Retentierecht en uitwinning
Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/4.3.3.1:4.3.3.1 De rechtsverhouding tussen de derde en de schuldenaar is bepalend
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/4.3.3.1
4.3.3.1 De rechtsverhouding tussen de derde en de schuldenaar is bepalend
Documentgegevens:
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS591083:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hoe de rechtsverhouding moet worden uitgelegd, blijft hier buiten beschouwing. Zie voor het specifieke geval van de rechtsverhouding tussen hypotheekhouder en hypotheekgever par. 5.4.3.3.
Du Perron 1999, p. 324, paragraaf nr. 376. Volgens Du Perron is art. 7A:1781 BW een voorbeeld van een bepaling van aanvullend recht waaruit hetzelfde blijkt: de bruiklener is gehouden als een goed huisvader voor de bewaring en het behoud van de geleende zaak te zorgen.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 884.
Aarts 1990, p. 201.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
108. In de eerste plaats kan het retentierecht tegen de anterieure derde worden ingeroepen, als de schuldenaar in zijn verhouding tot de anterieure derde bevoegd was om de overeenkomst met de retentor aan te gaan. De vraag óf de schuldenaar hiertoe bevoegd was, moet worden beoordeeld door middel van uitleg van de rechtsverhouding tussen de anterieure derde en de schuldenaar.1 Een algemeen beoordelingskader is voor de bevoegdheid niet te geven, of het wordt zó algemeen dat het weinig zeggingskracht heeft. Illustratief is wat Du Perron schrijft: “Tenzij er aanwijzingen zijn in andere zin, zullen we daarbij moeten aannemen dat T bevoegd is de rechtshandelingen te verrichten die voor iemand in zijn positie normaal zijn. Het komt daarbij vooral aan op de aard van de rechtshandeling waarbij E de zaak in handen van T heeft gesteld.”2 (mijn cursivering). Dit correspondeert met de parlementaire geschiedenis bij art. 3:291 BW, die ervan uitgaat dat de schuldenaar tot het sluiten van de overeenkomst bevoegd was, indien de overeenkomst in overeenstemming met de ‘normale exploitatie van de zaak’ is.3 Wanneer de schuldenaar bevoegd was en we te maken hebben met het eerste criterium van art. 3:291 lid 2 BW, is de wetenschap van de retentor hierover volstrekt irrelevant. 4Of de retentor er nu van uitging dat zijn wederpartij bevoegd was, of niet – of misschien was hij zich geheel niet bewust van het bestaan van een anterieure derde – kan op geen enkele manier de derdenwerking van het retentierecht beïnvloeden. Het al of niet bevoegd zijn van de schuldenaar speelt zich uitsluitend af in de verhouding tussen de anterieure derde en de schuldenaar.