Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/4.3.3.2
4.3.3.2 Derdenwerking op basis van bevoegd handelen
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS586355:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Beschikken staat in deze zin tussen aanhalingstekens, omdat het uiteraard niet gaat om bevoegd beschikken zoals in art. 3:84 BW dat gebruikt in het kader van overdracht. Met betrekking tot beschikkingsbevoegdheid in de zin van art. 3:84 BW heeft de Hoge Raad de mogelijkheid voor contractuele beschikkingsbevoegdheid in het arrest Mesdag II expliciet aanvaard, zie HR 14 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO3521, NJ 2012/88 (Mesdag II).
Du Perron 1999, p. 329.
De parallel tussen de derdenwerking van exoneratieclausules en die van het retentierecht legden ook al Drion 1957, p. 257-258, Aubel 1972, nr. 138 en Pitlo/Brahn 1980, p. 206. Anders: Asser/Beekhuis, Mijnssen & De Haan 3-I 1985/517. Beekhuis meent dat de kwestie van de derdenbedingen een geheel op zichzelf staand vraagstuk is, naast de derdenwerking van het retentierecht.
Art. 7:608 lid 1 BW bepaalt dat de onderbewaarnemer zich jegens de derde die hem buiten overeenkomst aanspreekt op de exoneratieclausule die de bewaargever jegens die derde heeft, kan beroepen (werking ten gunste van de derde (de derde is in casu de onderbewaarnemer)). Art. 7:608 lid 2 en lid 3 bepalen dat de bewaarnemer, resp. onderbewaarnemer zich jegens een derde ook op de exoneratieclausule die geldt tussen henzelf en hun wederpartij kunnen beroepen (werking ten laste van een derde (de derde is in casu de gelaedeerde)).
HR 7 maart 1969, NJ 1969/249 (Noordermeer/Gemeente Rotterdam (‘Gegaste uien’)). Zie over dit arrest Kortmann 1977, p. 101-111. Het Gegaste uien-arrest is het eerste in een reeks jurisprudentie van de Hoge Raad over de derden werking van exoneratieclausules: HR 12 januari 1979, NJ 1979/362 (Securicor); HR 20 juni 1986, NJ 1987/35 (Deka-Hanno/Citronas); HR 9 juni 1989, NJ 1990/40 (Vojvodina/ECT); HR 21 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4429, NJ 2000/553 (Sungreen). Deze jurisprudentie van de Hoge Raad is volgens Kortmann dermate casuïstisch, dat het moeilijk is om uit het geheel algemene criteria voor de derdenwerking van overeenkomsten uit de destilleren. Hij doet niettemin een poging, zie Kortmann 2000, p. 246 en Asser/Kortmann 3-III 2017/123. Zie ook Du Perron 1999, p. 367.
Du Perron 1999, p. 327-328.
Asser/Kortmann 3-III 2017/103. Vgl. art. 7:414 BW ten aanzien van lastgeving.
109. Een andere vraag is, waaróm het feit dat de schuldenaar bevoegd was tot het aangaan van de overeenkomst, meebrengt dat het retentierecht tegen de anterieure kan worden ingeroepen. Daarvoor zijn inhoudelijke en wetssystematische argumenten te geven. De anterieure eigenaar is (uiteraard) bevoegd om zelf overeenkomsten aan te gaan met betrekking tot zijn zaak. Deze bevoegdheid kan hij ook toedelen aan een ander, zodat die ander bevoegd is om te ‘beschikken’ over het recht van de eigenaar.1 De mogelijkheid om een ander te ‘machtigen’ is terug te voeren op het autonomiebeginsel en (vanuit het perspectief van de retentor) het vertrouwensbeginsel.2 Door de toedeling aan een ander van de bevoegdheid om overeenkomsten met betrekking tot zijn recht te sluiten, aanvaardt de eigenaar de gevolgen van die overeenkomsten.
We vinden het alleszins redelijk dat de retentor niet hoeft af te geven aan zijn eigen wederpartij als die niet nakomt. Het bestaan van het retentierecht sec (jegens de schuldenaar) is vrijwel onomstreden. Er is vervolgens geen reden om de retentor zijn terughoudingsbevoegdheid te ontzeggen, wanneer zijn schuldenaar jegens de ouder gerechtigde bevoegdelijk de overeenkomst met de retentor was aangegaan. Er is dan op het punt van de niet-afgifte geen verschil tussen het aangaan van de overeenkomst door de eigenaar zelf en door de schuldenaar. De gevolgen van een bevoegd gesloten overeenkomst mogen worden toegerekend aan de ouder gerechtigde.
110. We zien de derdenwerking van overeenkomsten op basis van de bevoegdheidsverlening terug bij verschillende andere figuren. Een goede parallel biedt de derdenwerking van exoneratieclausules.3 De wet kent geen algemene bepalingen over de doorwerking van exoneratieclausules jegens derden. Op een aantal plaatsen in de wet zijn bepalingen met deze inhoud wel te vinden. Genoemd kan in de eerste plaats worden art. 6:257 BW, de blokkering van de paardensprong. Het geeft de ondergeschikte hulppersoon de mogelijkheid om zich jegens de derde die hem aanspreekt te beroepen op een verweermiddel in de overeenkomst tussen de derde en diens wederpartij. Ten tweede bevat art. 7:608 BW verschillende vormen van derdenwerking van exoneratieclausules bij bewaarnemingsovereenkomsten.4 Ten derde bevat het vervoerrecht verschillende bepalingen (art. 8:70 en 8:71 BW voor de expediteur en 8:363 en 8:364 BW, d.m.v. de schakelbepalingen van art. 8:31, 8:91, 8:116, 8:880 en 8:1081 BW van toepassing op de verschillende vervoerders).
Het leerstuk van de derdenwerking van exoneratieclausules is daarnaast in de jurisprudentie van de Hoge Raad tot ontwikkeling gekomen. In het Gegaste uien-arrest zette de Hoge Raad een eerste stap in de rechtsontwikkeling op het gebied van derdenwerking van contractuele verhoudingen.5 In dit arrest aanvaardde de Hoge Raad de werking van de exoneratieclausule in de overeenkomst tussen Roteb en De Klerk tegenover Noordermeer als derde. Volgens Du Perron is er geen bezwaar om deze regel uit het Gegaste uien-arrest tot een algemene te verheffen. Dat komt doordat het vertrouwen van Roteb waar de Hoge Raad in dit arrest op doelt, niet gestoeld is op gewekte rechtsschijn, maar op de werkelijkheid.6 Noordermeer had immers daadwerkelijk aan De Klerk de bevoegdheid gegeven om ten aanzien van haar uien met de Roteb te contracteren. Hetzelfde geldt voor het retentierecht, wanneer de schuldenaar bevoegd was om de overeenkomst aan te gaan. De derde laat dan – om in termen van Gegaste uien te spreken – ‘de vrije hand’ aan de schuldenaar. De retentor wordt dan terecht beschermd in het vertrouwen dat hij zijn retentierecht niet verliest aan deze derde. Ook middellijke vertegenwoordiging is tot op zekere hoogte een vergelijkbare figuur. Van middellijke vertegenwoordiging is sprake, indien iemand krachtens bevoegdheid een rechtshandeling verricht in eigen naam, voor rekening van een ander.7 Anders dan bij middellijke vertegenwoordiging, handelt de schuldenaar die met de ‘retentor’ een overeenkomst sluit nu juist niet voor rekening van de eigenaar. Maar de werking van het retentierecht jegens de ouder gerechtigde volgt een vergelijkbaar stramien als het toerekenen van de rechtsgevolgen van de middellijke vertegenwoordiging aan de principaal. Voor het toerekenen van de rechtsgevolgen van middellijke vertegenwoordiging is in de eerste plaats vereist dat de middellijk vertegenwoordiger bevoegd is voor rekening van de principaal te handelen (en daarnaast dat de middellijk vertegenwoordiger ook in de hoedanigheid van middellijk vertegenwoordiger handelde).8 Zoals de middellijk vertegenwoordiger de principaal bindt wanneer hij bevoegd en in hoedanigheid handelt, bindt de schuldenaar de ouder gerechtigde aan de rechtsgevolgen van de door hem gesloten overeenkomst. Wordt een retentierecht ingeroepen jegens de wederpartij, dan is ook de ouder gerechtigde hieraan gebonden.