Rechtbank Den Haag 19 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:10541.
HR, 01-11-2024, nr. 23/03258
ECLI:NL:HR:2024:1560
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
01-11-2024
- Zaaknummer
23/03258
- Roepnaam
Amerisoc Center SRL/Luxemburg
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Internationaal publiekrecht (V)
Juridische beroepen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1560, Uitspraak, Hoge Raad, 01‑11‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:1393
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:581
ECLI:NL:PHR:2024:581, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 31‑05‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1560
Beroepschrift, Hoge Raad, 22‑08‑2023
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2024-0089
NJ 2025/27 met annotatie van P.A.M. Mevis
JBPr 2025/23 met annotatie van mr. F.J. Fernhout
JBPr 2025/23 met annotatie van mr. F.J. Fernhout
Uitspraak 01‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Strafvordering. Onderzoek van stukken en gegevensdragers die bij advocaat in kader van op haar betrekking hebbend strafrechtelijk onderzoek in beslag zijn genomen. Verschoningsrecht van advocaat versus belang van waarheidsvinding. Selectie van materiaal dat onder verschoningsrecht valt. Procedure van art. 98 Sv. Gesloten stelsel van rechtsmiddelen?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/03258
Datum 1 november 2024
ARREST
In de zaak van
[de Advocaat],
woonplaats gekozen hebbende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
hierna: de Advocaat,
advocaat: K. Aantjes,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid, ROT044 en ROT046, rechters-commissarissen in strafzaken in de rechtbank Rotterdam),
zetelende te Den Haag,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de Staat,
advocaat: G.C. Nieuwland.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/09/648884 / KG ZA 23-475 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 19 juni 2023;
b. het arrest in de zaak 200.328.851/01 van het gerechtshof Den Haag van 17 juli 2023.
De Advocaat heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staat heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor de Staat mede door J.B.B. Heinen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De Advocaat wordt verdacht van deelname aan een criminele organisatie en schending van haar beroepsgeheim. Deze verdenking hangt samen met (een bepaalde periode van) de bijstand die zij als advocaat aan een verdachte gaf. Het onderzoek naar de Advocaat op grond van deze verdenking wordt aangeduid als ‘26Palma’.
(ii) In verband met de tegen haar gerezen verdenking heeft op 21 april 2023 onder leiding van twee rechters-commissarissen (hierna: de RC’s) een doorzoeking ter inbeslagneming en ter vastlegging van gegevens plaatsgevonden in de woning van de Advocaat en in het pand waar zij kantoor houdt. Tijdens deze doorzoekingen zijn fysieke stukken en gegevensdragers in beslag genomen en is een en ander in een aantal digitale mappen vastgelegd.
(iii) Deze fysieke stukken, gegevensdragers en digitale mappen bevatten ook informatie over cliënten die de Advocaat in de afgelopen bijna 45 jaar heeft bijgestaan en die niets te maken hebben met het 26Palma-onderzoek.
(iv) Op grond van art. 98 Sv kunnen bij verschoningsgerechtigden zonder hun toestemming geen stukken in beslag worden genomen tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt. Dit verbod geldt ook bij de vastlegging van gegevens als bedoeld in art. 125i Sv. Dit verbod kan worden doorbroken in zeer uitzonderlijke omstandigheden. Gelet hierop diende te worden beoordeeld voor welke van de in beslag genomen stukken het verschoningsrecht van de advocaat moet wijken voor het belang van de waarheidsvinding (in dit geval kort gezegd: de 26Palma-stukken) en de stukken waarvoor het verschoningsrecht onverkort is blijven gelden (in dit geval kort gezegd: de niet-26Palma-stukken).
(v) In een ‘proces verbaal van bevindingen geheimhouderprocedure’ inzake 26Palma dat door de RC’s op 12 mei 2023 is opgemaakt, is in verband met de hiervoor onder (iv) bedoelde beoordeling (hierna ook: ‘de schifting’) onder meer het volgende vermeld:
“Indien de rechter-commissaris – bijvoorbeeld in verband met de aard of de omvang van de inbeslaggenomen stukken of gegevens – niet in staat is zelf het benodigde onderzoek aan de stukken of gegevens te verrichten, zal hij het er daarheen dienen te leiden dat het onderzoek wordt verricht door een zodanige functionaris en op zodanige wijze dat het verschoningsrecht niet in het gedrang komt. De rechter-commissaris kan het onderzoek laten uitvoeren onder leiding van een zogenoemde geheimhouder-officier van justitie die op geen enkele andere wijze betrokken is bij het onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte of daaraan gelieerde onderzoeken. Tevens kan de rechter-commissaris zogenoemde ‘geheimhouderfunctionarissen’ inzetten ten aanzien van wie de rechter-commissaris zich ervan heeft vergewist dat zij evenmin betrokken zijn bij voornoemde onderzoeken (...).
(...)
De rechters-commissarissen zullen een geheimhoudermedewerker van de politie aanwijzen die verklaart op geen enkele andere wijze betrokken te zijn bij het onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte of daaraan gelieerde onderzoeken en die de digitaal inbeslaggenomen gegevens zal onderzoeken en die zich over zijn bevindingen uitsluitend verstaat met de geheimhouderofficier van justitie of met de rechters-commissarissen. Hiertoe wordt besloten omdat het kabinet rechter-commissaris onvoldoende is geëquipeerd om dit onderzoek adequaat zelf te kunnen uitvoeren. (...).”
2.2
De Advocaat heeft in eerste aanleg van dit kort geding onder meer gevorderd dat de Staat wordt geboden (i) om de inbeslaggenomen gegevens niet ter beschikking te stellen aan het openbaar ministerie, (ii) om andere personen dan de Advocaat, haar advocaten, de deken, de RC’s en hun medewerkers, onafhankelijke deskundigen en de leden van de raadkamer geen toegang te geven tot de gegevensdragers en gegevens, (iii) om de inbeslaggenomen voorwerpen en gegevens ten kabinette van de RC’s te bewaren, en (iv) om een volledig overzicht van de beslagen voorwerpen en gegevens te verstrekken.
Hiertoe heeft de Advocaat aangevoerd dat de RC’s onrechtmatig jegens haar als geheimhouder handelen doordat (a) zij bij de schifting medewerkers van het openbaar ministerie en de politie inzetten en toegang geven tot de informatie waarop het verschoningsrecht rust waardoor de vertrouwelijkheid van de informatie wordt geschonden, en (b) de Advocaat als geheimhouder onvoldoende wordt geïnformeerd. Bovendien is er een gerechtvaardigde vrees voor schending van haar recht als verdachte op een eerlijk proces doordat de RC’s de Advocaat niet informeren en niet horen.
2.3
De voorzieningenrechter1.heeft de vorderingen van de Advocaat afgewezen.
2.4
De Advocaat heeft in hoger beroep haar eis vermeerderd en aanvullende voorzieningen gevorderd. Het hof2.heeft het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd en de in hoger beroep ingestelde vorderingen van de Advocaat afgewezen. Daartoe heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen:
“De vorderingen op basis van het verschoningsrecht
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen
4.1
Uit de processen-verbaal van 12 mei en 10 juli 2023 blijkt dat de RC’s een geheimhoudermedewerker van de politie en een geheimhouderofficier van justitie hebben aangewezen om in het ‘Palma26’-onderzoek de schifting te verrichten. De RC’s hebben bij mail van 21 juni 2023 aan de advocaat van de Advocaat medegedeeld dat daarvoor ‘inmiddels een team van drie geheimhoudermedewerkers van de Nationale Politie [is] samengesteld’. Hierbij hebben de RC’s zich gebaseerd op (hun uitleg van) de vaste jurisprudentie dat, kort gezegd, de rechter-commissaris, indien hij niet in staat is zelf het voor de schifting benodigde onderzoek te verrichten, zich van bijstand door derden kan laten voorzien.3.Met de aanwijzing van een geheimhouderofficier en geheimhoudermedewerkers van de politie is het rechtsgevolg beoogd dat deze derden, uitsluitend met het oog op de schifting, onder geheimhouding kennis mogen nemen van onder het verschoningsrecht vallende stukken. Anders dan de Advocaat stelt gaat het hier dus niet om een feitelijk handelen van de RC’s, maar om een beslissing van deze rechters over de wijze waarop en door wie de schifting moet worden uitgevoerd.
4.2
Deze beslissing van de RC’s over de manier van schifting heeft rechtskracht, zoals iedere beslissing van een rechter. Tegen deze beslissing an sich is door de wet geen direct rechtsmiddel opengesteld.4.Wanneer de civiele rechter deze beslissing van de strafrechter (in dit geval de RC’s) terzijde zou stellen, zou de civiele rechter zonder wettelijke grondslag afbreuk doen aan de rechtskracht die aan de (rechterlijke) beslissing van de RC’s toekomt. Dat zou in strijd komen met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken. Dit gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat de burgerlijke rechter moet uitgaan van de juistheid van de uitspraak van de strafrechter en van de aanvaardbaarheid van de rechterlijke procedure die tot die
uitspraak heeft geleid.
4.3
Overigens geldt dat wanneer er wel direct een strafvorderlijk rechtsmiddel open zou staan tegen de beslissing van de RC’s om de schifting te laten verrichten door een geheimhouderofficier en geheimhoudermedewerkers van de politie, de rechtskracht van die beslissing alleen door het aanwenden van dat rechtsmiddel kan worden aangetast. Zo'n rechtsmiddel is in dit geval niet aangewend.
4.5
Kortom, het gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat er aan in de weg dat de civiele rechter de beslissing van de RC’s om een geheimhouderofficier en geheimhoudermedewerkers van de politie bij de schifting in te schakelen, als onrechtmatig bestempelt en voorzieningen treft ter ongedaanmaking en ter voorkoming van (verdere) uitvoering van de beslissing van die rechter. Aangezien alle vorderingen van de Advocaat hiertoe strekken stuiten zij af op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen.
4.6
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen geldt niet zonder meer wanneer in de procedure die heeft geleid tot een onherroepelijke uitspraak van de strafrechter, zich een schending van de uit artikel 6 EVRM voortvloeiende eisen heeft voorgedaan.5.De huidige zaak gaat echter niet om tenuitvoerlegging van beslissingen van de strafrechter, zoals de in noot 5 [Hoge Raad: het hof verwijst hier naar de voorafgaande voetnoot] genoemde arresten, maar om beslissingen van de RC’s over de wijze van schifting. Overigens kunnen de (voormalige) cliënten van de Advocaat en de Advocaat die de geheimhouderstukken in een mogelijke strafzaak tegengeworpen krijgen, in die strafzaak aanvoeren dat deze stukken zijn verkregen doordat bij schifting het verschoningsrecht is geschonden. Dit betekent dat de beslissing van de RC’s om de schifting te laten verrichten door een geheimhouderofficier en geheimhoudermedewerkers van de politie, niet tot schending van artikel 6 EVRM heeft geleid of leidt.”
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel 1 van het middel komt op tegen het oordeel van het hof (in rov. 4.1-4.6) dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen eraan in de weg staat dat de burgerlijke rechter de beslissing van de rechters-commissarissen om een geheimhouderofficier en geheimhoudermedewerkers van de politie in te schakelen bij de filtering van stukken en gegevens, als onrechtmatig bestempelt en voorzieningen treft ter ongedaanmaking en ter voorkoming van (verdere) uitvoering van die beslissing.
3.2.1
Bij de beoordeling van deze klacht moet het volgende tot uitgangspunt worden genomen.
3.2.2
De burgerlijke rechter is op grond van art. 112 lid 1 Grondwet bevoegd om van alle schuldvorderingen kennis te nemen, ook als deze van publiekrechtelijke aard zijn. Wanneer een andere rechter bevoegd is kennis te nemen van een geschil, doet dit op zichzelf niet af aan deze bevoegdheid van de burgerlijke rechter. Wel dient de eiser of verzoeker door de burgerlijke rechter niet-ontvankelijk in zijn vordering of verzoek te worden verklaard als de rechtsgang bij die andere rechter ter zake van het geschil voldoende rechtsbescherming biedt.6.
3.2.3
De aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter heeft geen betrekking op voorzieningen die partijen uitsluitend verlangen met het oog op de procesvoering in de rechtsgang bij een andere rechter, zoals de beklagprocedure bij de strafrechter. Partijen zijn in die rechtsgang aangewezen op de voor die rechtsgang geldende regels en mogelijkheden. Het is aan de rechter in die rechtsgang om te beslissen over, kort gezegd, de uitleg en toepassing van die regels en mogelijkheden. In dat verband is voor de burgerlijke rechter, gelet op de wettelijke verdeling van rechterlijke bevoegdheid, geen taak weggelegd. Voor voorzieningen door de burgerlijke rechter op dit vlak is daarom geen plaats.7.
3.3.1
Art. 98 Sv bevat een regeling die ertoe strekt dat bij inbeslagneming van voorwerpen het (professionele) verschoningsrecht wordt gerespecteerd. Op grond van art. 98 lid 1 Sv mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv zonder hun toestemming brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in beslag worden genomen. Wel mogen, zoals volgt uit art. 98 lid 5 Sv, zonder hun toestemming in beslag worden genomen brieven of geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, nu dergelijke brieven en geschriften geen object zijn van de aan bedoelde personen toekomende bevoegdheid tot verschoning. Het is de rechter-commissaris die beslist of inbeslagneming is toegestaan (art. 98 leden 1 en 3 Sv); deze beslissing wordt door de rechter-commissaris neergelegd in een beschikking. De rechter-commissaris kan zich bij de beoordeling van de aannemelijkheid van het beroep van de verschoningsgerechtigde op zijn geheimhoudingsplicht laten voorlichten door een vertegenwoordiger van de beroepsgroep waartoe de verschoningsgerechtigde behoort (art. 98 lid 6 Sv). Deze procedure van art. 98 Sv geldt ook als een plaats wordt doorzocht ter vastlegging van gegevens die op deze plaats zijn opgeslagen of vastgelegd.8.
Tegen de beschikking van de rechter-commissaris staat beklag open voor de verschoningsgerechtigde. Dit beklag richt zich tegen de beslissing van de rechter-commissaris dat inbeslagneming – of, als het gaat om de vastlegging van gegevens, de kennisneming van die gegevens – is toegestaan. Hiertoe moet een klaagschrift worden ingediend bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd (art. 98 lid 4 Sv). Op dit beklag is art. 552a Sv van toepassing. Dit betekent dat op het beklag wordt beslist door de raadkamer van het betreffende gerecht. Tegen de beschikking van dit gerecht staat beroep in cassatie open.9.De wet voorziet daarbij in een regeling die ertoe strekt dat in deze beklagprocedure versneld uitspraak wordt gedaan.10.Tot kennisneming van de stukken of gegevens wordt niet eerder overgegaan dan nadat onherroepelijk op het beklag is beslist (art. 98 lid 3 Sv).
3.3.2
Gelet op wat hiervoor in 3.2.2 en 3.2.3 is vooropgesteld, moet de burgerlijke rechter degene die bij hem opkomt tegen de beslissing die een rechter-commissaris neemt in het kader van de hiervoor in 3.3.1 vermelde regeling van de inbeslagneming van stukken bij een verschoningsgerechtigde, niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. Dat is alleen anders als de rechtsbescherming die art. 98 Sv biedt, tekortschiet. Onderdeel 1 stelt de vraag aan de orde of de procedure van art. 98 Sv voldoende rechtsbescherming biedt, in het bijzonder als door de rechter-commissaris – met het oog op de beslissing die de rechter-commissaris moet nemen over de vraag of inbeslagneming of kennisneming is toegestaan – functionarissen worden ingeschakeld voor de filtering van gegevens die vermoedelijk onder het verschoningsrecht vallen.
3.4.1
De rechtspraak van de Hoge Raad over het selecteren of filteren van gegevens in het kader van de procedure van art. 98 Sv houdt onder meer het volgende in.
3.4.2
Als de inbeslagneming betrekking heeft op een grote hoeveelheid (digitale) stukken of gegevens, terwijl bijvoorbeeld volgens de beslagene bepaalde stukken of gegevens onder het verschoningsrecht van geheimhouders vallen, ligt het doorgaans in de rede dat onder leiding van de rechter-commissaris een selectie wordt gemaakt tussen (digitale) stukken of gegevens die wel en die niet onder het verschoningsrecht kunnen vallen. De rechter-commissaris vervult een centrale rol in gevallen waarin zo’n selectie plaatsvindt. De selectie strekt er immers toe de beoordeling door de rechter-commissaris of het beslag op de stukken of de kennisneming van de gegevens kan worden toegestaan, te vergemakkelijken. Bij de beoordeling door de rechter-commissaris of het beslag of de kennisneming kan worden toegestaan, mag – voor zover dat noodzakelijk is – door de rechter-commissaris worden kennisgenomen van de betreffende stukken of gegevens.11.
3.4.3
Als op voorhand duidelijk is dat de selectie kan plaatsvinden zonder kennisneming van de stukken of gegevens, dan verzetten de belangen die met het verschoningsrecht zijn gemoeid, zich er niet tegen dat een (bij het opsporingsonderzoek betrokken) officier van justitie de hiertoe benodigde selectie uitvoert of doet uitvoeren. Kan echter pas na kennisneming van de (digitale) stukken of gegevens worden beoordeeld of deze al dan niet geprivilegieerd materiaal betreffen, dan moet – nu als uitgangspunt geldt dat de officier van justitie geen kennis mag nemen van stukken of gegevens die (vermoedelijk) object zijn van het verschoningsrecht – de selectie worden verricht door of onder verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris. Als de rechter-commissaris – bijvoorbeeld in verband met de aard of de omvang van de (digitale) stukken of gegevens – niet in staat is zelf dat onderzoek te verrichten, zal hij het daarheen moeten leiden dat het onderzoek wordt verricht door zodanige functionarissen en op zodanige wijze dat is gewaarborgd dat het verschoningsrecht niet in het gedrang komt. Niet uitgesloten is dat de rechter-commissaris hierbij een of meer opsporingsambtenaren of een officier van justitie inschakelt, mits daarbij wordt gewaarborgd dat de (digitale) stukken of gegevens die object zijn van het verschoningsrecht, niet op enigerlei wijze bekend (kunnen) worden aan degenen die met het betreffende strafrechtelijk onderzoek en de strafrechtelijke vervolging zijn belast of daarbij anderszins zijn betrokken. Daarbij moet worden voorzien in een strikte taak- en functiescheiding tussen enerzijds de functionarissen die onder regie van de rechter-commissaris het voor de selectie benodigde onderzoek uitvoeren en anderzijds de functionarissen die betrokken zijn bij het opsporingsonderzoek (dan wel anderszins betrokken zijn bij de strafzaak). Ook moet het proces van selectie zo zijn georganiseerd dat de functionarissen onder verantwoordelijkheid en in opdracht van de rechter-commissaris werken, en dat strikte geheimhouding wordt betracht, tenzij door de rechter-commissaris uitdrukkelijk in het concrete geval toestemming is verleend tot de verstrekking van bepaalde stukken of gegevens aan opsporingsdiensten dan wel het openbaar ministerie. Met het oog op de controle door de zittingsrechter is van belang dat de manier waarop het proces van selectie is georganiseerd, wordt vastgelegd in een door of namens de rechter-commissaris opgesteld proces-verbaal.12.
3.4.4
Het beklag als bedoeld in art. 98 lid 4 Sv is in beginsel alleen gericht tegen de beschikking van de rechter-commissaris waarin is beslist dat inbeslagneming dan wel de kennisneming is toegestaan.13.In het geval dat selectie van de (digitale) stukken en gegevens noodzakelijk is gebleken, kan ook de wijze waarop de selectie heeft plaatsgevonden in de beoordeling van het beklag worden betrokken. Daarbij gaat het in het bijzonder om de vraag of bij de selectie onder leiding van de rechter-commissaris het verschoningsrecht van de klager voldoende is gewaarborgd. Als de beklagrechter tot het oordeel komt dat, na de selectie door de rechter-commissaris, nog beslag rust op stukken en gegevens waarvan het redelijk vermoeden bestaat dat deze onder het verschoningsrecht vallen, stelt de beklagrechter die stukken en gegevens zo nodig nogmaals in handen van de rechter-commissaris voor een onder zijn leiding uit te voeren nader onderzoek en, als daartoe aanleiding bestaat, nadere selectie.14.Opmerking verdient dat ook de in art. 552a Sv neergelegde mogelijkheid om beklag te doen tegen het gebruik van in beslag genomen voorwerpen dan wel de kennisneming of het gebruik van gegevens, niet ertoe strekt om – voordat de rechter-commissaris op grond van art. 98 lid 3 Sv heeft beslist of inbeslagneming dan wel de kennisneming is toegestaan – op te komen tegen de (voorgenomen) wijze van selectie van de (digitale) stukken of gegevens.
3.4.5
Van belang is verder dat, als het openbaar ministerie overgaat tot vervolging in een zaak waarin onder een geheimhouder inbeslaggenomen stukken een rol spelen, de verdachte de mogelijkheid heeft in de strafzaak het verweer te voeren dat onderzoeksresultaten die door een vormverzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit. De verdachte kan een dergelijk verweer voeren op de grond dat door het gebruik van bepaalde (digitale) stukken of gegevens het verschoningsrecht wordt geschonden. Ook laat zich denken dat het verweer wordt gevoerd dat het proces van selectie was ingericht zonder de hiervoor in 3.4.3 bedoelde waarborgen en dat als rechtstreeks gevolg daarvan bepaalde resultaten zijn verkregen in het onderzoek die niet waren verkregen als die waarborgen wel in acht waren genomen. Als de verdachte een dergelijk verweer voert en daarbij gemotiveerd aanvoert dat hij door het gebruik van de betreffende onderzoeksresultaten in zijn belangen is of zal worden aangetast, is de strafrechter gehouden op dat verweer te beslissen overeenkomstig art. 359a Sv. Deze toetsing door de strafrechter vindt mede plaats aan de hand van het hiervoor in 3.4.3 genoemde proces-verbaal van de rechter-commissaris.15.
3.5
Uit het vorenstaande volgt dat tegen de beslissing van de rechter-commissaris om een of meer opsporingsambtenaren of een officier van justitie in te schakelen bij het onderzoek dat nodig is om te beoordelen of gegevens al dan niet geprivilegieerd materiaal betreffen, in beginsel niet een afzonderlijk rechtsmiddel openstaat. Dat betekent echter niet dat de rechtsbescherming ter zake van de inbeslagneming van stukken bij een verschoningsgerechtigde tekortschiet. De verschoningsgerechtigde kan immers beklag instellen tegen de beslissing van de rechter-commissaris om inbeslagneming dan wel kennisneming toe te staan. Bij dat beklag kan ook de wijze van selectie van gegevens in de beoordeling worden betrokken. Verder kan een verdachte – als het tot vervolging komt – zich in de strafzaak verweren tegen het gebruik voor het bewijs van gegevens die onder het verschoningsrecht vallen en van gegevens die anderszins zijn verkregen als rechtstreeks gevolg van het ontbreken van de hiervoor in 3.4.3 bedoelde waarborgen. Daarom hoeft de burgerlijke rechter geen aanvullende rechtsbescherming te bieden. De burgerlijke rechter moet dan ook de verschoningsgerechtigde niet-ontvankelijk verklaren als deze bij hem opkomt tegen de beslissing dat die inbeslagneming is toegestaan dan wel – meer specifiek – tegen de beslissing van de rechter-commissaris over het inschakelen van personen bij het onderzoek dat nodig is om te beoordelen of gegevens al dan niet geprivilegieerd materiaal betreffen. Onderdeel 1 faalt daarom.
3.6
Hetgeen hiervoor in 3.1-3.5 is overwogen brengt mee dat de onderdelen 2 en 4 evenmin tot cassatie kunnen leiden.
3.7
Onderdeel 3 is gericht tegen het oordeel van het hof (in rov. 4.8) dat de vorderingen van de Advocaat enkel strekken tot bescherming van haar processuele belang. Het onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat de vorderingen van de Advocaat strekken tot bescherming van een materieel belang, namelijk haar verschoningsrecht.
Deze klacht is gegrond. Zij kan echter niet tot cassatie leiden op de gronden genoemd in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.30.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt de Advocaat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 857,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de Advocaat deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter, de vicepresident M.J. Borgers en de raadsheren A.L.J. van Strien, H.M. Wattendorff en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 1 november 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 01‑11‑2024
Gerechtshof Den Haag 17 juli 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1393.
Voetnoot hof: “o.a. HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3714, en HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:193.”
Voetnoot hof: “De geheimhouder kan bij de raadkamer van de rechtbank een klaagschrift indienen tegen inbeslagname, maar met dit rechtsmiddel kan hij niet opkomen tegen de wijze waarop en door wie de schifting is verricht in het geval dat de rechter-commissaris op basis van die schifting heeft beslist dat inbeslagname niet is toegestaan. Verder kan de Advocaat wellicht op de voet van artikel 552a Sv bij de raadkamer klagen tegen kennisneming van de gegevens door de door de RC’s ingeschakelde personen, maar hiermee kan de Advocaat niet steeds vooraf voorkomen dat die personen kennisnemen.”
Voetnoot hof: “HR 16 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:919, HR 1 februari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0130.”
Vgl. HR 20 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:58, rov. 3.4.1 en HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1806, rov. 3.5.2.
HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1806, rov. 3.5.3.
Art. 125i Sv in samenhang met art. 98 Sv. Vgl. ook HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1960, rov. 4.2.2.
Vgl. onder meer HR 19 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1268, rov. 5.2.1.
Vgl. HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, rov. 6.6.6-6.6.8.
Zie voor een bijzonder geval HR 19 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1268, waarin de rechter-commissaris besliste dat de kennisneming door de officier van justitie van (de vermelding van één of meer namen op) een lijst met geheimhouders, die door de beslagene aan de rechter-commissaris was verstrekt ten behoeve van de filtering van de stukken of gegevens, was toegestaan.
Vgl. HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:314, rov. 2.4 en HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:316, rov. 2.7.
Zie over deze beoordeling verder HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, rov. 6.8.2.
Conclusie 31‑05‑2024
Inhoudsindicatie
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03258
Zitting 31 mei 2024
CONCLUSIE
G. Snijders
In de zaak
[de Advocaat]eiseres tot cassatie,
advocaat mr. K. Aantjes
tegen
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid)
verweerder in cassatie
advocaat: mr. G.C. Nieuwland
Partijen worden hierna aangeduid als de Advocaat respectievelijk de Staat.
1. Inleiding
Bij de Advocaat zijn in een tegen haar gericht strafrechtelijk onderzoek een groot aantal fysieke stukken en gegevensdragers in beslag genomen, waaronder stukken en gegevens die onder haar verschoningsrecht als advocaat vallen. Uitgangspunt in cassatie is dat dit beslag in dit geval is toegelaten in zover het onderzoek een inbreuk op het verschoningsrecht kan rechtsvaardigen, wat slechts voor een deel van de inbeslaggenomen stukken en gegevens geldt. De rechters-commissarissen die tot de inbeslagneming zijn overgegaan, hebben besloten de noodzakelijke schifting van stukken en gegevens ten aanzien waarvan het verschoningsrecht wel en niet moet worden gerespecteerd, op te dragen aan geheimhoudermedewerkers van de politie, onder leiding van de geheimhouderofficier van justitie, die alle niet bij het onderzoek zijn betrokken.
De Advocaat meent dat bij deze gang van zaken onvoldoende is gewaarborgd dat hetgeen op grond van haar beroepsgeheim geheim moet blijven, geheim blijft. Zij vordert in dit kort geding een verbod op deze wijze van uitvoering van de schifting. De voorzieningenrechter en het hof hebben deze vordering afgewezen. Het cassatieberoep keert zich tegen deze beslissing van het hof.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1.
(i) De Advocaat wordt verdacht van deelname aan een criminele organisatie en schending van haar beroepsgeheim. Deze verdenking hangt samen met (een bepaalde periode van) de bijstand die zij als advocaat aan de verdachte T. gaf. Het onderzoek naar de Advocaat op grond van deze verdenking wordt aangeduid als ‘26Palma’.
(ii) In verband met de tegen haar gerezen verdenking heeft op 21 april 2023 onder leiding van twee rechters-commissarissen een doorzoeking ter inbeslagneming en ter vastlegging van gegevens plaatsgevonden in de woning van de Advocaat en in het pand waar zij kantoor houdt. Tijdens deze doorzoekingen zijn fysieke stukken en gegevensdragers in beslag genomen en is een en ander in een aantal digitale mappen vastgelegd.
(iii) Deze fysieke stukken, gegevensdragers en digitale mappen bevatten ook informatie over cliënten die de Advocaat in de afgelopen bijna 45 jaar heeft bijgestaan en die niets te maken hebben met het 26Palma-onderzoek.
(iv) Door de rechters-commissarissen is bij de doorzoeking van de woning aan de Advocaat meegedeeld dat zal worden gehandeld volgens de procedure van art. 98 Sv, die geldt bij doorzoeking, inbeslagneming en vastlegging van gegevens bij verschoningsgerechtigden.
(v) Op grond van art. 98 Sv kunnen bij verschoningsgerechtigden zonder hun toestemming geen stukken in beslag worden genomen tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt. Dit verbod geldt ook bij de vastlegging van gegevens als bedoeld in art. 125i Sv. Dit verbod kan worden doorbroken in zeer uitzonderlijke omstandigheden, bijvoorbeeld wanneer een advocaat wordt verdacht van een ernstig strafbaar feit, zoals het vormen van een crimineel samenwerkingsverband met een cliënt.
(vi) De rechter-commissaris moet een schifting maken tussen de stukken waarvoor, bijvoorbeeld vanwege zeer uitzonderlijke omstandigheden, het verschoningsrecht moet wijken voor de waarheidsvinding (in dit geval kort gezegd: de 26Palma-stukken) en de stukken waarvoor het verschoningsrecht onverkort is blijven gelden (in dit geval kort gezegd: de niet-Palma26-stukken). Om die schifting te kunnen maken zal de rechter-commissaris doorgaans enig onderzoek aan de stukken moeten verrichten.
(vii) In verband met deze schifting is in een ‘proces verbaal van bevindingen geheimhouderprocedure’ inzake 26Palma dat door de rechters-commissarissen op 12 mei 2023 is opgemaakt, het volgende vermeld:
“Indien de rechter-commissaris – bijvoorbeeld in verband met de aard of de omvang van de inbeslaggenomen stukken of gegevens – niet in staat is zelf het benodigde onderzoek aan de stukken of gegevens te verrichten, zal hij het er daarheen dienen te leiden dat hel onderzoek wordt verricht door een zodanige functionaris en op zodanige wijze dat het verschoningsrecht niet in het gedrang komt. De rechter-commissaris kan het onderzoek laten uitvoeren onder leiding van een zogenoemde geheimhouder-officier van justitie die op geen enkele andere wijze betrokken is bij het onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte of daaraan gelieerde onderzoeken. Tevens kan de rechtercommissaris zogenoemde 'geheimhouderfunctionarissen ’ inzetten ten aanzien van wie de rechter-commissaris zich ervan heeft vergewist dat zij evenmin betrokken zijn bij voornoemde onderzoeken (...). (...) De rechters-commissarissen zullen een geheimhoudermedewerker van de politie aanwijzen die verklaart op geen enkele andere wijze betrokken te zijn bij het onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte of daaraan gelieerde onderzoeken en die de digitaal inbeslaggenomen gegevens zal onderzoeken en die zich over zijn bevindingen uitsluitend verstaat met de geheimhouder officier van justitie of met de rechters-commissarissen. Hiertoe wordt besloten omdat het kabinet rechter-commissaris onvoldoende is geëquipeerd om dit onderzoek adequaat zelf te kunnen uitvoeren. (...)”2.
(viii) De Advocaat heeft naar aanleiding van het proces-verbaal van bevindingen in april-juni 2023 een aantal verzoeken om informatie gedaan. Op 8 juni 2023 heeft de Advocaat dringend verzocht om al de door haar gevraagde informatie te verstrekken en om per direct de uitvoering van de procedure om de inhoud van alle inbeslaggenomen voorwerpen te beoordelen, op te schorten tot het moment dat zij volledig is geïnformeerd, haar geheimhoudingplichten worden gewaarborgd overeenkomstig de daartoe geldende wet- en regelgeving en jurisprudentie en beoordeling van de inhoud plaatsvindt in lijn daarmee.
(ix) De rechters-commissarissen hebben medegedeeld dat zij vooralsnog niet bereid zijn om de procedure op te schorten.
(x) Op 10 juli 2023 – tijdens het hoger beroep van deze procedure – hebben de rechters-commissarissen in ‘26Palma’ een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt waarin onder meer het volgende is gerelateerd:
‘Op 19 juni 2023 hebben de rechters-commissarissen telefonisch contact gehad met de geheimhouderofficier van justitie. De geheimhouderofficier van justitie vroeg om overleg over het mogelijk delen van informatie uit het onderzoek naar [de Advocaat] met een ander embargo-onderzoek.
(...).
Zij [de geheimhouderofficier] deelde mee dat het gaat om het proces verbaal van bevindingen van 25 mei 2023. Daarop hebben de rechters-commissarissen aangegeven dat in dat proces-verbaal de vervolgstappen staan beschreven die in de geheimhouderprocedure worden gezet en dat zij dat proces-verbaal als geheimhouderofficier onder zich heeft en dat zij de inhoud daarvan niet mag delen met het door haar genoemde embargo-onderzoek. (...). Zij [hof: de geheimhouderofficier] deelde in een e-mail (...) mee dat zij het proces-verbaal van 25 mei 2023 diezelfde dag (25 mei) had toegestuurd aan de zaaksofficier van justitie in het onderzoek 26Palma.
(...)
De zaaksofficier van justitie heeft op 29 juni 2012 één van de rechters-commissarissen gebeld (...)
Op uitdrukkelijk verzoek van de rechters-commissarissen heeft de officier van justitie [de zaaksofficier] (...) in een proces-verbaal bevestigd:
'Op donderdag 25 mei 2023 heb ik van de geheimhouder officier van justitie een mail ontvangen met als bijlage een proces-verbaal van bevindingen van de rechters-commissarissen gedateerd 25 mei 2023 met betrekking tot "'papieren beslag ” in de zaak 26Palma. Deze mail is tevens gestuurd aan één van de parketsecretarissen. De inhoud van dit proces verbaal heb ik ter kennisneming gedeeld met mijn collega zaaksofficier van justitie, een tweede parketsecretaris en de recherche officier van justitie. De rechercheofficier heeft de inhoud ter kennisneming gedeeld met de plaatsvervangend Hoofdofficier van justitie. (...).'
(xi) De Advocaat heeft hieruit opgemaakt dat een geheimhouderofficier van justitie informatie met betrekking tot het papieren beslag heeft gedeeld met derden en dat dit een inbreuk op het verschoningsrecht tot gevolg heeft gehad.
2.2
Bij de deze procedure inleidende dagvaarding van 15 juni 2023 heeft de Advocaat de Staat gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag. De Advocaat heeft gevorderd de Staat te gebieden om (i) de inbeslaggenomen gegevens niet ter beschikking te stellen aan het openbaar ministerie, (ii) andere personen dan de Advocaat, haar advocaten, de deken, de rechters-commissarissen en hun medewerkers, onafhankelijke deskundigen en de leden van de raadkamer geen toegang te geven tot de gegevensdragers en gegevens, (iii) de inbeslaggenomen voorwerpen en gegevens ten kabinette van de rechters-commissarissen te bewaren, en (iv) een volledig overzicht van de beslagen voorwerpen en gegevens te verstrekken.
De Advocaat heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat de rechters-commissarissen onrechtmatig jegens haar als geheimhouder handelen doordat (a) zij bij de schifting medewerkers van het openbaar ministerie en de politie inzetten en toegang geven tot de informatie waarop het verschoningsrecht rust, waardoor de vertrouwelijkheid van de informatie wordt geschonden, en (b) de Advocaat als geheimhouder onvoldoende wordt geïnformeerd. Bovendien is er een gerechtvaardigde vrees voor schending van haar recht als verdachte op een eerlijk proces doordat de rechters-commissarissen de Advocaat niet informeren en haar niet horen.3.
2.3
De Staat heeft aangevoerd dat de Advocaat niet kan worden ontvangen in haar vorderingen omdat deze in strijd zijn met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen en indruisen tegen de wettelijke verdeling van rechterlijke bevoegdheid.4.
2.4
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen.5.Hij was van oordeel dat de vorderingen vanwege de wettelijke verdeling van rechterlijke bevoegdheden tussen strafrechter en burgerlijke rechter en het gesloten stelsel van rechtsmiddelen niet toewijsbaar zijn.
2.5
De Advocaat heeft in hoger beroep haar eis vermeerderd, aanvankelijk met een vordering tot een gebod dat, voor zover gegevens al ter beschikking zijn gesteld aan medewerkers van het openbaar ministerie of opsporingsdiensten, de rechters-commissarissen zich ervan vergewissen en ervoor zorgdragen dat er geen sporen van de gegevens in de systemen van het openbaar ministerie en de opsporingsdiensten achterblijven, naderhand met vorderingen die eveneens erop zijn gericht om een verdere schending van haar verschoningsrecht te voorkomen. De grondslagen van deze vorderingen zijn, kort gezegd, dezelfde als die van de reeds ingestelde vorderingen.6.
2.6
Het hof heeft het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd en de eerst in hoger beroep ingestelde vorderingen afgewezen.7.Het hof heeft zijn beslissing eveneens gebaseerd op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, waarop naar zijn oordeel slechts een uitzondering bestaat bij schending van art. 6 EVRM, waarvan naar zijn oordeel geen sprake is (rov. 4.1-4.6). Voorts heeft het hof voor zijn oordeel verwezen naar de wettelijke verdeling van bevoegdheid tussen de strafrechter en de burgerlijke rechter (rov. 4.7-4.10). De vorderingen die de Advocaat als verdachte heeft ingesteld – naar de vaststelling van het hof zijn dat uitsluitend die welke strekken tot informatieverschaffing – stuiten naar het oordeel van het hof af op de regel dat bij de burgerlijke rechter niet kan worden opgekomen voor louter processuele belangen in een procedure bij een andere rechter (rov. 5.1).8.
2.7
De Advocaat heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld.9.De Staat heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten en afgezien van re- en dupliek.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen. Onderdeel 1 bestrijdt het oordeel van het hof dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen eraan in de weg staat dat de burgerlijke rechter de beslissing van de rechters-commissarissen om een geheimhoudingsofficier van justitie en geheimhoudingsmedewerkers van de politie bij de schifting in te schakelen, als onrechtmatig bestempelt en voorzieningen treft ter ongedaanmaking en voorkoming van (verdere) uitvoering van de beslissing van die rechter (rov. 4.1-4.6). Onderdeel 2 richt zich tegen het oordeel van het hof dat de beslissing van de rechters-commissarissen om de schifting te laten verrichten door een geheimhouderofficier van justitie en geheimhoudermedewerkers van de politie, niet tot schending van art. 6 EVRM heeft geleid of leidt (rov. 4.6). Onderdeel 3 komt op tegen het oordeel van het hof dat de vorderingen van de Advocaat louter strekken tot bescherming van haar processuele belang over de manier waarop de rechters-commissarissen het opsporingsbelang en de met het verschoningsrecht gediende belangen afwegen en daarover beslissen en dat voor ingrijpen door de burgerlijke rechter daarbij geen plaats is (rov. 4.8). Onderdeel 4 bevat een voortbouwklacht.
3.2
Alvorens de klachten van het middel te bespreken, ga ik eerst in op het vorderingsrecht van de Advocaat als verschoningsgerechtigde, de bevoegdheid van de burgerlijke rechter met betrekking tot strafrechtelijke kwesties, de mogelijkheid van strafvorderlijke inbeslagneming bij verschoningsgerechtigden en de beklagprocedure ex de art. 98 en 552a Sv.
Vorderingsrecht van de advocaat als verschoningsgerechtigde
3.3
In een arrest van 19 februari 2021 heeft de Hoge Raad beslist dat het verschoningsrecht van de advocaat – dat van fundamenteel belang is voor een goede rechtsbedeling – mede geldt opdat hij zijn taak als advocaat naar behoren kan vervullen. Een advocaat kan dan ook ter zake van een schending van het verschoningsrecht vorderingen instellen, in het bijzonder op grond van onrechtmatige daad, zoals een vordering tot het uitspreken van een verklaring voor recht omtrent de omvang van de schending, tot een verbod op verdere schendingen en tot vergoeding van schade. Deze vorderingen komen de advocaat niet toe ten behoeve van zijn cliënt. De cliënt die in zijn belangen wordt getroffen door de schending van het verschoningsrecht, zal daartegen zelf in rechte moeten opkomen.10.
3.4
Naar het hof in rov. 3.7 heeft vastgesteld, heeft de Advocaat haar vorderingen in deze zaak in de eerste plaats ingesteld in haar hoedanigheid van advocaat (en dus niet van verdachte in het tegen haar lopende strafrechtelijke onderzoek). De beoordeling van de vorderingen door het hof in rov. 4.1-4.10 ziet op de vorderingen die de Advocaat heeft ingesteld in die hoedanigheid.
Bevoegdheid van de burgerlijke rechter
3.5
Op grond van art. 112 lid 1 Grondwet is de burgerlijke rechter steeds bevoegd om rechtsbescherming te bieden als geen rechtsgang bij een andere rechter openstaat.11.De eiser of verzoeker wordt door de burgerlijke rechter echter niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering of verzoek indien een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij een andere rechter openstaat of heeft opgestaan.12.De burgerlijke rechter biedt aanvullende rechtsbescherming indien een dergelijke rechtsgang ontbreekt of in de openstaande rechtsgang geen spoedvoorziening kan worden verkregen, terwijl deze in het gegeven geval wel redelijkerwijs geboden is, of de rechtsbescherming bij een andere rechter anderszins tekortschiet. Om die reden wordt de burgerlijke rechter ook wel aangeduid als ‘restrechter’ voor gevallen waarin de strafrechter of bestuursrechter niet voldoende rechtsbescherming kan bieden.13.
3.6
Wanneer een vordering uitsluitend strekt tot bescherming van de processuele belangen die de eiser of verzoeker stelt te hebben bij de procesvoering bij een andere rechter, is geen plaats voor aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter. In een arrest van 28 september 2018 heeft de Hoge Raad daarover principieel overwogen:
“3.5.3 De aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter heeft geen betrekking op voorzieningen die partijen uitsluitend verlangen met het oog op de procesvoering in de rechtsgang bij een andere rechter. Partijen zijn in die rechtsgang aangewezen op de voor die rechtsgang geldende regels en mogelijkheden. Het is aan de rechter in die rechtsgang om te beslissen over, kort gezegd, de uitleg en toepassing van die regels en mogelijkheden. In dat verband is voor de burgerlijke rechter, gelet op de wettelijke verdeling van rechterlijke bevoegdheid, geen taak weggelegd. Voor voorzieningen door de burgerlijke rechter op dit vlak is daarom geen plaats. De Hoge Raad heeft bij herhaling in deze zin beslist (…). Een en ander komt erop neer dat als een vordering of een verzoek uitsluitend strekt tot bescherming van de processuele belangen die de eiser of verzoeker stelt te hebben bij de procesvoering bij een andere rechter, deze daarin niet-ontvankelijk is bij de burgerlijke rechter. (…)”14.
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen
3.7
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen houdt in dat een rechterlijke uitspraak alleen kan worden aangetast door een door de wet opengesteld rechtsmiddel en dat zij bij het ontbreken van een dergelijk rechtsmiddel onaantastbaar is. Dit stelsel brengt mee dat moet worden uitgegaan van de geldigheid en rechtmatigheid van een eenmaal onherroepelijk gedane uitspraak van een rechter, omdat die uitspraak anders in een nieuw geding terzijde zou kunnen worden gesteld op grond van een andere beslissing, ofwel – wat op hetzelfde neerkomt – de juistheid van de uitspraak anders inzet gemaakt zou kunnen worden van een nieuw geding. Dat zou in strijd komen met de onherroepelijkheid, en dus onaantastbaarheid, en de rechtskracht die een rechterlijke uitspraak in het wettelijk stelsel heeft. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen geldt (dan ook) met betrekking tot de uitspraken van alle rechters.15.
3.8
In het Kostovski -arrest is beslist dat bij een onherroepelijke veroordeling door de strafrechter op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen een uitzondering moet worden gemaakt in het zeer bijzondere geval dat een latere uitspraak van het EHRM, waarmee de strafrechter bij zijn uitspraak geen rekening heeft kunnen houden, noopt tot de slotsom dat die uitspraak is tot stand gekomen op zodanige wijze dat niet meer kan worden gesproken van een eerlijke behandeling van de zaak in de zin van art. 6 lid 1 eerste zin EVRM.16.
3.9
In een arrest van 16 juni 2023 heeft de Hoge Raad in een zaak waarin het ging om een machtiging tot gijzeling van de strafrechter geoordeeld dat een uitzondering bestaat op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken als in de procedure die heeft geleid tot een onherroepelijke uitspraak van de strafrechter, zich een schending van de uit art. 6 EVRM voortvloeiende eisen heeft voorgedaan.17.De Hoge Raad verwijst daarbij naar het Kostovski -arrest. Het ligt daarom voor de hand het arrest van 16 juni 2023 aldus te begrijpen dat bedoeld is dat een uitzondering geldt als geen sprake is geweest van een eerlijke behandeling van de zaak in de zin van art. 6 lid 1 eerste zin EVRM. De verruiming ten opzichte van een onherroepelijke veroordeling dan wel het Kostovski -arrest zit hem dan erin dat bij een machtiging tot gijzeling niet – of überhaupt bij beslissingen van de strafrechter niet langer – de eis geldt dat sprake moet zijn van een latere uitspraak van het EHRM, waarmee de strafrechter bij zijn uitspraak geen rekening heeft kunnen houden.18.
Inbeslagneming bij verschoningsgerechtigden
3.10
Naar de vaststelling van de voorzieningenrechter (rov. 4.1 slot) strekken de vorderingen van de Advocaat ertoe dat de burgerlijke rechter ingrijpt in (de inrichting van) de procedure ex art. 98 Sv, door de rechters-commissarissen te gebieden op een bepaalde wijze te handelen.
3.11
Art. 98 Sv regelt de inbeslagneming onder verschoningsgerechtigden. Art. 98 lid 1 Sv bepaalt dat bij personen met bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv, tenzij met hun toestemming, niet brieven of andere geschriften in beslag mogen worden genomen tot welke hun geheimhoudingsverplichting zich uitstrekt, en dat de rechter-commissaris bevoegd is ter zake te beslissen.19.Art. 98 lid 2 Sv houdt in dat, als de verschoningsgerechtigde bezwaar maakt tegen kennisneming van de inbeslaggenomen geschriften, niet tot kennisneming daarvan wordt overgegaan dan nadat de rechter-commissaris daarover heeft beslist. Daarbij wordt uitgegaan van de juistheid van het standpunt van de verschoningsgerechtigde. Alleen als de rechter-commissaris buiten twijfel acht dat stukken niet onder het verschoningsrecht vallen, gaat hij aan het standpunt van de verschoningererechtigde voorbij. Eventueel overlegt hij met de deken van de orde van advocaten (art. 98 lid 6 Sv). De omstandigheid dat de rechter-commissaris ter beoordeling van het standpunt van de verschoningsgerechtigde kennisneemt van inbeslaggenomen stukken, brengt volgens vaste rechtspraak niet mee dat sprake is van een inbreuk op het verschoningsrecht.20.
Beslist de rechter-commissaris dat inbeslagneming is toegestaan, dan deelt hij de verschoningsgerechtigde mee dat tegen zijn beslissing beklag openstaat en tevens dat niet tot kennisneming wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag is beslist (art. 98 lid 3 Sv). De verschoningsgerechtigde kan binnen veertien dagen na de betekening van de beslissing dat beklag doen (art. 98 lid 4 Rv). Op het beklag is art. 552a Sv van toepassing (art. 98 lid 4 Sv). De beklagprocedure wordt in zijn geval versneld gevoerd, dat wil zeggen dat rechtbank en Hoge Raad snel uitspraak daarop moeten doen (de art. 552a lid 8 en 552d lid 3 Sv geven daarvoor korte termijnen).21.
3.12
Normaal gesproken zal inzet van de beslissing van de rechter-commissaris en het daartegen gerichte beklag zijn of gegevens al dan niet onder het verschoningsrecht vallen. Onder uitzonderlijke omstandigheden kan echter een uitzondering op het verschoningsrecht worden gemaakt. De ratio van het verschoningsrecht is dat het maatschappelijk belang dat de waarheid aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot bepaalde functionele geheimhouders moet kunnen wenden, waaronder een advocaat.22.In sommige gevallen prevaleert het belang dat de waarheid aan het licht komt, echter boven het belang van het verschoningsrecht. Onder meer valt te denken aan het geval dat de advocaat zelf verdachte is van het onderzochte strafbare feit. De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als voldoende uitzonderlijk moeten worden aangemerkt om deze uitzondering te rechtvaardigen, laat zich niet in een algemene regel samenvatten of in eenvoudige (vuist)regels vangen. De Hoge Raad pleegt acht te slaan op diverse factoren.23.Voor het oordeel dat van zodanige omstandigheden sprake is, gelden zware motiveringseisen. De enkele omstandigheid dat een advocaat als verdachte wordt aangemerkt, is niet toereikend om zijn verschoningsrecht te doorbreken.24.Dat kan evenwel anders zijn bij verdenking van een ernstig strafbaar feit, zoals het vormen van een crimineel samenwerkingsverband van een advocaat met bepaalde cliënten.25.Zoals hiervoor onder 1 al opgemerkt, is in dit geding uitgangspunt dat deze inbreuk in dit geval op zichzelf gerechtvaardigd is.
3.13
Als in geschil is of van gegevens kennis kan worden genomen, moet de rechter-commissaris de schifting maken tussen de gegevens waarvoor het verschoningsrecht niet geldt of met betrekking tot welke het verschoningsrecht moet wijken, en de gegevens waarvoor het verschoningsrecht wel (onverkort) geldt. De Hoge Raad heeft diverse malen beslist, onder meer in de door het hof in voetnoot 3 van zijn arrest genoemde uitspraken, dat als ‘de rechter-commissaris – bijvoorbeeld in verband met de aard of de omvang van de inbeslaggenomen stukken of gegevens – niet in staat is zelf dit onderzoek te verrichten, hij het daarheen zal dienen te leiden dat het onderzoek wordt verricht door zodanige functionaris en op zodanige wijze dat is gewaarborgd dat het verschoningsrecht niet in het gedrang komt.’26.In het arrest van 9 februari 2021 heeft de Hoge Raad voorts overwogen:
“7.2.1. In het oordeel van de rechtbank ligt besloten dat het onderzoek is verricht door zodanige functionarissen en op zodanige wijze dat is gewaarborgd dat het verschoningsrecht niet in het gedrang komt. Dat oordeel getuigt, mede gelet op wat hiervoor onder 4.2.5 is vooropgesteld, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat uit de beschikking van de rechter-commissaris blijkt dat het onderzoek aan de gegevens op de telefoon op zijn verzoek namens hem is uitgevoerd onder leiding van een zogenoemde geheimhouder-officier van justitie die op geen enkele andere wijze betrokken is bij het onderzoek in de strafzaken tegen de kroongetuige, noch bij het overkoepelende onderzoek Marengo of daaraan gelieerde onderzoeken. Uit die beschikking blijkt voorts dat, met het oog op ‘specifieke expertise’ die nodig was voor het toegankelijk maken en het ordenen van de gegevens op de telefoon, bij dat onderzoek twee rechercheurs zijn ingeschakeld, ten aanzien van wie de rechter-commissaris zich ervan heeft vergewist dat zij evenmin betrokken zijn bij voornoemde onderzoeken.”
3.14
In een recente prejudiciële uitspraak heeft Hoge Raad meer principieel overwogen – enigszins nolens volens – dat de rechter-commissaris bij de schifting onder voorwaarden geheimhoudingsofficieren van justitie en geheimhoudingsmedewerkers van de politie kan inschakelen:
“6.6.8 Als de rechter-commissaris – bijvoorbeeld in verband met de aard of de omvang van de gevorderde gegevens – niet in staat is het voor de schifting benodigde onderzoek (geheel) zelf te verrichten, zal hij het daarheen moeten leiden dat het onderzoek wordt verricht door zodanige functionarissen en op zo’n manier dat is gewaarborgd dat het verschoningsrecht niet in het gedrang komt. Niet uitgesloten is dat de rechter-commissaris hierbij een van de in art. 141 of 142 Sv bedoelde (opsporings)ambtenaren of een officier van justitie inschakelt, mits daarbij wordt gewaarborgd dat de gegevens die object zijn van het verschoningsrecht, niet op enigerlei wijze bekend (kunnen) worden aan degenen die met het betreffende strafrechtelijk onderzoek en de strafrechtelijke vervolging zijn belast of daarbij anderszins zijn betrokken. Het is gewenst dat dit wordt gereguleerd in nadere regelgeving. Zolang deze ontbreekt geldt in ieder geval dat moet worden voorzien in een strikte taak- en functiescheiding tussen enerzijds de functionarissen die onder regie van de rechter-commissaris het voor de filtering benodigde onderzoek uitvoeren en anderzijds de functionarissen die betrokken zijn bij het opsporingsonderzoek (dan wel anderszins betrokken zijn bij de strafzaak). Daarbij moet het proces van filtering ook zo zijn georganiseerd dat de functionarissen onder verantwoordelijkheid en in opdracht van de rechter-commissaris werken, en dat strikte geheimhouding wordt betracht, tenzij door de rechter-commissaris uitdrukkelijk in het concrete geval toestemming is verleend tot de verstrekking van bepaalde gegevens aan opsporingsdiensten dan wel het openbaar ministerie. Met het oog op de controle door de zittingsrechter is van belang dat de manier waarop het proces van filtering is georganiseerd, wordt vastgelegd in een door of namens de rechter-commissaris opgesteld proces-verbaal.”27.
Gegevens vastgelegd bij doorzoeking
3.15
De art. 125i e.v. Sv voorzien in het doorzoeken van een plaats ter vastlegging van gegevens die op deze plaats op een gegevensdrager zijn opgeslagen of vastgelegd. Blijkens de stukken van het geding is in dit geval mede van die bevoegdheid gebruikgemaakt door de rechter-commissarissen.28.Op het gebruik van deze bevoegdheid verklaart art. 125i Sv onder meer art. 98 Sv van overeenkomstige toepassing. Voor zover het gaat om gegevens die onder het verschoningsrecht vallen, geldt hiervoor dus hetzelfde als voor gegevens die in beslag genomen zijn. Ook te dien aanzien bestaan dus de waarborgen van art. 98 Sv, waaronder de mogelijkheid van voorafgaand beklag ex art. 552a Sv.29.
Beklagprocedure ex art. 552a Sv
3.16
Art. 552a Sv geeft belanghebbenden de mogelijkheid om zich schriftelijk te beklagen over onder meer de inbeslagneming, het gebruik dat van inbeslaggenomen voorwerpen wordt gemaakt, de kennisneming of het gebruik van gegevens die zijn vastgelegd tijdens een doorzoeking als bedoeld in art. 125i Sv, en het uitblijven van een last tot teruggave. Dat omvat mede beklag over de kennisneming of het gebruik van gegevens, opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk en vastgelegd bij een onderzoek in zodanig werk, welk onderzoek eventueel kan plaatsvinden na inbeslagneming van dat werk (in deze zaak de inbeslaggenomen ‘gegevensdragers’, dat wil zeggen smartphones en laptops).30.
Het beklag van art. 98 Sv fungeert wat betreft het verschoningsrecht als een preventieve toets: wanneer de rechter-commissaris beslist tot inbeslagneming van stukken of gegevens die beweerdelijk onder het verschoningsrecht vallen, wordt als gezegd niet tot kennisneming van die stukken of gegevens overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag is beslist.
3.17
Uit een recent arrest van de Hoge Raad volgt dat de weg van art. 98 Sv ook door de rechter-commissaris moet worden gevolgd als hij anderszins beslissingen wil nemen die een aantasting van het verschoningsrecht zouden kunnen betekenen. Het ging in dat arrest om een lijst van geheimhouders waarmee de rechter-commissaris de hiervoor in 3.13 genoemde selectie kon maken. De vraag was of de rechter-commissaris die lijst, die mogelijk ook onder het verschoningsrecht viel, aan de zaaksofficier van justitie mocht geven. De Hoge Raad besliste dat de rechter-commissaris ook in dat geval de weg van art. 98 Sv moet volgen, dat wil zeggen een beslissing terzake nemen en deze niet uitvoeren totdat op een beklag van de verschoningsgerechtigde is beslist.31.In het door het hof genoemde, hiervoor in 3.13 al aangehaalde arrest van 9 februari 2021 had de rechter-commissaris deze weg uit zichzelf gevolgd (het ging om het uitlezen van de gegevens op een smartphone van een advocaat). Het beklag daartegen werd ontvankelijk geoordeeld.
3.18
De beklagprocedure van art. 552a Sv valt aan te merken als een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang in de hiervoor in 3.5 genoemde zin, zodat deze in beginsel de weg naar de burgerlijke rechter afsluit.32.Dat is anders ingeval een spoedeisend belang bestaat. Omdat de beklagprocedure van art. 552a Sv geen spoedvoorziening kent en dus voor dat geval een rechtsingang bij de strafrechter ontbreekt, kan de belanghebbende zich dan tot de burgerlijke rechter in kort geding wenden.33.Omdat in het geval van art. 98 Sv zeer spoedig op beklag moet worden beslist (zie hiervoor in 3.11, slot), valt aan te nemen dat in dat geval alleen ruimte bestaat voor een kort geding als sprake is van zodanig bijzondere of buitengewoon spoedeisende omstandigheden dat de uitkomst van de beklagprocedure toch niet kan worden afgewacht.
Taak weggelegd voor burgerlijke rechter?
3.19
Gelet op het voorgaande lijkt geen taak weggelegd voor de burgerlijke rechter op het vlak van de vorderingen die in dit geding zijn ingesteld.34.De art. 98 en 552a Sv geven de advocaat een eigen rechtsingang bij de strafrechter waarmee hij effectief kan opkomen voor de bescherming van het verschoningsrecht, zoals hem mogelijk moet zijn, naar onder meer in het hiervoor in 3.3 genoemde arrest van 19 februari 2021 is beslist, maar ook ten grondslag ligt aan art. 98 Sv en de rechtspraak over die bepaling. De Hoge Raad heeft beslist dat de gang van zaken waartegen de Advocaat zich vooral in dit kort geding keert, de schifting van de inbeslaggenomen stukken en vastgelegde gegevens door geheimhoudingsofficieren van justitie en geheimhoudingsmedewerkers van de politie, is toegelaten, mits dat wordt verricht door zodanige functionarissen en op zo’n manier dat is gewaarborgd dat het verschoningsrecht niet in het gedrang komt (het hiervoor in 3.14 genoemde arrest van 12 maart 2024). Het principiële bezwaar daartegen van de Advocaat dat de geheimhouding van hetgeen onder het verschoningsrecht valt, bij deze werkwijze als zodanig onvoldoende is verzekerd, is daarmee verworpen.
3.20
In een concreet geval kunnen allicht aanwijzingen bestaan dat de door de Hoge Raad toegestane werkwijze op zo’n manier of onder zulke omstandigheden worden uitgevoerd dat niet of onvoldoende is gewaarborgd dat het verschoningsrecht niet in het gedrang komt, of dat onvoldoende blijkt dat is gewaarborgd dat het verschoningsrecht niet in het gedrang komt. Het ligt dan, gelet op het voorgaande, nogal voor de hand dat de verschoningsgerechtigde daarover beklag kan doen op grond van de art. 98 en 552a Sv. De hiervoor in 3.17 genoemde arresten lijken een opening te bieden om in dat geval het bieden van de mogelijkheid van een voorafgaande toetsing overeenkomstig art. 98 Sv door de rechter-commissaris verplicht te achten.35.Dat de burgerlijke rechter in dit verband aanvullende rechtsbescherming zou moeten verlenen, is niet erg aantrekkelijk. Hij zou daarmee immers op voor hem relatief vreemd (want goeddeels strafrechtelijk) terrein komen.36.Gelet op de mogelijkheden die de art. 98 en 552a Sv lijken te bieden, ligt de mogelijkheid van aanvullende rechtsbescherming ook niet erg in de rede.
3.21
Uit de beslissing van de rechters-commissarissen die blijkt uit het proces-verbaal dat hiervoor in 2.1 onder (vii) is aangehaald, volgt dat zij van oordeel zijn dat in dit geval voldoende is gewaarborgd dat het verschoningsrecht niet in het gedrang komt. De Advocaat is het met deze zienswijze niet eens. Zij heeft erop gewezen dat maar liefst 45.000 bestanden door het beslag zijn getroffen die onder het verschoningsrecht vallen, en dat deze voor een groot deel betrekking hebben op het contact met andere van haar cliënten dan waarop het onderhavige onderzoek betrekking heeft en dat daarvan dus geen kennis moet kunnen worden genomen. Dat de geheimhoudingsofficieren van justitie en geheimhoudingsmedewerkers van de politie niet betrokken zijn bij het onderhavige onderzoek, is in verband hiermee onvoldoende waarborg, heeft zij aangevoerd, nu deze officieren en medewerkers, als zij zijn betrokken bij het of een onderzoek tegen die andere cliënten, zij om die reden, ontegenzeglijk, geen kennis van de betrokken gegevens behoren te kunnen nemen.37.
3.22
Het is in het stelsel van art. 98 Sv aan de rechters-commissarissen om in dit bezwaar te voorzien.38.De Advocaat kan naar ik meen tegen hun beslissing beklag doen op de voet van art. 98 Sv (als de rechters-commissarissen daarover een beschikking geven op de voet van art. 98 lid 4 Sv; de termijn is dan veertien dagen) dan wel art. 552a Sv (als de rechters-commissarissen geen beschikking geven; de termijn is dan die welke wordt genoemd in art. 552a lid 3 Sv). Ook in het laatste geval ligt het voor de hand dat de rechters-commissarissen de uitspraak in de beklagprocedure afwachten vóórdat hun beslissing wordt uitgevoerd.39.
3.23
De Advocaat heeft voorts gewezen op het feit dat uit het hiervoor in 2.1 onder (x) genoemde proces-verbaal blijkt dat de geheimhoudingsofficier van justitie het hiervoor in 2.1 onder (vii) genoemde proces-verbaal heeft doorgezonden aan de zaaksofficier van justitie. Volgens de Advocaat bevat dit proces-verbaal echter informatie die onder het verschoningsrecht valt.40.
3.24
Ook dit is een bezwaar waarin de rechters-commissarissen in beginsel dienen te voorzien.41.Dat de rechtsgang van art. 98 en 552a Sv voor dit bezwaar openstaat of moet openstaan, lijkt me echter niet gegeven. Het gaat niet om het voorkomen van een (niet-gerechtvaardigde) inbreuk op het verschoningsrecht, maar om een (beweerdelijk) plaatsgevonden hebbende inbreuk. Die inbreuk kan eventueel bij de strafrechter aan de orde worden gesteld in een op het strafonderzoek volgende strafzaak en eventueel een rol spelen bij mogelijke nadere maatregelen van de rechter-commissaris ter bescherming van het verschoningsrecht. Als de strafrechter op dit punt geen (afzonderlijke) grond voor rechtsbescherming ziet binnen de mogelijkheden die de art. 98 en 552a Sv biedt – wat m.i. plausibel is –, lijkt me dat de burgerlijke rechter die rechtsbescherming evenmin zou moeten bieden als restrechter. Het is immers in dit verband in de eerste plaats aan de strafrechter om te bepalen was een passende mate van rechtsbescherming is. Alleen als de strafrechter van oordeel is dat hij door de beperkte wettelijke mogelijkheden in de onmogelijkheid verkeert om die rechtsbescherming te verlenen, lijkt me dat hier een taak voor de burgerlijke rechter zou kunnen zijn weggelegd.
Bespreking onderdeel 1
3.25
Onderdeel 1 richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 4.1-4.6 en stelt het oordeel van het hof aan de orde dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen eraan in de weg staat dat de civiele rechter de beslissing van de rechters-commissarissen om een geheimhouderofficier en geheimhoudermedewerkers van de politie bij de schifting in te schakelen, als onrechtmatig bestempelt en voorzieningen treft ter ongedaanmaking en ter voorkoming van (verdere) uitvoering van de beslissing van die rechter. Het onderdeel betoogt dat dit oordeel rechtens onjuist is, omdat tegen de beslissing van de rechters-commissarissen geen met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open staat, zodat een taak voor de burgerlijke rechter is weggelegd om de bescherming van het verschoningsrecht te waarborgen. Het onderdeel bevat tevens een motiveringsklacht tegen de overweging van het hof in rov. 4.3 dat wanneer er wel direct een strafvorderlijk rechtsmiddel open zou staan tegen de beslissing van de rechters-commissarissen om de schifting te laten verrichten door een geheimhouderofficier en geheimhoudermedewerkers van de politie, de rechtskracht van die beslissing alleen door het aanwenden van dat rechtsmiddel kan worden aangetast en dat zo’n rechtsmiddel in dit geval niet is aangewend. Deze overweging is, zo betoogt het middelonderdeel, onbegrijpelijk, omdat het hof deze overweging geheel hypothetisch is en het hof hiermee miskent dat in dit geval geen rechtsmiddel openstaat.
3.26
Het onderdeel faalt. Uit het voorgaande volgt dat de gang van zaken waartegen de Advocaat zich in dit kort geding keert – schifting van gegevens door het openbaar ministerie en politie –, anders dan de voornaamste grondslag van de vorderingen van de Advocaat vormt, is toegestaan, binnen de grenzen die de rechters-commissarissen in deze zaak menen in acht te nemen. Voor zover de Advocaat meent dat die grenzen in dit geval niet in acht worden genomen – hetgeen zij mede heeft aangevoerd (zie hiervoor in 3.21 en 3.23) –, kan zij, anders dan het onderdeel tot uitgangspunt neemt, op grond van de art. 98 en 552a Sv beklag doen, zoals het hof subsidiair heeft geoordeeld in rov. 4.3, dan wel bestaat onvoldoende grond voor aanvullende rechtsbescherming (zie hiervoor in 3.22 en 3.24). Daarmee staat voor de Advocaat een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open, die de weg naar de burgerlijke rechter afsluit, althans kan zij niet bij de burgerlijke rechter terecht.
Bespreking onderdeel 2
3.27
Onderdeel 2 klaagt dat de overweging van het hof dat de beslissing van de rechters-commissarissen om de schifting te laten verrichten door een geheimhouderofficier van justitie en geheimhoudermedewerkers van de politie, niet tot schending van art. 6 EVRM heeft geleid of leidt (rov. 4.6), getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onbegrijpelijk is. Het is in strijd met Europese regelgeving om zonder wettelijke basis de bevoegdheid die de wet aan de rechter-commissaris geeft, aan niet onafhankelijke politie- en justitieambtenaren te delegeren, aldus het onderdeel. Tevens wordt gesteld dat deze wijze van uitvoering in strijd is met fundamentele rechtsbeginselen, zodat niet alleen geen sprake is van een eerlijke behandeling als bedoeld in art. 6 EVRM, maar er ook reden is om het gesloten stelsel van rechtsmiddelen te doorbreken.
3.28
Het onderdeel faalt omdat het oordeel van het hof in rov. 4.6 niet dragend is voor zijn beslissing. De beslissing van het hof kan immers reeds worden gedragen door zijn hiervoor genoemde oordeel in rov. 4.3. In rov. 4.6 gaat het hof in op de vraag of een uitzondering kan worden gemaakt op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, omdat sprake is van een onherroepelijke uitspraak waarin art. 6 EVRM is geschonden (zie daarover hiervoor in 3.8 en 3.9). Uit het voorgaande volgt dat dit niet de vraag is waar het in dit kort geding om gaat. Dat is immers of er reden bestaat voor aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter.
Bespreking onderdeel 3
3.29
Onderdeel 3 keert zich tegen rov. 4.8. Het bevat de voortbouwklacht dat bij gegrondbevinding van de onderdelen 1 en 2 ook het oordeel van het hof in rov. 4.8 niet in stand kan blijven. Het onderdeel betoogt voorts dat het oordeel van het hof in rov. 4.8 dat de vorderingen van De Advocaat louter strekken tot bescherming van processuele belangen bij de strafrechter, rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is, aangezien de vorderingen strekken tot bescherming van een materieel belang, namelijk haar verschoningsrecht.
3.30
Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden. Het hof heeft zijn beslissing gebaseerd op twee zelfstandig dragende gronden, te weten het gesloten stelsel van rechtsmiddelen (lees: het openstaan van een andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang) (rov. 4.1-4.6) en de wettelijke verdeling van bevoegdheid (rov. 4.7-4.10). Nu de onderdelen 1 en 2 die zich tegen eerstgenoemde grond richten, ongegrond zijn, mist de Advocaat belang bij de klachten van onderdeel 3, dat zich tegen laatstgenoemde grond richt.
Overigens bouwt het oordeel van het hof in rov. 4.8 niet voort op zijn oordeel in rov. 4.1-4.6. De voortbouwklacht van het onderdeel is dus ook ongegrond.
De klacht tegen het oordeel van het hof dat de vordering van de Advocaat louter strekt tot bescherming van een processueel belang, lijkt me echter gegrond. Zoals hiervoor vermeld, is een advocaat gerechtigd om voor de bescherming van het verschoningsrecht op te komen (zie hiervoor in 3.3 en 3.19). Het belang dat hij daarmee dient, is een zelfstandig rechtsstatelijk belang dat niet kan worden aangemerkt als louter een processueel belang in de zin van het hiervoor in 3.6 aangehaalde arrest van 28 september 2018 waarnaar het hof verwijst. Dat geldt ook als het oordeel van het hof uitsluitend betrokken wordt op de in de beklagprocedure te nemen beslissing. Het is immers ook een zelfstandig belang dat het verschoningsrecht niet wordt geschonden bij de voorbereiding van die beslissing. In de hiervoor vanaf 3.11 genoemde regels en rechtspraak wordt dat zelfstandige belang ook juist erkend en gerespecteerd.
De gegrondheid van deze klacht van het onderdeel kan op het grond van het voorgaande echter niet tot cassatie leiden.
3.31
Onderdeel 4 bevat slechts een voortbouwklacht en behoeft daarom geen bespreking.
Slotsom
3.32
De klachten zijn ongegrond.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 31‑05‑2024
Vgl. de vaststellingen in rov. 1 (a)-(f) van het arrest van het hof en rov. 2.1-2.6 van het vonnis van de voorzieningenrechter. Ten dele gaat het daarbij om juridische uitgangspunten die in deze procedure niet in geschil zijn (dat geldt voor rov. 1 onder (d) en (e) van het arrest van het hof). Hier wordt van die vaststellingen alleen vermeld wat in cassatie nog van belang is.
Het proces-verbaal is overgelegd als productie 5 bij de deze procedure inleidende dagvaarding van de Advocaat.
Vgl. voor e.e.a. de vaststellingen in rov. 2.1 van het arrest van het hof.
Vgl. de vaststelling van het hof in rov. 3.6.
Rb Den Haag 19 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:10541.
Vgl. de vaststellingen van het hof in rov. 3.2-3.5.
Hof Den Haag 17 juli 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1393.
HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1806, NJ 2019/413, m.nt. H.B. Krans en T. Kooijmans.
De procesinleiding is op 22 augustus 2023 bij de Hoge Raad ingediend.
HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, NJ 2024/119, m.nt. H.B. Krans, rov. 3.1.3.
Vgl. Kamerstukken II 1979/80, 16 162, nr. 3, p. 6 en 10, en Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, p. 83-84. Zie voorts o.m. HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1806, NJ 2019/413, m.nt. H.B. Krans en T. Kooijmans., rov. 3.5.2. Vgl. ook Overheidsprivaatrecht, algemeen deel (Mon. BW A26a), Deventer: Kluwer 2011, nr. 8a.
Zie opnieuw HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1806, NJ 2019/413, m.nt. H.B. Krans en T. Kooijmans, met verdere verwijzingen. Zie ook specifiek m.b.t. de verhouding met de strafrechter Overheidsprivaatrecht, algemeen deel (Mon. BW A26a), Deventer: Kluwer 2011, nr. 11a, eveneens met verdere verwijzingen.
Zie bijv. E.S.G.N.A.I. van de Griend, Hiaten in de strafrechtelijke rechtsbescherming. Een onderzoek naar aanleiding van het gebruik van het kort geding in strafzaken (diss. Tilburg), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2002, p. 50, en G. Snijders, Overheidsprivaatrecht, algemeen deel (Mon. BW nr. A26a), Deventer: Kluwer 2011, nr. 11a. De rechtsbescherming bij de andere rechter behoeft overigens niet identiek te zijn met de rechtsbescherming die de burgerlijke rechter kan bieden; als zij maar voldoende is. Zie de rechtspraak aangehaald in Overheidsprivaatrecht, algemeen deel, nr. 8e.
HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1806, NJ 2019/413, m.nt. H.B. Krans en T. Kooijmans, rov. 3.5.3. Vgl. ook HR 7 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1433, NJ 2019/412, m.nt. H.B. Krans en T. Kooijmans.
Zie recent over het gesloten stelsel van rechtsmiddelen mijn conclusie voor HR 16 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:919, NJ 2023/336, m.nt. W.H. Vellinga, ECLI:NL:PHR:2023:332, onder 3.19-3.21, met vermelding van nadere gegevens.
HR 1 februari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0248, NJ 1991/413, m.nt. Th.W. van Veen (Kostovski), rov. 3.2.
HR 16 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:919, NJ 2023/336, m.nt. W.H. Vellinga, rov. 3.1.2.
Het arrest zou dan in de pas lopen met hetgeen volgens HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3167, NJ 2005/131, rov. 3.4.3, geldt voor de formele rechtskracht van de uitspraken van de bestuursrechter: “Voor een uitzondering op het beginsel van de formele rechtskracht in een geval als het onderhavige is alleen dan plaats indien moet worden geoordeeld dat in de procedure bij de bestuursrechter die het bestreden besluit in stand heeft gelaten, is gehandeld in strijd met een fundamenteel rechtsbeginsel waardoor niet meer gesproken kan worden van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak.”
Art. 98 Sv heeft betrekking op alle gegevens waartoe het verschoningsrecht zich uitstrekt, dus ook op die gegevens die op andere gegevensdragers staan dan papier. Vgl. HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3564, NJ 2008, 113, rov. 4.2.6, en HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0004, NJ 2014, 11, rov. 3.4. Zie voorts T&C Strafvordering, commentaar op art. 98 Sv (P.S. Lambertina, actueel t/m 01-01-2024), aantek. 3.
Zie o.m. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0434, HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1566, NJ 2014/476, m.nt. F. Vellinga-Schootstra, rov. 2.4.1, en HR 9 februari 2020, ECLI:NL:HR:2021:193, NJ 2021/119, m.nt. T. Kooijmans, rov. 4.2.3 en 4.2.4.
Zie over een en ander meer uitvoerig de conclusie van A-G Harteveld, ECLI:NL:PHR:2023:1122, voor HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, onder 5.7-5.11 en 5.14.
Vgl. o.m. HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066, NJ 1986/173, m.nt. W.L. Haardt onder NJ 1986/176.
Vgl. voor e.e.a. bijv. J. Legemaate, noot onder HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1369, NJ 2008/407, en G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, blz. 576-577, met verwijzing naar rechtspraak van de Hoge Raad.
HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5009, en HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3314, NJ 2013/356, rov. 3.2.
HR 12 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9162, NJ 2002/439, rov. 3.3, en HR 14 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4418, NJ 2005/353, rov. 4.4. Vgl. uitvoerig over dit onderwerp N.A.M.E.C. Fanoy, De geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht van de advocaat, Apeldoorn: Maklu 2018, 5.9.4.
HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3714, rov. 3.5.3, en HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:193, NJ 2021/119, m.nt. T. Kooijmans, rov. 4.2.5. Zie in dezelfde zin o.m. HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1324, NJ 2016/378, m.nt. F. Vellinga-Schootstra, rov. 2.3.1.
HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375. In de schriftelijke toelichting die namens de Advocaat is gegeven – die dateert van vóór de uitspraak – wordt op de conclusie van A-G Harteveld voor deze uitspraak gewezen.
Zie het hiervoor in 2.1 onder (vii) genoemde proces-verbaal. Zie ook hiervoor in 2.1 onder (ii).
Vgl. HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2537, NJ 2017/43, m.nt. F. Vellinga-Schootstra, rov. 3.5.1. en 3.5.2, en HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1960, rov. 4.2.2.
HR 24 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:71, NJ 2017/228, m.nt. T. Kooijmans onder NJ 2017/230, rov. 2.3, waaruit volgt dat HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5510, NJ 2012/598, rov. 2.1, een beperktere betekenis heeft dan bij eerste lezing wellicht lijkt. Zie ook HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, rov. 6.3.5, waaruit blijkt dat ook verschoningsgerechtigden o.g.v. art. 552a Sv dit beklag kunnen doen.
HR 19 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1268, NJ 2024/87, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 5.3.2-5.3.4. Blijkens rov 5.4.1 van het arrest komt het beklagrecht ook toe aan de beslagene.
Vgl. in die zin reeds HR 11 december 1936, NJ 1937/72, en HR 29 januari 1999, NJ 1999/415, rov. 4.2.1. Vgl. voorts G.J.M. Corstens e.a., Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer, Wolters Kluwer, 2021, p. 589, A.Th.M. ten Broeke, Handboek Strafzaken 86.7.1.2, J.J. van der Helm, Civielrechtelijke problemen bij strafvorderlijk beslag, Overheid en Aansprakelijkheid 2013/3, onder 3 en 4, en P.C. Verloop, in: Handboek Strafzaken 77.1.1.c (bijgewerkt tot en met 16 juni 2016). Zie ook T&C Strafvordering, commentaar op art. 552a Sv, aant. 10 (P.S. Lambertina, actueel t/m 01-01-2024), met verwijzing naar lagere rechtspraak.
Zie de in de vorige voetnoot genoemde auteurs, met verwijzingen.
Daarbij merk ik op dat de vorderingen die gericht zijn op het verkrijgen van informatie in cassatie niet meer aan de orde lijken te zijn. Het middel bevat daarover geen klachten.
Vgl. ook genoemd HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, rov. 6.5.1 (“De belangen die met het verschoningsrecht zijn gemoeid, maken het noodzakelijk dat politie en justitie doen wat nodig is om inbreuken op het verschoningsrecht zo veel mogelijk te voorkomen”).
Veelzeggend in dit verband is dat de hiervoor diverse malen aangehaalde uitspraak van 12 maart 2024 van de civiele kamer van de Hoge Raad is gewezen door een zetel die vrijwel alleen bestond uit leden van de strafkamer van de Hoge Raad, na een conclusie van een A-G die uitsluitend werkzaam is in de strafsector van het Parket van de Hoge Raad, A-G Harteveld.
Pleitnota advocaat in hoger beroep onder 28 en 47-49.
De Staat heeft aangevoerd dat de rechter-commissarissen openstaan voor overleg en bereid zijn om de eventueel noodzakelijke of geëigende maatregelen te nemen om de bezwaren van de Advocaat te redresseren. Zie de pleitnota van zijn advocaat in hoger beroep onder 1.2-1.4.
Tot en met het hoger beroep hebben zij dat in deze zaak ook gedaan. Zie de e-mail van de rechters-commissarissen van 10 juli 2023 die de Advocaat in hoger beroep heeft overgelegd als productie 24.
E-mail van haar advocaat aan het hof van 10 juli 2023 en pleitnota van haar advocaat in hoger beroep onder 2.
Het hiervoor in voetnoot 38 vermelde heeft mede betrekking op dit bezwaar.
Beroepschrift 22‑08‑2023
PROCESINLEIDING IN CASSATIE BIJ DE HOGE RAAD ALS BEDOELD IN ART. 407 RV
Eiseres tot cassatie is: [de Advocaat], woonplaats gekozen hebbende te [woonplaats], te dezer zake domicilie kiezende te Rijswijk ZH aan de Haagweg nr. 108 (2282 AE), ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. K. Aantjes, die ten deze tot advocaat bij de Hoge Raad wordt aangewezen om haar in cassatie te vertegenwoordigen en als zodanig wordt gesteld (art. 407 lid 3 en 4 Rv).
Verweerder in cassatie is: DE STAAT DER NEDERLANDEN (ministerie van Justitie en Veiligheid, ROT044 en ROT046, rechers-commissaris in strafzaken in de rechtbank Rotterdam), zetelende te Den Haag, in de vorige instantie van deze zaak domicilie gekozen hebbende aldaar, aan de Bezuidenhoutseweg 57 (2595 AA), ten kantore van mr. R.W. Veldhuis.
Eiseres stelt hierdoor beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag op 17 juli 2023 onder zaaknummer 200.328.851/01 tussen partijen gewezen.
Verweerder in cassatie kan in deze procedure ten laatste verschijnen op vrijdag 22 september 2023 (30a lid 3 onder c Rv, 115 en 116 Rv), niet in persoon, doch vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden ter terechtzitting van de Hoge Raad der Nederlanden, die alsdan gehouden zal worden in het gebouw van de Hoge Raad aan het Korte Voorhout nr. 8 te Den Haag.
De enkelvoudige civiele kamer behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden (Stcrt. 2017/5928) om 10.00 uur.
Eiseres tot cassatie richt zich tegen voormeld arrest met het navolgende
Middel van cassatie:
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, door te overwegen en op grond daarvan te beslissen als in voormeld arrest weergegeven, zulks om de navolgende, mede in onderlinge samenhang te lezen redenen:
I
Dit middelonderdeel richt zich tegen de rov. 4.1 t/m 4.6 van het bestreden arrest, waarin het hof, met name in rov. 4.5, zakelijk weergegeven, heeft geoordeeld dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen eraan in de weg staat dat de civiele rechter de beslissing van de RC's om een geheimhoudingsofficier en geheimhoudingsmedewerkers van de politie bij de schifting (als in art. 98 Sv bedoeld) in de schakelen, als onrechtmatig bestempelt en voorzieningen treft ter ongedaan making en ter voorkoming van (verdere) uitvoering van de beslissing van die rechter. Dat oordeel is rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk, met voorbijgaan aan ter zake essentiële stellingen van [de Advocaat].
Zoals het hof in rov. 1 sub d met juistheid heeft overwogen, kunnen ingevolge artikel 98 lid 1 Sv bij verschoningsgerechtigden, waaronder advocaten, zonder hun toestemming geen stukken in beslag worden genomen tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt. Dit verbod kan worden doorbroken in zeer uitzonderlijke omstandigheden, bijvoorbeeld wanneer een advocaat wordt verdacht van een ernstig strafbaar feit, zoals het vormen van een crimineel samenwerkingsverband met een cliënt. Dit verbod geldt overigens niet ten aanzien van brieven of geschriften die het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend.
Eveneens met juistheid heeft het hof in rov. 1 sub e overwogen, dat de wetgever de uiteindelijke beslissing of sprake is van stukken waarover het verschoningsrecht zich uitstrekt en die dus onder het beslagverbod van artikel 98 lid 1 Sv vallen, heeft overgelaten aan de rechter-commissaris. Met andere woorden: de rechter-commissaris moet de schifting maken tussen de stukken waarvoor, bijvoorbeeld vanwege zeer uitzonderlijke omstandigheden, het verschoningsrecht moet wijken voor de waarheidsvinding (in dit geval kort gezegd: de ‘Palma26’-stukken) en de stukken waarvoor het verschoningsrecht onverkort is blijven gelden (in dit geval kort gezegd: de niet-'Palma26'-stukken). Om die schifting te kunnen maken zal de rechter-commissaris doorgaans enig onderzoek aan de stukken moeten verrichten.
Tevens heeft het hof in rov. 4.2 met juistheid overwogen, dat de beslissing van de RC's over de manier van schifting rechtskracht heeft, zoals iedere beslissing van een rechter en dat tegen deze beslissing an sich door de wet geen direct rechtsmiddel is opengesteld.1.
Als de wet geen (direct) rechtsmiddel heeft opengesteld tegen de aanwijzing door de RC's van een geheimhoudingsofficier en -medewerkers van de politie, staat daartegen dus geen met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open.2. Nu daarmee (ook volgens het hof, blijkens rov 4.1) een rechtsgevolg is beoogd, stond daarmee de weg naar de civiele rechter open, had [de Advocaat] een rechtsingang bij de civiele rechter en had zij de mogelijkheid ter zake van een schending van het verschoningsrecht vorderingen in te stellen, in het bijzonder op grond van onrechtmatige daad.3. Juist nu er in deze fase van de art. 95 Rv-procedure geen rechtsingang (bij de strafrechter) bestaat, is er een taak voor de burgerlijke rechter weggelegd om de bescherming van het materiële recht te waarborgen.4. De ontvankelijkheid van [de Advocaat] en de bevoegdheid van de burgerlijke rechter komt voort uit een beroep op de bescherming van een algemeen rechtsbeginsel dat niet wordt gewaarborgd door een rechtsingang in het strafrechtelijk kader,5. namelijk het recht op een rechtsmiddel bij een met voorzienbare wettelijke waarborgen omgeven onafhankelijke rechterlijke autoriteit.6. Het hof heeft dat alles miskend.
Rechtens onjuist is dan ook de overweging in rov. 4.2, dat wanneer de civiele rechter deze beslissing van de strafrechter (in dit geval de RC's) terzijde zou stellen, de civiele rechter zonder wettelijke grondslag afbreuk zou doen aan de rechtskracht die aan de (rechterlijke) beslissing van de RC's toekomt, dat dat in strijd zou komen met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken en dat dit gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat de burgerlijke rechter moet uitgaan van de juistheid van de uitspraak van de strafrechter en van de aanvaardbaarheid van de rechterlijke procedure die tot die uitspraak heeft geleid.
Onbegrijpelijk is hetgeen het hof in rov. 4.3 heeft overwogen, te weten dat wanneer er wel direct een strafvorderlijk rechtsmiddel open zou staan tegen de beslissing van de RC's om de schifting te laten verrichten door een geheimhouderofficier en geheimhoudermedewerkers van de politie, de rechtskracht van die beslissing alleen door het aanwenden van dat rechtsmiddel kan worden aangetast en dat zo'n rechtsmiddel in dit geval niet is aangewend. Behalve dat deze overweging geheel hypothetisch is, en daarmee voor de beoordeling van deze zaak irrelevant, miskent het hof daarmee dat een dergelijk rechtsmiddel in casu niet openstaat (zoals het nota bene zelf in rov. 4.2 heeft overwogen) en dus ook niet kon worden aangewend.
II
Rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk, met voorbijgaan aan ter zake essentiële stellingen van [de Advocaat], is de overweging in rov. 4.6, dat de beslissing van de RC's om de schifting te laten verrichten door een geheimhouderofficier en geheimhoudermedewerkers van de politie, niet tot schending van artikel 6 EVRM heeft geleid of leidt.
Die schifting raakt immers aan het verschoningsrecht, een in Nederland geldend algemeen rechtsbeginsel dat meebrengt dat bij vertrouwenspersonen, zoals een advocaat, het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden. Het verschoningsrecht strekt zich uit tot datgene waarvan de wetenschap aan een advocaat is toevertrouwd. Alles waarvan de wetenschap hem als zodanig is medegedeeld, heeft ook als toevertrouwd te gelden. Bij de vraag wat aan de advocaat is toevertrouwd, wordt geen onderscheid gemaakt tussen vertrouwelijke en minder vertrouwelijke gegevens. Het verschoningsrecht heeft immers als doel cliënten en andere belanghebbenden zekerheid te geven dat zij vrijelijk met de advocaat kunnen spreken; het maken van onderscheid zou die zekerheid op onaanvaardbare wijze aantasten.7. Als dat verschoningsrecht is geschonden, dan is daarmee ook sprake van schending van art. 6 EVRM.8. Dat daarvan in casu sprake is, volgt uit het navolgende.
Het hof neemt in rov. 4.1 tot uitgangspunt, dat de RC's bij mail van 21 juni 2023 aan de advocaat van [de Advocaat] hebben medegedeeld dat de in het kader van de in het ‘Palma26’- onderzoek te verrichten schifting ‘inmiddels een team van drie geheimhoudermedewerkers van de Nationale Politie [is] samengesteld’, waarbij de RC's zich gebaseerd hebben op (hun uitleg van) de vaste jurisprudentie dat, kort gezegd, de rechter-commissaris, indien hij niet in staat is zelf het voor de schifting benodigde onderzoek te verrichten, zich van bijstand door derden kan laten voorzien9. en dat met de aanwijzing van een geheimhouderofficier en geheimhoudermedewerkers van de politie het rechtsgevolg is beoogd dat deze derden, uitsluitend met het oog op de schifting, onder geheimhouding kennis mogen nemen van onder het verschoningsrecht vallende stukken.
Indien en voor zover het hof hiermee heeft willen oordelen dat het de RC's geoorloofd was om bij de te verrichten schifting gebruik te maken van een geheimhoudingsofficier en geheimhoudingsmedewerkers van de politie, is dat oordeel rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk, met voorbijgaan aan essentiële stellingen van [de Advocaat] ter zake. In dat verband is van wezenlijke betekenis dat de geheimhoudersmedewerkers en de geheimhoudersofficier niet onder gezag van de RC's staan, zodat reeds om die reden de door de RC's gehanteerde werkwijze in strijd is met minst genomen de ratio van artikel 98 Sv, inhoudende dat de advocaat gaat over wat onder het verschoningsrecht valt en dat dit getoetst kan en moet worden door (en uitsluitend door) de RC.
[de Advocaat] heeft niet betwist dat door de RC's hulp kon en mocht worden ingeschakeld, maar wel dat die hulp door leden van het openbaar ministerie of justitiële medewerkers vanuit de opsporing of andere derden zou mogen geboden, vanwege de informatie en het doel van het verschoningsrecht.10. Dat verschoningsrecht mag niet in het gedrang komen. Indien de rechter-commissaris — bijvoorbeeld in verband met de aard of de omvang van de inbeslaggenomen stukken of gegevens — niet in staat is zelf het onderzoek te verrichten, zal hij het daarheen dienen te leiden dat het onderzoek wordt verricht door zodanige functionarissen en op zodanige wijze dat is gewaarborgd dat het verschoningsrecht niet in het gedrang komt.11. Onafhankelijkheid is hierbij cruciaal.12.
De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 9 februari 2021, NJ 2021/119 overwegingen gewijd aan de bijstand door opsporingsambtenaren, maar uit die uitspraak kan niet worden afgeleid dat opsporingsambtenaren de aangewezen partij zijn om de rechter-commissaris te ondersteunen.13. Anders dan in die door de Hoge Raad berechte zaak, gaat het in casu om meer dan duizend door [de Advocaat] behandelde dossiers in voor door de RC's ingeschakelde of in te schakelen opsporingsmedewerkers onbekende strafzaken, zaken waar deze medewerkers als opsporingsambtenaren of vanuit een andere opsporings-, inlichtingen-, vervolgings, of beleidsfunctie potentieel bij betrokken kunnen zijn, waardoor alle daarop betrekking hebben de data zich reeds bij het OM bevinden en waardoor onmogelijk kan zijn voldaan aan het vereiste dat het verschoningsrecht is gewaarborgd.
De mogelijkheid om bij het beoordelen van de geheimhoudersdata door de rechter-commissaris opsporingsambtenaren in te schakelen is niet gecodificeerd en mist wettelijke grondslag.14. Doordat de RC's voor de in het kader van het ‘Palma26’-onderzoek te verrichten schifting politie- en justitiemedewerkers toegang tot geheimhoudersgegevens reeds hebben gegeven en hun voornemen om die toegang uit te breiden, waarvoor een wettelijke basis ontbreekt, leidt dit tot een onrechtmatige inbreuk op het verschoningsrecht.15.
Het OM is geen onafhankelijke instantie (zelfs de wederpartij van [de Advocaat]16.). Dat volgt niet alleen uit de wet, maar ook uit rechtspraak van de HvJ EU17. en daarmee voor de medewerking aan voornoemde schifting ongeschikt. Sterker: het OM is bij uitstek de minst geschikte instantie voor de inventarisatie en het uitfilteringsproces in de beoordelingsfase van de art. 98 Sv-procedure.18. De vertrouwelijkheid van de bij de schifting verkregen informatie wordt aldus onvoldoende gewaarborgd.19. Kennisneming van die informatie is (het zij herhaald) wettelijk alleen toegestaan aan de rechter-commissaris.20. Het is in strijd met Europese regelgeving om zonder wettelijke basis de bevoegdheid die de wet aan de rechters-commissarissen geeft, te delegeren aan niet onafhankelijke politie- en justitieambtenaren.21. Voor zover er een mogelijkheid voor ondersteuning bij de uitvoering van de in art. 98 Sv bedoelde taak bestaat, is vereist dat het verschoningsrecht niet in het gedrang komt en moet de werkwijze zodanig zijn ingericht dat deze functionarissen geen kennis kunnen nemen van de verschoningsgerechtigde informatie.22. Aan die vereisten is in casu niet voldaan. Sterker: bedoelde werkzaamheden zijn, doordat zij uit handen zijn gegeven aan een partij die een eigen belang heeft, buiten het zicht van de RC's uitgevoerd.23. Deze wijze van uitvoering is een inbreuk op het verschoningsrecht, welk recht de art. 98 Sv-procedure nu juist dient te beschermen.24. Aldus is sprake van veronachtzaming van fundamentele rechtsbeginselen — zoals die van art. 6 en 13 EVRM — zodat niet alleen geen sprake is van een eerlijke behandeling als bedoeld in art. 6 EVRM, maar er ook reden is om het gesloten stelsel van rechtsmiddelen (zo daar in casu al een beroep op zou moeten worden gedaan, quod non: zie hiervóór) te doorbreken.25.
III
Gegrondbevinding van (één van) voornoemde middelonderdelen raakt ook rov. 4.8 van het bestreden arrest, dat dan evenmin in stand kan blijven. Los daarvan is rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk hetgeen het hof in rov. 4.8 heeft overwogen. De vorderingen van [de Advocaat] laten immers geen andere uitleg toe dan dat deze strekken tot bescherming van een materieel belang, namelijk haar verschoningsrecht. Advocaten hebben een eigen belang om bij schending van het verschoningsrecht (onder meer) een verbod op verdere schendingen te vorderen of de werkwijze met betrekking tot de selectie/filtering en beoordeling van mogelijke geheimhouders-gegevens (buiten de rechter-commissaris om) en de inschakeling van geheimhoudersofficieren en geheimhoudersmedewerkers ter toetsing aan de burgerlijke rechter voor te leggen. Het verschoningsrecht is een fundamenteel rechtsbeginsel, waarmee bij uitstek materiële belangen zijn gediend. Aan het verschoningsrecht ligt immers ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, in beginsel moet wijken voor het algemeen maatschappelijk belang dat eenieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking moeten kunnen wenden tot een verschoningsgerechtigde voor bijstand en advies. Het hof overweegt, dat in art. 98 Rv al een afweging is gemaakt tussen enerzijds het opsporingsbelang en anderzijds het met het verschoningsrecht gediende belangen, alsmede dat de in het kader van dat artikel uit te voeren schifting door de RC's daarop is gericht en mede ziet op bescherming van de belangen van de geheimhouder (de stukken waarvoor het verschoningsrecht onverkort geldt worden er tijdens het schiftingsproces uitgefilterd en vervolgens van het beslag uitgezonderd). Maar dat is de kern van het geschil niet. Waar het om gaat is26. dat die schifting plaatsvindt door niet-onafhankelijke personen of instanties, vertrouwelijkheid van de bij de schifting verkregen informatie onvoldoende is gewaarborgd en het in strijd met Europese regelgeving is om zonder wettelijke basis de bevoegdheid die de wet aan de rechters-commissarissen geeft, te delegeren aan niet onafhankelijke politie- en justitieambtenaren.27. En zoals het zelf in rov. 4.2 (met juistheid) heeft overwogen: de beslissing van de RC's over de manier van schifting heeft rechtskracht (zoals iedere beslissing van een rechter) en tegen deze beslissing an sich is door de wet geen direct rechtsmiddel in de ‘strafrechtkolom’ opengesteld, zodat er juist plaats is voor ingrijpen door de burgerlijke rechter, ook als de vorderingen van [de Advocaat] louter tot bescherming van haar processuele belang zou strekken (wat evident niet zo is).
IV
Gegrondbevinding van (één van) voornoemde middelonderdelen raakt ook de rov. 4.9, 4.10, 5.1, 6.1, 6.2 en het dictum van het bestreden arrest, die dan evenmin in stand kunnen blijven.
Voorbehoud
Op dit moment beschikt [de Advocaat] nog niet over het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof van 13 juli 2023. Zij behoudt zich het recht voor haar cassatieklachten aan te vullen of te wijzigen zodra zij over dat p-v beschikt.
Mitsdien:
het de Hoge Raad der Nederlanden behage te vernietigen het tussen partijen op 17 juli 2023 onder zaaknummer 200.328.851/01 door het Gerechtshof Den Haag gewezen arrest, met zodanige verdere voorziening als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
Rijswijk, 22 augustus 2023
Advocaat [A07813]
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 22‑08‑2023
De geheimhouder kan bij de raadkamer van de rechtbank een klaagschrift indienen tegen inbeslagname, maar met dit rechtsmiddel kan hij niet opkomen tegen de wijze waarop en door wie de schifting is verricht in het geval dat de rechter-commissaris op basis van die schifting heeft beslist dat inbeslagname niet is toegestaan. Verder kan de Advocaat wellicht op de voet van artikel 552a Sv bij de raadkamer klagen tegen kennisneming van de gegevens door de door de RC's ingeschakelde personen, maar hiermee kan de Advocaat niet steeds vooraf voorkomen dat die personen kennisnemen, zoals het hof in voetnoot met juistheid overweegt. Zie ook de pleitnota in hoger beroep sub 13.
Inleidende dagvaarding sub 32. Bovendien is de door de Staat gepretendeerde beklagmogelijkheid, in de woorden van A-G Frielink, illusoir. Het kwaad is dan immers al geschied. Zie pleitaantekeningen in hoger beroep sub 5.
Pleitnota in hoger beroep sub 21, met verwijzing naar HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, rov. 3.1.3: ‘Het hof heeft met juistheid geoordeeld dat het verschoningsrecht van de advocaat — dat van fundamenteel belang is voor een goede rechtsbedeling — mede geldt opdat hij zijn taak als advocaat naar behoren kan vervullen. Een advocaat kan dan ook ter zake van een schending van het verschoningsrecht vorderingen instellen, in het bijzonder op grond van onrechtmatige daad, zoals een vordering tot het uitspreken van een verklaring voor recht omtrent de omvang van de schending, tot een verbod op verdere schendingen en tot vergoeding van schade.’
Pleitnota in hoger beroep sub 22.
Pleitaantekeningen in hoger beroep sub 8.
Verwezen zij hier naar hier naar de reeds in feitelijke instanties genoemde internationale jurisprudentie, met name van het EU Hof van Justitie, dat juist ten aanzien van de hier geldende grondrechten tegen elk handelen/beslissen ten aanzien van potentiële beperkingen van die grondrechten, zoals het toelaten van het openbaar ministerie of medewerkers van justitie, die onder de minister van justitie en het openbaar ministerie in een ondergeschikte relatie staan, een kennelijke omissie in rechtsmiddelen bestaat in art 98 Sv en hoe dan ook een rechtsgang/rechtsmiddel mogelijk moet zijn ex art 13 EVRM.
Aldus letterlijk Hof Den Bosch 2 mei 2023, ECL:NL:GHSHE:2023:1329, rov. 3.6.1., met verwijzing naar HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066.
Vgl. EHRM 14 september 2010, nr. 38224/03, NJB 2010, 1986 (Sanoma/Nederland), rov. 93: ‘In the Netherlands, since the entry into force of Article 96a of the Code of Criminal Procedure this decision is entrusted to the public prosecutor rather than to an independent judge. Although the public prosecutor, like any public official, is bound by requirements of basic integrity, in terms of procedure he or she is a ‘party’ defending interests potentially incompatible with journalistic source protection and can hardly be seen as objective and impartial so as to make the necessary assessment of the various competing interests.’
O.a. HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3714, en HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:193.
Zie o.m. inleidende dagvaarding sub 70 e.v., appeldagvaarding sub 62 e.v.
Appeldagvaarding sub 28, 65 en 67.
Pleitnota eerste aanleg sub 23, appeldagvaarding sub 27, pleitaantekeningen in hoger beroep sub 34.
Pleitaantekeningen hoger beroep sub 36 en 37.
Inleidende dagvaarding sub 52, appeldagvaarding sub 30.
Appeldagvaarding sub 68 en 77.
Pleitnota eerste aanleg sub 30, Appeldagvaarding sub 73.
Inleidende dagvaarding sub 53, appeldagvaarding sub 31 en 32, pleitaantekeningen in hoger beroep sub 38 t/m 40, met verwijzing naar uitspraken van Europese rechtspraak.
Pleitnotities in hoger beroep sub 6, met aanhaling van T. Spranken, ‘Verschoningsrecht en ‘repressieve’ druk’, NJB 3 juli 2022, afl. 19, p. 1515, die spreekt van een fundamentele weeffout in het systeem, ‘waardoor het bloed toch steeds weer kruipt waar het niet gaan kan. Door de verantwoordelijkheid voor de vernietigingsplicht in handen van het OM te leggen, kunnen vertrouwelijke gegevens stelselmatig bij opsporingsinstanties bekend worden. (…) Weliswaar is er achteraf nog een rechterlijke toets, maar dan is het al te laat. De vertrouwelijke informatie heeft zijn weg dan al gevonden in het opsporingsonderzoek.’
Inleidende dagvaarding sub 70, appeldagvaarding sub 64.
Inleidende dagvaarding sub 71.
Inleidende dagvaarding sub 72, appeldagvaarding sub 66.
Inleidende dagvaarding sub 73.
Inleidende dagvaarding sub 77, appeldagvaarding sub 47 en 72, pleitaantekeningen in hoger beroep sub 20.
Pleitaantekeningen in hoger beroep sub 13, met verwijzing naar de wetsgeschiedenis.
Inleidende dagvaarding sub 32.
Zie ook pleitaantekeningen in hoger beroep sub 20.
Verwezen zij naar het voorgaande.