Het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, kan de rechter ingevolge art. 338 Sv slechts aannemen, indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft verkregen. In de ontnemingsprocedure is de rechter voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebonden aan art. 511f Sv waarin is bepaald dat de rechter die schatting slechts kan ontlenen aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen. Als gevolg daarvan gelden er in de ontnemingsprocedure geen bewijsbeperkingsregels en geen bewijsminima. Vgl. HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3424, NJ 2011/100, en HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2023, NJ 2022/44 m.nt. Jörg.
HR, 09-12-2025, nr. 23/02205 P
ECLI:NL:HR:2025:1870
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-12-2025
- Zaaknummer
23/02205 P
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1870, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑12‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1110
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:1820
ECLI:NL:PHR:2025:1110, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑10‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1870
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑11‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0385
Uitspraak 09‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit verkopen van cocaïne en heroïne. Motivering schatting w.v.v., opgave van bewijsmiddelen a.b.i. art. 359.3 Sv. Kon (meervoudige kamer) hof uitspraak Pr bevestigen, nu daarin niet inhoud van b.m. is opgenomen waaraan schatting van w.v.v. is ontleend, terwijl in hoger beroep afwijzing dan wel matiging van ontnemingsvordering is bepleit? O.g.v. art. 511f Sv kan schatting van het op geld waardeerbare w.v.v. slechts worden ontleend aan wettige b.m. Volgens art. 511e.1 Sv (in eerste aanleg) en art. 511g.2 Sv (in h.b.) is op uitspraak op vordering tot ontneming van w.v.v. art. 359.3 Sv van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat die uitspraak met voldoende nauwkeurigheid b.m. moet vermelden waaraan schatting van w.v.v. is ontleend met weergave van inhoud daarvan, v.zv. die voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden bevatten. Als meervoudige kamer hof een mondeling vonnis bevestigt dat in p-v van tz. is aangetekend en dat wat betreft inhoud van gebruikte b.m. (in overeenstemming met Regeling aantekening mondeling vonnis) verwijst naar p-v van tz. en/of andere processtukken, is hof niet gehouden inhoud van die stukken alsnog in zijn uitspraak op te nemen. Uit bewoordingen van art. 359.3 Sv volgt echter dat met zo’n opgave niet kan worden volstaan als ttz. van meervoudige kamer in h.b. door betrokkene of zijn raadsman de schatting van w.v.v. is betwist en in verband daarmee gehele of gedeeltelijke afwijzing van vordering is bepleit. Hof heeft uitspraak Pr wat betreft schatting van w.v.v. en opgelegde betalingsverplichting bevestigd. Pr heeft in uitspraak volstaan met opgave van b.m. a.b.i. art. 359.3 (tweede volzin) Sv. Raadsman heeft bij behandeling van zaak in h.b. primair afwijzing van ontnemingsvordering en subsidiair matiging van omvang van geschat w.v.v. bepleit. Hof had uitspraak daarom alleen mogen bevestigen met de in art. 423.1 Sv bedoelde aanvulling van gronden, bestaande uit de in art. 359.3 (eerste volzin) Sv bedoelde weergave van inhoud van b.m. (vgl. HR:2016:2026). Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 23/02206.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02205 P
Datum 9 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 30 mei 2023, nummer 20-000166-20, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat S.F.W. van ’t Hullenaar bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt in de kern dat het hof het vonnis van de politierechter niet zonder meer had mogen bevestigen, omdat daarin niet de inhoud van de bewijsmiddelen is opgenomen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend, terwijl in hoger beroep afwijzing dan wel matiging van de ontnemingsvordering is bepleit.
2.2.1
Het mondeling vonnis van de politierechter is op grond van artikel 378 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:
“De politierechter deelt mondeling mede de korte inhoud van:
1. een dossier van de politie Eenheid Oost-Brabant, district Eindhoven, met dossiernummer PL2100-2019011208, afgesloten d.d. 26 februari 2019, aantal doorgenummerde bladzijden: 132.
Dit dossier bevat een verzameling wettig opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventueel) andere bescheiden;
2. een aanvullend proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door de verbalisant [verbalisant] , d.d. 9 oktober 2019, onder meer inhoudende een berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ten bedrage van € 6415,- (...).”
2.2.2
De aantekening van het mondeling vonnis in dat proces-verbaal houdt onder meer in:
“Gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring.
De hiervoor onder 1 en 2 genoemde processen-verbaal, onder andere inhoudende:
een aanvullend proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door de verbalisant [verbalisant] , d.d. 9 oktober 2019, onder meer inhoudende een berekening wederrechtelijk verkregen voordeel.
De beoordeling
De vordering is tijdig ingediend. Op grond van de bewijsmiddelen is de politierechter van oordeel dat [betrokkene] voornoemd voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van soortgelijke feiten als de feiten terzake waarvan betrokkene is veroordeeld.
Met de officier van justitie is de politierechter van oordeel dat de vordering, op basis van de voorliggende stukken, dient te worden gematigd. Naast de bewezenverklaarde feiten kunnen ook andere strafbare feiten meegenomen worden bij het vaststellen van het bedrag dat ontnomen dient te worden. Uit de berekening zoals deze is overgelegd dienen de laatste 4 genoemde posten van respectievelijk € 240,= , € 390,=, € 650,= en € 200,= in mindering te worden gebracht op de vordering ten bedrage van € 6415,=. Dit is een totaal bedrag van € 1480,=. Onvoldoende aannemelijk is dat deze personen in de periode zoals bewezenverklaard, van veroordeelde drugs hebben gekocht. In de berekening dient vervolgens een bedrag aan inkoopkosten in mindering te worden gebracht op het bedrag van € 4935,= (€ 6415,= minus € 1480,=). De politierechter stelt dit bedrag vast op 50% van € 4935,=. De politierechter stelt het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel gelet op het voorgaande dan ook vast op € 2467,50.”
2.2.3
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 mei 2023 heeft de raadsman daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“De ontneming
Primair standpunt:
Afwijzen gelet op het feit dat cliënt moet worden vrijgesproken van het dealen van cocaïne/ heroïne.
Subsidiair standpunt:
Matigen van door de politierechter geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.
De berekening:
De berekening van het WVV door de politie is een uiterst summiere. Die berekening van het bedrag van EUR 6415 is ook een onjuiste omdat verklaringen van afnemers zijn betrokken waarvan niet kan worden vastgesteld dat zij binnen de tenlastegelegde periode verdovende middelen hebben gekocht van cliënt. Ook kan van sommige in de lijst genoemde afnemers überhaupt niet worden vastgesteld dat zij van cliënt hebben gekocht.
Genoemd wordt de naam [naam 1] . Daarvan zit geen verklaring in het dossier. Uit het overzicht van 168 contacten van de witte Nokia blijkt onder nummer 13 het volgende na contact door de politie met deze gebruiker:
"gebruikte van alles. Gehoord om student."
De verkoop van 20 bolletjes gedurende een half jaar kan hieruit niet worden afgeleid. Het bedrag van EUR 200,= dient dus in mindering te worden gebracht.
Genoemd wordt de naam [naam 2] . Ook hiervan bevindt zich geen verklaring in het dossier. Onder nummer 136 en 137 wordt twee maal de naam [naam 2] genoemd. [naam 2] komt niet in de lijst voor. Het is daarom onduidelijk waarop het bedrag van EUR 650,- is gebaseerd en kan niet worden meegenomen in de berekening.
Genoemd wordt de naam [naam 3] / [naam 4] . [naam 3] staat vermeld onder nummer 26. [naam 4] mogelijk onder nummer 22 of 23. Onduidelijk is over wie het gaat. Feit is dat het dossier geen concrete verklaring bevat. Het door de politie genoemde bedrag van EUR 390 kan niet herleid worden tot enige verklaring of proces-verbaal bevindingen.
De naam [naam 5] komt voor op de lijst onder nummer 9. Achter de naam staat het volgende:
"kocht enkele weken/2 x p.w. crack dealer was Marokkaans."
In de berekening wordt melding gemaakt van "paar maanden" en "12 wkn". Waar dit op is gebaseerd is volstrekt niet duidelijk. Dat zijn dealer Marokkaans was, maakt nog niet dat het dus ook cliënt was. Het bedrag van EUR 240 kan derhalve niet meegenomen worden.
De naam [naam 6] komt in het dossier wel voor (verklaring p. 26). Deze getuige is telefonisch gehoord. Zij verklaart verslaafd te zijn aan heroïne, cocaïne en methadon. Uit de vraagstelling van de politie blijkt niet duidelijk wat zij heeft gekocht. Bovendien wil getuige de vraag bij wie zij heeft gekocht niet beantwoorden. Op de vraag of zij student kent, verklaart zij: "vaag, de naam heb ik wel eens gehoord." Zij verklaart dus niet van wie zij heeft gekocht en wat precies. Ook verklaart zij niet concreet van student te hebben gekocht, voor zover dit cliënt zou zijn. De door de politie genoemde periode van 150 dagen is nergens op gebaseerd. Kortom het bedrag van EUR 2250,- kan niet worden meegenomen in de berekening.
De verklaring van [getuige 1] is te vaag en onbepaald om mee te kunnen nemen in de berekening. Tegenover de politie verklaart hij het volgende:
"ik heb in het verleden wel eens cocaïne gekocht van een dealer."
De politie heeft deze getuige bepaald niet goed bevraagd. Op de vraag hoelang getuige heeft gekocht (dus niet in welke periode precies), antwoordt hij:
"ik denk dat dit ongeveer een half jaar is."
Dit zegt enkel iets over de lengte van de periode en niet over welk halfjaar dit ging en of het ook daadwerkelijk ziet op de tenlastegelegde periode. Om die reden kan het bedrag van EUR 390,- niet worden meegenomen in de berekening.
Getuige [getuige 2] verklaart bij de politie over een periode van 7 jaar. De politie neemt in de berekening een periode van 20 weken tot uitgangspunt. Deze 20 weken of 20 keer worden in haar politieverklaring niet genoemd. Getuige is ook ten overstaande van de RHC gehoord. Daar verklaart zij dat zij sinds 13 mei 2016 niet meer gebruikt. Ook verklaart zij dat zij af en toe nog een slippertje heeft en een dealer had, maar dat dit iemand anders was (ene [naam 7]). Ook verklaart zij smsjes te hebben gekregen maar dat zij daar nooit op in is gegaan.
Kortom het bedrag van EUR 400 kan niet worden meegenomen in de berekening.
(...)
Totaal WVV
EUR 1260,-
De politierechter heeft de inkoopkosten op 50 % begroot. De politie heeft hiermee geen rekening gehouden. Er wordt enkel gesteld dat volgens enkele gebruikers de kwaliteit van de drugs “matig tot slecht” was. Daardoor zou het aannemelijk zijn dat er sprake is van het gebruik van versnijdingsmiddelen. Deze stelling is op geen enkele wijze onderbouwd en kan niet gebaseerd worden op de enkele verklaring getuige [getuige 2] . Dit is immers de enige gebruiker die iets zegt over de kwaliteit en is niet representatief voor de mening van alle gehoorde gebruikers.
Ik meen dus dat er geen enkele grond is om af te wijken van het door de politierechter gehanteerde percentage van 50% voor de inkoop.
Dat maakt dat het totaal aan WVV dient te worden geschat op:
EUR 630,-.”
2.2.4
Het hof heeft het vonnis onder meer wat betreft de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel bevestigd.
2.3
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 359 lid 3 Sv, dat staat in de vierde afdeling van Titel VI van het tweede Boek van het Wetboek van Strafvordering:
“De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit.”
- Artikel 423 lid 1 Sv, dat staat in Titel II van het derde Boek van het Wetboek van Strafvordering:
“Het gerechtshof kan het vonnis hetzij geheel bevestigen, hetzij gedeeltelijk bevestigen en gedeeltelijk vernietigen, hetzij geheel vernietigen. Het gerechtshof bevestigt het vonnis geheel hetzij met gehele of gedeeltelijke overneming hetzij met aanvulling of verbetering van gronden. Ingeval het vonnis geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd, doet het gerechtshof wat de rechtbank had behoren te doen, behoudens terugwijzing op grond van het tweede lid.”
- Artikel 511e lid 1, aanhef en onder a, Sv:
“Op de beraadslaging en de uitspraak zijn de bepalingen van de vierde afdeling van Titel VI van het tweede Boek van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
a. de rechtbank naar aanleiding van de vordering en van het onderzoek ter terechtzitting beraadslaagt over de vraag of de in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht bedoelde maatregel moet worden opgelegd en zo ja, op welk bedrag de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel is te schatten; (…).”
- Artikel 511f Sv:
“De rechter kan de schatting van het op geld waardeerbare voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht slechts ontlenen aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen.”
- Artikel 511g Sv:
“1. Tegen de uitspraak van de rechtbank kan hoger beroep worden ingesteld.
2. Titel II van het derde Boek is van overeenkomstige toepassing (...).”
2.4.1
Op grond van artikel 511f Sv kan de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Volgens artikel 511e lid 1 Sv (in eerste aanleg) en artikel 511g lid 2 Sv (in hoger beroep) is op de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel artikel 359 lid 3 Sv van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat die uitspraak met voldoende nauwkeurigheid de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover die de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden bevatten.
2.4.2
Als de meervoudige kamer van het hof een mondeling vonnis bevestigt dat in het proces-verbaal van de terechtzitting is aangetekend en dat wat betreft de inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen – in overeenstemming met de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep (Stcrt. 1996, 197) – verwijst naar het proces-verbaal van de terechtzitting en/of andere processtukken, is het hof niet gehouden de inhoud van die stukken alsnog in zijn uitspraak op te nemen. Uit de bewoordingen van artikel 359 lid 3 Sv volgt echter dat met zo’n opgave niet kan worden volstaan als op de terechtzitting van de meervoudige kamer in hoger beroep door de betrokkene of zijn raadsman de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is betwist en in verband daarmee gehele of gedeeltelijke afwijzing van de vordering is bepleit.
2.5
Het hof heeft de uitspraak van de politierechter wat betreft de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de opgelegde betalingsverplichting bevestigd. De politierechter heeft in het vonnis volstaan met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359 lid 3, tweede volzin, Sv. De raadsman van de betrokkene heeft bij de behandeling van de zaak in hoger beroep primair de afwijzing van de ontnemingsvordering en subsidiair matiging van de omvang van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel bepleit. Het hof had het vonnis daarom alleen mogen bevestigen met de in artikel 423 lid 1 Sv bedoelde aanvulling van gronden, bestaande uit de in artikel 359 lid 3, eerste volzin, Sv bedoelde weergave van de inhoud van de bewijsmiddelen (vgl. HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2026).
2.6
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2025.
Conclusie 14‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie A-G. Profijtontneming. Meervoudige kamer van het hof bevestigt mondeling vonnis dat overeenkomstig art. 1 van de Regeling aantekening mondeling vonnis in het proces verbaal van de terechtzitting is aangetekend, maar heeft verzuimd de gronden aan te vullen, waartoe het hof gehouden was vanwege de betwisting van de schatting van het wvv in hoger beroep. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/02205 P
Zitting 14 oktober 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de betrokkene.
Inleiding
1. De politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingslocatie ’s-Hertogenbosch, heeft bij mondeling vonnis van 8 januari 2020 (parketnummer 01-046060-19) aan de betrokkene een betalingsverplichting van € 2.467,50 opgelegd ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd vastgesteld op 98 dagen.
2. Bij arrest van 30 mei 2023 (parketnummer 20-000166-20) heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch zich verenigd met het beroepen vonnis, met verbetering van de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd en deze vastgesteld op 49 dagen.
3. Namens de betrokkene is tegen dit arrest cassatieberoep ingesteld. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat in Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
4. Er bestaat samenhang met de zaak 23/02206, dit betreft de met deze zaak samenhangende strafzaak. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het middel
5. Het middel bevat de klacht dat het hof ter motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet kon volstaan met de enkele vermelding van het aanvullende proces-verbaal van 9 oktober 2019 van verbalisant [verbalisant] .
De relevante processuele feiten
6. Het mondelinge vonnis van 8 januari 2020 is op de voet van artikel 378 lid 2 Sv aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van gelijke datum. Dit proces-verbaal (p. 1) vermeldt voor zover relevant:
“De politierechter deelt mondeling mede de korte inhoud van:
1. een dossier van de politie Eenheid Oost-Brabant, district Eindhoven, met dossiernummer PL2100-2019011208, afgesloten d.d. 26 februari 2019. aantal doorgenummerde bladzijden: 132.
Dit dossier bevat een verzameling wettig opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventueel) andere bescheiden;
2. een aanvullend proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door de [verbalisant] , dd. 9 oktober 2019, onder meer inhoudende een berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ten bedrage van € 6415,-; (…)”.
7. De aantekening van het bedoelde mondelinge vonnis vermeldt voor zover relevant (p. 3):
“Gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring
De hiervoor onder 1 en 2 genoemde processen-verbaal onder andere inhoudende:
een aanvullend proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door de [verbalisant] , dd. 9 oktober 2019, onder meer inhoudende een berekening wederrechtelijk verkregen voordeel.
De beoordeling
De vordering is tijdig ingediend. Op grond van de bewijsmiddelen is de politierechter van oordeel dat [betrokkene] voornoemd voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van soortgelijke feiten als de feiten terzake waarvan betrokkene is veroordeeld.
Met de officier van justitie is de politierechter van oordeel dat de vordering, op basis van de voorliggende stukken, dient te worden gematigd. Naast de bewezenverklaarde feiten kunnen ook andere strafbare feiten meegenomen worden bij het vaststellen van het bedrag dat ontnomen dient te worden. Uit de berekening zoals deze is overgelegd dienen de laatste 4 genoemde posten van respectievelijk € 240,=, € 390.=, € 650,= en € 200,= in mindering te worden gebracht op de vordering ten bedrage van € 6415,=. Dit is een totaal bedrag van € 1480,=. Onvoldoende aannemelijk is dat deze personen in de periode zoals bewezenverklaard, van veroordeelde drugs hebben gekocht. In de berekening dient vervolgens een bedrag aan inkoopkosten in mindering te worden gebracht op het bedrag van € 4935,= (€ 6415,= minus € 1480,=). De politierechter stelt dit bedrag vast op 50% van € 4935,=. De politierechter stelt het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel gelet op het voorgaande dan ook vast op € 2467,50.”
8. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige kamer van het hof van 16 mei 2023 vermeldt voor zover relevant (p. 1, resp. p. 3):
“De betrokkene, namens wie hoger beroep is ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven. De betrokkene geeft op dat de politierechter ten onrechte aan hem de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel heeft opgelegd.
(…).
De raadsman pleit overeenkomstig de inhoud van de door hem aan het hof overgelegde pleitnota, welke aan dit proces-verbaal is gehecht. (…).”
9. De pleitnota waarnaar in het hiervoor bedoelde proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep wordt verwezen, houdt onder meer in (ik geef een selectie):
“Primair standpunt:
Afwijzen gelet op het feit dat client moet worden vrijgesproken van het dealen van cocaïne/ heroïne.
Subsidiair standpunt:
Matigen van door de politierechter geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.
De berekening:
De berekening van het WVV door de politie is een uiterst summiere. Die berekening van het bedrag van EUR 6415 is ook een onjuiste omdat verklaringen van afnemers zijn betrokken waarvan niet kan worden vastgesteld dat zij binnen de tenlastegelegde periode verdovende middelen hebben gekocht van client. Ook kan van sommige in de lijst genoemde afnemers überhaupt niet worden vastgesteld dat zij van client hebben gekocht.
(…)
Totaal WVV
EUR 1260, -
De politierechter heeft de inkoopkosten op 50% begroot. De politie heeft hiermee geen rekening gehouden. Er wordt enkel gesteld dat volgens enkele gebruikers de kwaliteit van de drugs "matig tot slecht" was. Daardoor zou het aannemelijk zijn dat er sprake is van het gebruik van versnijdingsmiddelen. Deze stelling is op geen enkele wijze onderbouwd en kan niet gebaseerd worden op de enkele verklaring [getuige] . Dit is immers de enige gebruiker die iets zegt over de kwaliteit en is niet representatief voor de mening van alle gehoorde gebruikers.
Ik meen dus dat er geen enkele grond is om af te wijken van het door de politierechter gehanteerde percentage van 50% voor de inkoop.
Dat maakt dat het totaal aan WVV dient te worden geschat op:
EUR 630,-”
10. Het bestreden, schriftelijke arrest vermeldt voor zover relevant uitsluitend:
“Onderzoek van de zaak
(…).
De raadsman van de verdachte heeft primair bepleit dat het hof de ontnemingsvordering zal afwijzen gelet op de in de onderliggende hoofdzaak bepleite vrijspraak en subsidiair is een verweer gevoerd over de omvang van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met verbetering van de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd.
(…).
BESLISSING
Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep; (…).”
Beoordelingskader: bewijsmotiveringsvoorschriften (bij bevestiging van een mondeling vonnis)
Bewijsmotiveringsvoorschriften in de ontnemingsprocedure
11. Hoewel de ontnemingsprocedure een uitvloeisel is van een strafprocedure die is geëindigd in een – voor de toepassing van artikel 36e Sr noodzakelijke – veroordeling, mag in de ontnemingsuitspraak niet uit het oog worden verloren dat de ontnemingsprocedure een zelfstandig karakter draagt. De bewijsregels in de ontnemingsprocedure wijken af van het bewijsrecht in strafzaken,1.maar dat geldt niet voor de bewijsmotiveringsregels.
12. Ingevolge artikel 511e lid 1 Sv (in eerste aanleg) en artikel 511g lid 2 Sv juncto artikel 415 Sv (in hoger beroep) zijn op uitspraken naar aanleiding van een vordering tot ontneming de leden 2 en 3 van artikel 359 Sv van overeenkomstige toepassing. Artikel 359 lid 3 Sv verplicht de ontnemingsrechter die oordeelt dat de maatregel ex artikel 36e Sr moet worden opgelegd, tot motivering van zijn schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, ongeacht of en met welke argumenten die schatting wordt bestreden. Behoudens de toepassing van artikel 359 lid 3, tweede volzin, Sv (‘bekennende verdachte’), brengt artikel 359 lid 3, eerste volzin, Sv mee dat de uitspraak de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover die de feiten en omstandigheden bevatten die voor de schatting reden geven.2.
13. De uitleg die de Hoge Raad in zijn zogeheten promis-rechtspraak voor strafzaken aan het bepaalde in artikel 359 lid 3, eerste volzin, Sv heeft gegeven,3.gaat ook op voor de ontnemingsprocedure.4.Het komt er zodoende op neer dat de ontnemingsrechter in zijn uitspraak in elk geval met voldoende mate van nauwkeurigheid melding moet maken van de feiten en omstandigheden die hem (door tussenkomst van daaraan verbonden ‘gevolgtrekkingen’) reden geven voor de schatting van het voordeel, en dit onder verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan hij deze feiten en omstandigheden ontleent.5.
14. Deze regel heeft de Hoge Raad overigens “verduidelijkt” in een serie arresten die aanvangt met HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087.6.Die verduidelijking ziet op gevallen waarin de ontnemingsrechter ter motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitsluitend gebruikmaakt van financiële rapportage waarin een begroting is opgenomen van het bedrag waarop het voordeel wordt geschat, gebaseerd op gevolgtrekkingen omtrent verschillende posten die ten grondslag zijn gelegd aan het totale voordeel, zulks onder verwijzing naar of samenvatting van gegevens die zijn ontleend aan de inhoud van andere wettige, voldoende nauwkeurig in dat rapport aangeduide bewijsmiddelen. Alleen indien en voor zover een aldus gemaakte gevolgtrekking door de verdediging ‘niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist’, kan de rechter in zijn bewijsmotivering volstaan met de vermelding van (het onderdeel van) het financieel rapport als bewijsmiddel waaraan de schatting (in zoverre) is ontleend en het weergeven van die gevolgtrekking uit het rapport. Ik verwijs naar de rechtspraak hierover, door mij opgesomd en besproken in mijn conclusie van 10 september 2024, ECLI:NL:PHR:2024:927. Daarin stond ik meer uitvoerig stil bij de betekenis van het door de Hoge Raad in het ontnemingsrecht geïntroduceerde begrip ‘voldoende gemotiveerde betwisting’.7.Aangezien de bedoelde ‘verduidelijking’ en meer in het bijzonder de betekenis van het begrip ‘voldoende gemotiveerde betwisting’ in de voorliggende zaak naar mijn inzicht niet het springende punt is, volsta ik met deze verwijzing.
Toepasselijkheid van de voor de politierechter geldende procedureregels in ontnemingszaken
15. Op grond van artikel 367 Sv vinden op het rechtsgeding voor de politierechter onder meer de artikelen 511b tot en met 511i Sv overeenkomstige toepassing.8.Dit brengt mee dat, als het mondeling vonnis van de politierechter naar aanleiding van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting, dit op grond van artikel 378 lid 2 Sv plaatsvindt op de wijze als bepaald door de minister van Justitie en Veiligheid. Dit laatste is neergelegd in de Regeling aantekening mondeling vonnis door de politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996, Stcrt. 1996, 197 (hierna: de Regeling).
16. Artikel 1 van de Regeling houdt onder a in dat de aantekening van het mondelinge vonnis de volgende gegevens moet bevatten:
"alle gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring, alsmede vermelding van de redengevende feiten en omstandigheden voor de beslissing dat het (de) feit(en) door de verdachte(n) is (zijn) begaan (voor de inhoud van de bewijsmiddelen kan worden verwezen naar het proces-verbaal van de terechtzitting en andere processtukken. Indien niet de gehele inhoud voor het bewijs is gebezigd, dan aangeven welk deel wel is gebruikt)."
De bevestiging van een vonnis: artikel 423 lid 1 Sv
17. Ingevolge artikel 511g lid 2 Sv is op de uitspraak naar aanleiding van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in hoger beroep (ook) artikel 423 lid 1 Sv van overeenkomstige toepassing.9.Op grond van die bepaling is zowel de meervoudige als de enkelvoudige kamer van het hof bevoegd een in eerste aanleg gewezen vonnis te bevestigen, hetzij met gehele of gedeeltelijke overneming hetzij met aanvulling of verbetering van gronden. Voor aanvulling of verbetering van gronden kan bijvoorbeeld reden zijn indien de bewijsbeslissing in aanmerking komt voor bevestiging, maar de bewijsmotivering in het betreffende vonnis niet (in volle omvang) voldoet aan de toepasselijke motiveringseisen.
Bij bevestiging van een mondeling vonnis door de meervoudige kamer van het hof
18. Het voorgaande geldt ook indien de ontnemingsuitspraak een mondeling vonnis betreft dat in het proces-verbaal van de terechtzitting is aangetekend op de wijze als in de Regeling is bepaald. De bevoegdheid om een mondeling vonnis te bevestigen is niet beperkt tot het geval als bedoeld in artikel 359 lid 3, tweede volzin, Sv (bekennende verdachte).10.
19. Indien de meervoudige kamer van het hof komt tot bevestiging van een mondeling vonnis dat in het proces-verbaal van de terechtzitting is aangetekend en dat wat betreft de inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen – in overeenstemming met artikel 1 van de Regeling – verwijst naar het proces-verbaal van de terechtzitting en/of andere processtukken, is het hof in beginsel niet gehouden de inhoud van die stukken alsnog in zijn (schriftelijke) uitspraak op te nemen.11.
20. Gelet op het bepaalde in artikel 359 lid 3, tweede volzin, Sv lijdt dit uitzondering indien de betrokkene c.q. zijn raadsman ter terechtzitting van de meervoudige kamer in hoger beroep de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel die ten grondslag ligt aan de vordering van het Openbaar Ministerie betwist en in verband daarmee gehele of gedeeltelijke afwijzing van de vordering bepleit. In dat geval dient bevestiging plaats te vinden met aanvulling van gronden, dus met opneming van de (uitgewerkte) inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen in het arrest, overeenkomstig hetgeen ik hierboven onder de randnummers 12 tot en met 14 heb weergegeven. Dat houdt kort gezegd in (ik herhaal, maar thans citerenderwijs):
“dat de feiten of omstandigheden die redengevend zijn geacht voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, moeten zijn vervat in de door het Hof gebezigde en in zijn arrest weergegeven bewijsmiddelen. Indien zij niet in die bewijsmiddelen zijn vermeld, moet het Hof met voldoende mate van nauwkeurigheid (a) die feiten of omstandigheden aanduiden, en (b) het wettige bewijsmiddel of de wettige bewijsmiddelen aangeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.”12.
De bespreking van het middel
21. In het proces-verbaal van de terechtzitting c.q. de aantekening van het mondelinge vonnis van de politierechter d.d. 8 januari 2020 heeft de politierechter – overeenkomstig het bepaalde in artikel 378 lid 2 Sv en in artikel 1 van de Regeling – onder de kop “Gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring” voor de inhoud van de bewijsmiddelen verwezen naar ter terechtzitting voorgehouden processtukken (zie randnummer 7 hierboven, resp. randnummer 6).
22. De meervoudige kamer van het hof heeft het aangetekende mondelinge vonnis bij schriftelijk arrest bevestigd (zie randnummer 10). Uitgangspunt is dan dat géén aanvulling van gronden nodig is (zie randnummer 19). Dit lijdt evenwel uitzondering indien de betrokkene op de terechtzitting in hoger beroep de schatting heeft betwist, dan wel zijn raadsman aldaar de gehele of gedeeltelijke afwijzing van de vordering heeft bepleit (zie randnummer 20). In dat geval dient bevestiging plaats te vinden met aanvulling van gronden, dus met opneming van de (uitgewerkte) inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen (omschreven onder de randnummers 12 tot en met 14).
23. Aangezien de raadsman in hoger beroep de (gedeeltelijke) afwijzing van de vordering heeft bepleit (zie randnummers 8 tot en met 10), had de meervoudige kamer van het hof het mondelinge vonnis alleen mogen bevestigen met aanvulling van gronden als hiervoor bedoeld. Het hof heeft dit verzuimd. Het middel klaagt daarover terecht.
Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in cassatie
24. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.13.Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden.
Slotsom
25. Het middel slaagt.
26. Anders dan hetgeen ik in randnummer 24 heb opgemerkt, heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
27. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑10‑2025
Recent: HR 13 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:740, rov. 2.3.1; HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:288, rov. 2.3; HR 14 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:5, rov. 2.3; HR 14 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:7, rov. 2.3.Oudere rechtspraak: HR 16 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2463, NJ 1997/405; HR 6 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3593; HR 1 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6735. Zie verder HR 26 maart 2013, ECLI:NL:2013:BV9087, NJ 2013/544 m.nt. Borgers, en HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BT6251, NJ 2013/545 m.nt. Borgers.
HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424, NJ 2007/387 (Promis II), en HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0425, NJ 2007/388 m.nt. Buruma, herhaald in bijvoorbeeld HR 9 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:975.
HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9426, NJ 2010/407, herhaald in HR 4 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1012.Ik citeer uit HR 29 juni 2010: “(..). Art. 359, derde lid, Sv is in dergelijke zaken van overeenkomstige toepassing (vgl. HR 16 januari 1997, NJ 1997, 405). De beslissing op een vordering als bedoeld in art. 36e Sr dient dus op straffe van nietigheid de inhoud te bevatten van de (wettige) bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend. Daarom moet ook in ontnemingszaken van de rechter worden gevergd dat hij met voldoende mate van nauwkeurigheid aangeeft aan welk wettig bewijsmiddel hij de feiten en omstandigheden waarop hij die schatting baseert, heeft ontleend.”
Zie bijvoorbeeld ook HR 12 juni 2018, ECL1:NL:HR:2018:908, rov. 2.5.2: “Dat houdt in dat de feiten of omstandigheden die redengevend zijn geacht voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, moeten zijn vervat in de door het Hof gebezigde en in zijn arrest weergegeven bewijsmiddelen. Indien zij niet in die bewijsmiddelen zijn vermeld, moet het Hof met voldoende mate van nauwkeurigheid (a) die feiten of omstandigheden aanduiden, en (b) het wettige bewijsmiddel of de wettige bewijsmiddelen aangeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend (…).”
HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, NJ 2013/544 m.nt. Borgers. Vgl. HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BT6251, NJ 2013/545 m.nt. Borgers; HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BT6374; HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BU3984; HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX8746, NJ 2013/546 m.nt. Borgers; HR 11 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BU2056, NJ 2013/547; HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1163; HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:184; HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3255; HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3257; HR 20 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2125; HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:8, NJ 2017/92 m.nt. Reijntjes; HR 11 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1544; HR 11 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1546; HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:147; HR 13 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:740.
De Hoge Raad zag blijkens het daaropvolgende arrest in die zaak, HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1642, in mijn verhandeling geen aanleiding voor beschouwingen over het (eventuele) onderscheid (wat betreft toepassingsvoorwaarden en rechtsgevolgen) tussen enerzijds ‘een voldoende gemotiveerde betwisting’ (namelijk van gevolgtrekkingen in een financieel rapport) en anderzijds ‘een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt’ (ingeval die een betwisting van de gevolgtrekkingen in een financieel rapport bevat).
HR 12 juni 2018, ECL1:NL:HR:2018:908, rov. 2.4. Zie ook HR 5 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1697. De toepasselijkheid van de voor de politierechter geldende procedureregels in ontnemingszaken brengt (volgens dit laatste arrest) met zich dat, als het mondeling vonnis van de politierechter naar aanleiding van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel niet hoeft te worden aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting en geen schriftelijk vonnis is gewezen, op grond van artikel 378a lid 1 Sv kan worden volstaan met een door de politierechter gewaarmerkte aantekening van het mondeling vonnis (stempelvonnis). Als de politierechter alsnog een schriftelijk vonnis als bedoeld in artikel 379 lid 1 Sv wijst, moet worden aangenomen dat het stempelvonnis gelet op artikel 378a lid 5 in samenhang met artikel 378a lid 1 Sv komt te vervallen.
HR 12 juni 2018, ECL1:NL:HR:2018:908, rov. 2.5.1.
Vgl. HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2026, NJ 2017/128 m.nt. Mevis, rov. 2.3.1, en meer recent HR 16 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:725, en HR 5 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1698. Zie ook HR 16 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:177 (met name ook voor het afwijkende geval waarin (de enkelvoudige kamer van) het hof mondeling uitspraak doet), en in datzelfde verband: HR 17 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1731.
HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2026, NJ 2017/128 m.nt. Mevis, rov. 2.3.2.
HR 12 juni 2018, ECL1:NL:HR:2018:908, rov. 2.5.2. Deze passage sluit aan bij het arrest HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2026, NJ 2017/128 m.nt. Mevis, waarin de Hoge Raad voor wat betreft strafzaken een overzicht heeft gegeven van de bewijsmotiveringsvoorschriften in geval van bevestiging dan wel vernietiging van een mondeling vonnis door het hof. Ik citeer rov. 2.3.2: “Indien die aantekening mondeling vonnis wat betreft de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen — in overeenstemming met de Regeling — verwijst naar het proces-verbaal van de terechtzitting en/of andere processtukken, is de meervoudige kamer van het hof in geval van bevestiging van het vonnis in beginsel niet gehouden de inhoud van die stukken (alsnog) in zijn arrest op te nemen. Gelet op het bepaalde in de tweede volzin van het derde lid van art. 359 Sv lijdt dit evenwel uitzondering indien ter terechtzitting van de meervoudige kamer in hoger beroep door de verdachte anders — dat wil zeggen: niet in bekennende zin — is verklaard of door zijn raadsman vrijspraak is bepleit. In dat geval dient bevestiging te geschieden met aanvulling van gronden, dus met opneming van de (uitgewerkte) inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen in het arrest. Dat houdt in dat de feiten of omstandigheden die redengevend zijn geacht voor de bewezenverklaring, moeten zijn vervat in de door het hof gebezigde en in zijn arrest weergegeven bewijsmiddelen. Indien zij niet in die bewijsmiddelen zijn vermeld, moet het hof met voldoende mate van nauwkeurigheid (a) die feiten of omstandigheden aanduiden, en (b) het wettige bewijsmiddel of de wettige bewijsmiddelen aangeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.”Zie ook HR 16 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:725, rov. 2.4; HR 5 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1698, rov. 2.4.
Het cassatieberoep is op 7 juni 2023 ingesteld.
Beroepschrift 13‑11‑2023
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
SCHRIFTUUR, houdende één middel van cassatie in de zaak van:
[betrokkene] verzoeker van cassatie van een hem betreffend arrest van het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch van 30 mei 2023, waarbij aan verzoeker de verplichting is opgelegd tot betaling van een bedrag van € 2467,50 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Middel
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm. In het bijzonder is de naleving verzuimd van de artikelen 36e Sr, 511e in verband met 359 en in verband met 415 Sv omdat het oordeel van het hof dat verzoeker uit andere strafbare feiten dan het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten — mede in het licht van hetgeen door de raadsman van verzoeker is aangevoerd — niet naar behoren is onderbouwd en/of omdat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de aan de afnemers [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] gekoppelde opbrengsten niet, dan wel niet geheel, in de voordeelsberekening kunnen worden meegenomen.
Toelichting:
1.
Het hof heeft de uitspraak van de politierechter met betrekking tot de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel bevestigd. Die uitspraak houdt onder meer het volgende in:
‘De officier van justitie licht de vordering voor toe.
De politierechter deelt mondeling mede de korte inhoud van:
- 1.
een dossier van de politie Eenheid Oost-Brabant, district Eindhoven, met dossiernummer PL2100-2019011208, afgesloten d.d. 26 februari 2019, aantal doorgenummerde bladzijden: 132.
Dit dossier bevat een verzameling wettig opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventueel) andere bescheiden;
- 2.
een aanvullend proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door de verbalisant [verbalisant 1], dd. 9 oktober 2019, onder meer inhoudende een berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ten bedrage van € 6415,-;
- 3.
een uittreksel uit het documentatieregister d.d. 11 november 2019 betreffende verdachte;
Onderzoek van de zaak
De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 6415.00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie deze vordering gematigd tot een bedrag van € 2100,=.
Bij vonnis van deze politierechter van 8 januari 2020 onder bovengenoemd parketnummer is [betrokkene] voornoemd veroordeeld terzake van opzettelijk overtreden van artikel 2 onder B en C van de Opiumwet en verbeurd verklaring van de inbeslaggenomen auto.
Gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring.
De hiervoor onder 1 en 2 genoemde processen-verbaal, onder andere inhoudende: een aanvullend proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door de verbalisant [verbalisant 1]. dd. 9 oktober 2019, onder meer inhoudende een berekening wederrechtelijk verkregen voordeel.
De beoordeling
De vordering is tijdig ingediend. Op grond van de bewijsmiddelen is de politierechter van oordeel dat [betrokkene] voornoemd voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van soortgelijke feiten als de feiten terzake waarvan betrokkene is veroordeeld.
Met de officier van justitie is de politierechter van oordeel dat de vordering, op basis van de voorliggende stukken, dient te worden gematigd. Naast de bewezenverklaarde feiten kunnen ook andere strafbare feiten meegenomen worden bij het vaststellen van het bedrag dat ontnomen dien te worden. Uit de berekening zoals deze is overgelegd dienen de laatste 4 genoemde posten van respectievelijk € 240,= , € 390,=, € 650,= en € 200,= in mindering te worden gebracht op de vordering ten bedrage van € 6415,=. Dit is een totaal bedrag van € 1480,=. Onvoldoende aannemelijk is dat deze personen in de periode zoals bewezenverklaard, van veroordeelde drugs hebben gekocht. In de berekening dient vervolgens een bedrag aan inkoopkosten in mindering te worden gebracht op het bedrag van € 4935,= (€ 6415,= minus € 1480,=). De politierechter stelt dit bedrag vast op 50% van € 4935,=. De politierechter stelt het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel gelet op het voorgaande dan ook vast op € 2467,50.’
2.
De door de raadsman op schrift gestelde, ter zitting van het hof voorgedragen en aan het hof overgelegde pleitnota houdt onder meer het volgende in:
‘De berekening:
De berekening van het WVV door de politie is een uiterst summiere. Die berekening van het bedrag van EUR 6415 is ook een onjuiste omdat verklaringen van afnemers zijn betrokken waarvan niet kan worden vastgesteld dat zij binnen de tenlastegelegde periode verdovende middelen hebben gekocht van client. Ook kan van sommige in de lijst genoemde afnemers überhaupt niet worden vastgesteld dat zij van client hebben gekocht.
Genoemd wordt de naam [naam 1]. Daarvan zit geen verklaring in het dossier. Uit het overzicht van 168 contacten van de witte Nokia blijkt onder nummer 13 het volgende na contact door de politie met deze gebruiker:
‘gebruikte vanalles. Gehoord om student.’
De verkoop van 20 bolletjes gedurende een half jaar kan hieruit niet worden afgeleid. Het bedrag van EUR 200,= dient dus in mindering te worden gebracht.
Genoemd wordt de naam [naam 2]. Ook hiervan bevindt zich geen verklaring in het dossier. Onder nummer 136 en 137 wordt twee maal de naam [naam 2] genoemd. [naam 2] komt niet in de lijst voor. Het is daarom onduidelijk waarop het bedrag van EUR 650,- is gebaseerd en kan niet worden meegenomen in de berekening.
Genoemd wordt de naam [naam 2]. Ook hiervan bevindt zich geen verklaring in het dossier. Onder nummer 136 en 137 wordt twee maal de naam [naam 2] genoemd. [naam 2] komt niet in de lijst voor. Het is daarom onduidelijk waarop het bedrag van EUR 650,- is gebaseerd en kan niet worden meegenomen in de berekening.
Genoemd wordt de naam [naam 3]/ [naam 4]. [naam 3] staat vermeld onder nummer 26. [naam 4] mogelijk onder nummer 22 of 23. Onduidelijk is over wie het gaat. Feit is dat het dossier geen concrete verklaring bevat. Het door de politie genoemde bedrag van EUR 390 kan niet herleid worden tot enige verklaring of proces-verbaal bevindingen.
De naam [naam 5] komt voor op de lijst onder nummer 9. Achter de naam staat het volgende:
‘kocht enkele weken / 2 x p.w. crack dealer was Marokkaans.’
In de berekening wordt melding gemaakt van ‘paar maanden’ en ‘12 wkn’. Waar dit op is gebaseerd is volstrekt niet duidelijk. Dat zijn dealer Marokkaans was, maakt nog niet dat het dus ook client was. Het bedrag van EUR 240 kan derhalve niet meegenomen worden.
De naam [naam 6] komt in het dossier wel voor (verklaring p. 26). Deze getuige is telefonisch gehoord. Zij verklaart verslaafd te zijn aan heroïne, cocaïne en methadon. Uit de vraagstelling van de politie blijkt niet duidelijk wat zij heeft gekocht. Bovendien wil getuige de vraag bij wie zij heeft gekocht niet beantwoorden. Op de vraag of zij student kent, verklaart zij: ‘vaag, de naam heb ik wel eens gehoord.’ Zij verklaart dus niet van wie zij heeft gekocht en wat precies. Ook verklaart zij niet concreet van student te hebben gekocht, voor zover dit client zou zijn. De door de politie genoemde periode van 150 dagen is nergens op gebaseerd. Kortom het bedrag van EUR 2250,- kan niet worden meegenomen in de berekening.
De verklaring van [getuige 1] is te vaag en onbepaald om mee te kunnen nemen in de berekening. Tegenover de politie verklaart hij het volgende:
‘ik heb in het verleden wel eens cocaïne gekocht van een dealer.’
De politie heeft deze getuige bepaald niet goed bevraagd. Op de vraag hoelang getuige heeft gekocht (dus niet in welke periode precies), antwoordt hij:
‘ik denk dat dit ongeveer een half jaar is.’
Dit zegt enkel iets over de lengte van de periode en niet over welk halfjaar dit ging en of het ook daadwerkelijk ziet op de tenlastegelegde periode. Om die reden kan het bedrag van EUR 390,- niet worden meegenomen in de berekening.
Getuige [getuige 2] verklaart bij de politie over een periode van 7 jaar. De politie neemt in de berekening een periode van 20 weken tot uitgangspunt. Deze 20 weken of 20 keer worden in haar politieverklaring niet genoemd. Getuige is ook ten overstaande van de RHC gehoord. Daar verklaart zij dat zij sinds 13 mei 2016 niet meer gebruikt. Ook verklaart zij dat zij af en toe nog een slippertje heeft en een dealer had, maar dat dit iemand anders was (ene Jack). Ook verklaart zij smsjes te hebben gekregen maar dat zij daar nooit op in is gegaan.
Kortom het bedrag van EUR 400 kan niet worden meegenomen in de berekening.
Wat kan wel worden meegenomen:
In verband met [getuige 3] behoeft de berekening enige nuancering. De berekening gaat uit van 9 weken. Echter bij de RHC verklaart getuige over een periode vanaf sinterklaas en hij verklaart over ‘een keer of 20’ en ‘5 a 6 keer per week’. Als die redenering wordt gevolgd zou het dus om ongeveer 1 maand gaan. Daarnaast heeft hij met oud en nieuw 5–6 bolletjes gekocht, wat gemiddeld neerkomt op EUR 55,-.
Concreet gaat het dan om een bedrag van EUR 355,=
De naam [getuige 4] komt ook in het dossier voor (p. 25). Hij heeft voor een vriend in Helmond cocaïne besteld bij een dealer. Volgens de politieverklaring zou dat een half jaar zijn geweest. De berekening gaat uit van een periode van 20 weken. Tegenover de raadsheer-commissaris nuanceert hij zijn verklaring als het gaat om de periode:
‘u vraagt mij of ik nog weet of ik de eerste keer nog weet dat ik cocaine heb besteld. Ja, dat was ook via [naam 7], dit was voor mijzelf maar ik had het nummer via [naam 7]. Dat was in 2018, ongeveer eind september 2018. Mijn vader is [overlijdensdatum] overleden, daarom weet ik de datum ongeveer nog. Ik ben de eerste tijd nogal met mijn vader bezig geweest, dus eind september, misschien begin oktober, maar in die tijd ben ik met die lui in contact gekomen.’
Uitgaande van begin oktober, zou het niet gaan om 6 maanden maar om ongeveer 3 maanden. Dat komt neer op 12 weken, plus 2 weken in januari, totaal 14 weken. Dat betekent een bedrag van EUR 735.
Tot slot de bedragen van Castelijns, Dupuits en Brom: EUR 170,-
Totaal WVV
EUR 1260, -
De politierechter heeft de inkoopkosten op 50 % begroot. De politie heeft hiermee geen rekening gehouden. Er wordt enkel gesteld dat volgens enkele gebruikers de kwaliteit van de drugs ‘matig tot slecht’ was. Daardoor zou het aannemelijk zijn dat er sprake is van het gebruik van versnijdingsmiddelen. Deze stelling is op geen enkele wijze onderbouwd en kan niet gebaseerd worden op de enkele verklaring getuige [getuige 2]. Dit is immers de enige gebruiker die iets zegt over de kwaliteit en is niet representatief voor de mening van alle gehoorde gebruikers.
Ik meen dus dat er geen enkele grond is om af te wijken van het door de politierechter gehanteerde percentage van 50% voor de inkoop.
Dat maakt dat het totaal aan WVV dient te worden geschat op:
EUR 630,-’
3.
Vooropgesteld moet worden dat de rechter zijn schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene slechts kan ontlenen aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen. Ingevolge art. 511g, tweede lid, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv is op de uitspraak van het hof op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel art. 359, derde lid, Sv van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat die uitspraak de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden (HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013: BV9087, NJ 2013/544, m.nt. Borgers en HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017: 3193, NJ 2018/51). Een belangrijke nuance hierbij is de volgende (ontleend aan HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR: 2013:BV9087, NJ 2013/544, m.nt. Borgers):
‘Als wettig bewijsmiddel zal veelal een (in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek opgesteld) financieel rapport in het geding zijn gebracht met een beredeneerde, al dan niet door de methode van vermogensvergelijking verkregen, begroting van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat. Een dergelijk rapport is doorgaans zo ingericht dat daarin onder verwijzing naar of samenvatting van aan de inhoud van andere wettige bewijsmiddelen ontleende gegevens gevolgtrekkingen worden gemaakt omtrent de verschillende posten die door de opsteller(s) van het rapport aan het totale wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag worden gelegd. In beginsel staat geen rechtsregel eraan in de weg om de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitsluitend op de inhoud van een financieel rapport als zojuist bedoeld te doen berusten.
3.3.4.
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad wordt wel afgeleid dat de uitspraak een (volledige) weergave dient te bevatten van de feiten en omstandigheden waarop de in dat rapport gemaakte gevolgtrekkingen steunen. De Hoge Raad ziet aanleiding de in dit verband aan de motivering te stellen eisen te verduidelijken.
3.3.5.
Indien en voor zover een in het financieel rapport gemaakte gevolgtrekking is ontleend aan de inhoud van een of meer wettige, voldoende nauwkeurig in dat rapport aangeduide bewijsmiddelen en die gevolgtrekking — blijkens vaststelling door de rechter — door of namens de betrokkene niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist, kan de rechter bij de opgave van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend, volstaan met de vermelding van (het onderdeel van) het financieel rapport als bewijsmiddel waaraan de schatting (in zoverre) is ontleend en het weergeven van die gevolgtrekking uit het rapport.
3.3.6.
Indien door of namens de betrokkene zo een gevolgtrekking wel voldoende gemotiveerd is betwist, dienen aan de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel nadere eisen te worden gesteld. In dat geval zal de rechter in zijn overwegingen met betrekking tot die schatting moeten motiveren op grond waarvan hij ondanks hetgeen door of namens de betrokkene tegen die gevolgtrekking en de onderliggende feiten en omstandigheden is aangevoerd, die gevolgtrekking aanvaardt. Indien de rechter de aan het financieel rapport of aan andere wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden, die hij bij zijn oordeel daaromtrent betrekt en die redengevend zijn voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, in de overwegingen (samengevat) weergeeft onder nauwkeurige vermelding van de vindplaatsen daarvan, is aan de uit art. 359, derde lid, Sv voortvloeiende verplichting voldaan.’
4.
Het aanvullende proces-verbaal van 9 oktober 2019 van verbalisant Tegenbosch onder meer inhoudende een berekening wederrechtelijk voordeel van € 6415,-, welke proces-verbaal door het hof in zijn arrest is vermeld, houdt onder meer het volgende in:
‘Berekening voordeel :
Uit de verklaringen van de afnemers/getuigen bleek dat verdachte de bolletjes voor 10 euro per stuk verkocht. Een normaal bolletje woog ca 1/8 gram.
In overleg met de Officier van Justitie Mevr.Mr.van den Bergh worden voor de ontnemingen een beperkt aantal kopers/afnemers, meegenomen. Dáár waar het een gemiddeld aantal dealen betreft, wordt de voor verdachte gunstigste berekening gekozen.
- | Castelijns: 3 bolletjes (eenmalig) | E | 30,= |
Castelijns: ca 10 × keer × 1 bolletje | E | 100,= | |
- | [getuige 2]: 0,5 gram (voor E20,=) per 1–2 weken (20 keer) | E | 400,= |
- | [getuige 3]: 5–6 keer p.w.: 1–2 bolletjes; 18 nov-16 jan. 9 wk × 5 keer | ||
× 1,5 bollete = 45 × 1,5 × 10,= | E | 675,= | |
- | Dupuits: paar keer 1 bolletje: 2 × 10 | E | 20,= |
- | Brom: 1 × per maand voor 20 euro. Tot half jaar geleden gebruikt. | E | 20,= |
- | [getuige 1]: 1–2 st × p.w./2 wkn.: 1–2 bolletjes. ½ jaar lang: 1 × 1,5 × 26×10 | E | 390,= |
- | Van der [getuige 4]: 2–5 bolletjes per 1 of 2 weken × ½ jr.: 3,5 × 1,5 × 20 × 10 | E | 1050,= |
- | [naam 6]: 10–20 euro p.dag : ½ jr = 15× 150 dgn | E | 2250,= |
- | [naam 5]: paar maanden; 2 × per week: 12 wkn × 2 × 1 × 10 | E | 240,= |
- | [naam 3]/[naam 4]. 1 × p.w. × 12 st= 1,5 × 26 wkn × 10 | E | 390,= |
- | [naam 2]: 5 belletjes per 2 weken × ½ jr. × 10 | E | 650,= |
- | [naam 1]: 1 bolletje × 20 keer. Ca ½ jaar. 20 × 10 | E | 200,= |
Minimale inkomsten | E | 6415,=’ |
5.1.
In aanmerking genomen dat de in het hiervoor genoemde proces-verbaal gemaakte gevolgtrekking dat het voordeel moet worden geschat op € 6415,- niet gezegd kan worden te zijn ontleend aan de inhoud van één of meer wettige, voldoende nauwkeurig in dat rapport aangeduide bewijsmiddelen, en die gevolgtrekking door de raadsman van verzoeker voldoende gemotiveerd is betwist, kon het hof bij de opgave van de bewijsmiddelen waaraan het de schatting van het wederrechtelijk voordeel heeft ontleend, niet volstaan met de enkele vermelding van het hiervoor onder 4. genoemde proces-verbaal. Reeds hierom is het oordeel van het hof niet naar behoren gemotiveerd.
5.2.
Voorts merk ik nog het volgende op. De raadsman van verzoeker heeft ten aanzien van de afnemers [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] — die door de verbalisant Tegenbosch in de berekening als afnemers zijn opgevoerd — telkens middels een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt aangevoerd dat en waarom de aan hun gekoppelde opbrengsten niet, dan wel niet geheel, in de voordeelsberekening kunnen worden meegenomen. Het hof is van die standpunten afgeweken, zonder in het bijzonder de redenen op te geven die tot die afwijking hebben geleid. Dat verzuim leidt tot nietigheid.
5.3.
Ten slotte merk ik nog het volgende op. Het hof heeft geoordeeld dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verzoeker voornoemd voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten soortgelijke feiten (bedoeld zal zijn: andere strafbare feiten, zie hierna). Het hof heeft evenwel ook geoordeeld dat ‘naast bewezenverklaarde feiten’ ook ‘andere strafbare feiten meegenomen [kunnen] worden bij het vaststellen van het bedrag dat ontnomen dient te worden.’ Tot op dit punt ben ik ervan uitgegaan dat het hof heeft bedoeld te overwegen dat er voordeel is genoten uit bewezenverklaard handelen én uit andere strafbare feiten. Echter, omdat het hof óók nog heeft overwogen dat zij de opbrengsten van de verkoop aan [naam 1], [naam 2], [naam 3]/[naam 4] en [naam 5], niet meeneemt in de voordeelsberekening omdat ‘onvoldoende aannemelijk is dat deze personen in de bewezenverklaarde periode van verzoeker drugs hebben gekocht’, ben ik eerlijk gezegd het spoor bijster geraakt. Het heeft het oordeel van het hof er in ieder geval niet begrijpelijker op gemaakt.
Slotsom:
Om de redenen, in het voorgaande vervat, kan het bestreden arrest niet in stand blijven; dat arrest behoort daarom te worden vernietigd. Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. S.F.W. van 't Hullenaar advocaat te Arnhem, die bij dezen verklaart tot die indiening en ondertekening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker van cassatie.
Arnhem, 13 november 2023
mr. S.F.W. van 't Hullenaar