Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/5.4.3.3
5.4.3.3 Het beding van niet-verandering
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS588741:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/384, Stein, GS Vermogensrecht, art. 3:265 BW, aant. 1.2.1 (online, bijgewerkt t/m 1 april 2018).
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/863
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/844 en 863, Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/384.
Hof Arnhem-Leeuwarden 3 februari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:681 (Hofima/Trebbe), r.o. 4.10. Zie ook HR 12 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3096,NJ 2010/663 m.nt. A.I.M. van Mierlo (Heembouw/Fortis), r.o. 3.2, waarin is te lezen dat Fortis zich op de onbevoegdheid van de schuldenaar had beroepen vanwege de algemene voorwaarden van de hypotheekakte die toestemming van Fortis vereisten.
In par. 4.3.4.4 ben ik al ingegaan op de rol van de informatie uit de openbare registers. Het in deze paragraaf behandelde onderwerp betreft een specifieke toepassing van het onderwerp dat daar in algemene zin is behandeld.
Doorgaans zijn hypotheekhouders rechtspersonen; zie over de toerekening van kennis aan rechtspersonen: Katan 2017.
Fesevur 1994, p. 240 vermeldt dat dit in ieder geval zo zijn zal zijn als het gaat om een bouwhypotheek. Anders: Tuil 2015, p. 304, die meent dat zelfs als de schuldenaar de grond heeft gekocht met als doel daarop een bouwproject te realiseren, de hypotheekhouder (NB. Tuil bedoelt de hypotheekgever) niet bevoegd is om een aannemingsovereenkomst aan te gaan.
Vgl. par. 4.3.3.1.
Bijvoorbeeld Fesevur 1994, p. 240-241 zet de vraag of de aannemer het register moest raadplegen voorop. Deze vraag komt echter mijns inziens pas aan de orde, wanneer is vastgesteld dat het beding überhaupt de bevoegdheid beperkt in de zin van art. 3:291 lid 2 BW.
Zie ook par. 4.3.4.4.
Tjittes 2009, p. 22-23, Biemans 2015, p. 8 met uitgebreide verwijzingen naar rechtspraak in voetnoot 19 en Valk 2016/2.4.3. In dezelfde zin, specifiek met betrekking tot de ‘gebruikelijke bedingen’ in de hypotheekakte: Bartels 2015, p. 49.
Zie bijvoorbeeld HR 8 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8901, NJ 2001/ 350 m.nt. W.M. Kleijn (Stichting Eelder Woningbouw), r.o. 3.3.
HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1511, r.o. 4.2.3 en nr. 1 van de annotatie van B.A. Schuijling in JOR 2016/292 onder het arrest.
HR 8 juli 2016, JOR 2016/292 m.nt. B.A. Schuijling, r.o. 4.2.3.
Zie par. 4.3.3.1.
Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 3 februari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:681 (Hofima/Trebbe), r.o. 4.10. Vgl. Tuil 2015, p. 304. In de zaak die voorafging aan HR 12 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3096, NJ 2010/663 m.nt. A.I.M. van Mierlo (Heembouw/Fortis), had Fortis zich erop beroepen dat zij de bevoegdheid van haar schuldenaar in deze zin had ingeperkt. Het komt in de feitelijke instanties niet vast te staan, of dit effectief is geschied.
Fesevur 1994, p. 241. Habraken & Raven 2014, p. 92 schrijven dat de hypotheekhouder door middel van inschrijving in de openbare registers van de hypotheekakte, met daarin een beding van niet-verandering, beogen te voorkomen dat de retentor een beroep kan doen op art. 3:291 lid 2 BW.
Ik laat de vraag, of het beding zélf in de akte moet staan, of een verwijzing naar de algemene voorwaarden voldoende is, buiten beschouwing. Zie over deze discussie par. 5.4.3.1.
Annotatie D.J. Veegens in NJ 1959/548, onder HR 30 januari 1959 (Quint/Te Poel).
Annotatie J.H. Beekhuis in AA 1959, VIII p. 171-176, onder HR 30 januari 1959 (Quint/Te Poel).
Annotatie E.M. Meijers onder Hoge Raad 18 april 1947, NJ 1948/447.
Fesevur 1994, p. 241. In deze zin ook Habraken & Raven 2014, p. 94-95.
Tot dezelfde slotsom kwam ik al met betrekking tot het retentierecht en de openbare registers in zijn algemeenheid in par. 4.3.4.4.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 887.
211. Anders dan het beheersbeding en het ontruimingsbeding, speelt een beding van niet-verandering niet alleen in het kader van een executoriale verkoop. Het doel van een beding van niet-verandering is het borgen van de waarde van het onderpand.1 De hypotheekgever moet ervoor zorgen dat zijn gebruik niet leidt tot waardedaling van de zaak, waardoor het verhaalsrecht van de hypotheekhouder in gevaar komt.2 Een dergelijke handeling leidt ertoe dat de vordering van de hypotheekhouder opeisbaar wordt, op grond van art. 6:40 sub c BW.3
Letterlijk gelezen heeft art. 3:265 BW een vrij beperkte reikwijdte. Het artikel bevat een uitzondering op een uitzondering op de hoofdregel. Dat zit als volgt. Het is een hoofdregel van goederenrecht dat een eigenaar vrijelijk van zijn zaak gebruik mag maken.4 Een beding van niet-verandering in een hypotheekakte maakt een uitzondering op deze hoofdregel, want het perkt de vrijheid van de eigenaar/hypotheekgever in. Een beding van niet-verandering in de hypotheekakte – of in de algemene voorwaarden – beperkt de eigenaar om de inrichting of gedaante van het bezwaarde goed te veranderen. Art. 3:265 BW, waarin het beding van niet-verandering is neergelegd, brengt weer een uitzondering op deze uitzondering aan, wanneer een huurder of pachter daartoe machtiging van de kantonrechter of grondkamer heeft. In dat geval kan de hypotheekhouder geen beroep doen op het beding van niet-verandering jegens deze huurder.
212. Los van het feit dat schending van het beding 1) opeisbaarheid van de hypothecaire vordering oplevert en 2) meebrengt dat de huurder of pachter die toestemming heeft niet dit beding tegengeworpen kan krijgen, is de vraag of opname van een beding van niet-verandering invloed heeft op de mogelijkheid om het retentierecht in te roepen tegen de hypotheekhouder. In de jurisprudentie is deze vraag al zijdelings aan bod gekomen.5 Volgens Kleijn is een beding van niet-verandering een aantrekkelijke beperking van de “bedenkelijke uitholling van het hypotheekrecht” door het retentierecht.6 Het hebben van een retentierecht veronderstelt het uitoefenen van feitelijke macht. Het type verandering waar art. 3:265 BW het oog op heeft, zal praktisch gesproken gepaard gaan met de uitoefening van feitelijke macht. Art. 3:265 BW veronderstelt immers dat de inrichting of gedaante van het bezwaarde goed niet – of niet zonder toestemming van de hypotheekhouder – mogen worden veranderd. Kortom: als sprake is van het type verandering dat binnen het bereik van art. 3:265 BW valt en daar is een aannemer bij betrokken die niet wordt betaald door de hypotheekgever, kan aangenomen worden dat er voldoende feitelijke macht is voor een retentierecht. Het beding van niet-verandering van art. 3:265 BW kan inwerken op de vereisten van art. 3:291 lid 2 BW. De vragen luiden hierbij meer concreet als volgt: betekent een beding van niet- verandering in de hypotheekakte dat de hypotheekgever 1) niet bevoegd was jegens de hypotheekhouder om de aannemingsovereenkomst aan te gaan, en dat 2) de aannemer moest twijfelen aan de bevoegdheid van de hypotheekgever om de overeenkomst aan te gaan, nu het beding in de hypotheekakte staat en deze is ingeschreven in de openbare registers?7
213. Bij de beantwoording van deze vragen kan één geval mijns inziens zonder meer meteen worden afgekaart: als de hypotheekhouder op de hoogte is8 van het feit dat de hypotheekgever een aannemingsovereenkomst zal gaan sluiten, bijvoorbeeld omdat de lening wordt verstrekt ter financiering van de aankoop van bouwgrond door de hypotheekgever, kan een eventueel beding van niet-verandering in de hypotheekakte niet worden tegengeworpen aan de retentor.9 Ook indien de hypotheekhouder op andere wijze betrokken is bij de bouw, zal buiten kijf staan dat deze impliciet zijn toestemming heeft gegeven om de aannemingsovereenkomst aan te gaan. In dat geval kan de aannemer op basis van het eerste criterium uit art. 3:291 lid 2 BW zijn retentierecht inroepen jegens de anterieure hypotheekhouder. Aan een toetsing van de vraag of de retentor niet hoefde te twijfelen aan de bevoegdheid komt men dan niet meer toe.10 De vraag in hoeverre een beding van niet-verandering de bevoegdheid tot het sluiten van een aannemingsovereenkomst beïnvloedt en de eventuele goede trouw van de aannemer, doet zich dus voor in die gevallen, waarin de hypotheekhouder ‘stilzit’; uit zijn handelen jegens de hypotheekgever is geen instemming met de aannemingsovereenkomst af te leiden, maar ook geen afwijzing ervan.
214. De vragen 1) en 2) die ik hiervoor stelde kunnen naar mijn mening het beste worden beantwoord aan de hand van een schema dat drie stappen inhoudt, aan te duiden als stap 1, 2a en 2b. Het hanteren van dit schema voorkomt een vertroebeling van de discussie.11 Zoals duidelijk zal worden, volgen stap 1 en 2 de structuur van art. 3:291 lid 2 BW. Voordat ik er inhoudelijk op inga, zet ik in het kort uiteen tot welke gevolgtrekkingen de verschillende stappen kunnen leiden. Bij de eerste stap moet worden vastgesteld of het bestaan van een beding van niet-verandering de bevoegdheid van de hypotheekgever, om ‘ingrijpende’ overeenkomsten aan te gaan, beperkt. Zo nee, dan kan een beding van niet-verandering dus niet in de weg staan aan de bevoegdheid van de hypotheekgever om een overeenkomst met betrekking tot het onderpand aan te gaan. Zo ja, dan volgt de tweede stap. Die houdt in dat bezien moet worden of de aannemer met wie de hypotheekgever heeft gecontracteerd moest twijfelen aan de bevoegdheid van de hypotheekgever om met hem een overeenkomst aan te gaan. Deze tweede stap valt op zijn beurt uiteen in twee vragen. Ten eerste: heeft een beding van niet-verandering ook gevolgen voor een contractuele wederpartij van de hypotheekgever (stap 2a)? Zo nee, dan staat het beding van niet-verandering niet in de weg aan het inroepen van het retentierecht tegen de hypotheekhouder. Ontkennende beantwoording van deze vraag leidt dus tot dezelfde uitkomst als ontkennende beantwoording van de allereerste vraag. Luidt het antwoord op vraag 2a daarentegen bevestigend, dan moet ten slotte worden beoordeeld wat de rol is van de openbare registers, meer in het bijzonder van het beding van niet verandering, jegens de retentor (stap 2b). Wat dit laatste punt betreft, is het goed om op voorhand duidelijk te maken dat de retentor geen verkrijger van een registergoed is. Art. 3:23 BW is dus niet van toepassing. Art. 3:23 BW brengt dan ook in ieder geval niet mee, dat de retentor die de openbare registers niet heeft geraadpleegd, niet meer ‘te goeder trouw’ kan zijn in de zin van art. 3:291 lid 2 BW.12 Hieronder zet ik het zojuist geïntroduceerde beslisschema inhoudelijk uiteen.
1. Beperkt een beding van niet-verandering de bevoegdheid van de hypotheekgever tot het aangaan van een aannemingsovereenkomst?
215. De te sluiten aannemingsovereenkomst moet veranderingen van inrichting of gedaante van het onderpand meebrengen, om onder art. 3:265 BW te vallen. Lang niet iedere aannemingsovereenkomst zal een dergelijk grote verandering tot gevolg hebben. Er is weinig geschreven over het beding van niet-verandering en er is bij mijn weten geen jurisprudentie over. In zijn algemeenheid neem ik aan, dat de drempel om als een verandering van aard of inrichting te kwalificeren, tamelijk hoog ligt. Ik bespreek een aantal denkbare situaties. Hiervoor kwam aan de orde, dat een verandering in de zin van art. 3:265 BW in de regel gepaard zal gaan met zodanige feitelijke macht dat een retentierecht zou kunnen ontstaan. De omgekeerde situatie is minder vanzelfsprekend. Een aannemingsovereenkomst die een retentierecht kan sorteren, brengt niet per definitie een verandering van gedaante of inrichting mee. Bijvoorbeeld een overeenkomst om een gebouw vrij van asbest te maken, kan onder omstandigheden zodanige feitelijke macht meebrengen, dat een onbetaalde aannemer een retentierecht verkrijgt. Een verandering van inrichting of gedaante in de zin van art. 3:265 BW zal het echter in beginsel niet zijn. Een overeenkomst die ertoe strekt om het gebouw te verduurzamen, kan waarschijnlijk slechts onder bijzondere omstandigheden als een verandering van inrichting en gedaante worden bestempeld. Maar als bijvoorbeeld het dak wordt vervangen, zonnepanelen worden geplaatst, alle kozijnen worden vervangen, de gevel wordt geheel gevoegd en er wordt door het hele gebouw heen vloerverwarming gelegd, dan lijkt mij dat men wel in de buurt van een verandering van gedaante komt. Een evident geval van verandering van gedaante of inrichting is uiteraard sloop en herbouw.
216. De vraag óf een beding van niet-verandering in een concreet geval de bevoegdheid heeft beperkt, is een kwestie van uitleg van het beding. Hypotheekaktes zijn notariële aktes en daarvoor heeft in het algemeen een objectieve uitlegmaatstaf te gelden.13 Een beding van niet-verandering is een wettelijk beding en behoort tot de min of meer standaardinhoud van de akte, zodat men zou verwachten dat het beding zou moeten worden uitgelegd “aan de hand van de in de akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele akte”.14 Desondanks is mijns inziens een uitleg aan de hand van subjectieve maatstaven aangewezen om te beoordelen of een bepaalde verandering in een concreet geval is toegestaan. Uit een Hoge Raad-arrest uit 2016 kan worden afgeleid, dat voor verschillende onderdelen van de akte een verschillende uitlegmaatstaf kan gelden.15 In het bedoelde arrest overwoog de Hoge Raad met betrekking tot de uitleg van een contractuele renteclausule in een hypotheekakte dat deze alleen een rol speelt in de verhouding tussen de oorspronkelijke contractspartijen. De inhoud van het beding tussen partijen moet volgens de Hoge Raad worden bepaald aan de hand van de Haviltex-maatstaf.16 De vraag of de hypotheekgever jegens de hypotheekhouder bevoegd was, moet eveneens naar subjectieve maatstaven worden beoordeeld, omdat het een vraag is die alleen speelt in deze interne verhouding.17 Uitleg aan de hand van subjectieve maatstaven betekent dat bij de vraag of een bepaalde verandering was toegestaan, ook rekening mag worden gehouden met verklaringen en gedragingen van hypotheekhouder en hypotheekgever die niet objectief kenbaar zijn uit de akte.
217. Mijns inziens kan een beding inderdaad de bevoegdheid tot het sluiten van een aannemingsovereenkomst beïnvloeden.18 Met het beding van niet-verandering beoogt de hypotheekhouder te voorkomen dat het onderpand in waarde daalt. Het gaat er voor de hypotheekhouder om, invloed te kunnen hebben op de staat van het onderpand. Het ligt niet voor de hand dat deze invloed zich alleen uitstrekt tot handelingen die de hypotheekgever zélf verricht. In de meeste gevallen zal de verandering van inrichting of gedaante immers geschieden door een ander dan de hypotheekgever zelf. Het zou vreemd zijn als art. 3:265 BW in die gevallen toepassing mist. Ik meen dan ook dat een beding dat inhoudt dat de hypotheekgever niet, of niet zonder toestemming, bevoegd is om de inrichting of gedaante van het bezwaarde goed te veranderen, niet alleen ziet op een verandering door de hypotheekgever zelf, maar ook door diens contractspartij. De conclusie met betrekking tot stap 1 is, dat een beding van niet-verandering inderdaad de bevoegdheid van de hypotheekgever kan beperken. Daarmee kom ik toe aan een beoordeling van vraag 2) of de aannemer, vanwege het beding van niet-verandering, reden moest hebben om aan de bevoegdheid van zijn wederpartij te twijfelen.
2. Moest de aannemer twijfelen aan de bevoegdheid van zijn wederpartij om de overeenkomst met hem aan te gaan?
218. Zoals gezegd valt de toets van het tweede criterium van art. 3:291 lid 2 BW in tweeën uiteen. Als eerste moet worden vastgesteld of niet alleen goederenrechtelijk gerechtigden, maar ook contractspartijen van de hypotheekgever gebonden kunnen zijn aan het beding van niet-verandering (2a). Zo nee, dan zijn we op hetzelfde punt aanbeland als na een ontkennende beantwoording van de allereerste vraag. Het beding van niet- verandering staat dan niet in de weg aan het inroepen van het retentierecht tegen de hypotheekhouder. Zo ja, dan moet de vraag worden beantwoord wat de rol van het feit dat het beding kenbaar is uit de openbare registers is bij de beoordeling van het ‘al of niet hoeven te twijfelen’ van de retentor (2b).
2a. Heeft een beding van niet-verandering gevolgen voor contractuele wederpartijen van de hypotheekgever?
219. Op deze vraag kan ik kort zijn. Het beding heeft inderdaad gevolgen voor de contractuele wederpartij van de hypotheekgever. Dat volgt uit art. 3:291 lid 2 BW zelf, waar is bepaald dat ondanks een beperking in de goederenrechtelijke verhouding, het retentierecht toch jegens de hypotheekhouder werkt, wanneer de retentor te goeder trouw was. Een beding van niet-verandering is een van de manieren om een beperking aan te brengen in de vrijheid van de hypotheekgever om overeenkomsten te sluiten. Het feit dat de inhoud van het beding onderdeel uitmaakt van het goederenrechtelijke hypotheekrecht doet niet af aan de bevoegdheidsbeperkende werking ervan, die gevolgen heeft voor het retentierecht. Beperkingen kunnen zowel in de verbintenisrechtelijke, als in de goederenrechtelijke sfeer liggen.
2b. Welke rol heeft het beding van niet-verandering bij de beoordeling van de ‘goede trouw’ van de retentor in het kader van art. 3:291 lid 2 BW?
220. Ten slotte moet worden beoordeeld welke rol een beding van niet- verandering heeft bij de invulling van de goede trouw van art. 3:291 lid 2 BW. Fesevur concludeerde in 1994 na een uitgebreide analyse van de kwestie dat een beding in een hypotheekakte niet zonder meer mee kan brengen dat de aannemer tegenover de hypotheekhouder geen beroep kan doen op het retentierecht, maar dat dit anders wordt als een dergelijk beding tot de min of meer standaardinhoud van de hypotheekakte gaat behoren.19 Ervan uitgaande dat het beding van niet-verandering (inmiddels) inderdaad standaard onderdeel uitmaakt van een hypotheekakte,20 zou dit betekenen dat een beding van niet-verandering meebrengt dat de aannemer zich niet jegens de hypotheekhouder kan beroepen op zijn retentierecht. In de redenering van Fesevur is hij dan immers nooit te goeder trouw. Een aannemer weet dat onroerend goed regelmatig gefinancierd is door een externe partij. Maar deze conclusie is mijns inziens te kort door de bocht.
Voor een antwoord op de vraag welke rol het beding van niet- verandering speelt in het kader van het ‘al of niet moeten twijfelen’ van de aannemer, is het arrest Quint/Te Poel relevant, en dan met name de twee annotaties die hierbij zijn verschenen. Quint had een aannemingsovereenkomst met Hubertus te Poel, die niet de eigenaar was van de grond waarop Quint had gebouwd; Quints vordering vloeit dus uit een aannemingsovereenkomst en is in zoverre vergelijkbaar met de casus die hier centraal staat. Het arrest ging om de vraag of Heinrich te Poel, die eigenaar maar niet-schuldenaar van Quint was, verplicht was om Quint schadeloos te stellen tot het bedrag zijn verrijking. Daartoe maakt de Hoge Raad een aantal vergelijkingen met wél in de wet geregelde gevallen, die ik hier op één na onbesproken laat. Op het einde merkt de Hoge Raad namelijk op dat art. 659 (oud) BW (het huidige art. 3:120 BW), dat de bezitter te goeder trouw een aanspraak tot vergoeding van de kosten, besteed aan de zaak geeft, geen grondslag is voor een rechtstreekse aanspraak van Quint jegens Heinrich Te Poel. Immers, aldus de Hoge Raad, Quint had de registers kunnen raadplegen en daar kunnen zien dat de grond niet aan haar opdrachtgever behoorde, maar het stond vast dat zij dit pas na afloop van de bouw had gedaan.
Veegens, die het arrest in de NJ geannoteerd heeft, vindt het geen onredelijke eis jegens een aannemer om te vergen dat hij de openbare registers raadpleegt.21 Beekhuis, wiens annotatie onder het arrest is verschenen in Ars Aequi, heeft een meer genuanceerde – en mijns inziens juiste – opvatting, die hij uitvoerig uiteenzet.22 Beekhuis kan zich niet vinden in de opvatting van de Hoge Raad dat Quint niet te goeder trouw kon worden geacht, omdat hij in de registers had kunnen zien dat niet Hubertus, maar Heinrich de eigenaar van de grond was. In de visie van Beekhuis moet men uiterst voorzichtig zijn met het aannemen van ‘kwade trouw’ bij het niet-raadplegen van de registers. Beekhuis verwijst naar de noot van Meijers onder een arrest van de Hoge Raad uit 1947, waarin Meijers schrijft dat een beroep op onbekendheid met bepaalde feiten ondanks het niet-raadplegen van de openbare registers moet worden toegelaten, indien het ongebruikelijk is om de registers te raadplegen.23 Niet voor niets, aldus Beekhuis, geldt art. 3:23 BW (ontwerpartikel 3.1.2.6) alleen voor verkrijgers van registergoederen. Volgens Beekhuis kan de vraag of een aannemer, voordat hij het werk uitvoert, de openbare registers raadpleegt, niet in het algemeen worden beoordeeld. Enerzijds speelt een rol wat in de aannemerswereld gebruikelijk is, anderzijds moet worden gelet op de aard van het te verrichten werk. Fesevur sluit zich bij deze genuanceerde benadering van Beekhuis aan.24
Voor het antwoord op de vraag, gesteld bij stap 2b, of de aannemer al of niet moest twijfelen aan de bevoegdheid van de hypotheekgever vanwege het beding van niet-verandering, sluit ik me ook graag aan bij Beekhuis. Art. 3:11 BW is van toepassing. Alle omstandigheden van het geval zullen moeten worden meegewogen. De informatie kenbaar uit het register, daaronder begrepen de hypotheekbedingen, is één van de omstandigheden. Er past terughoudendheid bij het aannemen van een verplichting tot onderzoek in de openbare registers, zelfs als het beding van niet-verandering tot de standaardinhoud van de akte behoort. Wanneer sprake is van een aannemingsovereenkomst tot sloop en herbouw, kan een onderzoek in de openbare registers in het algemeen eerder worden verwacht, dan bij een gevelreiniging. Het geheel duurzaam maken van een gebouw, door middel van het vervangen van de dakpannen, gevelisolatie, nieuwe ramen en vloerverwarming kan onder bijzondere omstandigheden een onderzoek in de openbare registers meebrengen. Ook in deze gevallen bestaat in beginsel echter geen verplichting om de openbare registers na te kijken op mogelijke beperkingen die uit de hypotheekakte kunnen blijken.25 Dergelijke werkzaamheden zijn in het algemeen gunstig voor de waardeontwikkeling van een gebouw. Het is aannemelijk dat er eerst een positieve reden tot twijfel moet zijn aan de hoedanigheid en bevoegdheid van de wederpartij. Art. 3:23 BW is niet van toepassing. De parlementaire geschiedenis bij art. 3:291 lid 2 BW vermeldt dat als de overeenkomst in overeenstemming was met de normale exploitatie van de zaak, de schuldeiser niet hoefde te twijfelen aan de bevoegdheid van zijn wederpartij om met hem de overeenkomst te sluiten.26 Dit geldt, ongeacht of de ouder gerechtigde eigenaar of hypotheekhouder is. Naarmate de overeenkomst minder gebruikelijk is, zal wel een onderzoeksplicht voor de aannemer aangenomen kunnen worden. Deze kan er onder meer in bestaan dat hij de openbare registers raadpleegt. Ook kan in deze benadering de aard van de zaak en de aard van de opgedragen werkzaamheden worden meegewogen, alsmede de mate van professionaliteit van de betrokken partijen, om enkele relevante omstandigheden te noemen.