Op dezelfde dag concludeerde ik ook in de twee samenhangende zaken 24/00461 en 24/00463.
HR, 18-03-2025, nr. 24/00459 Bv
ECLI:NL:HR:2025:403
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-03-2025
- Zaaknummer
24/00459 Bv
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:403, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑03‑2025; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1389
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:222
ECLI:NL:PHR:2025:222, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑02‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:403
ECLI:NL:PHR:2024:1389, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑12‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:403
Beroepschrift, Hoge Raad, 29‑03‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0097
NJ 2025/258 met annotatie van P.A.M. Mevis
Uitspraak 18‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Beklag ex art. 552a Sv door (inmiddels overleden) advocaat na beslag op stukken en digitale gegevensdragers onder twee cliënten van klager, waarbij klager beroep doet op zijn verschoningsrecht, in zaak waarin politie van inhoud van gegevensdragers kopie heeft gemaakt, gegevensdragers vervolgens aan cliënten zijn teruggegeven en kopie (inclusief mogelijke geheimhoudersstukken) nog ter beschikking staat van opsporingsautoriteiten. 1. Is klaagschrift vervallen doordat klager (na beschikking van Rb) is overleden? 2. Kon Rb beklag n-o verklaren omdat gegevensdragers waren teruggegeven? 3. Verdere afdoening van zaak na terugwijzing als verschoningsgerechtigde tijdens beklagprocedure is overleden. Ad 1. In beginsel moet klaagschrift a.b.i. art. 552a Sv geacht worden door overlijden van klager te zijn vervallen (vgl. HR:2017:899). HR ziet aanleiding klaagschrift i.c. niet als vervallen te beschouwen omdat klager in hoedanigheid van advocaat beroep heeft gedaan op zijn verschoningsrecht n.a.v. inbeslagneming van gegevensdragers en voortzetting van klaagschriftprocedure in belang is van rechtzoekenden die zich om bijstand en advies tot klager als verschoningsgerechtigde hebben gewend (vgl. HR:1985:AC9066 en HR:2024:375). Ad 2. Rb heeft overwogen dat zij “binnen beperkte (wettelijke) mogelijkheden van onderhavige procedure” geen beslissing kan nemen “die aan alle te respecteren belangen recht doet” en heeft beklag n-o verklaard op enkele grond dat gegevensdragers zijn teruggegeven. Dat oordeel is niet begrijpelijk in het licht van eerder procesverloop, waaruit naar voren komt dat klaagschrift mede betrekking heeft op gebruik en kennisneming van (kopieën van) de gegevens op de grond dat deze object zijn van verschoningsrecht van klager. Dat gegevensdragers zijn teruggegeven doet daaraan niet af omdat klaagschrift ook betrekking heeft op kopieën die ter beschikking van opsporingsautoriteiten staan (vgl. HR:2020:369). Over die kennisneming en dat gebruik moet beslissing worden genomen met inachtneming van HR:2016:2537 over (overeenkomstige) toepassing van art. 125i en 98 Sv. Ad 3. Als verschoningsgerechtigde tijdens beklagprocedure is overleden, brengt maatschappelijk belang dat aan verschoningsrecht ten grondslag ligt met zich dat in beklagprocedure gezaghebbend vertegenwoordiger van beroepsgroep van verschoningsgerechtigde (zoals plaatselijk deken van Orde van Advocaten) in gelegenheid wordt gesteld zich uit te laten over verschoningsrecht m.b.t. betreffende stukken en gegevens i.v.m. bescherming van belangen van rechtzoekenden die zich om bijstand en advies tot verschoningsgerechtigde hebben gewend. Na terugwijzing wordt beklagprocedure voortgezet door deze vertegenwoordiger dan wel een door hem aangewezen beroepsgenoot. Rb kan klaagschrift n-o verklaren vanwege gebrek aan belang als (kopieën van) gegevens zijn vernietigd. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. CAG: anders. Samenhang met HR:2025:404 en HR:2025:405 (zaken van cliënten van klager).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00459 Bv
Datum 18 maart 2025
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 24 januari 2024, nummer RK 23/007682, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft bij conclusie van 17 december 2024 geconcludeerd tot verwerping van het beroep en bij aanvullende conclusie van 18 februari 2025 geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden beschikking zal vernietigen en zal verstaan dat het beklag is vervallen.
2. Overlijden van de klager
Volgens een aan de Hoge Raad overgelegd, door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [plaats] gewaarmerkt afschrift van een akte van de burgerlijke stand van die gemeente is de klager op 24 juni 2024 overleden. In beginsel moet een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) geacht worden door dat overlijden te zijn vervallen (vgl. HR 16 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:899). De Hoge Raad ziet echter aanleiding om het klaagschrift niet als vervallen te beschouwen. De klager heeft immers in zijn hoedanigheid van advocaat een beroep gedaan op zijn verschoningsrecht naar aanleiding van – kort gezegd – de inbeslagneming van gegevensdragers. De voortzetting van de klaagschriftprocedure is daarbij in het belang van de rechtzoekenden die zich in deze zaak om bijstand en advies tot de klager als verschoningsgerechtigde hebben gewend (vgl. over dit maatschappelijk belang dat aan het verschoningsrecht ten grondslag ligt, HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066, rechtsoverweging 3.1 en HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, rechtsoverweging 6.2.1). Dat betekent dat de Hoge Raad in dit concrete geval het voorgestelde cassatiemiddel zal beoordelen.
3. Beoordeling van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel keert zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank van het door de klager ingestelde beklag.
3.2.1
Het gaat in deze zaak om het volgende. Bij een doorzoeking van de woning van [klaagster 1] en [klaagster 2] , beiden cliënt van de klager, zijn op 2 juni 2016 stukken en digitale gegevensdragers inbeslaggenomen. De klager heeft daarop op 15 juni 2016 een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a lid 1 Sv ingediend. Bij beschikking van 21 juli 2016 heeft de rechtbank het beklag gegrond verklaard ten aanzien van een aantal als geheimhoudersinformatie aangemerkte stukken en de behandeling van het beklag aangehouden voor zover dat betrekking heeft op de digitale gegevensdragers. Bij de beschikking van 24 januari 2024 heeft de rechtbank het door de klager ingestelde beklag niet-ontvankelijk verklaard omdat de digitale gegevensdragers inmiddels aan de betreffende cliënten waren teruggegeven.
3.2.2
De beschikking van de rechtbank van 21 juli 2016 houdt wat betreft de digitale gegevensdragers in:
“Bij de doorzoeking zijn ook digitale gegevensdragers in beslag genomen. Deze bevinden zich in beheer bij de afdeling forensische digitale opsporing. Deze afdeling zal aan de hand van het forensische softwareprogramma Forensic Tool Kit een image maken van de data op basis waarvan geheimhoudersstukken automatisch kunnen worden gefilterd door middel van een geheimhouderslijst. Door het filteren ontstaan er twee databakken: één zonder geheimhouders en één met geheimhouders. De databak met geheimhouders is slechts toegankelijk door een aangewezen politiemedewerker geheimhouders, die buiten het onderzoeksteam werkzaam is. Deze medewerker maakt vervolgens proces-verbaal op van de aangetroffen geheimhoudersstukken.
Het uitlezen van alle datadragers zal naar verwachting enige weken vergen.
Voor zover het klaagschrift eveneens ziet op een last tot teruggave van deze digitale gegevensdragers, zal de rechtbank haar beslissing aanhouden in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek door de afdeling forensische digitale opsporing.
Beslissing
(...)
Houdt de beslissing met betrekking tot de in beslag genomen digitale gegevensdragers voor onbepaalde tijd aan in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek door de afdeling forensische digitale opsporing.”
3.2.3
Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op 10 januari 2024 houdt onder meer in:
“De voorzitter geeft een overzicht van het procesverloop van het klaagschrift en van het met dit klaagschrift samenhangende strafrechtelijke onderzoek Bobolink . De rechtbank heeft op 21 juli 2016 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld. De rechtbank heeft destijds het klaagschrift voor een deel gegrond verklaard en voor het overige de beslissing voor onbepaalde tijd aangehouden. De behandeling van het voornoemde klaagschrift wordt in openbare raadkamer voortgezet.
De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig de inhoud van een door hem overgelegde pleitnota, welke aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden beschouwd.
In aanvulling hierop merkt hij – zakelijk weergegeven – het volgende op:
Ik wil graag duidelijkheid krijgen over hetgeen met de inbeslaggenomen digitale gegevensdragers en de inhoud daarvan is gebeurd. Ik ben ervan overtuigd dat mijn correspondentie, en daarmee geheimhoudersstukken, bij de digitale recherche liggen. Er dient gekeken te worden hoe de inhoud van deze digitale gegevensdragers is gefilterd, dit is onbekend. Ten aanzien van de schriftelijke bescheiden is dit wel duidelijk geworden. Ik ben van mening dat onder verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris de digitale gegevensdragers gefilterd dienen te worden, zodat hierover een proces-verbaal kan worden opgemaakt, net zoals gedaan is ten aanzien van de schriftelijke bescheiden.
De voorzitter merkt op dat de oorspronkelijke inbeslaggenomen digitale gegevensdragers terug zijn gegeven aan klaagsters [klaagster 1] en [klaagster 2] . Daarmee rijst de vraag of het doel dat met de klaagschriften wordt nagestreefd nog kan worden bereikt. Evenzeer rijst de vraag hoeveel juridische ruimte de onderhavige procedure biedt voor de mogelijkheden die de raadsman oppert. De voorzitter merkt daarnaast op dat in het procesdossier van de strafzaak in ieder geval geen geheimhoudersstukken terecht zijn gekomen.
De officier van justitie voert het woord – zakelijk weergegeven – :
Ik heb geen kennis genomen van geheimhoudersstukken. Ik ben van mening dat de stellingen die de raadsman inneemt, beter passen bij de behandeling van de strafzaak in hoger beroep. Op dit moment loopt er een beklagprocedure op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering. In de klaagschriften van [klaagster 1] en [klaagster 2] is de kern van het verzoek de teruggave van de destijds inbeslaggenomen goederen. Deze goederen zijn echter in 2016/17 al teruggegeven aan klaagsters. Er is dus op dit moment geen belang meer bij de beklagprocedure. Ik ben dan ook van mening dat deze klaagschriften niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.
Op het klaagschrift van [klager] is op 21 juli 2016 al een beslissing genomen. In zoverre ben ik van mening dat ook dit klaagschrift dan ook niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.
De vraag of er zich mogelijk nog digitale kopieën van geheimhoudersstukken in de systemen van de politie bevinden kan ik nu niet beantwoorden. Ik ben van mening dat deze vraag niet past in de behandeling van de beklagprocedure, maar bij de behandeling van de hoofdzaak.
De raadsman voert het woord – zakelijk weergegeven –:
Ik ben het oneens met de stelling van de officier van justitie dat geen belang meer zou zijn bij de klaagschriften omdat de goederen al zijn teruggegeven aan klaagsters. Het belang gaat er juist om dat er zich geheimhoudersstukken bij de digitale recherche bevinden. We zijn op dit moment zeven jaar verder. Ik vind niet dat er gewacht kan worden op de uitkomst van de strafzaak in hoger beroep. Ik zou het zorgelijk vinden als de opsporingsautoriteiten kennis hebben genomen van de geheimhoudersstukken. De kopieën van de digitale stukken zouden kunnen worden teruggegeven.
De officier van justitie voert het woord – zakelijk weergegeven –:
Ik kan niets teruggeven. Het gaat om 3 TB aan gegevens die op een computerserver staan. Ik zou de gegevens op de server wel kunnen laten vernietigen, maar dit lijkt me met het oog op het lopende hoger beroep op dit moment geen verstandige beslissing.
De raadsman voert het woord – zakelijk weergegeven –:
Ik geloof best dat het veel werk kost om 3 TB aan digitale gegevens te filteren. Aan de andere kant is het zorgelijk dat er digitale gegevensdragers in beslag worden genomen, maar dat er niet voor kan worden gezorgd dat de geheimhoudersstukken eruit gefilterd worden.”
3.2.4
De beschikking van de rechtbank van 24 januari 2024 houdt onder meer in:
“Vast staat dat de digitale gegevensdragers die destijds bij de doorzoeking in beslag zijn genomen reeds aan de beslagene(n) zijn teruggegeven. Met het klaagschrift kan niet meer bereikt worden dan de feitelijke situatie thans is. Dat betekent dat het belang aan het klaagschrift is komen te ontvallen, en het beklag daarom niet-ontvankelijk is.
De rechtbank overweegt ten overvloede nog het volgende.
Niet in geding is dat de politie destijds van de inhoud van de inbeslaggenomen gegevensdragers een digitale kopie heeft gemaakt, die nog altijd ter beschikking staat van de opsporingsautoriteiten, inclusief mogelijke geheimhoudersstukken. De raadsman heeft daar terecht aandacht voor gevraagd, maar binnen de beperkte (wettelijke) mogelijkheden van de onderhavige procedure kan de rechtbank geen beslissing nemen die aan alle te respecteren belangen recht doet. De rechtbank wijst erop dat het de raadsman en het openbaar ministerie vrij staat om nadere afspraken te maken over het beperken of (tijdelijk) afsluiten van de toegang tot de bij de politie opgeslagen gegevens, al dan niet door tussenkomst van de deken. De rechtbank kan zich tevens voorstellen dat door de officier van justitie wordt toegezegd dat de betreffende gegevens worden vernietigd op het moment dat de onderliggende strafzaak (die zich thans in het stadium van hoger beroep bevindt) tot een onherroepelijke uitkomst heeft geleid.
Beslissing
De rechtbank verklaart klager niet-ontvankelijk in het beklag.”
3.3.1
De rechtbank heeft in haar beschikking van 21 juli 2016 de behandeling van het klaagschrift ten aanzien van de digitale gegevensdragers aangehouden met het doel om de afdeling forensische digitale opsporing een selectie te laten maken tussen gegevens die wel en die niet onder het verschoningsrecht van een geheimhouder kunnen vallen. Daarin ligt besloten dat de rechtbank het klaagschrift zo heeft uitgelegd dat het mede gericht is tegen het gebruik en de kennisneming van (kopieën van) de gegevens die zijn opgeslagen op die gegevensdragers.
3.3.2
In de beschikking van 24 januari 2024 heeft de rechtbank vastgesteld dat de politie van de inhoud van de inbeslaggenomen gegevensdragers een kopie heeft gemaakt, dat de gegevensdragers vervolgens zijn teruggegeven en dat de gemaakte kopie, inclusief mogelijke geheimhoudersstukken, nog altijd ter beschikking staat van de opsporingsautoriteiten. De rechtbank heeft overwogen dat zij “binnen de beperkte (wettelijke) mogelijkheden van de onderhavige procedure” geen beslissing kan nemen “die aan alle te respecteren belangen recht doet” en heeft het beklag niet-ontvankelijk verklaard op de enkele grond dat de gegevensdragers inmiddels zijn teruggegeven. Dat oordeel is niet begrijpelijk in het licht van het eerdere procesverloop, waaruit naar voren komt dat het klaagschrift mede betrekking heeft op het gebruik en de kennisneming van (kopieën van) de gegevens op de grond dat deze object zijn van het verschoningsrecht van de klager. Dat de gegevensdragers zijn teruggegeven doet daaraan niet af, omdat het klaagschrift ook betrekking heeft op de kopieën die van deze gegevensdragers zijn gemaakt en die ter beschikking van de opsporingsautoriteiten staan (vgl. HR 3 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:369). Dat betekent dat een beslissing moet worden genomen over die kennisneming en dat gebruik, met inachtneming van de beslissing van de Hoge Raad in zijn beschikking van 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2537 over de (overeenkomstige) toepassing van artikel 125i en 98 Sv.
3.4
Het cassatiemiddel is in zoverre terecht voorgesteld. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.
3.5
In verband met de verdere afdoening van deze zaak merkt de Hoge Raad nog het volgende op. In een geval als dit, waarin de verschoningsgerechtigde tijdens de beklagprocedure is overleden, brengt het onder 2 bedoelde maatschappelijk belang dat aan het verschoningsrecht ten grondslag ligt met zich, dat in de beklagprocedure een gezaghebbend vertegenwoordiger van de beroepsgroep van de verschoningsgerechtigde (zoals de plaatselijk deken van de Orde van Advocaten) in de gelegenheid wordt gesteld zich uit te laten over het verschoningsrecht met betrekking tot de betreffende stukken en gegevens in verband met de bescherming van belangen van rechtzoekenden die zich om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde hebben gewend. Na terugwijzing wordt de beklagprocedure voortgezet door deze vertegenwoordiger dan wel een door hem aangewezen beroepsgenoot.Verder kan de rechtbank het klaagschrift niet-ontvankelijk verklaren vanwege een gebrek aan belang als komt vast te staan dat de (kopieën van de) vastgelegde gegevens inmiddels zijn vernietigd.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank, maar uitsluitend wat betreft de beslissing van de rechtbank dat het klaagschrift niet-ontvankelijk is voor zover dat is gericht tegen het gebruik en de kennisneming van (kopieën van) de gegevens die zijn opgeslagen op de in het klaagschrift bedoelde gegevensdragers;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Noord-Nederland, opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt behandeld en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 maart 2025.
Conclusie 18‑02‑2025
Inhoudsindicatie
-
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00459 Bv
Zitting 18 februari 2025
AANVULLENDE CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de klager
1. Op 17 december 2024 heb ik een conclusie genomen in deze beklagzaak.1.In die conclusie adviseerde ik de Hoge Raad het cassatieberoep van de klager, een verschoningsgerechtigde advocaat, te verwerpen en de zaak af te doen met een op art. 81 RO gebaseerde overweging.
2. Inmiddels is uit een door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam gewaarmerkt ‘uittreksel uit een overlijdensakte’ van 13 februari 2025 gebleken dat de klager op 24 juni 2024 in die gemeente is overleden.
3. De wet bevat geen voorziening voor de verdere behandeling van een beklag ex art. 552a Sv na het overlijden van de klager.2.De Hoge Raad heeft echter uitgemaakt dat in een dergelijk geval het beklag moet worden geacht te zijn vervallen en de bestreden beschikking moet worden vernietigd.3.Het middel behoeft om die reden geen bespreking meer.4.
4. Op zichzelf ligt het voor de hand deze lijn ook in de onderhavige zaak te volgen. Desalniettemin heb ik mij de vraag gesteld of deze lijn ook is aangewezen in beklagzaken waarin het verschoningsrecht van de advocaat speelt. Het verschoningsrecht is immers een groot goed, waarvoor in de wet en de jurisprudentie bijzondere voorzieningen zijn getroffen ter waarborging van dit recht. Ik zie echter niet in waarom de bijzondere aard van het verschoningsrecht ertoe zou moeten leiden, dat wanneer de klager een verschoningsgerechtigde advocaat is en deze gedurende de beklagprocedure komt te overlijden, het functionele verschoningsrecht zou dwingen tot een andere afdoening dan de vernietiging van de bestreden beschikking en het verval van het beklag. Mij zijn ook geen voorbeelden bekend van zaken waarin de Hoge Raad om bijzondere redenen van deze lijn is afgeweken en anders heeft geoordeeld.
5. Ten overvloede merk ik nog op dat de vernietiging van de bestreden beschikking en het verval van het beklag in de onderhavige zaak geen gevolgen heeft voor de in het klaagschrift verzochte en kennelijk reeds in 2016/2017 gerealiseerde teruggave van schriftelijke geheimhouderstukken en digitale gegevensdragers aan de cliënt van de klager. Voor zover op de server van de opsporingsautoriteiten nog kopieën van die teruggegeven digitale gegevensdragers staan – met daarop onder het verschoningsrecht van de advocaat vallend materiaal –, dan is het aan een eventueel opvolgend advocaat om ook hierop actie te ondernemen. Afhankelijk van de stand van zaken in de strafzaak kan worden gedacht aan een nieuw, specifiek hierop gericht beklag ex art. 552a Sv in verband met art. 98 Sv5.of aan een civiele procedure.6.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden beschikking zal vernietigen en zal verstaan dat het beklag is vervallen.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 18‑02‑2025
Als ik het goed zie is dat in het wetsvoorstel voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering (kamerstukken 36327) evenmin het geval.
Vgl. HR 15 januari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC8700, DD 91.268; HR 2 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD2114, DD 99.229; HR 26 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8803 en HR 16 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:899, NJ 2017/223.
Aldus expliciet overwogen in HR 2 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD2114, DD 99.229, rov. 4 en HR 26 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8803, rov. 5.
Zie voor de voorwaarden HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, NJ 2023/149, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.5.1 tot en met 2.5.4.
Zie HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, NJ 2024/119, m.nt. H.B. Krans.
Conclusie 17‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Beklag ex art. 552a Sv tegen het uitblijven van een last tot teruggave van onder cliënten van klager (een verschoningsgerechtigde advocaat) in beslag genomen schriftelijke geheimhouderstukken en op digitale gegevensdragers staande geheimhouderstukken (te weten gegevensdragers met vertrouwelijke communicatie tussen klager en zijn cliënt in kader van strafzaak tegen cliënt). Aangezien de geheimhouderstukken en gegevensdragers reeds zijn teruggeven, heeft de rechtbank de klager terecht niet-ontvankelijk verklaard in het beklag. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. (Samenhang met 24/00461 en 24/00463).
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00459 Bv
Zitting 17 december 2024
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klager],
geboren in op [geboortedatum] 1969,
hierna: de klager
1. Het cassatieberoep
1.1
De rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, heeft bij beschikking van 24 januari 2024 de klager, zijnde een verschoningsgerechtigde advocaat, niet-ontvankelijk verklaard in zijn op grond van art. 552a Sv ingediende beklag tegen het uitblijven van een last tot teruggave van onder zijn cliënten in beslag genomen schriftelijke geheimhouderstukken en op digitale gegevensdragers staande geheimhouderstukken.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/00461 en 24/00463. In deze zaken concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 6 februari 2024 ingesteld namens de klager. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. In het middel wordt geklaagd over de beslissing van de rechtbank tot niet-ontvankelijkverklaring in het beklag.
1.4
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
2. Het processuele verloop van de zaak
2.1
Op 2 juni 2016 heeft met machtiging van de rechter-commissaris een doorzoeking van de woning van de cliënten van de klager plaatsgevonden. Bij die doorzoeking zijn onder andere geheimhouderstukken in beslag genomen, te weten gegevensdragers met daarop vertrouwelijke communicatie tussen de klager en zijn cliënten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in het kader van de strafzaak tegen [betrokkene 1]. Volgens het van de doorzoeking opgemaakte proces-verbaal heeft de hoofdbewoonster van de woning, [betrokkene 2] op een vraag van de rechter-commissaris geantwoord “dat er papieren en digitale correspondentie van/met een advocaat kunnen worden aangetroffen”. De bij de doorzoeking in beslag genomen voorwerpen zijn vermeld op de aan het proces-verbaal van de doorzoeking gehechte beslaglijst. Dat beslag is voor onderzoek overgedragen aan de opsporingsambtenaren. De klager heeft – zo wordt in het klaagschrift gesteld – op 3 juni 2016 aan zowel de rechter-commissaris als de officier van justitie bij brief/mailbericht laten weten dat er geheimhoudersstukken in beslag zijn genomen. De klager, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben op 15 juni 2016 ieder afzonderlijk een klaagschrift ingediend tegen het uitblijven van een last tot teruggave van de bij de doorzoeking in beslag genomen geheimhouderstukken.1.De rechtbank heeft op 21 juli 2016 de klaagschriften gegrond verklaard ten aanzien van een aantal schriftelijke bescheiden die als geheimhoudersstukken moeten worden aangemerkt. Voor wat betreft de digitale gegevensdragers, waarop zich eveneens mogelijk geheimhoudersstukken zouden bevinden, heeft de rechtbank de beslissing voor onbepaalde tijd aangehouden in afwachting van de uitkomsten van nader onderzoek door de afdeling forensische digitale opsporing. Uit het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op 10 januari 2024 blijkt dat deze digitale gegevensdragers inmiddels zijn teruggegeven aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. De rechtbank heeft in haar beschikkingen van 24 januari 2024 telkens geoordeeld dat door die teruggave niet meer bereikt kan worden “dan de feitelijke situatie thans is”, waardoor het belang aan het klaagschrift is komen te ontvallen en het beklag niet-ontvankelijk is.
3. Het middel
3.1
In het middel wordt geklaagd dat de beslissing van de rechtbank “tot niet-ontvankelijkverklaring in het beklag blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onvoldoende met redenen is omkleed en/of onbegrijpelijk is”, waardoor de beschikking aan nietigheid lijdt.
3.2
Het door de klager op 15 juni 2016 ingediende klaagschrift houdt het volgende in:
“1. (…).
2. Op 2 juni 2016 heeft er met machtiging van de rechter-commissaris mr. M.A.M. Wolters een doorzoeking van de woning van een tweetal cliënten ([betrokkene 1] en [betrokkene 2]) plaatsgevonden. Afschrift van het proces-verbaal van de doorzoeking d.d. 2 juni 2016, gedateerd op 8 juni 2016, wordt aangehecht.
3. Klager heeft aan zowel de rechter-commissaris als de officier van justitie bij brief/mailbericht d.d. 3 juni 2016 laten weten dat er bij de doorzoeking van de woning van [betrokkene 1]/[betrokkene 2] geheimhouderstukken in beslag zijn genomen. Het betreft de weergave van vertrouwelijke communicatie tussen klager en zijn cliënten in hun mobiele telefoons, in hun computer(s), in administratie en in ordners, waarin [betrokkene 1] de door haar raadsman aan haar overhandigde processtukken uit de strafzaak heeft gebundeld. Op deze processtukken bevinden zich aantekeningen van [betrokkene 1] bestemd voor klager ter voorbereiding op de regiezitting van dinsdag 14 juni a.s. en de behandeling van de strafzaak zelf. Meer specifiek betreft het de volgende in beslag genomen goederen met IBN-Code: (…).
4. Tijdens de doorzoeking, zo blijkt uit het proces-verbaal, is door de rechter-commissaris specifiek gevraagd naar de aanwezigheid van geheimhouderstukken. Daarop heeft [betrokkene 2] de rechter-commissaris laten weten: “dat er papieren en digitale correspondentie van/met een advocaat kunnen worden aangetroffen.”
5. [betrokkene 2] en [betrokkene 1] hebben tijdens de doorzoeking specifiek (enkele) goederen aangewezen waarin de geheimhouderstukken zich zouden bevinden.
6. Ten aanzien van de beslag op geheimhouderstukken dient gehandeld te worden zoals in art. 98, derde lid, Sv is bepaald. De beschikking van de rechter-commissaris zal aan de betrokken verschoningsgerechtigde moeten worden betekend, onder mededeling dat deze binnen veertien dagen tegen deze beschikking een klaagschrift kan indienen bij een in die mededeling aangeduid gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd en tevens dat niet tot kennisneming van de stukken wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag van de verschoningsgerechtigde is beslist.2.
7. In de onderhavige zaak is aan de rechter-commissaris aangegeven dat geheimhouderstukken kunnen worden aangetroffen. Desondanks heeft de rechter-commissaris, zoals blijkt uit het proces-verbaal, tijdens de doorzoeking de voorwerpen in beslag genomen en heeft hij het beslag voor onderzoek overgedragen aan de opsporingsambtenaren.
8. Voor het geval ervan moet worden uitgegaan dat de rechter-commissaris de inbeslagneming van voornoemde bescheiden, ten aanzien waarvan een geheimhouder de bevoegdheid tot verschoning kan uitoefenen, heeft toegestaan, wordt dit klaagschrift ingediend.
9. Klager stelt dat door de inbeslagneming van de hierboven vermelde goederen zijn verschoningsrecht is geschonden.
10. Dit klaagschrift wordt binnen de wettelijke termijn ingediend, zodat klager ontvankelijk is.
11. Klager beklaagt zich met name over het uitblijven van een last tot teruggave van de in beslag genomen goederen. Bij gelegenheid van de behandeling van dit klaagschrift zal klager zijn beklag nader motiveren.
Redenen waarom:
Klager uw rechtbank verzoekt het beklag gegrond te verklaren en het beslag, op die onder klaagster inbeslaggenomen stukken/goederen, waarvan is aangevoerd dat deze stukken onder het verschoningsrecht van klager vallen, op te heffen en de teruggave van deze inbeslaggenomen goederen te gelasten.”
3.3
Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op 10 januari 2024 houdt onder meer het volgende in:
“De voorzitter geeft een overzicht van het procesverloop van het klaagschrift en van het met dit klaagschrift samenhangende strafrechtelijke onderzoek Bobolink. De rechtbank heeft op 21 juli 2016 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld. De rechtbank heeft destijds het klaagschrift voor een deel gegrond verklaard en voor het overige de beslissing voor onbepaalde tijd aangehouden. De behandeling van het voornoemde klaagschrift wordt in openbare raadkamer voortgezet.
De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig de inhoud van een door hem overgelegde pleitnota, welke aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden beschouwd.
In aanvulling hierop merkt hij – zakelijk weergegeven – het volgende op:
Ik wil graag duidelijkheid krijgen over hetgeen met de inbeslaggenomen digitale gegevensdragers en de inhoud daarvan is gebeurd. Ik ben ervan overtuigd dat mijn correspondentie, en daarmee geheimhoudersstukken, bij de digitale recherche liggen. Er dient gekeken te worden hoe de inhoud van deze digitale gegevensdragers is gefilterd, dit is onbekend. Ten aanzien van de schriftelijke bescheiden is dit wel duidelijk geworden. Ik ben van mening dat onder verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris de digitale gegevensdragers gefilterd dienen te worden, zodat hierover een proces-verbaal kan worden opgemaakt, net zoals gedaan is ten aanzien van de schriftelijke bescheiden.
De voorzitter merkt op dat de oorspronkelijke inbeslaggenomen digitale gegevensdragers terug zijn gegeven aan klaagsters [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Daarmee rijst de vraag of het doel dat met de klaagschriften wordt nagestreefd nog kan worden bereikt. Evenzeer rijst de vraag hoeveel juridische ruimte de onderhavige procedure biedt voor de mogelijkheden die de raadsman oppert. De voorzitter merkt daarnaast op dat in het procesdossier van de strafzaak in ieder geval geen geheimhoudersstukken terecht zijn gekomen.
De officier van justitie voert het woord – zakelijk weergegeven – :
Ik heb geen kennis genomen van geheimhoudersstukken. Ik ben van mening dat de stellingen die de raadsman inneemt, beter passen bij de behandeling van de strafzaak in hoger beroep. Op dit moment loopt er een beklagprocedure op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering. In de klaagschriften van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] is de kern van het verzoek de teruggave van de destijds inbeslaggenomen goederen. Deze goederen zijn echter in 2016/17 al teruggegeven aan klaagsters. Er is dus op dit moment geen belang meer bij de beklagprocedure. Ik ben dan ook van mening dat deze klaagschriften niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.
Op het klaagschrift van [klager] is op 21 juli 2016 al een beslissing genomen. In zoverre ben ik van mening dat ook dit klaagschrift dan ook niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.
De vraag of er zich mogelijk nog digitale kopieën van geheimhoudersstukken in de systemen van de politie bevinden kan ik nu niet beantwoorden. Ik ben van mening dat deze vraag niet past in de behandeling van de beklagprocedure, maar bij de behandeling van de hoofdzaak.
De raadsman voert het woord – zakelijk weergegeven –:
Ik ben het oneens met de stelling van de officier van justitie dat geen belang meer zou zijn bij de klaagschriften omdat de goederen al zijn teruggegeven aan klaagsters. Het belang gaat er juist om dat er zich geheimhoudersstukken bij de digitale recherche bevinden. We zijn op dit moment zeven jaar verder. Ik vind niet dat er gewacht kan worden op de uitkomst van de strafzaak in hoger beroep. Ik zou het zorgelijk vinden als de opsporingsautoriteiten kennis hebben genomen van de geheimhoudersstukken. De kopieën van de digitale stukken zouden kunnen worden teruggegeven.
De officier van justitie voert het woord – zakelijk weergegeven –:
Ik kan niets teruggeven. Het gaat om 3 TB aan gegevens die op een computerserver staan. Ik zou de gegevens op de server wel kunnen laten vernietigen, maar dit lijkt me met het oog op het lopende hoger beroep op dit moment geen verstandige beslissing.
De raadsman voert het woord – zakelijk weergegeven –:
Ik geloof best dat het veel werk kost om 3 TB aan digitale gegevens te filteren. Aan de andere kant is het zorgelijk dat er digitale gegevensdragers in beslag worden genomen, maar dat er niet voor kan worden gezorgd dat de geheimhoudersstukken eruit gefilterd worden.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede dat op 24 januari 2024 een beslissing zal worden genomen op het klaagschrift.”
3.4
De door de raadsman tijdens de behandeling in raadkamer voorgedragen pleitnota houdt onder meer het volgende in:
“Bij de doorzoeking zijn schriftelijke bescheiden en digitale gegevensdragers in beslag genomen, waarvan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] direct (tijdens de doorzoeking) hebben aangegeven dat hierin geheimhoudersstukken aanwezig waren (zie pv 8 juni 2016, RC nr. 15/5392). Hiermee is door de politieambtenaren, noch door de dienstdoende RC iets gedaan. Ondanks dat bij de RC bekend was geworden dat er op de inbeslaggenomen goederen waarschijnlijk geheimhoudersstukken aanwezig waren, werden deze stukken meegenomen naar het politiebureau. De volgende dag heb ik mij tot de RC en de OvJ gewend en ik veronderstel de inhoud bij u bekend. Op mijn verzoek de juiste procedure te volgen kwam geen inhoudelijke reactie. Zoals ik de voorzitter van de rekestenkamer op 20 juli 2016 (per fax) heb laten weten is de indiening van de klaagschriften ingegeven door het uitblijven van een tijdige reactie van de RC (was de inbeslagneming van de geheimhoudersstukken nu wel of niet toegestaan).
Uw rechtbank heeft op 21 juli 2016 geoordeeld dat het klaagschrift gegrond is ten aanzien van een aantal met name genoemde stukken. Ten aanzien van de digitale gegevensdragers heeft de rechtbank (zie beschikkingen d.d. 21 juli 2016) het volgende overwogen: “Bij de doorzoeking zijn ook de digitale gegevensdragers in beslag genomen. Deze bevinden zich in beheer bij de afdeling forensische digitale opsporing. Deze afdeling zal aan de hand van het forensische softwareprogramma Forensic Tool Kit een image maken van de data op basis waarvan geheimhoudersstukken automatisch kunnen worden gefilterd door middel van een geheimhouderslijst. Door het filteren ontstaan er twee databakken: één zonder geheimhouders en één met geheimhouders. De databak met geheimhouders is slechts toegankelijk door een aangewezen politiemedewerker geheimhouders, die buiten het onderzoeksteam werkzaam is. Deze medewerker maakt vervolgens proces-verbaal op van de aangetroffen geheimhoudersstukken. Het uitlezen van alle datadragers zal naar verwachting enige weken vergen.”
De vraag rest dan ook nog immer of er op de digitale gegevensdragers geheimhoudersstukken zijn aangetroffen en, zo ja, op welke wijze deze zijn afgeschermd. Dat de digitale gegevensdragers zouden zijn teruggegeven is weinig relevant. Van de inhoud op deze gegevensdragers zijn immers door het onderzoeksteam kopieën gemaakt. Van belang is dat wordt vastgesteld of hierop geheimhoudersstukken staan en wat er verder met deze stukken is gebeurd (bewaard, vernietigd). De vraag aan u is of u bij de stukken een pv heeft gezien waarin staat dat de digitale gegevensdragers zijn beoordeeld (gefilterd) en dat hierbij wel of geen geheimhoudersstukken zijn aangetroffen. Zonder zo’n pv kunnen mijns inziens de onderhavige klaagschriften (ten aanzien van de inhoud op de digitale gegevensdragers) niet beoordeeld worden.
Mijn cliënte [betrokkene 1] en ik hebben in de periode voorafgaande aan de doorzoeking bijzonder veel met elkaar gemaild over de onderhavige strafzaak en de uitleveringsprocedure. Ik kan mij niet voorstellen dat deze correspondentie zich niet op de in beslag genomen digitale gegevensdragers bevindt. En het idee dat deze correspondentie nu ergens op een diskette bij de digitale recherche ligt, kan ik moeilijk verdragen. Het is daarom dat artikel 98 en 218 Sv en de bescherming van het verschoningsrecht van ondergetekende indachtig wordt vastgehouden aan het onderhavige verzoek uit 2016.”
3.5
De bestreden beschikking houdt het volgende in:
“Feiten
Op 2 juni 2016 heeft met machtiging van de rechter-commissaris een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van (de toenmalige partner van) de cliënt van klager. Bij de doorzoeking zijn schriftelijke bescheiden en digitale gegevensdragers in beslag genomen.
Klager heeft op 15 juni 2016 een klaagschrift doen indienen tegen het uitblijven van een last tot teruggave van de bij de doorzoeking in beslag genomen geheimhouderstukken.
Procedure
Het klaagschrift is op 15 juni 2016 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. De rechtbank heeft op 21 juli 2016 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld. De rechtbank heeft op 21 juli 2016 het klaagschrift gegrond verklaard ten aanzien van een aantal schriftelijke bescheiden die als geheimhoudersstukken moeten worden aangemerkt. Voor wat betreft de digitale gegevensdragers, waarop zich eveneens mogelijk geheimhoudersstukken zouden bevinden, heeft de rechtbank de beslissing voor onbepaalde tijd aangehouden in afwachting van de uitkomsten van nader onderzoek door de afdeling forensische digitale opsporing.
De rechtbank heeft – na aanhouding – op 10 januari 2024 de behandeling van het voornoemde klaagschrift in openbare raadkamer voortgezet. De rechtbank heeft klager en de officier van justitie op zitting gehoord.
Beoordeling
Vast staat dat de digitale gegevensdragers die destijds bij de doorzoeking in beslag zijn genomen reeds aan de beslagene(n) zijn teruggegeven. Met het klaagschrift kan niet meer bereikt worden dan de feitelijke situatie thans is. Dat betekent dat het belang aan het klaagschrift is komen te ontvallen, en het beklag daarom niet-ontvankelijk is.
De rechtbank overweegt ten overvloede nog het volgende.
Niet in geding is dat de politie destijds van de inhoud van de inbeslaggenomen gegevensdragers een digitale kopie heeft gemaakt, die nog altijd ter beschikking staat van de opsporingsautoriteiten, inclusief mogelijke geheimhoudersstukken. De raadsman heeft daar terecht aandacht voor gevraagd, maar binnen de beperkte (wettelijke) mogelijkheden van de onderhavige procedure kan de rechtbank geen beslissing nemen die aan alle te respecteren belangen recht doet. De rechtbank wijst erop dat het de raadsman en het openbaar ministerie vrij staat om nadere afspraken te maken over het beperken of (tijdelijk) afsluiten van de toegang tot de bij de politie opgeslagen gegevens, al dan niet door tussenkomst van de deken. De rechtbank kan zich tevens voorstellen dat door de officier van justitie wordt toegezegd dat de betreffende gegevens worden vernietigd op het moment dat de onderliggende strafzaak (die zich thans in het stadium van hoger beroep bevindt) tot een onherroepelijke uitkomst heeft geleid.
Beslissing
De rechtbank verklaart klager niet-ontvankelijk in het beklag.”
3.6
Art. 552a lid 1 Sv luidt, voor zover van belang:
“De belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over inbeslagneming, over het gebruik van in beslag genomen voorwerpen, over het uitblijven van een last tot teruggave, […] over de kennisneming of het gebruik van gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking of op vordering verstrekt, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk en vastgelegd bij een onderzoek in zodanig werk […].”
3.7
Art. 80quinquies Sr. luidt:
“Onder gegevens wordt verstaan iedere weergave van feiten, begrippen of instructies, op een overeengekomen wijze, geschikt voor overdracht, interpretatie of verwerking door personen of geautomatiseerde werken.”
3.8
Art. 80sexies Sr. luidt:
“Onder geautomatiseerd werk wordt verstaan een apparaat of groep van onderling verbonden of samenhangende apparaten, waarvan er één of meer op basis van een programma automatisch computergegevens verwerken.”
3.9
In de toelichting op het middel wordt het volgende naar voren gebracht:
“Uit het klaagschrift en de ter zitting overgelegde pleitnota blijkt voorts dat de beslagenen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] reeds ten tijde van de doorzoeking door de rechter-commissaris waarbij de in het klaagschrift vermelde voorwerpen in beslag zijn genomen hebben aangegeven dat zich in c.q. op de in beslag te nemen voorwerpen ook geheimhoudersstukken bevinden. Verder blijkt daaruit dat de raadsman zich de dag na de inbeslagneming tevergeefs tot de rechter-commissaris en de officier van justitie heeft gewend en heeft verzocht om de juiste procedure te volgen..”
3.10
Ik begrijp het cassatiemiddel zo dat in cassatie wordt geklaagd dat de rechtbank het inleidend klaagschrift te beperkt heeft opgevat. De rechtbank heeft volgens de steller van het middel het klaagschrift ten onrechte niet ook zo begrepen dat het mede betrekking heeft op de uitoefening van het verschoningsrecht van de klager met betrekking tot de zich onder de inbeslaggenomen voorwerpen bevindende geheimhoudersgegevens.3.
3.11
Ik stel voorop dat de uitleg van een klaagschrift is voorbehouden aan de beklagrechter. Zijn oordeel – steunend op een aan hem voorbehouden uitleg van de gedingstukken – kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.4.
3.12
In het klaagschrift is door de klager aangevoerd:
I. dat aan de rechter-commissaris is aangegeven dat geheimhoudersstukken kunnen worden aangetroffen maar dat de rechter-commissaris desondanks tijdens de doorzoeking de voorwerpen in beslag heeft genomen en het beslag voor onderzoek heeft overgedragen aan de opsporingsambtenaren;
II. dat het klaagschrift wordt ingediend voor het geval ervan moet worden uitgegaan dat de rechter-commissaris de inbeslagneming van bescheiden, ten aanzien waarvan een geheimhouder de bevoegdheid tot verschoning kan uitoefenen, heeft toegestaan;
III. dat het verschoningsrecht van de klager is geschonden door de inbeslagname van de betreffende goederen;
IV. dat de klager zich met name beklaagt over het uitblijven van een last tot teruggave van de in beslag genomen goederen, en
V. dat de rechtbank wordt verzocht het beklag gegrond te verklaren en het beslag op de cliënten van de klager inbeslaggenomen stukken/goederen, waarvan is aangevoerd dat deze stukken onder het (afgeleide) verschoningsrecht van de klager vallen, op te heffen en de teruggave van deze inbeslaggenomen goederen te gelasten.
Daarnaast is tijdens de behandeling in raadkamer op 10 januari 2024 door de klager verder nog aangevoerd dat hij graag duidelijkheid wil over hetgeen met de inbeslaggenomen digitale gegevensdragers en de inhoud daarvan is gebeurd, dat hij ervan overtuigd is dat de geheimhoudersstukken bij de digitale recherche liggen en dat de digitale gegevensdragers onder verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris gefilterd dienen te worden, zodat hierover een proces-verbaal kan worden opgemaakt en dat de kopieën van de digitale stukken zouden kunnen worden teruggegeven. Hij heeft verder opgemerkt dat de omstandigheid dat de digitale gegevensdragers zouden zijn teruggegeven weinig relevant is, omdat van de inhoud op deze gegevensdragers door het onderzoeksteam kopieën zijn gemaakt. De voorzitter heeft opgemerkt dat de oorspronkelijke inbeslaggenomen digitale gegevensdragers zijn teruggegeven aan de klaagsters [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en dat daarmee de vraag rijst of het doel dat met de klaagschriften wordt nagestreefd nog kan worden bereikt, en dat evenzeer de vraag rijst hoeveel juridische ruimte de onderhavige procedure biedt voor de mogelijkheden die de raadsman oppert.
3.13
In haar beschikking heeft de rechtbank overwogen dat de klager een klaagschrift heeft doen indienen “tegen het uitblijven van een last tot teruggave van de bij de doorzoeking in beslag genomen geheimhoudersstukken”. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat de digitale gegevensdragers reeds aan de beslagene(n) zijn teruggegeven. De rechtbank heeft daarop geoordeeld dat met het klaagschrift niet meer kan worden bereikt dan de feitelijke situatie thans is, hetgeen betekent dat het belang aan het klaagschrift is komen te ontvallen en het beklag daarom niet-ontvankelijk is. De rechtbank heeft ten slotte “ten overvloede” een opmerking gemaakt over de omstandigheid dat de raadsman “aandacht heeft gevraagd” voor de digitale kopieën die de politie destijds van de in beslag genomen gegevensdragers heeft gemaakt en die nog altijd ter beschikking staan van de opsporingsautoriteiten, inclusief mogelijke geheimhoudersstukken.
3.14
De rechtbank heeft het klaagschrift kennelijk aldus opgevat dat het zich alleen richt op de teruggave van de bij de doorzoeking in beslag genomen schriftelijke en digitale geheimhoudersstukken en niet ook op een verbod op kennisneming of gebruikmaking van de inhoud van deze stukken. Dat oordeel, dat is gebaseerd op de aan de rechtbank voorbehouden uitleg van de gedingstukken, is gelet op de inhoud van het klaagschrift niet onbegrijpelijk.5.Weliswaar wordt daarin gesteld dat het verschoningsrecht van de klager is geschonden, maar in essentie wordt vooral geklaagd over de inbeslagname op zichzelf. Niet wordt geklaagd over het door opsporingsambtenaren kennis kunnen nemen van de geheimhouderstukken en dat een verbod tot kennisneming van deze stukken aan de orde zou moeten zijn. Het middel faalt in zoverre.
3.15
Voor het geval het middel en de daarop gegeven toelichting zo moet worden begrepen dat het kennelijke oordeel van de rechtbank, dat hetgeen de raadsman tijdens de behandeling van het klaagschrift naar voren heeft gebracht over het gebruik dan wel kennisneming van de geheimhoudersstukken door de politie, niet als een toegestane uitbreiding van het klaagschrift moet worden beschouwd, onbegrijpelijk is en van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, merk ik het volgende op.
3.16
Een beklag als bedoeld in art. 552a Sv moet, zoals die bepaling ook voorschrijft, schriftelijk worden gedaan. De wet kent niet de mogelijkheid een verzoek om teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp mondeling te doen; in een dergelijk beklag kan de klager niet worden ontvangen.6.Een ingediend beklag kan evenmin per e-mail of ter gelegenheid van de behandeling in raadkamer worden gewijzigd dan wel uitgebreid tot voorwerpen waarop het ingediende klaagschrift geen betrekking heeft.7.Als een klager het beklag als bedoeld in artikel 552a Sv wil uitbreiden tot voorwerpen waarop het ingediende klaagschrift geen betrekking heeft, dan dient hij daartoe een nieuw klaagschrift in te dienen.8.De wet bevat evenmin de mogelijkheid mondeling een verzoek te doen over het niet gebruiken of het niet kennisnemen van in beslag genomen documenten of gegevens. Dit alles in ogenschouw nemend, meen ik dat in een aanhangige beklagprocedure het beklag niet kan worden uitgebreid tot een beklag over de kennisneming of het gebruik van gegevens, opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk en vastgelegd bij een onderzoek in zodanig werk als bedoeld in art. 552a Sv lid 1 Sv.
3.17
Gelet op het voorgaande getuigt het in de beschikking besloten liggende oordeel van de rechtbank dat hetgeen de raadsman tijdens de behandeling van het klaagschrift naar voren heeft gebracht over het gebruik dan wel kennisneming van de geheimhoudersstukken door de politie, niet als een toegestane uitbreiding van het klaagschrift moet worden beschouwd, niet van een onjuiste rechtsopvatting en dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk. Gelet daarop én gelet op de vaststelling van de rechtbank dat de in beslag genomen geheimhouderstukken en gegevensdragers met mogelijk digitale geheimhouderstukken reeds zijn teruggeven, heeft de rechtbank de klager terecht niet-ontvankelijk verklaard in het beklag. Het middel faalt dus ook in zoverre.
3.18
De in de toelichting op het middel weergegeven klacht dat de rechtbank “alsdan de behandeling van het klaagschrift had moeten aanhouden en de stukken in handen van de rechter-commissaris had moeten stellen om, na het doorlopen van de van toepassing zijnde procedure, alsnog een beschikking zoals bedoeld in artikel 98 Sv te geven”, behoeft dan ook geen bespreking.
3.19
Het middel faalt.
4. Slotsom
4.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO gebaseerde overweging.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 17‑12‑2024
Zie ook de samenhangende zaken 24/00461 en 24/00463.
Voetnoot in klaagschrift: “ECLI:NL:HR:2015:3076, onder 2.5.1 en 2.5.2”.
Saillant is dat na de raadkamerzitting van 21 juli 2016 het OM kennelijk geen vervolg heeft gegeven aan de reden van de aanhouding en de verdediging dat kennelijk ook op zijn beloop heeft gelaten. Dat is althans het beeld dat rijst uit de in cassatie beschikbare stukken en dat beeld doet iets met de waardering van het belang van de klager bij een behandeling in cassatie.
HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:655, rov. 2.3 en HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:497, NJ 2022/180, rov. 2.3.1.
Vgl. HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:497, NJ 2022/180, rov. 2.3.1.
Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010, NJ 2010/654 m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.3, HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2003, NJ 2019/215, m.nt. Reijntjes, rov. 2.3., HR 7 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1533, NJ 2004/593 rov. 3.3 en HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8768, rov. 2.4.
Vgl. HR 25 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2644, rov. 3.3, HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2003, NJ 2019/215, m.nt. J.M. Reijntjes, rov. 2.2 en HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:497, NJ 2022/180, rov. 2.3.2.
Vgl. HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:497, NJ 2022/180, rov. 2.5.
Beroepschrift 29‑03‑2024
De Hoge Raad der Nederlanden
Griffienummer: S 24/00459 Bv
SCHRIFTUUR VAN CASSATIE
in de zaak van [klager] (advocaat), verzoeker van cassatie van een hem betreffende uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 24 januari 2024 met raadkamernummer RK 23/007682, alsmede de in die zaak genomen tussenbeslissingen.
Verzoeker van cassatie dient hierbij het navolgende middel in:
Middel:
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, dan wel verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder betreft dit artikel 8 EVRM en de artikelen 98 en 552a Sv, doordat de beslissing van de rechtbank tot niet-ontvankelijk verklaring in het beklag blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onvoldoende met redenen is omkleed en/of onbegrijpelijk is. De beschikking lijdt daardoor aan nietigheid.
Toelichting:
Inleiding:
1.
Door klager, verschoningsgerechtigde, is op 14 juni 2016 een klaagschrift ingediend. Dit klaagschrift het volgende in:
‘KLAAGSCHRIFT INGEVOLGE ART. 552A WETBOEK VAN STRAFVORDERING
- 1.
Mr. [klager], advocaat te [a-plaats], hierna te noemen: klager, geboren op [geboortedatum] 1969, woonplaats kiezende aan de [adres] ([postcode]) te [woonplaats].
- 2.
Op 2 juni 2016 heeft er met machtiging van de rechter-commissaris mr. M .A. M . Wolters een doorzoeking van de woning van een tweetal cliënten (mevrouw [klaagster 1] en mevrouw [klaagster 2]) van klager plaatsgevonden. Afschrift van het proces-verbaal van de doorzoeking d.d. 2 juni 2016, gedateerd op 8 juni 2016, wordt aangehecht.
- 3.
klager heeft aan zowel de rechter-commissaris als de officier van justitie bij brief/mailbericht d.d. 3 juni 2016 laten weten dat er bij de doorzoeking van de woning van [klaagster 1]/[klaagster 2] geheimhouderstukken in beslag zijn genomen. Het betreft de weergave van vertrouwelijke communicatie tussen klager en zijn cliënten in hun mobiele telefoons, in hun computer(s), in administratie en in ordners, waarin [klaagster 1] de door haar raadsman aan haar overhandigde processtukken uit de strafzaak heeft gebundeld. Op deze processtukken bevinden zich aantekeningen van [klaagster 1] bestemd voor klager ter voorbereiding op de regiezitting van dinsdag 14 juni a.s. en de behandeling van de strafzaak zelf. Meer specifiek betreft het de volgende in beslag genomen goederen met IBN-Code:
A.01.01.01 iPhone, zilverkleur
A.01.01.02 iPhone, zilverkleurig
A.01.01.05 Zwarte schrijfmap met diverse aantekeningen
A.01.02.01 Laptop HP
A.02.01.01 Externe harde schijf, My Book
A.02.01.02 Externe harde schijf WD
A.03.01.01 iPhone, goudkleurig
A.03.02.01 Zwart/witte doos met hierin diverse administratie
A.03.02.02 2 dvd's ‘Immigration’ en ‘[klaagster 1].pdf’
A.03.03.01 diverse administratie
A.03.04.01 diverse administratie
A.04.01.01 iPad in rode boes
A.04.01.02 Map: Zaaksdossier
A.04.02.03 diverse simkaarten in plastic zak
A.04.03.01 grijze ordner A t/ m O
A.04.03.02 grijze ordner P t/ m Z
A.04.03.05 diverse administratie in lichtgele map
A.04.03.17 handgeschreven manuscript
A.04.03.18 diverse administratie
A.04.03.19 diverse administratie
A.04.04.01 laptop in witte boes
A.05.01.15 rood notitieboek met diverse e-mailadressen, pass words en wachtwoorden
A.05.01.18 laptop HP en externe harddisk in zwarte laptoptas (met daarin volgens klaagster nog een externe harddisk).
- 4.
Tijdens de doorzoeking, zo blijkt uit het proces-verbaal, is door de rechter-commissaris specifiek gevraagd naar de aanwezigheid van geheimhouderstukken. Daarop heeft mevrouw [klaagster 2] de rechter-commissaris laten weten: ‘dat er papieren en digitale correspondentie van/met een advocaat kunnen worden aangetroffen.’
- 5.
Mevrouw [klaagster 2] en mevrouw [klaagster 1] hebben tijdens de doorzoeking specifiek (enkele) goederen aangewezen waarin de geheimhouderstukken zich zouden bevinden.
- 6.
Ten aanzien van de beslag op geheimhouderstukken dient gehandeld te worden zoals in art. 98, derde lid, Sv is bepaald. De beschikking van de rechter-commissaris zal aan de betrokken verschoningsgerechtigde moeten worden betekend, onder mededeling dat deze binnen veertien dagen tegen deze beschikking een klaagschrift kan indienen bij een in die mededeling aangeduid gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd en tevens dat niet tot kennisneming van de stukken wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag van de verschoningsgerechtigde is beslist.1.
- 7.
In de onderhavige zaak is aan de rechter-commissaris aangegeven dat geheimhouderstukken kunnen worden aangetroffen. Desondanks heeft de rechter-commissaris, zoals blijkt uit het proces-verbaal, tijdens de doorzoeking de voorwerpen in beslag genomen en heeft hij het beslag voor onderzoek overgedragen aan de opsporingsambtenaren.
- 8.
Voor het geval ervan moet worden uitgegaan dat de rechter-commissaris de inbeslagneming van voornoemde bescheiden, ten aanzien waarvan een geheimhouder de bevoegdheid tot verschoning kan uitoefenen, heeft toegestaan, wordt dit klaagschrift ingediend.
- 9.
Klager stelt dat door de inbeslagneming van de hierboven vermelde goederen zijn verschoningsrecht is geschonden.
- 10.
Dit klaagschrift wordt binnen de wettelijke termijn ingediend, zodat klager ontvankelijk is.
- 11.
Klager beklaagt zich met name over het uitblijven van een last tot teruggave van de in beslag genomen goederen. Bij gelegenheid van de behandeling van dit klaagschrift zal klager zijn beklag nader motiveren.
Redenen waarom:
Klager uw rechtbank verzoekt het beklag gegrond te verklaren en het beslag, op die inbeslaggenomen stukken/goederen, waarvan is aangevoerd dat deze stukken onder het verschoningsrecht van klager vallen, op te beffen en de teruggave van deze inbeslaggenomen goederen te gelasten.'
2.
Uit het proces-verbaal van de zitting van 10 januari 2024 bij de rechtbank volgt dat de rechtbank het klaagschrift op een eerdere zitting, te weten 21 juli 2016, heeft behandeld, vervolgens het klaagschrift deels gegrond heeft verklaard en voor het overige de beslissing voor onbepaalde tijd heeft aangehouden.1.
3.
Voorts blijkt uit dat proces-verbaal dat de raadsman onder meer het volgende heeft aangevoerd:
‘De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig de inhoud van een door hem overgelegde pleitnota, welke aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden beschouwd.
In aanvulling hierop merkt hij — zakelijk weergegeven- het volgende op:
Ik wil graag duidelijkheid krijgen over hetgeen met de inbeslaggenomen digitale gegevensdragers en de inhoud daarvan is gebeurd. Ik ben ervan overtuigd dat mijn correspondentie, en daarmee geheimhoudersstukken, bij de digitale recherche liggen. Er dient gekeken te worden hoe de inhoud van deze digitale gegevensdragers is gefilterd, dit is onbekend. Ten aanzien van de schriftelijke bescheiden is dit wel duidelijk geworden. Ik ben van mening dat onder verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris de digitale gegevensdragers gefilterd dienen te worden, zodat hierover een proces-verbaal kan worden opgemaakt, net zoals gedaan is ten aanzien van de schriftelijke bescheiden.’
4.
De voorzitter merkt hierna blijkens het proces-verbaal op dat de oorspronkelijke inbeslaggenomen digitale gegevensdragers terug zijn gegeven aan de klaagsters [klaagster 1] en [klaagster 2]. Daarmee rijst, aldus de voorzitter, de vraag of het doel dat met de klaagschriften wordt nagestreefd nog kan worden bereikt. Verder merkt hij op dat evenzeer de vraag rijst hoeveel juridische ruimte de onderhavige procedure biedt voor de mogelijkheden die de raadsman oppert.
5.
De rechtbank verklaart vervolgens in het verlengde daarvan bij beschikking van 24 januari 2024 het beklag niet ontvankelijk. Daartoe overweegt zij:
‘Vast staat dat de digitale gegevensdragers die destijds bij de doorzoeking in beslag zijn genomen reeds aan de beslagene(n) zijn teruggegeven. Met het klaagschrift kan niet meer bereikt worden dan de feitelijke situatie thans is. Dat betekent dat het belang aan het klaagschrift is komen te ontvallen, en het beklag daarom niet-ontvankelijk is.
De rechtbank overweegt ten overvloede nog het volgende.
Niet in geding is dat de politie destijds van de inhoud van de inbeslaggenomen gegevensdragers een digitale kopie heeft gemaakt, die nog altijd ter beschikking staat van de opsporingsautoriteiten, inclusief mogelijke geheimhoudersstukken. De raadsman heeft daar terecht aandacht voor gevraagd, maar binnen de beperkte (wettelijke) mogelijkheden van de onderhavige procedure kan de rechtbank geen beslissing nemen die aan alle te respecteren belangen recht doet. De rechtbank wijst erop dat het de raadsman en het openbaar ministerie vrij staat om nadere afspraken te maken over het beperken of (tijdelijk) afsluiten van de toegang tot de bij de politie opgeslagen gegevens, al dan niet door tussenkomst van de deken.
De rechtbank kan zich tevens voorstellen dat door de officier van justitie wordt toegezegd dat de betreffende gegevens worden vernietigd op het moment dat de onderliggende strafzaak (die zich thans in het stadium van hoger beroep bevindt) tot een onherroepelijke uitkomst heeft geleid.’
Juridisch kader:
6.
Hoewel het klaagschrift in de aanhef alleen vermeldt dat het een beklag ex art. 552a Sv betreft, moet er in de onderhavige zaak vanuit worden gaan dat het betrekking heeft op het bepaalde in art. 98 Sv lid 3 en lid 4 Sv in verbinding met art. 552a Sv. Dit volgt uit de vermelding onder 8. van het klaagschrift dat het betrekking heeft op de beslissing van de rechter-commissaris waarbij de inbeslagneming is toegestaan, welke formulering overeenkomt met het bepaalde in art. 98 lid 3 Sv, het uit het klaagschrift naar voren komende belang van verzoeker bij het beklag, te weten het zijn van verschoningsgerechtigde ten aanzien van (de inhoud van) de inbeslaggenomen voorwerpen en gegevensdragers als weergegeven in het klaagschrift onder 4 t/ m 9 en uit het schriftelijk pleidooi dat is overgelegd op de zitting van 10 januari 2024 waarin uitdrukkelijk een beroep wordt gedaan op de artikelen 98 en 218 Sv.
7.
Verzoeker moet aldus geacht worden ex art. 98 lid 4 Sv op te komen tegen de inbeslagneming door de rechter-commissaris van geheimhoudersstukken die zich onder de kopieën van de bij de doorzoeking op 2 juni 2016 inbeslaggenomen voorwerpen bevinden en/of tegen (het voornemen van de rechter-commissaris om over te gaan tot) het ter kennis brengen van de inhoud van de inbeslaggenomen voorwerpen, waaronder die geheimhoudersstukken, aan de opsporingsautoreiten.2.
8.
Dit brengt mee dat het bepaalde in de artikelen 98 lid 3 en lid 4 Sv en het juridisch kader zoals dat is neergelegd in HR 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2636, HR 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1092 en 1107, HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3076, HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2783, HR 19 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1268 en HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375 van toepassing is.
Toepassing:
9.
Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat de inbeslaggenomen voorwerpen zelf inmiddels zijn teruggegeven, maar ook dat de op de digitale gegevensdragers staande gegevens zijn gekopieerd en zich bij de afdeling forensische opsporing van de politie bevinden. Daarbij gaat het om, volgens de officier van justitie, ‘3 TB aan gegevens die op een computerserver staan.’3.
10.
Uit de overwegingen in het kader van de eerdere beslissing van de rechtbank van 21 juli 2016 blijkt wat er met de gekopieerde gegevens zou moeten gebeuren:4.
‘Deze bevinden zich in beheer bij de afdeling forensische digitale opsporing bevinden. Deze afdeling zal aan de hand van het forensische softwareprogramma Forensic Tool Kit een image maken van de data op basis waarvan geheimhoudersstukken automatisch kunnen worden gefilterd door middel van een geheimhouderslijst. Door het filteren ontstaan er twee databakken: één zonder geheimhouders en één met geheimhouders. De databak met geheimhouders is slechts toegankelijk door een aangewezen politiemedewerker geheimhouders, die buiten het onderzoeksteam werkzaam is. Deze medewerker maakt vervolgens proces-verbaal op van de aangetroffen geheimhoudersstukken. Het uitlezen van alle datadragers zal naar verwachting enige weken vergen.’
11.
Uit het klaagschrift en de ter zitting overgelegde pleitnota blijkt voorts dat de beslagenen [klaagster 1] en [klaagster 2] reeds ten tijde van de doorzoeking door de rechter-commissaris waarbij de in het klaagschrift vermelde voorwerpen in beslag zijn genomen hebben aangegeven dat zich in c.q. op de in beslag te nemen voorwerpen ook geheimhoudersstukken bevinden. Verder blijkt daaruit dat de raadsman zich de dag na de inbeslagneming tevergeefs tot de rechter-commissaris en de officier van justitie heeft gewend en hen heeft verzocht om de juiste procedure te volgen.
12.
Uit een en ander volgt dat de in art. 98 lid 2 en 3 Sv voorgeschreven procedure bij inbeslagneming van voorwerpen waarin/waarop zich geheimhoudersgegevens bevinden en het toepasselijke juridisch kader in deze niet is nageleefd: zo kan niet blijken dat de rechter-commissaris heeft beslist dat inbeslagneming van de geheimhoudersstukken is toegestaan en/of heeft de rechter-commissaris die beslissing tot inbeslagneming niet aan verzoeker betekend en/of is aan verzoeker door de rechter-commissaris niet medegedeeld dat tegen zijn beslissing tot inbeslagneming beklag open staat bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd.
13.
De rechter-commissaris heeft evenmin beslist dat niet tot kennisneming wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag is beslist. Integendeel: de voorwerpen blijken te zijn overgedragen aan opsporingsambtenaren waarbij kennelijk is toegestaan dat een politiemedewerker kennis neemt van de ‘databak geheimhouders’ en van de daarin aangetroffen geheimhoudersstukken vervolgens proces-verbaal opmaakt. Uit onder meer HR 19 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1268, r.o. 5.2.1. en 5.2.2. en HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, r.o. 6.5.4. — 6.5.5. volgt dat een dergelijke handelwijze niet is toelaatbaar is. Zoals in laatstgenoemde uitspraak is overwogen, kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is geweest — ook al heeft dit geen specifieke uitwerking in die wettelijke regeling gekregen — dat de rechter-commissaris een centrale rol heeft bij de selectie van de geprivilegieerde gegevens als dat nodig is om het verschoningsrecht van geheimhouders te waarborgen.
14.
Reeds vanwege het feit dat de kopieën die van de digitale gegevensdragers zijn gemaakt zich, met inbegrip van de geheimhoudersgegevens, ten tijde van de beoordeling van het klaagschrift en op het moment van indiening van deze cassatieschriftuur zich bevinden bij (de afdeling forensische opsporing van) de politie en het nog steeds de bedoeling is dat daarvan door hen en/of anderen dan de rechter-commissaris kennis wordt genomen, heeft verzoeker belang bij een beoordeling van het beklag.
15.
In zoverre de rechter-commissaris voorts geacht moet worden nog niet ex art. 98 Sv te hebben beslist dat inbeslagneming van meer in het bijzonder die geheimhouderstukken is toegestaan en/of dat niet tot kennisneming wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag is beslist, bestaat bij het beklag eveneens belang nu de rechtbank alsdan de behandeling van het klaagschrift had moeten aanhouden en de stukken in handen van de rechter-commissaris had moeten stellen om, na het doorlopen van de van toepassing zijnde procedure, alsnog een beschikking zoals bedoeld in artikel 98 Sv te geven.5.
16.
Het voorgaande brengt mee dat de beslissing van de rechtbank tot niet-ontvankelijk verklaring van het beklag met als motivering dat het belang aan het klaagschrift is komen te ontvallen door het feit dat de digitale gegevensdragers die destijds bij de doorzoeking in beslag zijn genomen reeds aan de beslagene(n) zijn teruggegeven en met het klaagschrift ‘(…) niet meer bereikt (kan) worden dan de feitelijke situatie thans is’, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onvoldoende met redenen is omkleed en/of onbegrijpelijk is. Die beslissing lijdt daardoor aan nietigheid.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, aldaar kantoorhoudende aan de Amstel 326, 1017 AR Amsterdam, die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker van cassatie.
Amsterdam, 29 maart 2024
J. Kuijper
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 29‑03‑2024
ECLI:NL:HR:2015:3076, onder 2.5.1 en 2.5.2
Op 28 maart 2024 is door ondergetekende de strafgriffie van de Hoge Raad verzocht het proces-verbaal van die zitting en de daar genomen beslissing ook in het digitaal portaal te plaatsen. Ten tijde van de indiening van deze cassatieschriftuur is dat nog niet gebeurd. Mocht plaatsing alsnog geschieden en/of blijken dat de opgevraagde processtukken niet beschikbaar zijn dan zal in het geval daartoe aanleiding bestaat de onderhavige schriftuur worden aangevuld.
Vgl. HR 19 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1268
p. 2 van het proces-verbaal van de zitting van 10 januari 2024.
Zoals weergegeven in de door de raadsman overgelegde pleitnota, p. 6
Vgl. HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:314 en HR 19 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1268