Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/4.3.3.4
4.3.3.4 Het object van de bevoegdheid
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS591085:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Anders Groefsema 1993, p. 26-27, die meent dat er in ons recht geen onderscheid is tussen goederenrechelijke en verbintenisrechtelijke beschikkingsbevoegdheid. De Rechtbank Rotterdam miskent dit onderscheid in haar vonnis van 16 april 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:2503, r.o. 4.4.
Zie par. 4.3.2.
Bijvoorbeeld ING Direct Lease voorwaarden versie 2.6: ‘23.4. Lessee mag het Bedrijfsmiddel niet geheel of gedeeltelijk verhuren, in onderhuur geven of op een andere manier aan iemand in (mede)gebruik geven, behalve wanneer ING Lease daar vooraf schriftelijk toestemming voor heeft gegeven.’ (te raadplegen via https://www.inglease.nl/nl/over-ing-lease/algemene-bepalingen, laatst geraadpleegd november 2018), Algemene voorwaarden bedrijfsfinancieringen van de Rabobank versie 2017, Hoofdstuk 7, par. 3 lid 1: “u mag de hierboven genoemde goederen en registergoederen niet vervreemden, zoals verkopen of ruilen, verhuren. Of op een andere manier bezwaren of belasten.” (te raadplegen via https://www.rabobank.nl/bedrijven/zakelijk-financieren/lease, laatst geraadpleegd november 2018).
Zie bijvoorbeeld lid 2 van par. 3 van Hoofdstuk 7 van bovengenoemde voorwaarden van de Rabobank: “U mag dit wel doen als dit gebeurt in de normale uitoefening van uw bedrijf en tegen marktconforme voorwaarden.” Een interessante casus waarin een retentierecht werd uitgeoefend jegens een leasegever is te vinden in een vonnis van de Rechtbank Utrecht, Rb. Utrecht 17 mei 2005, NJF 2005/278. De rechtbank woog de onderhoudsplicht van de leasenemer tegen het vereiste dat voor het laten doen van reparaties, er toestemming moest worden verkregen van de leasenemer. Volgens de rechtbank prevaleerde het eerste. Het retentierecht kon dan ook tegen de leasegever worden ingeroepen op grond van het eerste criterium van art. 3:291 lid 2 BW.
Zie bijvoorbeeld ING Direct Lease voorwaarden versie 2.6 (te raadplegen via https://www.inglease.nl/nl/over-ing-lease/algemene-bepalingen, laatst geraadpleegd november 2018): ‘24.2 Lessee sluit een onderhoudsovereenkomst met de Leverancier of met een derde die is aangewezen door ING Lease of de Leverancier, behalve wanneer ING Lease en Lessee vooraf hebben afgesproken om dit niet of anders te doen.’
Zie bijvoorbeeld de algemene voorwaarden voor erfpacht van Maastricht (https://www.gemeentemaastricht.nl/bestuur-en-beleid/beleid/bouwen-wonen-en-grondzaken/grond-en-vastgoedbeleid > Algemene erfpachtvoorwaarden gemeente Maastricht 2013), art. 15.1 (toestemming vereist voor verhuur), de erfpachtvoorwaarden van Staatsbosbeheer (https://www.staatsbosbeheer.nl/ ~/ media/08-dossiers/erfpacht/algemene-voorwaarden-erfpacht-en-opstal-2012.pdf?la=nl-nl), art. 20.1 (toestemming vereist voor oprichten bouwwerken) en de erfpachtvoorwaarden woningbouw van de gemeente Oss (https://www.woneninoss.nl/wp-content/uploads/2015/09/Algmene_erfpachtvoorwaarden_woningbouw_2014-2015.pdf), art. 26.3 (toestemming vereist voor verhuur) (alle laatst geraadpleegd november 2018).
112. De bevoegdheid van de schuldenaar om de overeenkomst aan te gaan moet worden onderscheiden van de beschikkingsbevoegdheid in de zin van art. 3:84 BW, of het wegvallen daarvan als gevolg van de faillietverklaring (art. 23 Fw). In art. 3:291 lid 2 BW gaat over een bevoegdheid tot beschikken in verbintenisrechtelijke zin, namelijk om een overeenkomst aan te gaan.1 Bij art. 3:84 BW (en art. 23 Fw) heeft de onbevoegdheid betrekking op de relatie tussen de persoon en het goed. Bij art. 3:291 lid 2 BW daarentegen, gaat het om de bevoegdheid van de schuldenaar jegens een bepaalde andere (rechts)persoon; namelijk de anterieure derde. Dit is niet anders wanneer de bevoegdheid voortvloeit uit een goederenrechtelijke rechtsverhouding, zoals tussen hypotheekhouder en hypotheekgever of bloot-eigenaar en erfpachter.
113. Anders dan het artikel in het oorspronkelijke regeringsontwerp voor art. 3:291 lid 2 BW bepaalde,2 is de aard van de (al of niet bevoegd aangegane) overeenkomst niet nader aangeduid in de wet. Het kan goed zijn dat de ene overeenkomst wél, maar de andere overeenkomst niet mag worden gesloten. Dat kan worden geïllustreerd aan de hand van leaseovereenkomsten en het erfpachtrecht. In veel leasevoorwaarden is een beperking te vinden om de zaak aan derden in gebruik te geven.3 Tot het sluiten van een overeenkomst met betrekking tot onderhoud zal een lessee in veel gevallen daarentegen wél bevoegd – zo niet verplicht -4 zijn, zij het dat ook in dat geval de bevoegdheid aan banden kan worden gelegd bijvoorbeeld door het aan toestemming te onderwerpen of te bepalen dat het onderhoud bij bepaalde dienstverleners moet plaatsvinden.5
Een erfpachter heeft als beperkt gerechtigde vergaande bevoegdheden met betrekking tot een onroerende zaak van een ander. Hij is op grond van art. 5:85 lid 1 BW bevoegd om eens anders onroerende zaak te houden en te gebruiken en heeft daarbij – tenzij in de akte van vestiging van de erfpacht anders bepaald is – dezelfde bevoegdheden als de eigenaar (art. 5:89 BW). Het is mogelijk dat in de algemene erfpachtvoorwaarden is opgenomen dat de erfpachter toestemming nodig heeft om de zaak te mogen verhuren of voor bouw op het perceel.6