Zekerheid voor leverancierskrediet
Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/10.5.1:10.5.1 De gevolgen van oneigenlijke vermenging voor de purchase-money security interest
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/10.5.1
10.5.1 De gevolgen van oneigenlijke vermenging voor de purchase-money security interest
Documentgegevens:
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS92909:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hoofdstuk 5, paragraaf 5.3.4.2.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 387; MvA II, Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1197. Zie ook hoofdstuk 5, paragraaf 5.3.1.3.
Frisch, Minn. Law Review 1985/1, p. 26.
Hoofdstuk 10, paragraaf 10.2.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De purchase-money security interest van de leverancier op de oorspronkelijke zaak vervalt als gevolg van oneigenlijke vermenging (commingling), zo bepaalt §9-336 sub b UCC. Doordat de zaak waarop de purchase-money security interest rust door elkaar raakt met zaken van derden, is de bezwaarde zaak niet meer precies aan te wijzen door de leverancier. Dit verlies van de voorrangspositie tracht Article 9 UCC op twee wijzen te ondervangen.
Ten eerste kan de leverancier een ‘krediet-purchase-money security interest’ bedingen met betrekking tot de door hem geleverde inventory door middel van een cross-collateralization clause. Hiermee bedoel ik dat de leverancier kan bedingen dat een purchase-money security interest dat rust op inventory strekt tot zekerheid van betaling van de koopprijs van deze geleverde inventory én tot zekerheid van betaling van de koopprijs van andere geleverde inventory waarvoor ook een purchase-money security interest is bedongen (9-103(b)(2) UCC). Met deze verruiming van de reikwijdte van de purchase-money security interest beogen de ontwerpers van Article 9 UCC te voorkomen dat de leverancier zijn purchase-money security interest verliest als gevolg van oneigenlijke vermenging, of dat hij hoge administratieve lasten en kosten op zich moet nemen om dit te voorkomen.1 Dit is vergelijkbaar met één van de belangrijkste redenen die de Nederlandse wetgever aanvoert bij de invoering van het kredieteigendomsvoorbehoud.2
Ten tweede kent Article 9 UCC van rechtswege een purchase-money security interest toe aan de leverancier op de oneigenlijk vermengde hoeveelheid zaken (§9-336 sub c UCC). De ontwerpers van Article 9 UCC menen dat zekerheidsnemers beschermd moeten worden tegen het verlies van het zekerheidsrecht als gevolg van commingling.3 Dit geldt voor alle zekerheidsrechten op de oorspronkelijke zaken. Zij komen bij wege van substitutie te rusten op de oneigenlijk vermengde zaken. De onderlinge verhouding wordt bepaald naar rato van de waarde van ieders oorspronkelijke onderpand.
Deze zekerheidsrechten hebben onderling een gelijke rang (§9-336 sub f (2) UCC). De leverancier heeft geen voorrang op grond van zijn purchase-money security interest ten opzichte van andere zekerheidsrechten die zich eveneens op grond van substitutie voortzetten. De leverancier behoudt wel zijn voorrangspositie ten opzichte van een schuldeiser die een zekerheidsrecht vestigt en voltooit op het geheel van oneigenlijke vermengde zaken. §9-336 sub e UCC bepaalt namelijk dat bij een dergelijk rangconflict de normale prioriteitsregels toepassing vinden (§9-322 jo. 9-324 UCC). De purchase-money security interest heeft in dat geval wel superprioriteit, ongeacht de tijdstippen van voltooiing van de zekerheidsrechten. 4 Een voorbeeld verduidelijkt dit.
Leverancier A verkoopt en levert tien identieke fietsen aan de koper en verkrijgt op elk deze fietsen een purchase-money security interest. Deze koper had al twintig van deze fietsen in eigendom gekregen van leverancier B. Deze leverancier B heeft eveneens purchase-money security interests verkregen op de door hem geleverde fietsen. Raken de dertig fietsen oneigenlijk vermengd, dan verkrijgen beide leveranciers een purchase-money security interest op de dertig fietsen (§9-336 sub c UCC). Deze zekerheidsrechten hebben dezelfde rang (§9-336 sub f (2) UCC). Leverancier A heeft een aanspraak van 1/3 en leverancier B van 2/3. Vervolgens verkrijgt de koper krediet van een bank. Hij vestigt en voltooit een zekerheidsrecht op deze dertig fietsen ten gunste van deze bank. Dit zekerheidsrecht neemt rang naar de normale prioriteitsregels (§9-336 sub e UCC). Dit betekent dat het zekerheidsrecht van de bank in rang komt na de zekerheidsrechten van de leveranciers. Deze zekerheidsrechten hebben namelijk superprioriteit, omdat zij een purchase-money security interest -status hebben en daarnaast eerder zijn gevestigd en voltooid (§9-322 jo. 9-324 UCC).
Het Nederlandse recht kent geen vergelijkbare bepaling van substitutie, maar komt tot een vergelijkbaar resultaat in het geval de rekkelijke benadering wordt toegepast. De voorbehouden eigendom van de leverancier zet zich namelijk voort op (een aandeel in de mede-eigendom van) de vermengde zaken. Hij is eigenaar onder ontbindende voorwaarde van een gelijke hoeveelheid zaken of verkrijgt een aandeel onder ontbindende voorwaarde. De omvang van dit aandeel wordt bepaald aan de hand van de oorspronkelijke waardeverhoudingen van de zaken. Schuldeisers van de koper kunnen geen hoger gerangschikt zekerheidsrecht verkrijgen op dit aandeel.5