking in de weg staat.
6.29
De rechtbank is echter in het geheel niet ingegaan op de stelling van de klager, zodat de beschikking niet toereikend is gemotiveerd en het middel in zoverre slaagt.
7. Het derde middel
7.1
In het derde middel wordt geklaagd dat de rechtbank heeft miskend dat ook het verschoningsrecht van de medeklager in het geding is, terwijl tegen hem geen verdenking bestaat zoals tegen de klager.
7.2
De rechtbank heeft op dit punt het volgende overwogen:
“De aard van de gegevensDe rechtbank zal enkele aanvullende opmerkingen maken aangaande de aard en inhoud van de gegevens. Het gaat om drie opgenomen gesprekken, namelijk een gesprek tussen een voormalig cliënt van [klager] en Peter R. de Vries en twee gesprekken tussen de drie (voormalig) kantoorgenoten [klager] , [medeklager] en Peter R. de Vries . Ten aanzien van [medeklager] (klager) geldt dat hij een beperkte rol speelt. Het betreft immers niet zijn cliënt met wie is gesproken en zijn inbreng in de gesprekken is beperkt. Dat maakt dat ook een eventuele inbreuk op zijn verschoningsrecht beperkt van aard is. Daarbij komt dat in de driegesprekken niet wordt gesproken over een strafzaak, processtrategie of evidente zaken die het verdedigingsbelang dienen, maar vooral hoe een dubieuze kwestie zowel intern, als extern het beste kan worden afgewikkeld. De rechtbank meent dan ook dat de gegevens in elk geval niet tot de kern van het verschoningsrecht kunnen worden gerekend, wat meespeelt bij de weging of het belang dat het verschoningsrecht dient zou moeten prevaleren boven het belang van de waarheidsvinding.
Conclusie Als de rechtbank het voornoemde samenvat: er is sprake van een redelijke verdenking van een buitengewoon ernstig strafbaar feit jegens een advocaat ( [klager] ). De gegevens waarop het verschoningsrecht van toepassing is, zijn essentieel voor het onderzoek naar de verdenking jegens [klager] en kunnen niet op andere wijze worden verkregen. Hierbij is bovendien van belang dat de inhoud van de gegevens weliswaar binnen het domein van het verschoningsrecht vallen (en als zodanig worden getoetst), maar niet de kern ervan raken. Ten aanzien van [medeklager] geldt verder dat zijn rol en inbreng en daarmee de inbreuk op zijn verschoningsrecht, beperkt is. Weliswaar is de verdenking gericht tegen [klager] (als advocaat), maar gelet op de aard en inhoud van de gesprekken (zie hiervoor) is de rechtbank van oordeel dat ook ten aanzien van [medeklager] (ook kijkend naar zijn summiere inbreng in de gesprekken) een doorbreking van zijn verschoningsrecht (als niet-verdachte verschoningsgerechtigde) gerechtvaardigd is.”
7.3
Het middel stelt terecht dat het bestaan van zeer uitzonderlijke omstandigheden steeds specifiek dient te worden onderzocht in relatie tot het verschoningsrecht van de klager. Het enkele feit dat deze omstandigheden zijn aangenomen in relatie tot een andere verschoningsgerechtigde is daarvoor onvoldoende.84.Uit de bestreden beschikking, die een beslissing inhoudt op de beide klaagschriften van zowel de klager als de medeklager, volgt dat de rechtbank deze afzonderlijke beoordeling ook heeft uitgevoerd.
7.4
Naar het mij voorkomt brengt het voorgaande echter ook mee dat de klager geen belang heeft bij de bespreking van het middel, omdat hier niet zijn verschoningsrecht, maar dat van de medeklager in het geding is. Een verschoningsrecht komt immers toe aan verschoningsgerechtigden zelf en het is alleen aan hen om af te wegen of zij zich daar wel of niet op beroepen.85.Dit beginsel ligt ook ten grondslag aan de rechtspraak dat in het geval een cliënt van een verschoningsgerechtigde een klaagschrift indient tegen een beslag op of gebruik van geprivilegieerde informatie, eerst de rechter-commissaris het materiaal dient te beoordelen en dat dan de verschoningsgerechtigde de gelegenheid moet worden gegeven een klaagschrift in te dienen. De uitkomst van die procedure bepaalt dan hoe het beklag van de cliënt wordt afgedaan.86.Een mogelijke uitkomst is dat verschoningsgerechtigde geen klaagschrift indient tegen de beslissing van de rechter-commissaris. In dat geval moet het ervoor worden gehouden dat door de verschoningsgerechtigde geen beroep wordt gedaan op zijn verschoningsrecht. De beslagene moet dan niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn klaagschrift.87.Hieruit volgt dat het verschoningsrecht in die zin een persoonlijk recht is waarvoor de verschoningsgerechtigde in beginsel zelf moet opkomen.88.
7.5
Overigens zou het derde middel ook buiten bespreking moeten blijven vanwege de slagende grond voor cassatie en de door de rechtbank aangenomen verwevenheid van de in relatie tot de klager en de medeklager aan te nemen zeer uitzonderlijke omstandigheden.
8. Afronding
8.1
Het eerste middel faalt, het tweede middel slaagt en het derde middel kan buiten bespreking blijven. Indien de Hoge Raad anders oordeelt, word ik graag in gelegenheid gesteld over het derde middel aanvullend te concluderen.
8.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8.3
Deze conclusie strekt tot vernietigt van de beschikking van de rechtbank en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑10‑2025
Zie voor de laatste ontwikkelingen op dit gebied S.R. van Breukelen en M.A. de Mik, ‘Het verschoningsrecht in opsporingsonderzoeken; Stand van zaken en recente ontwikkelingen’, Tijdschrift voor Strafrecht & Onderneming, 2025, p. 123-137.
Kamerstukken II 1989/90, 21 551, nr. 3, p. 12 en Kamerstukken II 2003/04, 29 441, nr. 3, p. 12. Art. 134 Sv luidt: “Onder inbeslagneming van eenig voorwerp wordt verstaan het onder zich nemen of gaan houden van dat voorwerp ten behoeve van de strafvordering.” Van “onder zich nemen” is sprake als “de vrije beschikking over het voorwerp voor hem, onder wien het in beslag wordt genomen, wordt opgeheven en het voorwerp onder de macht van den beslagleggenden ambtenaar is gekomen”, aldus HR 2 juni 1936, NJ 1936/1015. Dat is bij gegevens niet mogelijk omdat zij naar hun aard op verschillende plekken tegelijk aanwezig kunnen zijn en dus na een ‘beslag’ behouden zouden blijven voor degene bij wie ze zijn aangetroffen. Vgl. HR 3 december 1996, NJ 1997/574, rov. 6.4 en de bijbehorende conclusie van (toen nog) AG Fokkens.
Kamerstukken II 1989/90, 21 551, nr. 3, p. 12 en 13, herhaald in Kamerstukken II 2003/04, 29 441, nr. 3, p. 18.
HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1205, rov. 2.7.2.
HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:553, rov. 3.6.
Wet van 19 november 2014, Stb. 2014, 445.
Kamerstukken II 2012/13, 33 685, nr. 3, p. 10-11.
HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:312, rov. 2.4.
Art. 98 Sv is ook van overeenkomstige toepassing verklaard bij een ambtshalve door de rechter-commissaris uitgevoerde doorzoeking (art. 110 Sv), bij een strafrechtelijk financieel onderzoek (art. 126d Sv), bij een onderzoek in het kader van een herziening ten voordele van de verdachte (art. 464 Sv) en de uitvoering van een rechtshulpverzoek ter inbeslagneming (art. 5.5.5 lid 1 Sv) of ter bevriezing (art. 5.5.15 S lid 2 Sv). Daarmee wordt wel het toepassingsgebied van het artikel uitgebreid, maar niet het type handeling waartegen beklag mogelijk is: het gaat in alle gevallen nog steeds om inbeslagneming als bedoeld in art. 98 lid 1 Sv.
HR 1 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1560, rov. 3.3.1 (civiele kamer). In het geval dat selectie van de (digitale) stukken en gegevens noodzakelijk is gebleken, kan ook de manier waarop de selectie heeft plaatsgevonden in de beoordeling van het beklag worden betrokken, aldus HR 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:578, rov. 3.2.2.
HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1960, rov. 4.2.2.
HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2537, rov. 3.5.3.
Rov. 5.1.
Rov. 5.3.2.
Rov. 5.3.4.
Zie ook de noot van Mevis onder dit arrest in NJ 2024/87, randnr. 10.
HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:377, rov. 2.3.4 (civiele kamer).
HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3076, rov. 2.5.
HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:223, rov. 4.6 (de klager ex 552a Sv is zelf de verschoningsgerechtigde) en HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:316, rov. 2.7 (de klager ex art. 552a Sv is niet de verschoningsgerechtigde).
Vgl. HR 19 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1268, rov. 5.2.1.
Zie in vergelijkbare zin HR 25 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:456, rov. 5.6 over gegevens die niet in beslag waren genomen
HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, rov. 6.3.5 (civiele kamer).
Zie voor een uitgebreide weergave en analyse van de totstandkomingsgeschiedenis van deze beklagmogelijkheden de conclusie van AG Knigge van 17 januari 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU2046.
HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, rov. 6.3.5 (civiele kamer).
HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5510, rov. 2.1. In deze zaak kon overigens ook de vraag worden gesteld of het betreffende voorwerp, een externe harde schijf, een geautomatiseerd werk was.
HR 24 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:71, rov. 2.3 en HR 3 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:369, rov. 2.3.
Rov. 3.5.
Randnr. 4.3.
Rov. 5.4.1.
HR 25 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:456, rov. 4.2.
HR 1 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1560, rov. 3.4.5.
HR 25 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:456, rov. 5.7.
Wanneer meer dan één klaagschrift is ingediend door dezelfde persoon, pleit de Hoge Raad voor gezamenlijke afdoening, HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:314, rov. 2.7 en rov. 2.4.4.
Randnr. 4.7.
Randnr. 4.9.
De hier voorgestane overeenkomstige toepassing zou grotendeels in overeenstemming zijn met de regeling die is voorzien in het voorgestelde nieuwe Wetboek van Strafvordering (NSv; Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 2). Van gegevens die vermoedelijk geprivilegieerd zijn en bij een ander dan de functionele verschoningsgerechtigde “zijn aangetroffen of overgenomen”, wordt alleen kennisgenomen met toestemming van de rechter-commissaris (art. 2.7.66 lid 1 NSv). Onder “overnemen” wordt verstaan het kopiëren van gegevens uit een externe bron (art. 2.1.1 NSv). Tegen de beslissing van de rechter-commissaris kan de functioneel verschoningsgerechtigde beroep instellen bij de rechtbank, waarna cassatie openstaat (art. 2.7.71 lid 1 en 3 NSv).
Het klaagschrift vermeldt immers: “De geluidsbestanden in de beslissing dienen niet alleen ontoegankelijk gemaakt te worden, deze dienen ook vernietigd te worden”.
HR 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:578, rov. 3.3.2.
Randnrs. 4.24- 4.25.
Randnrs. 4.18-4.22.
De eis van daadwerkelijke kennisname of gebruik komt terug in HR 24 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:71, rov. 2.3 en HR 3 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:369, rov. 2.3.
De memorie van toelichting bij de wet waarmee deze beklagmogelijkheid is ingevoerd, bevat een aanwijzing dat niet van belang is of het geautomatiseerde werk waarin onderzoek wordt gedaan door middel van een dwangmiddel is verkregen, zie Kamerstukken II 1998/99, 26 671, nr. 3, p. 50 en 55. De uiteindelijke wet week wel af van het oorspronkelijke ontwerp waarop deze memorie van toelichting was gebaseerd, zie AG Knigge, ECLI:NL:PHR:2012:BU2046, randnr. 11.
Vgl. HR 12 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9162, rov. 3.3.
HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1566, rov. 2.4.1 en HR 19 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1268, rov. 5.3.3.
HR 19 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1268, rov. 5.3.3.
HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1566, rov. 2.4.1. en 2.4.2.
In dezelfde zin HR 14 oktober 1986, NJ 1987/490, rov. 4.1.2, 4.1.3 en 5.1; HR 18 juni 2002, ECLI:NL:HR:20022:AD5297, rov. 5.4.3.
HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9262, rov. 3.3 en 3.4.
HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066.
HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:302, rov. 3.3.3 (onder verwijzing naar HR 30 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD7280).
HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0491, rov. 5.4.3 en HR: 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1324, rov. 2.3.2. In dat laatste arrest wordt verder overwogen dat dezelfde volle toets moet plaatsvinden of de inbeslaggenomen brieven of geschriften voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend.
HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3314, rov. 3.5.
HR 14 oktober 1986, NJ 1987/490, rov. 4.1.3.
Randnr. 5.2.
Zie de noot van T.M. Schalken onder HR 30 oktober 2007, NJ 2008/115.
Immers, zo overweegt de Hoge Raad in HR 10 oktober 1950, NJ 1951/356, de uit het verschoningsrecht voortvloeiende beperking van de bevoegdheid tot inbeslagneming vindt haar grond, niet in het belang van de verschoningsgerechtigde, maar in de bescherming van degenen die, vertrouwende op zijn verplichting tot geheimhouding, hun aangelegenheden aan hem toevertrouwden.
HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1740, rov. 4.2. In HR 30 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5665, rov. 4.5 heeft de Hoge Raad overwogen dat het enkele gegeven dat kennisneming van de stukken essentieel is voor de waarheidsvinding een onvoldoende motivering vormt voor het oordeel dat het belang van de waarheidsvinding zwaarder moet wegen dan het verschoningsrecht, waarbij meespeelde dat de verschoningsgerechtigde niet zelf verdachte was. Wel mag het bestaan van een onderzoeksbelang jegens de medeverdachte van een verdachte verschoningsgerechtigde worden meegewogen door de rechtbank, HR 14 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4418, rov. 4.5.
HR 24 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1290, rov. 3.4. Vgl. HR 17 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1876, rov. 6.3.
Randnr. 5.6.
HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:302, rov. 3.4.2.
Bij de overige vier geluidsbestanden kwam de rechter-commissaris aan de beantwoording van die vraag niet toe, omdat de inhoud daarvan, zo luidt de beslissing, “voor de door het openbaar ministerie geformuleerde verdenking niet relevant [is]” (zie de beslissing van de rechter-commissaris van 25 oktober 2024, blad 3 (onderaan)).
Randnr. 3.2.
Randnr. 3.4.
Randnr. 5.17.
Randnr. 5.11.
Randnr. 4.3.
Randnr. 5.12. Dat is iets anders dan de onder 5.14 genoemde eis dat de betreffende gegevens geen verband houden met een normale advocaat-cliënt relatie, die volgens de Hoge Raad niet geldt.
Randnr. 3.2.
Randnr. 5.2.
Randnr. 5.18.
Randnr. 5.9.
Randnr. 5.13.
Stb. 2014, 354.
Verder wordt nogmaals herhaald dat de rechtbank niets zou hebben overwogen over de belangen van de cliënten (zie daarover randnr. 6.3) en wordt zijdelings opgemerkt dat in een van de geluidsfragmenten bij herhaling namen van andere cliënten worden genoemd. Op dat laatste kom ik bij randnrs. 6.27 en 6.28 terug.
Randnr. 3.4.
Het klaagschrift stelt in randnr. 46 dat dit ook geldt voor de twee andere “gesprekken”, waarbij ik aanneem dat wordt gedoeld op de twee andere geluidsbestanden. De drie bestanden zien immers op in totaal twee gesprekken.
Randnr. 5.12.
Randnr 5.14.
Vgl. HR 20 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5979, rov. 2.6.3.
Randnr. 4.11.
HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3076, rov. 2.5.3.
Zie randnr. 4.20 voor het geval dat de verschoningsgerechtigde was overleden.
Beroepschrift 03‑06‑2025
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
SCHRIFTUUR HOUDENDE DRIE MIDDELEN VAN CASSATIE
Van mr. P.T.C. van Kampen
In de zaak van:
[klager], verzoeker tot cassatie van de te zijnen laste op 11 februari 2025 door de rechtbank Amsterdam onder RK-nummer 24-027771 (parketnummer 71-107690-24) gewezen beschikking.
De ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
1.
Het onderhavige cassatieberoep richt zich tegen de beschikking van de meervoudige raadkamer van de rechtbank Amsterdam d.d. 11 februari 2025 ‘op het beklag op grond van art. 98 jo 552a Sv’. Dit beklag werd namens verzoeker tot cassatie (tijdig) ingediend tegen de beslissing van de rechter-commissaris d.d. 24 oktober 2024, welke beslissing het opschrift draagt ‘beslissing op grond van artikel 98 Wetboek van Strafvordering’. De beslissing van de rechter-commissaris aangaande het verschoningsrecht werd genomen op vordering van de officier van justitie d.d. 3 juli 2024. De desbetreffende vordering draagt het opschrift ‘Vordering onderzoekshandelingen door rechter-commissaris m.b.t. geheimhoudersgegevens a.g.v. (voorgenomen) inzet van dwangmiddelen en/of bijzondere opsporingsbevoegdheden’ en verwijst daarbij naar de artikelen 181–185 Sv jo. artikelen 98 en 218/218a Sv. In de vordering zelf wordt (onder meer) opgemerkt dat de stand van het opsporingsonderzoek niet zou toelaten dat de verdachte, tevens geheimhouder, en/of andere geheimhouders door de rechter-commissaris nader worden bevraagd over ‘hun standpunten ex art. 98 lid 1 Sv (vrijwillige toestemming voor inbeslagneming, al dan niet in diens hoedanigheid toevertrouwd) dan wel art. 98 lid 5 Sv (object of instrument delict)’ [accentuering toegevoegd].
2.
Voor zover daaruit niet reeds volgt dat het onderhavige cassatieberoep ontvankelijk is, nu het zich richt tegen een beschikking van de rechtbank met betrekking tot voornoemde inbeslagneming ex art. 98 lid 4 Sv, kan daarover het volgende worden opgemerkt.
3.
In de beslissing van de Hoge Raad d.d. 25 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:456) oordeelde de Hoge Raad dat het cassatieberoep in die zaak niet-ontvankelijk was en dat de rechtbank het klaagschrift ex art. 552a Sv niet-ontvankelijk had moeten te verklaren. Het in die zaak ter discussie staande (potentieel verschoningsgerechtigde) ‘tiendagenstuk’ met bijlagen, dat door klager als advocaat was ingebracht in een fiscale procedure bij het hof, werd immers door de inspecteur van de Belastingdienst op grond van artikel 43c van de Uitvoeringsregeling Algemene Wet inzake Rijksbelastingen 1994 (UR AWR) verstrekt aan de FIOD en het openbaar ministerie (en daarna opgenomen in een dossier van de FIOD en het openbaar ministerie in een opsporingsonderzoek tegen cliënten van de klager/verschoningsgerechtigde). Daaruit volgde naar het oordeel van de Hoge Raad dat geen sprake was van inbeslagneming van het desbetreffende stuk (in de zin van art. 134 Sv) of het vorderen van gegevens ex art. 126nd Sv of een situatie die daarmee moet worden gelijkgesteld.
4.
Uit deze uitspraak kan niet worden afgeleid dat in het geval van (de inbeslagneming van) vrijwillig verstrekte voorwerpen of gegevens geen klaagschrift als bedoeld in (art. 98 jo) 552a Sv kan worden ingediend.
5.
Het lijdt (immers) geen twijfel dat vrijwillig afgestane voorwerpen, documenten en/of gegevens wel degelijk vatbaar zijn voor inbeslagneming en — in het onderhavige geval — ook daadwerkelijk inbeslaggenomen zijn.
6.
Onder inbeslagneming (‘van enig voorwerp’) wordt verstaan ‘het onder zich nemen of gaan houden van dat voorwerp ten behoeve van de waarheidsvinding’ (art. 134 lid 1 Sv). Daaruit blijkt dat inbeslagneming zich in twee varianten kan voordoen:
- (1)
het onder zich nemen van voorwerpen en
- (2)
het onder zich gaan houden van dat voorwerp (ten behoeve van de waarheidsvinding).
Zowel uit de literatuur als de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat inbeslagneming niet per definitie betekent dat sprake is van dwang bij de verkrijging van het inbeslaggenomen voorwerp/geschrift.
7.
Zo oordeelde de Hoge Raad in 1936 dat inbeslagneming hierin kan bestaan, ‘dat de ambtenaar ook buiten de gevallen van art. 95–100 Sv voorwerpen, welke hem vrijwillig worden ter hand gesteld, voor het onderzoek in bewaring neemt’ (HR 2 juni 1936, NJ 1936, 1015). Daaruit blijkt dat van inbeslagneming in de zin van art. 134 lid 1 Sv ook sprake is, indien het gaat om vrijwillig aan een opsporingsambtenaar ter hand gestelde voorwerpen die vervolgens ten behoeve van de waarheidsvinding (moeten) worden bewaard (en onderzocht).
8.
Ook het handboek Strafprocesrecht van Keulen & Knigge (2016) gaat daarvan uit: de auteurs schrijven daarin op p. 328 (onder meer) dat voorwerpen die door de politie zijn verkregen (en/of vrijwillig zijn verstrekt) op een later moment wel degelijk als inbeslaggenomen (in de zin van: ‘het onder zich gaan houden’ van een voorwerp) kunnen worden aangemerkt.
‘De bivakmuts die als gevonden voorwerp werd bewaard, blijkt bijvoorbeeld door de daders van een gewapende overval te zijn weggeworpen. Dan kan de politie besluiten om de muts op DNA-sporen te onderzoeken. Dat besluit maakt dat die muts voor een strafvorderlijk doel wordt bewaard en dus in beslaggenomen is’.
9.
Keulen & Knigge vermelden op diezelfde pagina ook dat inbeslagneming (dan ook) niet altijd inbreuk maakt op het recht van een ander:
‘Het voorwerp kan door de rechthebbende vrijwillig voor onderzoek zijn afgestaan. Er kan ook sprake zijn van een res nullius, zoals een zwerfkei waarop bloed is gespat. In deze gevallen is de inbeslagneming zonder meer rechtmatig. Dat is anders als het voorwerp aan iemand toebehoort die geen toestemming geeft. Dan is niet voldoende dat sprake is van een voorwerp dat vatbaar is voor inbeslagneming. Dan moet er tevens sprake zijn van een inbeslagnemingsbevoegdheid.’
10.
Voornoemde passages zijn vrijwel gelijkluidend in de huidige (15e) druk van het handboek van Knigge & Keulen opgenomen (p. 352–353).
11.
Het handboek het Nederlands strafprocesrecht van Corstens/Borgers & Kooijmans (2021) bevat vergelijkbare opmerkingen. In dat handboek staat letterlijk (p. 557):
‘Inbeslagneming is in art. 134 lid 1 gedefinieerd als het onder zich nemen of gaan houden van enig voorwerp ten behoeve van de strafvordering. Daaronder valt ook de situatie dat de betrokkene het voorwerp vrijwillig heeft afgestaan.’
12.
Ofwel en anders gezegd: het vrijwillig verstrekken van voorwerpen/geschriften betekent dat geen inbeslagnemingsbevoegdheid nodig is, maar het betekent niet dat geen sprake kan zijn van inbeslagneming in de zin van art. 134 lid 1 Sv. Zodra de politie een voorwerp onder zich gaat houden ten behoeve van de strafvordering (waaronder de waarheidsvinding), is volgens de wet sprake van strafvorderlijk beslag.
13.
14.
Dat de Hoge Raad op 25 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:456) oordeelde dat een klaagschrift ex art 552a Sv niet-ontvankelijk is indien een vrijwillig aan de Belastingdienst verstrekt document (met bijlagen) door de Belastingdienst op grond van art 43c lid 1 onder h UR AWR — dat betrekking heeft op de gevallen waarin de geheimhoudingsplicht van ambtenaren van de Belastingdienst uitzondering leidt — wordt gedeeld met de FIOD, staat daar niet aan in de weg.
15.
Voor zover naar het oordeel van de Hoge Raad in de onderhavige situatie nog (wel) een rol zou kunnen spelen dat art. 134 (lid 1) Sv verwijst naar het in beslag nemen van voorwerpen, geldt het volgende.
16.
Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad kan op goede gronden betoogd worden dat in gevallen als de onderhavige de inbeslaggenomen gegevens (audiobestanden) moeten worden gelijkgesteld aan voorwerpen, zodat tegen de inbeslagneming van de (potentieel verschoningsgerechtigde) gegevens wel degelijk op de voet van art. 552a Sv kan worden geklaagd, althans in ieder geval in dit geval kan worden geklaagd.
17.
Allereerst geldt zoals opgemerkt dat de vordering van de officier van justitie verwijst naar ‘vrijwillige toestemming voor inbeslagneming’ ex art. 98 lid 1 Sv. Artikel 98 lid 1 Sv verwijst naar ‘brieven of andere geschriften’ tot welke de plicht tot geheimhouding zich uitstrekt. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat aan het begrip ‘geschriften’ in de zin van art. 225 Sr (valsheid in geschrift) een extensieve betekenis wordt toegekend, door onder meer een op een magneetschijf vastgelegd gegevensbestand als een geschrift aan te merken, nu dit bestand bestaat uit met enige duurzaamheid vastgelegde gegevens, welke op tamelijk eenvoudige wijze leesbaar kunnen worden gemaakt (HR 15 januari 1991, NJ 1991, 668). In T&C Sv (2023) wordt daarover in relatie tot art. 98 Sv in aantekening 3 opgemerkt:
‘Aannemelijk is dat ook voor art. 98 ‘geschrift’ niet beperkt zal zijn tot op papier neergelegde, dadelijk leesbare teksten. Ook gegevens op een USB-stick, cd-rom of ‘in the cloud’ kunnen als een geschrift hebben te gelden. Daarbij geldt wel dat sprake moet zijn van enige duurzaamheid van de vastgelegde gegevens en die gegevens op een eenvoudige wijze leesbaar kunnen worden gemaakt.’
18.
Dat standpunt ligt (bijzonder) voor de hand. Buiten twijfel staat dat indien de onderhavige geluidsfragmenten op een usb-stick (een voorwerp) bij de politie waren aangeleverd (en inbeslaggenomen), de rechter-commissaris had dienen te beslissen of deze inbeslagneming was toegestaan, tegen welke beslissing beklag zou openstaan voor de verschoningsgerechtigde. Uitgangspunt van de Hoge Raad is immers dat voor de beoordeling van de vraag of informatie onder het verschoningsrecht valt, irrelevant is bij wie die informatie zich bevindt (o.a. HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:302).
19.
Datzelfde geldt in het geval de gegevens zouden zijn opgeslagen op een voorwerp (usb-stick) of werden vastgelegd tijdens een digitale doorzoeking in de zin van art. 125i Sv. In dat laatste geval kan door een verschoningsgerechtigde op de voet van art. 552a lid 2 Sv bovendien een verzoek worden gedaan tot vernietiging van de verschoningsgerechtigde gegevens die bij een dergelijke doorzoeking zijn vastgelegd (of op vordering zijn verstrekt). In het eerste geval kan dat naar de letter van de wet niet. De wet voorziet immers niet in een vergelijkbare bepaling in het geval van inbeslaggenomen voorwerpen waarop verschoningsgerechtigde gegevens zijn opgeslagen. Toch oordeelde de Hoge Raad recent dat een dergelijk verzoek, gelet op de belangen die met het verschoningsrecht zijn gemoeid, ook kan worden gedaan als het gaat om gegevens die afkomstig zijn van inbeslaggenomen voorwerpen (HR 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:578):
‘Gelet op de belangen die met het verschoningsrecht zijn gemoeid, brengt redelijke wetstoepassing mee dat een vergelijkbare procedure kan worden gevolgd met betrekking tot gegevens die zijn ontleend aan inbeslaggenomen gegevensdragers. Daarvoor kan aansluiting worden gezocht bij de regeling van artikel 552a lid 2 Sv. Dat betekent dat een belanghebbende op grond van die bepaling kan verzoeken om de vernietiging van gegevens die zijn ontleend aan inbeslaggenomen gegevensdragers en die als geheimhoudersinformatie zijn aangemerkt, waarbij de rechter in geval van concreet aangeduide bezwaren van de belanghebbende kan beoordelen of is voldaan aan het onder 3.4.1 bedoelde vereiste’
[dat de gegevens niet langer kenbaar zijn].
20.
Daarbij komt dat de Hoge Raad recent oordeelde over (kopieën van) gegevens die ter beschikking stonden van de opsporingsautoriteiten (inclusief mogelijke geheimhouderstukken), nadat de inbeslaggenomen gegevensdragers zelf aan de beslagene waren geretourneerd. De rechtbank oordeelde dat zij binnen de beperkte (wettelijke) mogelijkheden van de beklagprocedure geen beslissing kon nemen die aan alle te respecteren belangen recht deed. De Hoge Raad dacht daar anders over en casseerde (HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:403):
‘In de beschikking van 24 januari 2024 heeft de rechtbank vastgesteld dat de politie van de inhoud van de inbeslaggenomen gegevensdragers een kopie heeft gemaakt, dat de gegevensdragers vervolgens zijn teruggegeven en dat de gemaakte kopie, inclusief mogelijke geheimhoudersstukken, nog altijd ter beschikking staat van de opsporingsautoriteiten. De rechtbank heeft overwogen dat zij ‘binnen de beperkte (wettelijke) mogelijkheden van de onderhavige procedure’ geen beslissing kan nemen ‘die aan alle te respecteren belangen recht doet’ en heeft het beklag niet-ontvankelijk verklaard op de enkele grond dat de gegevensdragers inmiddels zijn teruggegeven. Dat oordeel is niet begrijpelijk in het licht van het eerdere procesverloop, waaruit naar voren komt dat het klaagschrift mede betrekking heeft op het gebruik en de kennisneming van (kopieën van) de gegevens op de grond dat deze object zijn van het verschoningsrecht van de klager. Dat de gegevensdragers zijn teruggegeven doet daaraan niet af, omdat het klaagschrift ook betrekking heeft op de kopieën die van deze gegevensdragers zijn gemaakt en die ter beschikking van de opsporingsautoriteiten staan (vgl. HR 3 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:369). Dat betekent dat een beslissing moet worden genomen over die kennisneming en dat gebruik, met inachtneming van de beslissing van de Hoge Raad in zijn beschikking van 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2537 over de (overeenkomstige) toepassing van artikel 125i en 98 Sv.’
21.
De Hoge Raad oordeelde op 18 februari 2025 in cassatie bovendien inhoudelijk over een klaagschrift met betrekking tot twee Signal berichten afkomstig van een advocaat, waarbij de rechter-commissaris het regime van zeer uitzonderlijke omstandigheden van toepassing oordeelde (ECLI:NL:HR:2025:302).
22.
Voor zover daaruit al niet reeds (impliciet) volgt dat ook tegen het gebruik en de kennisneming van (inbeslaggenomen) gegevens als zodanig kan worden geklaagd, dan volgt daaruit in ieder geval dat een dergelijke, redelijke wetsuitleg in het geval van (potentieel) verschoningsgerechtigde gegevens (bijzonder) voor de hand ligt. Ware dat anders, dan ontstaat een hiaat in de rechtsbescherming ten aanzien van verschoningsgerechtigde gegevens, dat zich niet verhoudt met het fundamentele belang ervan.
23.
Uit bovenstaande volgt dat het klaagschrift — voor zover dat niet reeds volgt uit (het opschrift van) de vordering van de officier van justitie d.d. 3 juli 2024 en de beslissing van de rechter-commissaris d.d. 25 oktober 2024 — door de rechtbank terecht ontvankelijk is verklaard (althans terecht niet niet-ontvankelijk is verklaard). Daarmee is ook het onderhavige, (tijdig) tegen de beschikking van de rechtbank ingestelde, cassatieberoep ontvankelijk.
De onderhavige procedure
24.
Verzoeker tot cassatie was vanaf 18 augustus 2017 als advocaat werkzaam bij [A], nadien [B] BV geheten. Vanaf november 2017 tot en met 29 mei 2020 was wijlen Peter R. de Vries kantoordirecteur van dit advocatenkantoor.
25.
In januari 2024 werd in diverse media melding gemaakt van mogelijke omkoping, dan wel een poging hiertoe, van een selectiefunctionaris van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) door verzoeker tot cassatie. Op 3 april 2024 is op de website geenstijl.nl een geluidsopname gepubliceerd van een gesprek waaraan volgens de website Peter R. de Vries, verzoeker tot cassatie en mr. [medeklager] (mr. [medeklager]) zouden deelnemen.
26.
Op 27 maart 2024 heeft de deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten (de deken) de conclusies van haar — uitgebreide — onderzoek (naar aanleiding van de berichtgeving in de media) gepubliceerd op de website van de Amsterdamse Orde. Daaruit blijkt dat de deken geen aanwijzingen heeft kunnen vinden voor omkoping van selectiefunctionarissen of pogingen daartoe door verzoeker tot cassatie. Wel heeft verzoeker tot cassatie zich volgens de deken ongepast uitgelaten naar een cliënt om betaling van een factuur te verkrijgen. Meer specifiek oordeelde de deken:
‘Mijn bevinding ten aanzien van de beweerde omkoping is dat deze niet heeft plaatsgevonden. Dat wordt niet alleen door alle betrokkenen gesteld, maar is ook erg onwaarschijnlijk en weinig zinvol gezien de achterliggende structuren en processen van Dienst Justitiële Inrichtingen. De stukken bevestigen dat de processen correct zijn gevolgd.’
27.
Onderdeel van (de publieke versie van) haar rapport was ook de beoordeling van de door de deken ontvangen en onderzochte geluidsopnamen. Ter zake oordeelde de deken:
‘Voor alle gesprekken geldt dat zij geheel of overwegend als geheimhoudersgesprekken zijn aan te merken; gesprekken met of tussen geheimhouders met als onderwerp zaken die door het kantoor worden of mogelijk zullen worden behandeld of in het verleden werden behandeld en informatie waarvan de gesprekspartners uit hoofde van hun beroepsuitoefening als zodanig kennis hadden genomen (artikel 11a Advocatenwet).’
28.
Op 4 april 2024 publiceerde de DJI een persbericht met de inhoud dat het Bureau Integriteit heeft geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat er sprake is van een integriteitschending.
29.
Op 5 april 2024 werd via het algemene mailadres van de Rijksrecherche een mail ontvangen, afkomstig van ‘[e-mailadres 1]’. De mail had als onderwerp ‘[…]’. De e-mail bevatte links naar zeven geluidsbestanden. Via deze links zijn de desbetreffende geluidsbestanden door een digitaal rechercheur veiliggesteld, op virussen gescand en in een aparte geheimhouderregistratie opgeslagen, zodat het onderzoeksteam er geen toegang toe had.
30.
Op 3 juli 2024 heeft de officier van justitie zoals opgemerkt een vordering ex art. 181 Sv aan de rechter-commissaris in de rechtbank Amsterdam gedaan om onderzoekshandelingen te verrichten met het oog op de opsporing van een strafbaar feit. Meer specifiek ging het om (a) het filteren van de door de Rijksrecherche per e-mail van een anonieme afzender verkregen, zeven digitale geluidsbestanden op verschoningsgerechtigde informatie en vervolgens, indien die informatie aanwezig blijkt te zijn, (b) het beoordelen of het verschoningsrecht doorbroken moet worden. Bij beschikking van 25 juli 2024 heeft de rechter-commissaris die vordering toegewezen.
31.
Nadat de geluidsbestanden door de rechter-commissaris — samen met een schriftelijke uitwerking van deze geluidsbestanden — waren ontvangen, heeft de rechter-commissaris het standpunt van de deken ingewonnen. De deken is daarbij in de gelegenheid gesteld om kennis te nemen van zowel de geluidsfragmenten als de schriftelijke uitwerking daarvan. In haar mail d.d. 25 september 2024, die als bijlage 3 bij het onderhavige klaagschrift is opgenomen, heeft de deken (opnieuw) het standpunt ingenomen dat de inhoud van de desbetreffende zeven geluidsfragmenten (integraal) onder het advocatuurlijk verschoningsrecht vallen. Datzelfde standpunt was door de deken reeds opgenomen in de publieke rapportage d.d. 27 maart 2024. De deken heeft daarbij onder meer ook opgemerkt dat voornoemde geluidsfragmenten onderdeel waren van de gegevens die zij verkreeg en heeft onderzocht in het kader van haar onderzoek.
32.
Ook verzoeker tot cassatie is door de rechter-commissaris (bij brief van 15 oktober 2024) verzocht een standpunt in te nemen ten aanzien van zijn verschoningsrecht met betrekking tot de opgenomen gesprekken. Met verwijzing naar het standpunt van de deken heeft verzoeker tot cassatie zich ter zake op het standpunt gesteld dat hij tot geheimhouding verplicht is ten aanzien van al hetgeen waarvan hij uit hoofde van zijn beroepsuitoefening als zodanig kennis heeft genomen en dat de opgenomen gesprekken derhalve vallen onder zijn verschoningsrecht.
33.
Ook mr. [medeklager] heeft zich op dat standpunt gesteld.
De beslissing van de rechter-commissaris d.d. 25 oktober 2025
34.
De rechter-commissaris heeft voornoemd standpunt gevolgd ten aanzien van vier van de zeven geluidsfragmenten. Ten aanzien van deze vier fragmenten is de rechter-commissaris voorts van oordeel dat geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden, nu de inhoud van deze geluidsbestanden niet relevant is voor de door het openbaar ministerie geformuleerde verdenking.
35.
Het vijfde geluidsfragment (‘[…]’) bevat een gesprek tussen Peter R. de Vries en een persoon die ‘[betrokkene 1]’ wordt genoemd. Blijkens zijn beslissing gaat de rechter-commissaris ervan uit dat het daarbij gaat om een toenmalig cliënt van verzoeker tot cassatie. Ten aanzien van dit geluidsfragment oordeelde de rechter-commissaris dat ‘goed te betogen’ valt dat Peter R. de Vries een van verzoeker tot cassatie afgeleid verschoningsrecht toekomt, nu Peter R. de Vries destijds directeur van het advocatenkantoor was en in die hoedanigheid aan het desbetreffende gesprek deelneemt.
36.
Bij de overige twee gesprekken (‘[…]’ en ‘[…]’) gaat het naar het oordeel van de rechter-commissaris vermoedelijk om een driegesprek, te weten een gesprek tussen verzoeker tot cassatie, mr. [medeklager] en Peter R. de Vries. Hoewel volgens de rechter-commissaris van sommige passages in deze bestanden evident is dat deze onder het verschoningsrecht vallen, is het volgens de rechter-commissaris
‘maar zeer de vraag of dit ook geldt voor de passages in de ‘driegesprekken’ waarin — kort gezegd — de inhoud van het eerdere gesprek tussen Peter R. de Vries en [betrokkene 1] wordt besproken. Het verschoningsrecht strekt zich immers (slechts) uit over wetenschap van informatie die rechtstreeks verband houdt met de taakuitoefening van de verschoningsgerechtigde. Dat betekent dat de advocaat alleen een verschoningsrecht toekomt met betrekking tot wetenschap die hij in de normale uitoefening van zijn beroep heeft gekregen (zie ook HR 12 maart 2024, r.o. 6.2.1). Goed betoogd kan worden dat daar (deels) geen sprake van was.’
37.
De rechter-commissaris laat de beantwoording van die vraag echter in het midden. De rechter-commissaris is namelijk van oordeel dat ten aanzien van deze drie geluidsfragmenten sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die maken dat het verschoningsrecht dient te worden doorbroken. Ter zake overweegt de rechter-commissaris dat er, gezien het proces-verbaal van aanvraag en het proces-verbaal van verdenking, een serieuze verdenking is dat een advocaat ten behoeve van een cliënt een selectiefunctionaris heeft omgekocht om een gunstiger detentieverloop te realiseren, dan wel dat deze advocaat een cliënt heeft geprobeerd op te lichten met de suggestie dat hij een selectiefunctionaris kon omkopen voor een gunstiger detentieverloop. De publieke versie van het rapport van de deken van 27 maart 2024 neemt deze verdenking volgens de rechter-commissaris niet weg. De rechter-commissaris verwijst voorts naar de essentiële rol van advocaten binnen de rechtsstaat en het feit dat procesdeelnemers op de integriteit van de advocaat moeten kunnen vertrouwen. De rechter-commissaris overweegt ook dat de verdenking die in het onderzoek centraal staat, al onderwerp is geweest van meerdere publicaties in dagbladen en vele andere media-uitingen en voor de nodige beroering heeft gezorgd. De aard van de verdenking berokkent schade aan het aanzien van het beroep van advocaat en het maatschappelijk vertrouwen in de advocatuur. De rechter-commissaris concludeert:
‘Gelet hierop is de rechter-commissaris van oordeel dat er zeer uitzonderlijke omstandigheden aanwezig zijn die maken dat het belang dat de waarheid aan het licht moet komen prevaleert boven het verschoningsrecht van zowel mr. [klager] als mr. [medeklager].’
38.
Ook aan het vereiste van subsidiariteit is volgens de rechter-commissaris voldaan. Een rol speelt daarbij volgens de rechter-commissaris dat Peter R. de Vries niet meer in leven is.
Het klaagschrift
39.
Op 8 november 2024 is namens verzoeker tot cassatie een klaagschrift ex art. 98 lid 4 jo. 552 Sv ingediend. In dit klaagschrift wordt, voor zover met betrekking tot de cassatieklachten relevant, mede met verwijzing naar het klaagschrift dat namens mr. [medeklager] is ingediend, opgekomen tegen
- —
de wijze waarop de selectie van de geluidsfragmenten heeft plaatsgevonden (nrs 22–35);
- —
de overwegingen van de rechter-commissaris ten aanzien van het verschoningsrecht (nrs 36–52); en
- —
de overwegingen van de rechter-commissaris ten aanzien van de zeer uitzonderlijke omstandigheden (nrs 53–62).
40.
Het klaagschrift strekt ertoe dat de beslissing van de rechter-commissaris en de geluidsbestanden worden vernietigd.
41.
Voorafgaand aan de behandeling van het klaagschrift is namens verzoeker tot cassatie voorts een brief van de deken d.d. 14 januari 2025 overgelegd, waarin de deken meer uitvoerig ingaat op de beslissing van de rechter-commissaris, het door haar verrichte onderzoek en de reikwijdte van het advocatuurlijk verschoningsrecht.
De beschikking van de rechtbank d.d. 11 februari 2025
42.
Ten aanzien van het verweer dat door de wijze van selectie van de (fragmenten van de) geluidsfragmenten het verschoningsrecht onvoldoende is gewaarborgd, overweegt de rechtbank in haar beschikking d.d. 11 februari 2025 dat de rechter-commissaris verzoeker tot cassatie en mr. [medeklager] heeft uitgenodigd om een standpunt in te nemen ten aanzien van het verschoningsrecht met betrekking tot de opgenomen gesprekken en dat beiden zich op het standpunt hebben gesteld dat ten aanzien van alle gesprekken sprake was van verschoningsgerechtigde informatie. De rechtbank vervolgt:
‘Wellicht hadden [klager] en [medeklager] niet kunnen voorzien dat de rechter-commissaris de geluidsbestanden per fragment zou beoordelen, maar ze hadden zich reeds op het standpunt gesteld dat sprake was van verschoningsgerechtigde informatie, een standpunt waar de rechter-commissaris in zekere zin in mee is gegaan.’
43.
Ook de rechtbank laat in haar beschikking de vraag in het midden of de drie hiervoor geduide geluidsfragmenten onder het verschoningsrecht van verzoeker tot cassatie en/of mr. [medeklager] vallen. Met verwijzing naar de overweging van de rechter-commissaris ter zake merkt de rechtbank wel op dat het de vraag is of de fragmenten van de drie geluidsbestanden onder hun verschoningsrecht vallen:
‘Een advocaat komt namelijk alleen een verschoningsrecht toe met betrekking tot de wetenschap die hij in de normale uitoefening van zijn beroep heeft gekregen (zie ook HR 12 maart 2024, rov. 6.2.1). Gelet op de aard van de verdenking en de inhoud van de gesprekken is het de vraag of dat aan de orde was.’
44.
In plaats daarvan richt (ook) de rechtbank zich alleen op de vraag of het belang dat het verschoningsrecht dient, zou moeten wijken voor het belang van de waarheidsvinding. De rechtbank wijst er daarbij op dat het verschoningsrecht van de advocaat niet absoluut is. De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt, laat zich niet in een algemene regel samenvatten. De enkele omstandigheid dat een advocaat als verdachte wordt aangemerkt is in ieder geval niet toereikend, maar wel de verdenking van een ernstig strafbaar feit. Dan zal het belang van die cliënten dat zij ervan moeten kunnen uitgaan dat de advocaat geheim houdt hetgeen zij hem in die criminele aangelegenheid hebben toevertrouwd moeten wijken voor het belang dat de waarheid aan het licht komt (daarbij verwijzend naar ECLI:NL:HR:2009:BH7284). Bij de beoordeling of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die de doorbreking van het verschoningsrecht van een advocaat rechtvaardigen, dienen volgens de rechtbank de volgende factoren in aanmerking te worden genomen:
- —
de aard en ernst van de verdenking in de strafzaak;
- —
de omstandigheid of het een tegen de advocaat bestaande verdenking betreft;
- —
het belang van de betreffende gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek; en
- —
de vraag of de betreffende gegevens niet op andere wijze kunnen worden verkregen.
45.
Ten aanzien van de aard en ernst van de verdenking overweegt de rechtbank dat het standpunt dat er nog geen begin van een verdenking is, onbegrijpelijk is, gelet op het proces-verbaal van verdenking van 6 juni 2024 en de beslissing van de rechter-commissaris van 25 oktober 2024. Uit deze stukken blijkt naar het oordeel van de rechtbank duidelijk een redelijke verdenking. Daaraan doen de rapporten van de deken en DJI niets af. De door hen ingestelde onderzoeken vonden immers telkens plaats ‘met beperkte onderzoeksmiddelen en enkel binnen het eigen domein, wat in beide gevallen een significant ander domein betreft dan een strafrechtelijk onderzoek’, aldus de rechtbank. Bovendien heeft het openbaar ministerie, net als de rechtbank, geen inzage gehad in het volledige rapport van de deken, waardoor het openbaar ministerie ‘des te meer gerechtigd is om onderzoek te doen’. Het betreft volgens de rechtbank bovendien de verdenking van een buitengewoon ernstig feit. Het gaat immers, aldus nog steeds de rechtbank, om een verdenking dat een advocaat een cliënt zou hebben opgelicht, dan wel een selectiefunctionaris van DJI zou hebben omgekocht; bij een bewezenverklaring zou sprake zijn van ‘een grove integriteitsschending, die ook nog eens in negatieve zin afstraalt op de gehele advocatuur als beroepsgroep.’
46.
De rechtbank erkent dat voor mr. [medeklager] geldt dat hij zelf niet als verdachte is aangemerkt, maar overweegt in de conclusie (zie hierna) dat zijn rol en inbreng en daarmee de inbreuk op zijn verschoningsrecht beperkt is, nu het ‘immers’ niet de cliënt van mr. [medeklager] is met wie is gesproken en de inbreng van mr. [medeklager] in de gesprekken beperkt is, om welke reden de inbreuk die mede op het verschoningsrecht van mr. [medeklager] (als niet-verdachte) wordt gemaakt, vanwege zeer uitzonderlijke omstandigheden gerechtvaardigd wordt geacht.
47.
De gegevens zijn naar het oordeel van de rechtbank voorts van essentieel belang voor het strafrechtelijk onderzoek:
‘Immers, zo is de rechtbank gebleken uit onder meer het proces-verbaal van verdenking van 6 juni 2024 en de beslissing van de rechter-commissaris van 25 oktober 2024, een aanzienlijk deel van de verdenking en mogelijk bewijs zal gelegen zijn in de geluidsbestanden ten aanzien waarvan het verschoningsrecht is ingeroepen. Ook de officier van justitie heeft op de zitting het belang van de geluidsbestanden benadrukt. Ten behoeve van de waarheidsvinding zijn deze gegevens dan ook cruciaal.’
48.
Bovendien is een situatie waarin deze specifieke gegevens op andere wijze kunnen worden verkregen, naar het oordeel van de rechtbank moeilijk voorstelbaar. Het gaat om informatie die, in beginsel, onder het verschoningsrecht valt ‘en dus niet kan worden gebruikt in een strafrechtelijk onderzoek.’ De informatie is bovendien alleen maar beschikbaar bij de twee personen die zich op hun verschoningsrecht kunnen beroepen ([klager] en [medeklager]), waarbij ook in aanmerking wordt genomen dat de derde deelnemer aan het bewuste gesprek (Peter R. de Vries) niet meer in leven is.
49.
Ten aanzien van de aard van de gegevens merkt de rechtbank op dat het gaat om driegesprekken waarin niet wordt gesproken ‘over een strafzaak, processtrategie of evidente zaken die het verdedigingsbelang dienen,’ maar waarin vooral wordt besproken ‘hoe een dubieuze kwestie zowel intern als extern het beste kan worden afgewikkeld.’ De rechtbank meent dan ook
‘dat de gegevens in elk geval niet tot de kern van het verschoningsrecht kunnen worden gerekend, wat meespeelt bij de weging of het belang dat het verschoningsrecht dient zou moeten prevaleren boven het belang van de waarheidsvinding.’
50.
De rechtbank concludeert:
‘Er is sprake van een redelijke verdenking van een buitengewoon ernstig strafbaar feit jegens een advocaat ([klager]). De gegevens waarop het verschoningsrecht van toepassing is, zijn essentieel voor het onderzoek naar de verdenking jegens [klager] en kunnen niet op andere wijze worden verkregen. Hierbij is bovendien van belang dat de inhoud van de gegevens weliswaar binnen het domein van het verschoningsrecht vallen (en als zodanig worden getoetst), maar niet de kern ervan raken. Ten aanzien van [medeklager] geldt verder dat zijn rol en inbreng en daarmee de inbreuk op zijn verschoningsrecht, beperkt is. Weliswaar is de verdenking gericht tegen [klager] (als advocaat), maar gelet op de aard en inhoud van de gesprekken (zie hiervoor) is de rechtbank van oordeel dat ook ten aanzien van [medeklager] (ook kijkend naar zijn summiere inbreng in de gesprekken) een doorbreking van zijn verschoningsrecht (als niet-verdachte verschoningsgerechtigde) gerechtvaardigd is. De rechtbank is al met al van oordeel dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waardoor het maatschappelijk belang van de waarheidsvinding dient te prevaleren boven het maatschappelijk belang van het verschoningsrecht van [klager] en [medeklager] en de daarmee samenhangende beperkingen van de uitoefening van de beslag- en doorzoekingsbevoegdheden.’
51.
Tegen voornoemde overwegingen van de rechtbank zijn de drie hieronder geformuleerde cassatiemiddelen gericht.
Middel 1
1.
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat de rechtbank (a) het verschoningsrecht ten onrechte heeft beoordeeld per fragment, en/of (b) de vraag of de fragmenten van de drie geluidsbestanden onder het verschoningsrecht vallen, ten onrechte in het midden heeft gelaten, althans daaraan tegenstrijdige overwegingen wijdt, en/of (c) (vervolgens) ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat — wat er ook zij van de vraag of die fragmenten onder het verschoningsrecht vallen — ter zake onderscheid kan (en dient) worden gemaakt tussen informatie die tot de kern van het verschoningsrecht kan worden gerekend en informatie die daartoe niet behoort. Althans zijn de beslissingen ter zake, mede gelet op de namens verzoeker tot cassatie bij de rechtbank ingenomen standpunten, innerlijk tegenstrijdig, althans onbegrijpelijk, althans niet (voldoende) gemotiveerd.
Toelichting
1.1.
De rechter-commissaris heeft verzoeker tot cassatie (en mr. [medeklager]) om een standpunt gevraagd met betrekking tot de vraag of de drie geluidsbanden onder het verschoningsrecht vallen. Verzoeker tot cassatie heeft de rechter-commissaris daarop bericht dat de heimelijk opgenomen gesprekken hebben plaatsgevonden tussen geheimhouders op zijn voormalig advocatenkantoor. Verzoeker tot cassatie heeft voorts gewezen op het standpunt van de deken ter zake (dat alle gesprekken geheel of overwegend als geheimhoudergesprekken zijn aan te merken) en geconcludeerd dat hij ter zake tot geheimhouding verplicht is; de opgenomen gesprekken vallen derhalve (integraal) onder zijn verschoningsrecht.
1.2.
Daaropvolgend heeft de rechter-commissaris elk van de drie geluidsbanden beoordeeld per fragment. De rechter-commissaris heeft ter zake overwogen dat het (zeer) de vraag is of de desbetreffende fragmenten onder het verschoningsrecht vallen, maar die vraag niet beantwoord, vanwege zijn oordeel dat — wat er ook zij van de vraag of het verschoningsrecht van toepassing is — zeer uitzonderlijke omstandigheden van toepassing zijn.
1.3.
In het klaagschrift is (gemotiveerd) het standpunt ingenomen dat deze werkwijze niet voorzienbaar was voor verzoeker tot cassatie (klaagschrift, nr. 25) en deze werkwijze met onvoldoende waarborgen is omkleed (klaagschrift, nr. 27). In het klaagschrift is voorts het standpunt ingenomen dat zonder een zorgvuldig antwoord op de vraag of het verschoningsrecht van toepassing is — en dus zonder het belang en de reikwijdte van het verschoningsrecht onder ogen te zien — de belangenafweging die ten grondslag ligt aan het oordeel dat het belang van de waarheidsvinding prevaleert boven het belang dat aan het verschoningsrecht ten grondslag ligt, niet (juist en/of volledig) kan worden gemaakt (vgl. klaagschrift, nr. 38).
1.4.
De rechtbank heeft ter zake overwogen dat de werkwijze van de rechter-commissaris geen gebreken vertoont: de rechter-commissaris heeft de deken, verzoeker tot cassatie en mr. [medeklager] immers verzocht om hun standpunt ten aanzien van het verschoningsrecht: wellicht hadden zij niet kunnen voorzien dat de rechter-commissaris de geluidsbestanden per fragment zou beoordelen, maar de rechter-commissaris is ‘in zekere zin’ in hun standpunt meegegaan. De rechtbank volgt dat oordeel, in die zin dat de rechtbank de door de rechter-commissaris geselecteerde fragmenten (kennelijk) zonder enige inhoudelijke beoordeling daarvan tot uitgangspunt neemt, vervolgens met verwijzing naar de beslissing van de rechter-commissaris signaleert dat het de vraag is of het verschoningsrecht op de bewuste fragmenten wel van toepassing is, om daaropvolgend (en tegenstrijdig aan haar eerdere overweging) te concluderen dat het gaat om informatie die ‘in beginsel’ onder het verschoningsrecht valt, maar dat de door de rechter-commissaris geselecteerde fragmenten (‘in elk geval’) niet tot ‘de kern van het verschoningsrecht’ kunnen worden gerekend. Dat laatste vormt blijkens de overwegingen van de rechtbank een factor van betekenis bij de vraag of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden.
1.5.
Door eerst te overwegen dat het, gelet op de aard van de verdenking en de inhoud van de gesprekken, de vraag is of de fragmenten/gegevens onder het verschoningsrecht vallen, en vervolgens te oordelen dat het om informatie gaat die, in beginsel onder het verschoningsrecht valt, is de beslissing van de rechtbank innerlijk tegenstrijdig, althans als zodanig onbegrijpelijk.
1.6.
Bovenal heeft de rechtbank evenwel met voornoemde overwegingen, althans de gevolgde werkwijze, de inhoud, essentie en ratio van het verschoningsrecht miskend, althans een onjuiste maatstaf gehanteerd.
1.7.
Het verschoningsrecht ziet op de wetenschap die rechtstreeks verband houdt met de taakuitoefening van de verschoningsgerechtigde. Dat betekent — aldus standaardjurisprudentie van de Hoge Raad — dat een advocaat een verschoningsrecht toekomt met betrekking tot de wetenschap die aan hem is toevertrouwd in het kader van zijn juridische dienstverlening aan een rechtzoekende die zich tot hem heeft gewend vanwege zijn hoedanigheid als advocaat. Het moet gaan om stukken en gegevens die een vertrouwelijk karakter hebben en die daarom voor anderen verborgen moeten kunnen blijven. Dat vertrouwelijke karakter kan voortvloeien uit de aard van de betreffende informatie en uit het uitdrukkelijk uitgesproken dan wel aannemelijk te achten verlangen van de advocaat en zijn cliënt (o.a. HR 25 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:450).
1.8.
Daaruit volgt dat uitgangspunt is en dient te zijn of het gaat om wetenschap die de advocaat is toevertrouwd in het kader van zijn juridische dienstverlening (aan een rechtzoekende). Daaronder valt — blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad — niet alleen wetenschap die de advocaat met zijn cliënt wisselt, maar ook wetenschap die de advocaat van derden verkrijgt (of aan derden verstrekt) in het kader van zijn juridische dienstverlening. Zo valt ook een dagboek dat door de moeder van een verdachte aan diens advocaat is verstrekt, (integraal) onder het verschoningsrecht van de advocaat. Het betreft immers wetenschap die aan de advocaat in het kader van zijn beroepsuitoefening is toevertrouwd (HR 24 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4666). Zoals Brants & Spronken het omschrijven in hun preadvies voor de NVVS uit 2006 (‘Het professionele verschoningsrecht: de arts, de advocaat en de journalist in de Nederlandse strafrechtpraktijk’), ziet het verschoningsrecht op
‘alle informatie die de beroepsbeoefenaar bij de uitoefening van zijn werkzaamheden ontvangt, inclusief alle waarnemingen en ondervindingen in het kader van die werkzaamheden, ongewild of toevallig verkregen informatie en informatie van derden. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen meer of minder vertrouwelijke gegevens.’
1.9.
Ook de door een advocaat in het kader van zijn juridische werkzaamheden verstrekte informatie — zoals aan een deskundige verstrekte gegevens met het oog op de advisering door die deskundige — valt onder het verschoningsrecht (vgl. HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3714).
1.10.
Uitgangspunt van de Hoge Raad is ook dat voor de beoordeling van de vraag of informatie onder het verschoningsrecht valt, irrelevant is bij wie die informatie zich bevindt (o.a. HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:302). Daaruit volgt dat de bescherming van het verschoningsrecht zich bijvoorbeeld ook uitstrekt tot geprivilegieerde gegevens van een verschoningsgerechtigde die zijn opgeslagen bij een aanbieder van een communicatiedienst, ook als die gegevens door toedoen van een cliënt daar zijn opgeslagen (HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375).
1.11.
Uit de ratio van het verschoningsrecht en de (standaard-)jurisprudentie van de Hoge Raad aangaande dat recht, volgt (dan ook) dat ook gesprekken over (de aangelegenheden van) (al dan niet gezamenlijke en/of kantoor-) cliënten tussen (afgeleid) verschoningsgerechtigden onder het verschoningsrecht vallen. Een andere opvatting is niet denkbaar zonder het fundamentele belang van het verschoningsrecht ernstig geweld aan te doen.
1.12.
Het door de advocaat aan derden verstrekken van informatie aangaande zijn cliënt is — in elk geval zonder toestemming van die cliënt — niet voor niets zowel strafrechtelijk (art. 272 Sr) als tuchtrechtelijk laakbaar.
1.13.
Tegen die achtergrond is het (voorts) onjuist om gesprekken per fragment te beoordelen — alsof een gesprek niet één geheel is, maar bestaat uit losse opmerkingen die geen of weinig verband met elkaar houden en/of geheel los van de context kunnen worden bezien en beoordeeld. Dat doet (ernstig) afbreuk aan het verschoningsrecht en verhoudt zich niet met de jurisprudentie van de Hoge Raad aangaande het verschoningsrecht. Op die wijze beoordeeld immers, zou (ook) in een grote ‘bak’ digitale informatie gezocht kunnen worden naar ‘fragmenten’ van gesprekken en/of correspondentie die (wellicht) niet verschoningsrecht vallen. Bovendien stuit een werkwijze, waarin onderdeel voor onderdeel wordt beoordeeld of het gaat om informatie die onder de bescherming van het verschoningsrecht valt, af op het vroegtijdige stadium van het onderzoek waarin dit doorgaans plaatsheeft. Niet kan worden uitgesloten dat een in dit verband betekenisloos fragment in de context van later verkregen onderzoeksresultaten die bescherming wel degelijk verdient.
1.14.
Dat het verschoningsrecht niet per fragment of onderdeel behoort te worden beoordeeld, vindt bevestiging in de jurisprudentie van de Hoge Raad. Daarin werd immers (en zoals opgemerkt) niet alleen al eerder geoordeeld dat het dagboek van de moeder van een cliënt, die aan diens advocaat werd verstrekt, onder het verschoningsrecht valt (HR 24 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4666): ook werd daarin al eerder geoordeeld dat een standpunt dat erop neerkomt dat camerabeelden van een wachtruimte en de (voor een ieder toegankelijke) toegangspanden tot de afdeling spoedeisende hulp van een ziekenhuis niet kunnen gelden als wetenschap die een arts in het kader van zijn beroepsuitoefening is toevertrouwd, omdat daarop niet alleen patiënten, maar ook bezoekers of begeleiders te zien zijn en aan de hand van de beelden de patiënten niet individueel kunnen worden geïdentificeerd, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting (HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:553). Daaruit blijkt dat camerabeelden — zoals ook gesprekken — als geheel dienen te worden beschouwd. Een beoordeling per fragment is daarmee in strijd en gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting.
1.15.
In het klaagschrift is ter zake namens verzoeker aangevoerd dat die werkwijze niet alleen onjuist is, maar voor verzoeker tot cassatie bovendien onvoorzienbaar was, zodat hij ten overstaan van de rechter-commissaris ten onrechte niet per fragment zijn positie heeft kunnen bepalen.
1.16.
De rechtbank heeft dit standpunt verworpen met het argument dat de rechter-commissaris ‘in zekere zin’ met het standpunt van verzoeker tot cassatie is meegegaan, kennelijk omdat de rechter-commissaris — na twijfels te hebben geuit of het verschoningsrecht op deze fragmenten wel van toepassing is — vervolgens is uitgegaan van de (voorlopige) aanname/hypothese dat de desbetreffende fragmenten onder het verschoningsrecht vallen. De rechtbank volgt eenzelfde werkwijze.
1.17.
Het antwoord van de rechtbank ter zake volstaat niet. En dat antwoord volstaat meer in het bijzonder niet, omdat de beoordeling per fragment blijkens de beslissing van de rechtbank in essentie ten grondslag ligt aan de daaropvolgende conclusie dat, wat er ook zij van het verschoningsrecht, de desbetreffende fragmenten (‘in ieder geval’) niet ‘de kern’ van het verschoningsrecht raken, kennelijk omdat zij geen betrekking hebben op ‘de strafzaak, de processtrategie of evidente zaken die het verdedigingsbelang dienen’. Die overweging speelt een belangrijke rol in de afweging van de rechtbank bij de weging of het belang dat het verschoningsrecht dient, zou moeten prevaleren boven het belang van de waarheidsvinding.
1.18.
De werkwijze van de rechtbank — en die de rechter-commissaris — komt er aldus op neer dat geluidsbestanden per fragment en ‘in isolement’ kunnen worden beoordeeld, zonder dat de verschoningsgerechtigde in de gelegenheid wordt gesteld om per geselecteerd fragment een standpunt te bepalen, waarna per geselecteerd fragment door de rechtbank wordt beoordeeld of dat fragment (in isolement) al dan niet ‘de kern’ van het verschoningsrecht raakt.
1.19.
Daarmee wordt de essentie van het verschoningsrecht — namelijk dat dit recht ziet op de wetenschap die aan een advocaat is toevertrouwd in het kader van zijn juridische dienstverlening aan een rechtzoekende die zich tot hem heeft gewend vanwege zijn hoedanigheid als advocaat — miskend. De vraag of het verschoningsrecht van toepassing is, kan tegen die achtergrond immers niet ‘hap snap’ (per fragment) worden beoordeeld. Gegevens zijn verschoningsgerechtigd, of zij zijn dat niet. ‘Een beetje verschoningsgerechtigd’ bestaat niet, zoals naar het cliché ‘een beetje zwanger’ ook niet bestaat. Zie daartoe ook het klaagschrift (nr. 51). De rechtbank heeft dat miskend.
1.20.
Aldus geïnterpreteerd zou immers ook (zeer) persoonlijke informatie aangaande de cliënt die de strafzaak als zodanig niet (zonder meer) raakt — zoals informatie omtrent de huwelijkse staat van de cliënt, buitenechtelijke relaties en/of problemen op het werk (of thuis), maar ook de vraag of de cliënt al dan niet op toevoeging procedeert, een betalingsachterstand heeft, of het gegeven dat gelden aan hem moeten of zullen worden teruggestort — niet ‘tot de kern’ van het verschoningsrecht behoren en daaruit dus kunnen worden losgemaakt zonder de kern van dat verschoningsrecht te raken. Het enkele feit dat een persoon zich gewend heeft tot een geheimhouder is echter reeds een gegeven dat door het verschoningsrecht wordt bestreken (vgl. HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5070). De rechtbank heeft (ook) dat miskend.
1.21.
Het is precies om deze reden(en) dat namens verzoeker tot cassatie in het klaagschrift het standpunt is ingenomen dat de desbetreffende werkwijze voor verzoeker niet alleen onvoorzienbaar was, maar dat de werkwijze het verschoningsrecht onvoldoende waarborgt en een beoordeling van de aanwezigheid van zeer uitzonderlijke omstandigheden niet kan worden gemaakt, indien niet eerst is beoordeeld of de gegevens onder het verschoningsrecht vallen. De rechtbank heeft ten onrechte nagelaten op deze standpunten te responderen. Gegeven de werkwijze van de rechtbank — in navolging van de rechter-commissaris — was dat antwoord in dit geval noodzakelijk.
1.22.
Het is bovendien — en gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad ter zake — onjuist dat de rechtbank meent dat haar een oordeel toekomt over de vraag of de desbetreffende fragmenten al dan niet ‘evidente zaken die het verdedigingsbelang dienen’ betreffen. Een oordeel omtrent de vraag of iets ‘het verdedigingsbelang dient’, is niet aan de rechtbank, maar aan de verschoningsgerechtigde, althans aan de deken.
1.23.
Daarbij komt dat de rechtbank blijkens haar beschikking (kennelijk) niet zelf heeft kennis genomen van de bewuste geluidsbestanden/-fragmenten. Omtrent de aard en inhoud van de gegevens wordt door de rechtbank immers (slechts) overwogen:
‘Het gaat om drie opgenomen gesprekken, namelijk een gesprek tussen een voormalig cliënt van [klager] en Peter R. de Vries en twee gesprekken tussen de drie (voormalig) kantoorgenoten [klager], [medeklager] en Peter R. de Vries. Ten aanzien van [medeklager] (klager) geldt dat hij een beperkte rol speelt. Het betreft immers niet zijn cliënt met wie is gesproken en zijn inbreng in de gesprekken is beperkt. Dat maakt dat ook een eventuele inbreuk op zijn verschoningsrecht beperkt van aard is. Daarbij komt dat in de driegesprekken niet wordt gesproken over een strafzaak, processtrategie of evidente zaken die het verdedigingsbelang dienen, maar vooral hoe een dubieuze kwestie zowel intern, als extern het beste kan worden afgewikkeld. De rechtbank meent dan ook dat de gegevens in elk geval niet tot de kern van het verschoningsrecht kunnen worden gerekend, wat meespeelt bij de weging of het belang dat het verschoningsrecht dient zou moeten prevaleren boven het belang van de waarheidsvinding.’
1.24.
Waaraan de rechtbank de gestelde aard of inhoud van de gegevens heeft afgeleid, alsmede waarop de rechtbank baseert dat het niet (ook) de cliënt van mr. [medeklager] was, waarover in de gesprekken werd gesproken, blijkt uit de beslissing (in het geheel) niet. Aldus is (zonder nadere motivering) onbegrijpelijk waarop de rechtbank het oordeel heeft gemeend te kunnen baseren dat deze gegevens ‘in elk geval’ niet kunnen worden gerekend tot ‘de kern van het verschoningsrecht’.
1.25.
Reeds om deze reden(en) kan de beschikking van de rechtbank niet in stand blijven.
Middel 2
2.
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat de rechtbank de vraag of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die het verschoningsrecht van verzoeker tot cassatie doorbreken, op onjuiste gronden/met toepassing van een onjuiste maatstaf bevestigend heeft beantwoord, althans deze beslissing niet, althans onvoldoende, althans onjuist dan wel innerlijk tegenstrijdig heeft gemotiveerd. Althans heeft de rechtbank nagelaten (voldoende) gemotiveerd te beslissen op de ter zake namens verzoeker tot cassatie ingenomen standpunten.
Toelichting
2.1
De onderhavige cassatieklacht richt zich zowel op het door de rechtbank gebruikte beoordelingskader als de toepassing van dat kader in de onderhavige zaak.
Deelklacht 1: een onjuist beoordelingskader
2.2
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden, neemt de rechtbank in aanmerking (a) de aard en ernst van de verdenking in de strafzaak; (b) de omstandigheid of het een tegen de advocaat bestaande verdenking betreft; (c) het belang van de betreffende gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek; en (d) de vraag of de betreffende gegevens niet op andere wijze kunnen worden verkregen. De rechtbank maakt daarnaast enkele aanvullende opmerkingen aangaande de aard en inhoud van de gegevens.
2.3
Dat beoordelingskader loopt niet synchroon met het beoordelingskader aangaande zeer uitzonderlijke omstandigheden dat door de Hoge Raad uiteengezet is. Dat beoordelingskader is — voor wat betreft advocaten — immers als volgt (HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:302):
‘[D]e vraag of zich zo uitzonderlijke omstandigheden voordoen laat zich niet in het algemeen beantwoorden. Voor het oordeel dat van zeer uitzonderlijke omstandigheden — en dus van een uitzondering op de hoofdregel met betrekking tot het verschoningsrecht — sprake is, gelden zware motiveringseisen. (Vgl. HR 30 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5665.) Daarbij komt in een geval als dit betekenis toe aan de aard en de ernst van het strafbaar feit waarvan het vermoeden bestaat dat het is begaan, de aard en de inhoud van het materiaal waarover zich het verschoningsrecht uitstrekt in verband met het belang dat door het verschoningsrecht wordt gediend, de mate waarin de betrokken belangen van de cliënt worden geschaad als het verschoningsrecht wordt doorbroken en de omstandigheid dat de gegevens niet op een andere manier kunnen worden verkregen (vgl. onder meer HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1369 en HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1205).
Wat betreft het belang van de waarheidsvinding geldt als beoordelingsmaatstaf of de betreffende gegevens redelijkerwijs in een zodanig direct verband staan met het strafbare feit waarvan het vermoeden bestaat dat dit is begaan, dat deze gegevens kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen (vgl. HR 30 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD7280).’
2.4
Uit de beslissing van de rechtbank volgt dat de rechtbank geen enkele overweging heeft gewijd aan de vraag naar de mate waarin de betrokken belangen van de cliënt(en) worden geschaad als het verschoningsrecht wordt doorbroken. Evenmin heeft de rechtbank enige overweging gewijd aan de vraag of de betreffende gegevens redelijkerwijs in een zodanig direct verband staan met het strafbare feit waarvan het vermoeden bestaat dat dit is begaan, dat deze gegevens kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen.
2.5
Daaruit volgt (reeds) dat de rechtbank een onjuist beoordelingskader heeft gehanteerd en daarmee een verkeerde toepassing aan het recht heeft gegeven.
2.6
Ook om die reden kan de beschikking van de rechtbank niet in stand blijven.
2.7
Voor zover uw Raad zou menen dat het beoordelingskader niet onjuist is, althans niet zodanig onjuist dat de beslissing van de rechtbank reeds om die reden niet in stand kan blijven, geldt het volgende.
Deelklacht 2: het hanteren van een onjuiste maatstaf, althans onbegrijpelijke motivering ter zake de aard en ernst van de verdenking tegen een advocaat
2.8
De eerste door de Hoge Raad van belang geachte factor betreft de aard en ernst van het strafbare feit waarvan het vermoeden bestaat dat het is begaan. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad vloeit in dat kader voort dat de omstandigheid dat de advocaat zelf als verdachte is aangemerkt, op zich onvoldoende is. Dat kan blijkens de jurisprudentie (o.a. HR 30 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD728) anders zijn
‘bij de verdenking van een ernstig strafbaar feit, zoals het vormen van een crimineel samenwerkingsverband van een advocaat met bepaalde cliënten. Dan zal het belang van die cliënten dat zij ervan moeten kunnen uitgaan dat de advocaat geheim houdt hetgeen zij hem in die criminele aangelegenheid hebben toevertrouwd moeten wijken voor het belang dat de waarheid aan het licht komt.’
2.9
Ten aanzien van de aard en ernst van de verdenking heeft de rechtbank in de zaak van verzoeker tot cassatie overwogen dat er wel degelijk een begin van een verdenking is, gelet op het proces-verbaal van verdenking van 6 juni 2024 en de beslissing van de rechter-commissaris van 25 oktober 2024. Het betreft naar het oordeel van de rechtbank bovendien een buitengewoon ernstig strafbaar feit, namelijk de verdenking dat een advocaat een cliënt zou hebben opgelicht, dan wel een selectiefunctionaris van DJI zou hebben omgekocht. Bij bewezenverklaring zou (dan ook) sprake zijn van een grove integriteitsschending die ook nog eens in negatieve zin afstraalt op de gehele advocatuur als beroepsgroep. De rapporten van de deken en DJI doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af.
2.10
Daarmee geeft de rechtbank een verkeerde toepassing aan het recht: de rechtbank hanteert hier een onjuiste maatstaf. Althans is de motivering van dit oordeel, mede in het licht van het standpunt dat ter zake in het klaagschrift is ingenomen — onbegrijpelijk en voldoet de motivering in ieder geval niet aan de zware motiveringseisen die de Hoge Raad daaraan stelt.
2.11
Allereerst is van belang dat de rechtbank de aard en ernst van de verdenking loskoppelt van de vraag of het een tegen een advocaat gerichte verdenking betreft. Die ontkoppeling is onjuist. Door die ontkoppeling miskent de rechtbank het uitgangspunt (van de Hoge Raad) dat voor het oordeel dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden, het bestaan van een verdenking tegen een advocaat als zodanig niet voldoende is. Dat is een dergelijke verdenking pas, indien sprake is van de verdenking van een ernstig strafbaar feit, zoals het vormen van een samenwerkingsverband van een advocaat met bepaalde cliënten. Juist dat samenwerkingsverband tussen advocaat en cliënt(en) rechtvaardigt immers dat het verschoningsrecht wordt doorbroken: die cliënten kunnen in die omstandigheid — die ‘criminele aangelegenheid’ — geen recht meer ontlenen aan het verschoningsrecht, dat de onderlinge communicatie beschermt (althans moet dat recht dan wijken voor het belang van de waarheidsvinding).
2.12
Door te overwegen dat er an sich sprake is van een ernstige verdenking, terwijl die verdenking ook nog eens een advocaat betreft, gaat de rechtbank voorbij aan de (standaard-)jurisprudentie van de Hoge Raad ter zake. Zo beredeneerd (en gemotiveerd) immers, is het bestaan van een verdenking (van een ‘ernstig’ strafbaar feit) tegen een advocaat als zodanig (reeds) voldoende om te concluderen dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden. Die opvatting is in het licht van de jurisprudentie van de Hoge Raad onjuist.
2.13
Daarbij is (ook) onbegrijpelijk dat de rechtbank ter motivering van het bestaan van een ernstige verdenking en ter rechtvaardiging van het oordeel waartoe de rechtbank komt, verwijst naar precies die beslissing (en motivering) waartegen het rechtsmiddel (het klaagschrift) is gericht, te weten de beslissing van de rechter-commissaris van 25 oktober 2024 (en het proces-verbaal van verdenking van 6 juni 2024). Dat is een perfecte cirkelredenering: de beslissing van de rechter-commissaris is niet onjuist omdat die beslissing niet onjuist is. De conclusie dat sprake is van een (ernstige) verdenking, kan (dan ook) niet worden gebaseerd op de conclusie van de rechter-commissaris dat die verdenking er is — ook niet, omdat de rechter-commissaris exact dezelfde, onjuiste maatstaf heeft gehanteerd.
2.14
De verwijzing naar het proces-verbaal van verdenking draagt slechts aan die cirkelredenering bij, nu dat proces-verbaal van verdenking niets anders is dan een herhaling van hetgeen in mediaberichten voor wat betreft de inhoud van de opgenomen gesprekken is vermeld. Daarmee worden de overwegingen van de rechtbank ter zake de aard en ernst van de verdenking, die (mede) zouden moeten rechtvaardigen dat het verschoningsrecht wordt doorbroken, feitelijk gegrond op de inhoud van de gesprekken ten aanzien waarvan precies die vraag voorlag. Ook dat is namens verzoeker tot cassatie bij de rechtbank aangevoerd (pleidooi, p. 4). De rechtbank heeft dat miskend, althans ten onrechte niet gerespondeerd op het namens verzoeker tot cassatie ter zake ingenomen standpunt.
2.15
Mede in het licht van het klaagschrift is voorts onbegrijpelijk dat de rechtbank ter zake overweegt dat de rapporten van de deken en DJI aan het bestaan van die verdenking niet afdoen, nu de door hen ingestelde onderzoeken telkens plaatsvonden ‘met beperkte onderzoeksmiddelen en enkel binnen het eigen domein, wat in beide gevallen een significant ander domein betreft dan een strafrechtelijk onderzoek’.
2.16
De rechtbank miskent daarmee dat het plegen van een strafbaar feit door een advocaat een ernstige (zo niet de ernstigste) schending van de tuchtrechtelijke regels/de Advocatenwet constitueert. De deken is bevoegd ter zake onderzoek te doen en heeft dat in dit geval — naar aanleiding van (dezelfde) berichtgeving in de media — ook gedaan. Zoals in het klaagschrift uitgebreid naar voren komt (nr. 39–43 en 47–49) en ook in de pleitaantekeningen is benadrukt (p. 3–4) zag dat onderzoek van de deken in dit geval allereerst op de vraag of sprake was van het plegen van een strafbaar feit, te weten vermeende omkoping en/of (poging) tot oplichting: precies die vraag, die in het ‘strafrechtelijk domein’ aan de orde is.
2.17
De onderzoeksmiddelen van de deken waren bovendien niet beperkt (of beperkend). Uit het klaagschrift en de brief van de deken d.d. 14 januari 2025 volgt dat de deken alle relevante geluidsopnamen heeft verkregen, waaronder (maar niet beperkt tot) de geluidsbanden die onderwerp vormen van de beschikking van de rechtbank. Daarnaast heeft de deken diverse documenten ontvangen en betrokken personen (waaronder de advocaten) geïnterviewd. De deken schrijft daarover in haar brief d.d. 14 januari 2025, in het kader van de klaagschriftprocedure is overgelegd aan de rechtbank, het volgende:
‘Naast de geluidsopnamen heb ik documenten ontvangen, zoals tijdschrijfregistraties, declaraties, correspondentie (waaronder correspondentie met de selectiefunctionarissen van de DJI), whatsapp-berichten, beslissingen van de selectiefunctionarissen, bankafschriften en overige documentatie. Informatie werd zowel van de betrokken (voormalige) advocaten zelf als van derden verkregen. Ook heb ik, gezien het feit dat de desbetreffende client destijds in staat van faillissement verkeerde, contact gehad met de (voormalige) curator in het faillissement en de openbare faillissementsverslagen bestudeerd mede ter controle/bevestiging van de chronologie van gebeurtenissen. Ik heb interviews afgenomen met 10–15 personen; sommige van hen heb ik meer dan eens gesproken. Van alle interviews, met uitzondering van één, zijn — met toestemming van de betrokkenen — geluidsopnamen gemaakt die later zijn uitgewerkt.
Om de kwaliteit van het onderzoekt te borgen en tunnelvisie te voorkomen, heb ik elke stap in het onderzoek samen met een advocaat-stafmedewerker gezet. Daarnaast is de portefeuillehouder strafrecht van de Raad van de Amsterdamse Orde betrokken geweest bij onderdelen van het onderzoek (waaronder enkele van de interviews). Bovendien is elke stap in het onderzoek afgestemd met de deken Midden-Nederland: aan haar zijn ook telkens alle stukken (waaronder de uitgewerkte interviews) verstrekt. Alle door haar gedane suggesties en nadere vervolgvragen zijn door mij opgevolgd. Verschillende scenario's zijn, aan de hand van het beschikbare materiaal, getoetst en uiteindelijk heeft een en ander geleid tot de conclusie zoals opgenomen in de publieke versie van mijn rapportage.
Die conclusie was ten aanzien van de beweerde omkoping dat deze niet heeft plaatsgevonden. Bovendien heb ik geen enkele aanwijzing gevonden dat een poging tot omkoping zou zijn gedaan; hetgeen, gezien de onderliggende processen en structuren, ook weinig zinvol zou zijn geweest. Het onderzoek van DJI heeft evenmin aanwijzingen of feiten opgeleverd voor de beweerde omkoping. Het DJI heeft geconcludeerd dat niet aannemelijk is dat er sprake is geweest van een integriteitschending. Ik concludeerde dat dit eveneens geldt voor de (poging) tot oplichting.’
2.18
Daarbij komt dat waar een advocaat in het kader van een strafrechtelijk onderzoek een beroep zal moeten doen op zijn geheimhoudingsplicht (en het daaraan gekoppelde verschoningsrecht), een advocaat een beroep daarop niet toekomt als het gaat om een dekenaal onderzoek. Jegens de deken is de advocaat op grond van art. 5:20 lid 1 Awb verplicht alle medewerking te verlenen aan de deken en derhalve ook antwoord te geven op vragen van de deken (of van door de deken ten behoeve van de uitoefening van het toezicht ingeschakelde medewerkers). Zie daartoe ook HR 17 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1876. In het klaagschrift is dat uitdrukkelijk naar voren gebracht (nr. 49). In het onderhavige geval is die medewerking, zo volgt uit voornoemde brief van de deken (dan) ook verleend.
2.19
Door te overwegen dat het rapport van de deken (en van DJI) niet afdoet aan de (aard en ernst) van de verdenking, miskent de rechtbank niet alleen de (centrale) positie van de deken, maar ook de haar toekomende bevoegdheden en de verplichtingen van advocaten in het kader van een onderzoek door de deken.
2.20
In ieder geval is de conclusie van de rechtbank dat sprake was van een onderzoek ‘met beperkte onderzoeksmiddelen en enkel binnen het eigen domein, wat in beide gevallen een significant ander domein betreft dan een strafrechtelijk onderzoek’ onbegrijpelijk, althans en tegen de achtergrond van de ter zake in het klaagschrift ingenomen standpunten onvoldoende met redenen omkleed. Dat onderzoek ging — in ieder geval waar de beantwoording van vragen door de betrokken advocaten betreft — immers verder dan enig strafrechtelijk onderzoek ooit zou kunnen gaan. Het onderzoek was bovendien en zoals opgemerkt toegespitst op exact dezelfde vraag/verdenking als die ten grondslag ligt aan de vordering van de officier van justitie in de onderhavige zaak.
2.21
Voor zover dat als zodanig niet reeds onbegrijpelijk is, geldt dat (dan) wel voor de overweging dat bij een bewezenverklaring sprake zou zijn ‘van een grove integriteitsschending die ook nog eens in negatieve zin afstraalt op de gehele advocatuur als beroepsgroep.’ Dat oordeel is immers aan de deken ‘binnen het eigen domein’ en de deken oordeelde dat daarvan in dit geval geen sprake was. In die zin is de beslissing van de rechtbank ook innerlijk tegenstrijdig.
2.22
In dat licht is ook de algemene overweging van de rechtbank onbegrijpelijk dat de rechtbank het grote belang dat het verschoningsrecht dient onderkent, maar dat de keerzijde van dat grote belang is dat als sprake is van een redelijke verdenking van een ernstig strafbaar feit jegens een verschoningsgerechtigde, ‘deze verdenking ook uiterst serieus wordt genomen’. De rechtbank miskent daarmee dat in het klaagschrift nadrukkelijk het standpunt is ingenomen dat de onderhavige verdenking uiterst serieus is genomen, dat het primaat daarbij bij de deken ligt en behoort te liggen, dat de deken ter zake grondig onderzoek heeft gedaan én dat de deken op basis van dat onderzoek heeft geconcludeerd dat de vermeende strafbare feiten zich niet hebben voorgedaan (maar dat wel anderszins sprake is van laakbaar handelen).
2.23
De motivering van de rechtbank op dit punt is voorts onbegrijpelijk, daar waar de rechtbank overweegt de verdenking zou bestaan dat de advocaat een cliënt zou hebben opgelicht. Zoals ook in het klaagschrift als standpunt naar voren is gebracht (nr. 55), rechtvaardigt dat als zodanig tegen de achtergrond van de jurisprudentie van de Hoge Raad immers geen doorbreking van het verschoningsrecht, dat de vertrouwelijkheid van de bespreking(en) tussen advocaat en cliënt beoogt te beschermen.
2.24
Ook om die reden(en) kan de beschikking van de rechtbank niet in stand blijven.
Deelklacht 3: het hanteren van een onjuiste maatstaf, althans onbegrijpelijke motivering ter zake het belang van de gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek
2.25
De derde factor die door de rechtbank in de overwegingen is betrokken, betreft het belang van de desbetreffende gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek. Ter zake heeft de rechtbank overwogen dat de desbetreffende geluidsbanden (althans fragmenten daarvan) van essentieel belang zijn voor het onderzoek naar de verdenking, nu ‘een aanzienlijk deel van de verdenking of mogelijk bewijs zal gelegen zijn in de geluidsbanden.’ De rechtbank heeft ter zake voorts overwogen dat ‘ook de officier van justitie’ het belang van de geluidsbanden heeft benadrukt.
2.26
Zoals hiervoor reeds werd weergegeven, blijkt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad dat bij de vraag of zeer uitzonderlijke omstandigheden aanwezig zijn die het verschoningsrecht doorbreken, (onder meer) de aard en inhoud van het materiaal van belang zijn, in verband met het belang dat door het verschoningsrecht wordt gediend, alsmede de mate waarin de betrokken belangen van de cliënt(en) worden geschaad als het verschoningsrecht wordt doorbroken. De rechtbank overweegt over de belangen van de cliënten niets (zie deelklacht 1), hetgeen op zichzelf reeds reden is om te concluderen dat de rechtbank het recht ter zake heeft miskend, althans de beslissing (ook) op dat punt niet naar de eisen der wet met redenen is omkleed.
2.27
Dat geldt temeer, nu in het klaagschrift onder meer is opgenomen dat de desbetreffende cliënt (voor zover bekend) geen aangifte heeft gedaan (nr. 42), de deken de zaak reeds heeft onderzocht en in één van de desbetreffende geluidsfragmenten bij herhaling namen van andere cliënten van het advocatenkantoor worden vermeld (alsmede dat daarin uitlatingen voorkomen van een andere advocaat, waarop het verschoningsrecht van toepassing is) (klaagschrift, nr. 46).
2.28
Uit voornoemd jurisprudentieel kader van de Hoge Raad blijkt voorts dat bij de vraag of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden van belang is of de betreffende gegevens ‘redelijkerwijs in een zodanig direct verband staan met het strafbare feit waarvan het vermoeden bestaat dat dit is begaan, dat deze gegevens kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen’ (HR 25 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:446).
2.29
De rechtbank heeft (ook) dat miskend. Dat in de geluidsbestanden volgens de rechtbank een ‘een aanzienlijk deel van de verdenking en mogelijk bewijs’ [cursivering aangebracht] gelegen ‘zal zijn’, beantwoordt die vraag immers niet. Althans is die overweging in het licht van hetgeen in het klaagschrift (o.a. nr. 59) en in pleidooi (p. 5) ter zake is aangevoerd onvoldoende, althans onbegrijpelijk. Uitdrukkelijk is immers het standpunt ingenomen dat de geluidsbanden, mede gelet op het (uitgebreide) onderzoek door de deken, in redelijkheid niet van belang (kunnen) zijn voor het strafrechtelijk onderzoek.
2.30
Ook om die reden(en) kan de beschikking van de rechtbank niet in stand blijven.
Deelklacht 4: het hanteren van een onjuiste maatstaf althans onbegrijpelijke motivering ter zake het niet op andere wijze kunnen verkrijgen van de gegevens
2.31
De vraag of de gegevens ook op andere wijze zouden kunnen worden verkregen, is een aspect dat ook in de jurisprudentie van de Hoge Raad een rol speelt als het gaat om de vraag of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die maken dat het belang van de waarheidsvinding moet prevaleren.
2.32
De overwegingen van de rechtbank ter zake zijn evenwel onbegrijpelijk, althans is haar oordeel onvoldoende, althans — tegen de achtergrond van de overige overwegingen van de rechtbank — innerlijk tegenstrijdig gemotiveerd.
2.33
De rechtbank overweegt ter zake dat een situatie waarin deze specifieke gegevens op andere wijze kunnen worden verkregen, ‘moeilijk voorstelbaar’ is. Het gaat (immers) om informatie die, in beginsel, onder het verschoningsrecht valt en dus niet kan worden gebruikt in een strafrechtelijk onderzoek. De informatie is bovendien alleen maar beschikbaar bij de twee personen die zich op hun verschoningsrecht kunnen beroepen, waarbij ook in aanmerking wordt genomen dat de derde deelnemer aan het bewuste gesprek niet meer in leven is, aldus de rechtbank.
2.34
Indien daadwerkelijk sprake zou zijn van informatie die (in beginsel) onder het verschoningsrecht valt en derhalve niet kan worden gebruikt in een strafrechtelijk onderzoek, dan is (volkomen) onbegrijpelijk waarom diezelfde informatie — door middel van een doorbreking van het verschoningsrecht — thans wel beschikbaar kan (en moet) komen. De vraag of het verschoningsrecht moet worden doorbroken, is immers niet afhankelijk van de vraag waar die informatie zich bevindt (of is aangetroffen). Daaruit volgt dat het gegeven dat de informatie zich slechts zou bevinden bij de twee personen die zich op het verschoningsrecht kunnen beroepen, daarvoor evenmin voldoende motivering is.
2.35
Onbegrijpelijk is voorts de overweging dat bij het desbetreffende oordeel een rol speelt dat Peter R. de Vries niet meer in leven is. Immers wijst geen enkele omstandigheid erop dat hij, indien nog wel in leven, bevoegd, althans gehouden was een inhoudelijke verklaring af te leggen.
2.36
Het standpunt (van de rechtbank) dat de informatie zich slechts bevindt bij de twee (nog levende) personen die zich op het verschoningsrecht kunnen beroepen, is bovendien ten aanzien van één van de gesprekken feitelijk onjuist. Het vijfde gesprek (‘Feb 2019 PRV Kroon’) werd immers gevoerd tussen de kantoordirecteur (met een afgeleid verschoningsrecht) en een voormalig cliënt van verzoeker tot cassatie, zijnde (volgens de verdenking) de opgelichte partij.
2.37
De rechtbank heeft dit miskend en voorts geen enkele overweging gewijd aan de mate waarin de betrokken belangen van de cliënt (en andere cliënten) wordt geschaad als het verschoningsrecht wordt doorbroken. Dat klemt temeer, nu — zoals opgemerkt — in één van de desbetreffende geluidsfragmenten bij herhaling namen van andere cliënten van het advocatenkantoor worden vermeld (alsmede dat daarin uitlatingen voorkomen van een andere advocaat, waarop het verschoningsrecht eveneens van toepassing is) (klaagschrift, nr. 46). Evenmin blijkt dat is onderzocht of de direct betrokkenen (waaronder in ieder geval de voormalig cliënt) met de verstrekking van gegevens kunnen instemmen.
2.38
Ook om die reden(en) kan de beschikking van de rechtbank niet in stand blijven.
Middel 3
3.
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het oordeel van de rechtbank dat het verschoningsrecht van een niet-verdachte verschoningsgerechtigde vanwege zeer uitzonderlijke omstandigheden kan worden doorbroken, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is en/of de rechtbank haar oordeel in zoverre niet, althans onvoldoende, heeft gemotiveerd.
Toelichting
3.1.
Ten aanzien van de (twee) driegesprekken geldt dat deze gesprekken zijn gevoerd tussen (afgeleid) verschoningsgerechtigden. Slechts één van deze drie verschoningsgerechtigden — verzoeker tot cassatie — is als verdachte aangemerkt. De andere verschoningsgerechtigden zijn dat niet. Niettemin oordeelde de rechtbank — zoals ook de rechter-commissaris — dat het verschoningsrecht vanwege zeer uitzonderlijke omstandigheden ook ten aanzien van de niet-verdachte verschoningsgerechtigden kan worden doorbroken, nu de inbreuk op het verschoningsrecht van mr. [medeklager] beperkt(er) is. ‘Het betreft immers niet zijn cliënt met wie is gesproken en zijn inbreng in de gesprekken is beperkt’, aldus de rechtbank.
3.2.
Dat oordeel miskent niet alleen dat het verschoningsrecht ook van toepassing is indien tussen advocaten onderling (de zaken van) cliënten (in dit geval van eenzelfde kantoor) worden besproken, waarbij irrelevant is wiens/welke (gezamenlijke?) cliënten worden besproken en wat de mate van inbreng van (elk van) de verschoningsgerechtigde(n) bij dat gesprek is, maar ook dat van een doorbreking van dat recht slechts sprake kan zijn, indien het gaat om een verdachte verschoningsgerechtigde, terwijl het bestaan van een verdenking als zodanig niet toereikend is om het verschoningsrecht van een verdachte advocaat te doorbreken (o.a. HR 17 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1876). Zoals hiervoor is weergegeven, kan dat naar het oordeel van de Hoge Raad wel het geval zijn,
‘bij de verdenking van een ernstig strafbaar feit, zoals het vormen van een crimineel samenwerkingsverband van een advocaat met bepaalde cliënten. Dan zal het belang van die cliënten dat zij ervan moeten kunnen uitgaan dat de advocaat geheim houdt hetgeen zij hem in die criminele aangelegenheid hebben toevertrouwd moeten wijken voor het belang dat de waarheid aan het licht komt.’
3.3.
Uit de jurisprudentie volgt (ook) dat de Hoge Raad de vraag of de geheimhouder als verdachte is aangemerkt, zwaar weegt. Ten aanzien van advocaten heeft de Hoge Raad — voor zover bekend — nimmer de doorbreking van het verschoningsrecht op grond van zeer uitzonderlijke omstandigheden aanvaard, zonder dat tegen de verschoningsgerechtigde een (voldoende) verdenking bestond.
3.4.
Die jurisprudentie biedt (dan ook) geen ruimte voor het oordeel dat het verschoningsrecht vanwege zeer uitzonderlijke omstandigheden wordt doorbroken ten aanzien van niet-verdachte verschoningsgerechtigden. Zij hebben hun verschoningsrecht immers niet als het ware ‘opgegeven’ door zich schuldig te maken aan enig strafbaar feit. Aan hen komt de bescherming van het verschoningsrecht in volle omvang toe.
3.5.
De rechtbank heeft dat miskend. Althans heeft de rechtbank ter zake — in antwoord op het in pleidooi ingenomen standpunt (p. 6–7) — ten onrechte slechts overwogen dat de inbreuk op het verschoningsrecht van de niet-verdachte advocaat beperkt is, omdat het niet zijn cliënt is met wie is gesproken en zijn inbreng in de gesprekken beperkt van aard is. Dat laat immers onverlet dat op die gesprekken zijn verschoningsrecht in volle omvang van toepassing is, terwijl er ten aanzien van de niet-verdachte advocaat geen zeer uitzonderlijke omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat dit verschoningsrecht wordt doorbroken. Het oordeel van de rechtbank getuigt derhalve van een onjuiste rechtsopvatting en/of is ontoereikend gemotiveerd en/of zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
3.6.
Dat laatste geldt — zoals in het tweede cassatiemiddel opgemerkt — meer in het bijzonder voor de overweging van de rechtbank dat het niet de cliënt van mr. [medeklager] was met wie werd gesproken en zijn inbreng in de gesprekken beperkt van aard is. Uit de overwegingen van de rechtbank ter zake niet blijkt immers niet op welke gronden de rechtbank tot het oordeel heeft gemeend te kunnen komen dat het niet (ook) de cliënt van mr. [medeklager] was, met wie of waarover werd gesproken.
3.7.
Ook om die reden(en) kan de beschikking van de rechtbank niet in stand blijven.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. P.T.C. van Kampen, advocaat te Amsterdam, die verklaart daartoe door verzoeker tot cassatie bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd.
Amsterdam, 3 juni 2025
mr. P.T.C. van Kampen