Zie het strafvonnis dat zich bij de processtukken in de ontnemingszaak bevindt, p. 103-105 (voor de bewezenverklaringen) en p. 105 (voor de kwalificaties). Zie tevens de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nummer 23/01614.
HR, 13-05-2025, nr. 23/01616 P
ECLI:NL:HR:2025:740, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-05-2025
- Zaaknummer
23/01616 P
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:740, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑05‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:244
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2023:3787, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
ECLI:NL:PHR:2025:244, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑02‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:740
Beroepschrift, Hoge Raad, 23‑08‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0170
Uitspraak 13‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Onderzoek Amber. Profijtontneming, w.v.v. uit bewezenverklaarde feiten en andere strafbare feiten na veroordeling t.z.v. als leider deelnemen aan criminele drugsorganisatie, medeplegen voorbereidingshandelingen t.a.v. uitvoer en verkoop van cocaïne, medeplegen gewoontewitwassen en medeplegen vervoeren van heroïne, art. 36e.2 Sr. Methode van eenvoudige kasopstelling en methode van transactieberekening. 1. Motivering schatting w.v.v. t.a.v. “kasopstelling” over jaren 2012-2014. Heeft hof met voldoende mate van nauwkeurigheid bewijsmiddelen vermeld waaraan schatting van w.v.v. is ontleend? 2. Motivering schatting w.v.v. t.a.v. transactieberekening over periode 1-1-2015 tot en met 12-5-2015, art. 359.3 Sv. Kon hof (gelet op verweer van raadsman) voor gevolgtrekking over winstmarge per kilogram heroïne uitgaan van berekening van winstmarge die is genoemd in financieel rapport? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2010:BM9426, inhoudende dat beslissing op vordering a.b.i. art. 36e Sr inhoud moet bevatten van (wettige) b.m. waaraan schatting van w.v.v. voordeel is ontleend, en uit HR:2013:BV9087 m.b.t. eisen die worden gesteld aan motivering van schatting van w.v.v. Schatting w.v.v. over periode 1-1-2012 tot en met 31-12-2014 is niet toereikend gemotiveerd. Hof heeft deze schatting gebaseerd op als “kasopstelling” aangeduide opsomming van contante uitgaven in deze periode, die zijn overgenomen uit herberekening die is gevolgd op ontnemingsrapportage. Bij berekeningsmethode die vaak wordt aangeduid als eenvoudige kasopstelling, wordt berekeningssysteem gebruikt waarin contante uitgaven en ontvangsten over bepaalde periode worden becijferd en waarbij negatief verschil tussen contante uitgaven en ontvangsten, dat slechts veroorzaakt kan zijn door onverklaarde bron van ontvangsten, wordt aangemerkt als w.v.v. Enkele optelling door hof van contante uitgaven, zonder dat hof vaststellingen heeft gedaan over eventueel al aanwezige contanten aan begin van onderzochte periode en eventuele legale bronnen van inkomsten tijdens die periode, volstaat niet voor oordeel dat bedrag van contante uitgaven kan worden aangemerkt als w.v.v. Daarnaast is van belang dat hof onvoldoende nauwkeurig heeft vermeld op welke aan ontnemingsrapportage ontleende feiten en omstandigheden, de in schatting betrokken bedragen aan contante uitgaven zijn gebaseerd. Ook heeft hof niet vastgesteld door middel van of uit baten van welke feiten (bewezenverklaarde feiten of andere strafbare feiten waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door betrokkene zijn begaan a.b.i. art. 36e.2 Sr) de betrokkene het geschatte wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Ad 2. Ook (op transactieberekening gebaseerde) schatting door hof van w.v.v. over periode van 1-1-2015 tot en met 12-5-2015, is niet toereikend gemotiveerd. Hof heeft geoordeeld dat op pagina 16 van ontnemingsrapportage vermelde (berekeningen van) verkoopprijzen, inkoopprijzen en winstmarge goed zijn onderbouwd en daarom aannemelijk zijn en is uitgegaan van gemiddelde winstmarge van € 2.402 per kilo verkochte heroïne. Verdediging heeft hoogte van dit bedrag voldoende gemotiveerd betwist en heeft daartoe onder meer aangevoerd dat uit OVC-gesprekken, zoals weergegeven in financieel rapport, volgt dat bij meerdere transacties genoegen werd genomen met aanzienlijk lagere winstmarge. Hof heeft verweer verworpen en heeft daartoe slechts overwogen dat wat verdediging heeft aangevoerd bij gebrek aan concrete en verifieerbare onderbouwing geen aanleiding geeft correcties op berekeningen aan te brengen. Hof heeft in dat verband kennelijk geoordeeld dat door verdediging bedoelde transacties niet afdoen aan de in ontnemingsrapportage berekende gemiddelde winstmarge van € 2.402 per kilo heroïne. Daarbij heeft hof, gelet op wat hiervoor is vooropgesteld, onvoldoende nauwkeurig benoemd of weergegeven op welke aan ontnemingsrapportage of andere wettige b.m. ontleende feiten en omstandigheden de verwerping van dit verweer berust. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 23/01465, 23/01510 P, 23/01511, 23/01513 P, 23/01593, 23/01604 en 23/01614 en met 23/01582 (niet gepubliceerd; geen schriftuur ingediend; verdachte n-o).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01616 P
Datum 13 mei 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 14 april 2023, nummer 23-001818-20, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1978,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat D.N. de Jonge bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
2.1
De cassatiemiddelen klagen dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel door het hof ontoereikend is gemotiveerd. Het eerste cassatiemiddel heeft betrekking op de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014. Het tweede cassatiemiddel heeft betrekking op de periode van 1 januari 2015 tot en met 12 mei 2015.
2.2.1
De betrokkene is in de strafzaak veroordeeld voor – kort gezegd – het als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van Opiumwetmisdrijven, het medeplegen van voorbereidingshandelingen ten aanzien van het uitvoeren en verkopen van cocaïne, het medeplegen van gewoontewitwassen en het medeplegen van het vervoeren van heroïne. Het hof heeft het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel uit de bewezenverklaarde strafbare feiten en andere strafbare feiten, waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, als bedoeld in artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) geschat op € 494.109.
2.2.2
In het door het hof in zoverre bevestigde vonnis van de rechtbank is bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 gebruik gemaakt van een “kasopstelling” en over de periode van 1 januari 2015 tot en met 12 mei 2015 van een transactieberekening. Deze schatting steunt onder meer op de volgende overwegingen over de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel:
“Kasopstelling 2012-2014
Op basis van de ontnemingsrapportage en de daarop volgende herberekening stelt de rechtbank de volgende kasopstelling vast:
Gezamenlijke uitgaven [betrokkene] en [medeverdachte 1] € 30.400,-
Overige posten [betrokkene] € 20.255,-
Post België € 3.216,-
Verhoging toerekening 7-TBP-42 € 4.875,-
Totaal: € 58.746,-
(...)
Wat betreft de kasopstelling komt de rechtbank tot het oordeel dat veroordeelde een groot contant geldbedrag heeft uitgegeven. Voor de herkomst van dat bedrag is door of namens veroordeelde geen aannemelijke verklaring gegeven. Dit bedrag kan worden aangemerkt als voordeel dat veroordeelde heeft genoten, door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor hij bij voornoemd vonnis is veroordeeld en andere feiten waaromtrent aannemelijk is dat ze door veroordeelde zijn begaan. Nu uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat dit geldbedrag ook daadwerkelijk is uitgegeven, is de rechtbank van oordeel dat dit geldbedrag veroordeelde ook daadwerkelijk voordeel heeft opgeleverd.
Transactieberekening
Over de periode van 1 januari 2015 tot en met 12 mei 2015 is in de ontnemingsrapportage gebruik gemaakt van het transactiemodel. Op basis van meerdere vertrouwelijk opgenomen gesprekken is in de ontnemingsrapportage een gemiddelde verkoopprijs van heroïne bepaald van € 15.038,-, een gemiddelde inkoopprijs van € 12.636,- en een winstmarge van € 2.402,-. In de ontnemingsrapportage wordt uitgegaan van de verkoop van 545,25 kg heroïne. Uitgaande van de gemiddelde winstmarge van € 2.402,- per kilogram levert dat een bedrag op ter hoogte van € 1.309.690,-. Hierop is een bedrag van in totaal € 3.600,- aan huurkosten van het pand aan de [a-straat 1] te [plaats] in mindering gebracht. De totale winst bedraagt dus € 1.306.090,-, aldus de officier van justitie.
Met als argument dat veroordeelde als de leider van de criminele organisatie heeft te gelden, heeft de officier van justitie betoogd dat het redelijk is om aan hem een derde gedeelte van de winst toe te rekenen. De officier van justitie komt derhalve tot de conclusie dat veroordeelde in 2015 € 436.563,- heeft ontvangen uit de verkoop van 545,25 kg heroïne.
De rechtbank overweegt het volgende.
Veroordeelde is – ook – veroordeeld voor betrokkenheid bij de overdracht van een partij heroïne van 165 kg op of omstreeks 7 april 2015. In het strafdossier bevindt zich de weergave van afgeluisterde en opgenomen gesprekken tussen veroordeelde en zijn [medeverdachte 2] , die hebben plaatsgevonden tussen 31 maart 2015 en 27 april 2015. De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat met name op basis van de opgenomen vertrouwelijke communicatie (OVC) voldoende aannemelijk is geworden dat veroordeelde in die periode de beschikking heeft gehad over zeker 500 kg heroïne, in de gesprekken aangeduid als “ [codewoord] ” en/of “ [codewoord] ”, over 60 kg heroïne aangeduid als “ [codewoord] ” en over 31,25 kg heroïne aangeduid als “ [codewoord] ”.
(...)
Tijdens de actiedag op 12 mei 2015 werd tijdens aanhoudingen en doorzoekingen in totaal (en afgerond) 46 kg heroïne aangetroffen en in beslag genomen.
Op grond van het bovenstaande wordt in de ontnemingsrapportage uitgegaan van de volgende berekening wat betreft de hoeveelheid verkochte heroïne:
OVC nummer [nummer] dd 31-03-2015 500,00 kg
OVC nummer [nummer] dd 11-04-2015 (60 x 1 kg) 60,00 kg
OVC nummer [nummer] dd 18-04-2015 (62,5 x 500 gram)
De rechtbank begrijpt: OVC nummer [nummer] dd 27-04-2015 31,25 kg
Totaal [nummer] ,25 kg
Op 12-05-2015 inbeslaggenomen 46,00 kg
Resteert, waarvan aannemelijk is dat deze verkocht is 545,25 kg
Gelet op het voorgaande is de rechtbank anders de raadsman van oordeel dat uit het dossier en het vonnis, in het bijzonder op basis van voornoemde OVC-gesprekken, aannemelijk is geworden dat veroordeelde uit de onder 1 en 5 bewezen verklaarde feiten en andere feiten (waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan) in 2015 wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten uit de verkoop van 545,25 kg heroïne. Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting is aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de inhoud van de OVC-gesprekken (en de aannemelijkheid daarvan) gemotiveerd te weerleggen.
Verkooprijs, inkoopprijs en winstmarge
De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat zich in het dossier geen boekhouding bevindt van de in- en verkoop van verdovende middelen. De rechtbank is voorts van oordeel dat de op pagina 16 van de ontnemingsrapportage vermelde (berekening van de) verkoopprijzen, inkoopprijzen en winstmarge goed zijn onderbouwd en derhalve aannemelijk zijn. Hetgeen in dit verband door de raadsman is aangevoerd geeft de rechtbank geen aanleiding correcties op deze berekeningen aan te brengen. De raadsman heeft immers geen concrete en verifieerbare onderbouwing aangedragen, waaruit de rechtbank zou kunnen afleiden dat de genoemde prijzen lager of hoger (inkoopprijs) zouden moeten worden geschat dan de genoemde bedragen in de ontnemingsrapportage. Evenmin heeft de raadsman concreet en onderbouwd aangegeven met welke andere kostenposten rekening zou moeten worden gehouden. De rechtbank zal bij het schatten van het wederrechtelijk verkregen voordeel derhalve uitgaan van de in de ontnemingsrapportage genoemde prijzen.
(...)
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het volgende bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel aannemelijk, zodat dit bedrag voor ontneming vatbaar is:
Kasopstelling 2012-2014 : € 58.746,-
Transactieberekening 2015
- 545,25 kg x € 2.402,- : € 1.309.690
- Huurkosten [a-straat ] : € 3.600 -/-
: € 1.306.090
- € 1.306.090/3 : € 435.363,-
Totaal : € 494.109,-.”
2.2.3
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 april 2023 heeft de raadsman van de betrokkene daar het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van zijn pleitnotities die zijn overgelegd en in het dossier zijn gevoegd. Deze pleitnotities houden onder meer in:
“37. Behalve de hoeveelheid gehanteerde kilo's is er natuurlijk de geschatte winstmarge en de geschatte verdeelsleutel. Wat de eerste betreft zitten er in het dossier inderdaad vele gesprekken waarin vele bedragen en getallen worden genoemd. Om op grond daarvan tot een gemiddelde winstmarge per kilo te komen is wat de verdediging betreft nogal arbitrair. Daarnaast zou ik het als een feit van algemene bekendheid willen aanmerken dat ook voor de verdovende middelenhandel geldt dat het sterk wisselt in hoeverre een project of transport succesvol is en de daarmee te behalen winsten evenzeer wisselend zijn.
38. Zo blijkt uit het overzicht dat op pagina 12 en verder van het ontnemingsrapport dat in map 1 van het dossier is opgenomen al dat zowel inkoopprijzen als verkoopprijzen sterk variëren. Het maakt uiteraard verschil waar je inkoopt en waar je verkoopt, waarbij het verschil tussen Nederland en Duitsland afgaande op de interpretatie van deze gesprekken opmerkelijk mag worden genoemd. Belangrijker is echter dat de gemiddelde marge zoals die volgens het ontnemingsrapport uit deze gesprekken kan worden afgeleid naar het oordeel van de verdediging een onjuiste interpretatie van die gesprekken oplevert.
39. Niet alleen lijkt die marge uitsluitend te worden gebaseerd op het verschil tussen genoemde inkoopprijzen en verkoopprijzen, waardoor alle kosten die na inkoop en voor verkoop moeten worden gemaakt (verpakking, transport, chauffeur, eventuele douanefunctionarissen die betaald moeten worden, kosten vervoermiddelen, kosten opslaglocaties, kosten versnijding, et cetera) buiten beschouwing worden gelaten. Bovendien zijn er diverse aanwijzingen in het dossier dat er regelmatig genoegen wordt genomen met een aanzienlijk minder grote marge dan waar de vordering uiteindelijk van uitgaat. Zo zegt [medeverdachte 3] in een gesprek van 7 april 2015 (nummer 280) dat hij het voor 12 binnenkrijgt en het voor 13 wil geven en dat een marge van 1000 lira genoeg is. [betrokkene] zegt in een gesprek van 18 april 2015 zelfs dat hij op [codewoord] helemaal geen winst maakt, hetgeen kennelijk een verslechtering is ten opzichte van vier dagen geleden want dan zegt hij nog dat hij 250 winst maakt op [codewoord] . Dat zijn uiteraard bedragen die aanzienlijk lager liggen dan de € 2400 per kilo waar het Openbaar Ministerie mee rekent.
40. Voor alle duidelijkheid: voor de handel in verdovende middelen geldt net als voor vrijwel alle andere handel dat men zich daar niet mee bezighoudt om er geld op toe te leggen en er zal heus sprake zijn van inkomsten die met die handel worden gegenereerd, vaak zelfs omvangrijke inkomsten. Anderzijds staat het strafdossier bol van de gesprekken waarin wordt aangegeven dat er helemaal geen geld is, dat ze nog maar een paar honderd euro hebben om de maand door te komen, dat ze onvoldoende geld hebben om kerst of nieuwjaar te vieren, [medeverdachte 2] cetera. Dat sprake is geweest van uitermate winstgevende transporten zoals we dat in de handel in cocaïne nog wel eens tegengekomen volgt in ieder geval niet, hetgeen correspondeert met wat ik eveneens als een feit van algemene bekendheid zou willen aanmerken namelijk dat de handel in heroïne aanzienlijk minder lucratief is dan die in cocaïne. Het is niet voor niets dat verdachten die zich in het verleden met heroïne bezighielden nog wel eens pogingen willen wagen hun werkterrein uit te breiden naar cocaïne, iets dat volgens het Openbaar Ministerie ook in deze zaak het geval is geweest.”
2.3.1
Op grond van artikel 511f van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Volgens artikel 511e lid 1 Sv (in eerste aanleg) en artikel 511g lid 2 Sv (in hoger beroep) is op de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel artikel 359 lid 3 Sv van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat die uitspraak met voldoende nauwkeurigheid de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover die de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden bevatten.
2.3.2
Als wettig bewijsmiddel zal vaak een (in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek opgesteld) financieel rapport bij de stukken zijn gevoegd met een beredeneerde, al dan niet door de methode van een vermogensvergelijking of een (eenvoudige) kasopstelling verkregen, begroting van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat. Zo’n rapport is meestal zo ingericht dat daarin onder verwijzing naar of samenvatting van aan de inhoud van andere wettige bewijsmiddelen ontleende gegevens gevolgtrekkingen worden gemaakt over de verschillende posten die door de opsteller(s) van het rapport aan het totale wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag worden gelegd.In beginsel staat geen rechtsregel eraan in de weg om de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitsluitend op de inhoud van een financieel rapport als zojuist bedoeld te doen berusten. (Vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9426 en HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, rechtsoverweging 3.2.6.)
2.3.3
Als en voor zover een in het financieel rapport gemaakte gevolgtrekking is ontleend aan de inhoud van een of meer wettige, voldoende nauwkeurig in dat rapport aangeduide bewijsmiddelen en die gevolgtrekking – volgens vaststelling door de rechter – door of namens de betrokkene niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist, kan de rechter bij de opgave van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend, volstaan met de vermelding van (het onderdeel van) het financieel rapport als bewijsmiddel waaraan de schatting (in zoverre) is ontleend en het weergeven van die gevolgtrekking uit het rapport. (Vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, rechtsoverweging 3.3.5.)
2.3.4
Als door of namens de betrokkene zo’n gevolgtrekking wel voldoende gemotiveerd is betwist, moeten aan de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel nadere eisen worden gesteld. In dat geval zal de rechter in zijn overwegingen met betrekking tot die schatting moeten motiveren op grond waarvan hij ondanks wat door of namens de betrokkene tegen die gevolgtrekking en de onderliggende feiten en omstandigheden is aangevoerd, die gevolgtrekking aanvaardt. Als de rechter de aan het financieel rapport of aan andere wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden, die hij bij zijn oordeel betrekt en die redengevend zijn voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, in de overwegingen (samengevat) weergeeft onder nauwkeurige vermelding van de vindplaatsen daarvan, is aan de uit artikel 359 lid 3 Sv voortvloeiende verplichting voldaan. (Vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, rechtsoverweging 3.3.6.)
2.4.1
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 is om de volgende redenen niet toereikend gemotiveerd.Het hof heeft deze schatting gebaseerd op een als “kasopstelling” aangeduide opsomming van contante uitgaven in deze periode, die zijn overgenomen uit een herberekening die is gevolgd op de ontnemingsrapportage. Bij de berekeningsmethode die vaak wordt aangeduid als een eenvoudige kasopstelling, wordt een berekeningssysteem gebruikt waarin de contante uitgaven en ontvangsten over een bepaalde periode worden becijferd en waarbij het negatieve verschil tussen contante uitgaven en ontvangsten, dat slechts veroorzaakt kan zijn door een onverklaarde bron van ontvangsten, wordt aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel. De enkele optelling door het hof van contante uitgaven, zonder dat het hof vaststellingen heeft gedaan over eventueel al aanwezige contanten aan het begin van de onderzochte periode en eventuele legale bronnen van inkomsten tijdens die periode, volstaat niet voor het oordeel dat het bedrag van de contante uitgaven kan worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel.Daarnaast is van belang dat het hof onvoldoende nauwkeurig heeft vermeld op welke aan de ontnemingsrapportage ontleende feiten en omstandigheden, de in de schatting betrokken bedragen aan contante uitgaven zijn gebaseerd. Ook heeft het hof niet vastgesteld door middel van of uit de baten van welke feiten – bewezenverklaarde feiten of andere strafbare feiten waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr – de betrokkene het geschatte wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
2.4.2
Ook de – op een transactieberekening gebaseerde – schatting door het hof van het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode van 1 januari 2015 tot en met 12 mei 2015, is niet toereikend gemotiveerd. Het hof heeft geoordeeld dat de op pagina 16 van de ontnemingsrapportage vermelde (berekeningen van de) verkoopprijzen, inkoopprijzen en winstmarge goed zijn onderbouwd en daarom aannemelijk zijn, en is uitgegaan van een gemiddelde winstmarge van € 2.402 per kilo verkochte heroïne. De verdediging heeft de hoogte van dit bedrag voldoende gemotiveerd betwist, zoals weergegeven onder 2.2.3, en heeft daartoe onder meer aangevoerd dat uit OVC-gesprekken, zoals weergegeven in het financiële rapport, volgt dat bij meerdere transacties genoegen werd genomen met een aanzienlijk lagere winstmarge. Het hof heeft het verweer verworpen en heeft daartoe slechts overwogen dat wat de verdediging heeft aangevoerd bij gebrek aan een concrete en verifieerbare onderbouwing geen aanleiding geeft correcties op de berekeningen aan te brengen. Het hof heeft in dat verband kennelijk geoordeeld dat de door de verdediging bedoelde transacties niet afdoen aan de in de ontnemingsrapportage berekende gemiddelde winstmarge van € 2.402 per kilo heroïne. Daarbij heeft het hof, gelet op wat onder 2.3.4 is vooropgesteld, onvoldoende nauwkeurig benoemd of weergegeven op welke aan de ontnemingsrapportage of andere wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden de verwerping van dit verweer berust.
2.5
De cassatiemiddelen slagen in zoverre. Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het restant van de cassatiemiddelen niet nodig.
3. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 mei 2025.
Conclusie 18‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Profijtontneming. Onderzoek 'Amber'. Criminele organisatie gericht op handel in heroïne. Eerste middel met drie deelklachten over motivering kasopstelling slaagt op alle punten. Gedachtegang over opgenomen en niet opgenomen posten wordt namelijk niet inzichtelijk gemaakt. Daarnaast volstaat verwijzing naar financiële rapportage in dit geval niet als motivering voor schatting verkregen voordeel. Verder kan uit bewijsvoering niet worden opgemaakt aan welke bewezen verklaarde of andere strafbare feiten vastgestelde bedrag aan voordeel kan worden gerelateerd (artikel 36e lid 2 Sr). Eenvoudige kasopstelling dus ontoereikend gemotiveerd. Ook tweede middel over motivering van hoogte behaalde winstmarge op heroïne in gehanteerde transactieberekening slaagt. Hof had schatting van die winstmarge nader moeten motiveren gelet op voldoende gemotiveerde betwisting daarvan door verdediging. Derde middel met klacht over toerekening een derde deel van totale voordeel aan betrokkene faalt. Conclusie strekt tot vernietiging van bestreden arrest en tot terugwijzing zaak naar gerechtshof Amsterdam opdat zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan. Samenhang met 23/01465, 23/01511, 23/01510 P, 23/01513 P, 23/01593, 23/01604, 23/01614.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/01616 P
Zitting 18 februari 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de betrokkene
Inleiding
1. Bij arrest van 14 april 2023 heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 20 augustus 2020 vernietigd, doch uitsluitend voor wat betreft de opgelegde betalingsverplichting, aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 489.109,- aan de staat, zulks ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, waarbij een vermindering van € 5.000,- is toegepast ter compensatie van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, en met bevestiging van het vonnis voor het overige, zulks met aanvulling van gronden.
2. De rechtbank had bij vonnis van 20 augustus 2020 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 494.109,-.
3. Er bestaat – met inbegrip van de voorliggende zaak – samenhang tussen de zaken [betrokkene 1] (23/01465), [betrokkene 2] (23/01510 P), [betrokkene 3] (23/01511), [betrokkene 3] (23/01513 P), [betrokkene 4] (23/01593), [betrokkene 5] (23/01604), [betrokkene] (23/01614), [betrokkene] (23/01616 P). In al deze zaken zal ik vandaag concluderen. In de zaak tegen [betrokkene 6] (23/01582), waarin geen middelen zijn ingediend, heeft de Hoge Raad op 14 november 2023 reeds arrest gewezen.
Het cassatieberoep
4. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. D.N. de Jonge, advocaat in Rotterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
5. De middelen bevatten alle drie motiveringsklachten over de vaststelling en de toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het eerste middel komt met diverse deelklachten op tegen de motivering van het eerste gedeelte van de voordeelberekening, te weten een kasopstelling over de periode van 2012-2014. Het tweede middel bevat een klacht over het tweede gedeelte van de voordeelberekening, namelijk over de motivering van de hoogte van de door de rechtbank in aanmerking genomen winstmarge van de drugshandel. De derde klacht heeft betrekking op de toerekening van een derde van het vastgestelde voordeel (uit het tweede gedeelte van de voordeelberekening) aan de betrokkene.
De strafzaak
6. In de strafzaak heeft het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 14 april 2023 de ten laste van de betrokkene uitgesproken bewezenverklaringen in het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 16 juni 2017 bevestigd. De rechtbank had de betrokkene veroordeeld voor:
(1) “als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, en/of 10a, eerste lid van de Opiumwet”, zulks in de periode van 1 mei 2014 tot en met 12 mei 2015,
(2) “medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door zich of een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen”, zulks op 17 maart 2015,
(4) “medeplegen van gewoontewitwassen” op tijdstippen in de periode van 1 februari 2012 tot en met 27 mei 2015, en
(5) (primair) “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod”, begaan op 7 april 2015.1.
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
7. Het hof heeft wat betreft de motivering van de voordeelsontneming grotendeels verwezen naar het (door het hof in zoverre bevestigde) vonnis van de rechtbank Noord-Holland. De rechtbank heeft op haar beurt voor een belangrijk deel verwezen naar de voordeelberekening in het financieel rapport van 12 april 2016 (waarin mede wordt verwezen naar bijlagen) en de herberekening in het financieel rapport van 25 juli 2018. Als gevolg van deze reeks verwijzingen is de onderbouwing van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, niet overzichtelijk.
8. De rechtbank heeft in het – door het hof in zoverre bevestigde – vonnis de voordeelsontneming gegrond op artikel 36e lid 2 Sr, daartoe overwegende dat “aannemelijk is geworden dat veroordeelde door middel van de tenlastegelegde feiten, waarvoor hij bij voornoemd vonnis is veroordeeld en andere feiten waaromtrent aannemelijk is dat ze door veroordeelde zijn begaan, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.”2.
9. De totale op wederrechtelijk voordeel onderzochte periode loopt van 1 januari 2012 tot en met 12 mei 2015. De rechtbank heeft deze periode opgesplitst in tweeën. Voor wat betreft de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 is bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebruikgemaakt van een eenvoudige kasopstelling (uitkomst: € 58.746), terwijl voor wat betreft de periode van 1 januari 2015 tot en met 12 mei 2015 gebruik is gemaakt van een transactieberekening, waarvan het resultaat is gedeeld door drie op de grond dat een derde daarvan aan de betrokkene kan worden toegerekend (uitkomst: € 435.363). De uitkomsten zijn bij elkaar opgeteld (en dat leidt tot: € 494.109).
Het eerste middel: de kasopstelling over de jaren 2012-2014
10. Het eerste middel komt zoals gezegd met diverse deelklachten op tegen de motivering van de kasopstelling over de periode van 2012 tot en met 2014.
De bewijsmotivering: de kasopstelling over de jaren 2012-2014
11. Wat betreft de ‘eenvoudige kasopstelling’ over de jaren 2012-2014 heeft de rechtbank de herberekening in het financieel rapport van 25 juli 2018 tot op de euro overgenomen en tot de hare gemaakt, en daarnaast een tweetal bewijsverweren verworpen.3.De rechtbank verwijst dan ook naar het financieel rapport van 25 juli 2018, waarvan met name de ‘kasopstelling’ op de tweede bladzijde van dat rapport (die identiek is aan de ‘kasopstelling’ op p. 4 van het vonnis).4.Deze ‘herberekende’ kasopstelling moet wellicht worden gelezen in samenhang met de kasopstelling in het financieel rapport van 12 april 2016, p. 17-19,5.waarnaar de rechtbank eveneens verwijst, al is die samenhang niet onmiddellijk helder.
12. De door de rechtbank weergegeven kasopstelling met motivering luidt als volgt (vonnis p. 4-5, met weglating van de twee verwijzingen naar de hiervoor reeds genoemde rapportages):
“Op basis van de ontnemingsrapportage en de daarop volgende herberekening stelt de rechtbank de volgende kasopstelling vast:
Gezamenlijke uitgaven [betrokkene] en [betrokkene 7] | € 30.400,- |
Overige posten [betrokkene] | € 20.255,- |
Post België | € 3.216,- |
Verhoging toerekening [kenteken] | € 4.875,- |
Totaal | € 58.746,- |
Anders dan de raadsman is naar het oordeel van de rechtbank op basis van de ontnemingsrapportage aannemelijk geworden dat de uitgave voor de aankoop van de Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] aan veroordeelde moet worden toegerekend. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de aankoop van het voertuig aan veroordeelde moet worden toegerekend, omdat hij niet is vrijgesproken van het witwassen daarvan. De enkele omstandigheid dat [betrokkene 7] is vrijgesproken van het witwassen van dit voertuig doet daar niet aan af. Dit verweer wordt dus verworpen.
De rechtbank verwerpt ook het verweer van de raadsman dat ziet op de door veroordeelde verkregen legale inkomsten uit gokken. In aanmerking genomen dat als uitgangspunt voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel de ontnemingsrapportage en de herberekening worden genomen, heeft veroordeelde zijn stelling dat hij een bedrag van € 50.000,- legaal heeft verworven door te winnen bij het gokken, onvoldoende onderbouwd. Uit de omstandigheid dat veroordeelde in april 2012 in het bezit was van casinobonnen tot een bedrag van € 50.000,- kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder nadere onderbouwing – die ontbreekt – worden afgeleid dat daarmee vaststaat dat veroordeelde dit bedrag dan ook heeft gewonnen in het casino. Hierbij is ook van belang dat uit het strafdossier niet duidelijk is geworden waar de bij veroordeelde aangetroffen bonnetjes van het casino exact op zien. Dat uit het strafdossier naar voren komt dat veroordeelde het casino heeft bezocht en daar mogelijk ook wel eens heeft gewonnen doet daar niet aan af.
Wat betreft de kasopstelling komt de rechtbank tot het oordeel dat veroordeelde een groot contant geldbedrag heeft uitgegeven. Voor de herkomst van dat bedrag is door of namens veroordeelde geen aannemelijke verklaring gegeven. Dit bedrag kan worden aangemerkt als voordeel dat veroordeelde heeft genoten, door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor hij bij voornoemd vonnis is veroordeeld en andere feiten waaromtrent aannemelijk is dat ze door veroordeelde zijn begaan. Nu uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat dit geldbedrag ook daadwerkelijk is uitgegeven, is de rechtbank van oordeel dat dit geldbedrag veroordeelde ook daadwerkelijk voordeel heeft opgeleverd.”
13. Aan de verwerping van het verweer dat de betrokkene geld heeft verdiend met gokken in casino’s heeft het hof in het bestreden arrest nog de volgende aanvullende motivering gewijd:
“De rechtbank heeft overwogen dat de veroordeelde zijn stelling dat hij een bedrag van € 50.000,00 legaal heeft verworven door te winnen met gokken onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de omstandigheid dat de veroordeelde in april 2012 in het bezit was van casinobonnen tot een bedrag van € 50.000 kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder nadere onderbouwing – die ontbreekt – worden afgeleid dat daarmee vaststaat dat de veroordeelde dit bedrag heeft gewonnen in het casino.
Het hof overweegt over deze casinobonnen als volgt.
In het dossier is een proces-verbaal van verdenking tegen – onder meer – [betrokkene] van 25 november 2013 opgenomen (Map 03 - Start- en overdracht PV’s, p. 20). Hierin staat het volgende vermeld:
" [betrokkene] , geboren [geboortedatum] 1978, is in april 2012 gecontroleerd op Schiphol. Hij vloog in vanaf Istanbul en was in het bezit van iets meer dan € 10.000 in contanten, een horloge van het merk Audemars Piquel met een geschatte dagwaarde van € 40.000 en een aantal bonnetjes van een casino waaruit bleek dat hij in 4 bezoeken zo'n € 50.000 had omgewisseld.”
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat hieruit niet blijk dat de veroordeelde € 50.000,00 in het casino heeft gewonnen. Er staat immers dat uit de bonnen blijkt dat hij dit bedrag in het casino heeft omgewisseld.”
De klachten van het eerste middel
14. Het eerste middel bevat – kort samengevat, in een door mij aangebrachte volgorde en voorzien van mijn nummering – de volgende motiveringsklachten:
(a) hetgeen als ‘eenvoudige kasopstelling’ wordt weergegeven betreft geen kasopstelling, maar slechts de optelsom van gedane uitgaven tot een bedrag van € 58.746;
(b) in strijd met artikel 511f Sv is verzuimd de inhoud van de wettige bewijsmiddelen te vermelden, voor zover bevattende de voor de schatting redengevende feiten en omstandigheden;
(c) nagelaten is om weer te geven aan welke in artikel 36e lid 2 Sr bedoelde strafbare feiten het in de kasopstelling becijferde voordeel is gerelateerd. De in de kasopstelling opgenomen bedragen zijn grotendeels uitgegeven voorafgaande aan de bewezen verklaarde feiten (uitgezonderd het gewoontewitwassen, zijnde een misdrijf dat niet vanzelf voordeel genereert), terwijl de enkele omstandigheid dat sprake is geweest van (hoge) uitgaven niet volstaat voor het oordeel dat – zoals bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr – 'voldoende aanwijzingen' bestaan dat de betrokkene andere strafbare feiten heeft begaan dan waarvoor hij is veroordeeld.
De bespreking van het eerste middel
De deelklacht onder (a)
15. Ik moet de steller van het middel toegeven dat de ‘eenvoudige kasopstelling’ die de rechtbank in het door het hof bevestigde vonnis heeft weergegeven (ook bij mij) vragen oproept die door de kennisneming van de twee financiële rapportages waarnaar de rechtbank in haar bewijsmotivering verwijst, niet worden weggenomen. De ‘kasopstelling’ houdt niet meer in dan de opsomming van een viertal bedragen die contante uitgaven vertegenwoordigen. Daaraan heeft de rechtbank (louter) toegevoegd dat de betrokkene voor de herkomst ervan geen aannemelijke verklaring heeft gegeven. Gemist worden posten als ‘beginsaldo contanten’, ‘eindsaldo contanten’, ‘bankstortingen’, ‘bankopnames’, en ‘legale contante ontvangsten’, die in een eenvoudige kasopstelling in aanmerking moeten worden genomen om na te gaan of zich in een bepaalde periode een onverklaarbaar surplus aan contante uitgaven heeft voorgedaan. Het voert m.i. te ver om op basis van enkel de aanvullende bewijsoverweging van de rechtbank te moeten aannemen dat die posten allemaal op nul kunnen worden gesteld. Dat volgt in elk geval beslist niet uit de kasopstelling in het financieel rapport van 12 april 2016 (p. 18-19) waarnaar de rechtbank óók verwijst.
16. Het antwoord op de gerezen vragen is in het financieel rapport van 25 juli 2018 (de herberekening) niet te vinden. De post ‘post België’ kan ik bij lezing van dat rapport enigszins begrijpen. De post ‘verhoging toerekening’ betreft de tweede helft van de uitgave aan een auto, waarvan de rechtbank heeft toegelicht (zie randnummer 12) waarom die tweede helft (de ‘verhoging’) eveneens aan de betrokkene moet worden toegerekend (maar dan blijft duister waarom niet ook de eerste helft van dat bedrag in de kasopstelling is opgenomen). De post ‘overige posten [betrokkene] ’ betreft (volgens de herberekening van 25 juli 2018) de uitkomst van de aftrek van geldbedragen ten aanzien waarvan de betrokkene van witwassen is vrijgesproken, op een bedrag van € 73.847,77. Dat laatste bedrag kan ik echter niet zonder hulp (die ontbreekt) thuisbrengen. De post ‘gezamenlijke uitgaven van [betrokkene] en [betrokkene 7] ’ (die m.i. niet zonder nadere toelichting in een kasopstelling van alleen de betrokkene mogen worden opgenomen) vind ik niet terug in de oorspronkelijke kasopstelling in het rapport van 12 april 2016, p. 18-19.
17. De steller van het middel heeft wellicht gelijk als zij uiteenzet (schriftuur p. 7-8) dat en waarom de herberekening in aanzet slechts is bedoeld als een correctie van de kasopstelling in het rapport van 12 april 2016. Wat daartegen spreekt is echter dat de opsteller van deze herberekening de som van vier contante uitgaven vervolgens optelt bij de uitkomst van de transactieberekening over het jaar 2015. Hij presenteert de herberekening zodoende als een volwaardige ‘eenvoudige kasopstelling’, en niet als een correctie van de kasopstelling in het rapport van 12 april 2016. De rechtbank neemt deze zienswijze van de opsteller van de herberekening geheel over.
18. De deelklacht onder (a) is m.i. terecht voorgesteld. De aan de ‘kasopstelling’ onderliggende gedachtegang is niet inzichtelijk. Reeds daardoor schiet de bewijsmotivering tekort.
De deelklacht onder (b)
19. Onder (b) wordt opgekomen tegen het verzuim om de inhoud van de wettige bewijsmiddelen te vermelden voor zover bevattende de redengevende feiten en omstandigheden waaraan de schatting van het voordeel is ontleend. Ook die deelklacht is terecht voorgesteld. Hoewel de rechtbank verwijst naar de inhoud van twee wettige bewijsmiddelen (beide vallend onder de categorie ‘overige geschriften’), namelijk de twee genoemde financiële rapportages, heeft de rechtbank alleen de inhoud van de herberekening van 25 juli 2018 overgenomen. Deze herberekening bevat geen inzichtelijke verwijzing naar of samenvatting van gegevens die aan de inhoud van andere wettige bewijsmiddelen zijn ontleend, noch begrijpelijke gevolgtrekkingen omtrent de verschillende posten die door de opsteller van het rapport aan het totale wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag zijn gelegd, ook niet indien dit rapport wordt gelezen in samenhang met de rapportage van 12 april 2016. Het komt er in essentie op neer dat niet duidelijk is waarop de rechtbank überhaupt baseert dat de betrokkene de in de kasopstelling opgenomen uitgaven daadwerkelijk voor die bedragen heeft gedaan. Ook uit het rapport van 25 juli 2018 valt dat niet op te maken.
20. Zodoende voldoet deze financiële rapportage niet aan de eisen die de Hoge Raad daaraan in standaardjurisprudentie stelt, wil de ontnemingsrechter ter motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen volstaan met (in de woorden van de Hoge Raad) “het vermelden van (het onderdeel van) het financieel rapport als bewijsmiddel waaraan de schatting (in zoverre) is ontleend en met het weergeven van die gevolgtrekking uit het rapport”.6.
De deelklacht onder (c)
21. Ten slotte acht ik ook de deelklacht onder (c) terecht voorgesteld. De berekeningswijze van de (eenvoudige) kasopstelling kan worden gehanteerd bij toepassing van artikel 36e lid 2 Sr, indien het aan de hand van die berekening vastgestelde bedrag in voldoende mate kan worden gerelateerd aan de feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld dan wel aan andere, concreet aangeduide strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan.7.Als de rechter in de ontnemingsprocedure oordeelt dat ‘voldoende aanwijzingen’ bestaan dat de betrokkene ‘andere feiten’ in de zin van artikel 36e lid 2 Sr heeft begaan, moet (de totstandkoming van) dat bewijsoordeel in overeenstemming zijn met de onschuldpresumptie. De ontnemingsrechter mag de in artikel 36e lid 2 Sr bedoelde ‘voldoende aanwijzingen’ daarom alleen aannemen indien buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de betrokkene deze ‘andere feiten’ heeft begaan.8.
22. Uit de bestreden bewijsmotivering kan niet zonder nadere toelichting worden opgemaakt aan welke – bewezen verklaarde dan wel ‘andere’ – strafbare feiten het aan de hand van de ‘kasopstelling’ vastgestelde bedrag kan worden gerelateerd. Voor wat betreft de kasopstelling – over de jaren 2012 tot en met 2014 – geven de bewezen verklaarde pleegdata en pleegperiodes (zie randnummer 6 hierboven) niet zonder meer duidelijkheid over de door artikel 36e lid 2 Sr verlangde vaststelling van een (causale) relatie tussen enerzijds concrete delicten en anderzijds het voordeel dat ‘door middel van’ of ‘uit de baten van’ die delicten is verkregen.
Belang bij cassatie?
23. Ofschoon alle deelklachten terecht zijn voorgesteld, heb ik mij nog afgevraagd of het eerste middel tot cassatie dwingt. De gewraakte bewijsmotivering heeft namelijk wel de contouren van voordeelsontneming op de wettelijke grondslag van artikel 36e lid 3 Sr. Ik doel dan met name op de tweede volzin, aanhef en onder a, van dit derde lid, ingevoegd met ingang van 1 juli 2011.9.Voor het geval waarin aannemelijk is dat het bewezen verklaarde vijfde-categorie-misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, heeft de wetgever een wettelijk bewijsvermoeden geformuleerd, te weten:
“In dat geval kan ook worden vermoed dat (…) uitgaven die de veroordeelde heeft gedaan in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, tenzij aannemelijk is dat deze uitgaven zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten, (…).”
24. Ik meen echter dat in de bestreden uitspraak onvoldoende vaststellingen liggen besloten voor het oordeel dat het hof de maatregel van voordeelsontneming zonder meer op deze grondslag had kunnen opleggen (in welk geval de betrokkene bij cassatie geen rechtens te respecteren belang zou hebben). De bewijsklacht onder (b) is immers terecht voorgesteld, juist omdat de in de kasopstelling opgenomen posten elke onderbouwing missen.
25. Het middel slaagt.
Het tweede middel: de transactieberekening over 2015
26. Het tweede middel bevat klachten over de becijfering en onderbouwing van de winstmarge die bij de concrete voordeelberekening in aanmerking is genomen.
De bewijsmotivering van de transactieberekening over 2015
27. Wat betreft de periode van 1 januari 2015 tot en met 12 mei 2015, ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan de transactiemethode,10.verwijst de rechtbank naar de inhoud van – tussen 31 maart 2015 en 27 april 2015 – opgenomen vertrouwelijke communicatie (OVC) tussen de betrokkene en [betrokkene 3] . Daaruit valt naar het oordeel van de rechtbank op te maken dat de betrokkene in die periode drie partijen heroïne heeft verkocht, te weten partijen van 500 kilogram, 60 kilogram en 31,25 kilogram (in totaal 591,25 kilogram). Met aftrek van de op 12 mei 2015 inbeslaggenomen partij van 46 kilogram, acht de rechtbank “aannemelijk” dat de betrokkene 545,25 kilogram heeft verkocht.11.Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden.
28. Wat betreft de hoogte van de gemiddelde winstmarge per kilogram heroïne heeft de rechtbank uit bedragen die in OVC-gesprekken worden genoemd een bedrag van € 2.402 afgeleid door de gemiddelde inkoopprijs per kilogram heroïne in mindering te brengen op de gemiddelde verkoopprijs per kilogram heroïne (zie hieronder). Op de brutowinst (i.e. 545,25 kg x € 2.402 p/kg = € 1.309.690 naar beneden afgerond op hele euro’s) heeft de rechtbank de huurkosten van het pand [a-straat] (€ 3.600) in mindering gebracht. Het resultaat daarvan, € 1.306.090, heeft de rechtbank gedeeld door drie, op de grond dat aannemelijk is dat de betrokkene als leider van de criminele organisatie een derde van de nettowinst is toegekomen. De uitkomst daarvan (wederom naar beneden afgerond op hele euro’s) bedraagt: € 435.363.
29. Onder het kopje ‘verkoopprijs, inkoopprijs en winstmarge’ heeft de rechtbank in haar vonnis het volgende overwogen (p. 7, onderstreping mijnerzijds):
“De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat zich in het dossier geen boekhouding bevindt van de in- en verkoop van verdovende middelen. De rechtbank is voorts van oordeel dat de op pagina 16 van de ontnemingsrapportage vermelde (berekening van de) verkoopprijzen, inkoopprijzen en winstmarge goed zijn onderbouwd en derhalve aannemelijk zijn. Hetgeen in dit verband door de raadsman is aangevoerd geeft de rechtbank geen aanleiding correcties op deze berekeningen aan te brengen. De raadsman heeft immers geen concrete en verifieerbare onderbouwing aangedragen, waaruit de rechtbank zou kunnen afleiden dat de genoemde prijzen lager of hoger (inkoopprijs) zouden moeten geschat dan de genoemde bedragen in de ontnemingsrapportage. Evenmin heeft de raadsman concreet en onderbouwd aangegeven met welke andere kostenposten rekening zou moeten worden gehouden. De rechtbank zal bij het schatten van het wederrechtelijk verkregen voordeel derhalve uitgaan van de in de ontnemingsrapportage genoemde prijzen.”
30. Voor de berekening verwijst de rechtbank naar p. 16 van het financieel rapport van 12 april 2016. Aldaar wordt die berekening als volgt toegelicht:
“6.1. Prijzen
In de in punt 5.6 genoemde OVC gesprekken worden een aantal verkoopprijzen, inkoopprijzen en winstmarges van heroïne genoemd. Met behulp van het computerprogramma Excel heb ik hieruit gemiddelde bedragen berekend. Deze berekening is vooraan bijlage 2 opgenomen.
Voor wat betreft de verkoopprijs per kilogram zijn in totaal 26 bedragen genoemd. Op basis van deze bedragen is een gemiddelde verkoopprijs van afgerond € 15.038,00 berekend. Voor wat betreft de inkoopprijzen per kilogram zijn in totaal 11 bedragen genoemd. Op basis van deze bedragen is een gemiddelde inkoopprijs van afgerond € 12.636,00 berekend. Het verschil tussen de gemiddelde verkoopprijs en de gemiddelde inkoopprijs, de winstmarge bedraagt afgerond € 2.402,00.
In twee gevallen wordt rechtstreeks een winstmarge per kilogram genoemd. Deze bedragen zijn in de berekening opgenomen met de opmerking “marge verklaard”. In vijf gevallen worden een in- en verkoopprijs in een samenhang genoemd. In die gevallen zijn de bedragen in de berekening opgenomen met de opmerking “marge berekend”. Op basis van deze bedragen is een gemiddelde winstmarge van € 4.750,00 berekend. Voorzichtigheidshalve en in het voordeel van de verdachten zal voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan worden van de laagste winstmarge een bedrag van € 2.402,00.”12.
31. De relevante passages uit de bedoelde OVC-gesprekken, zijn weergegeven onder nummer 5.6 (p. 12-15) van het financieel rapport van 12 april 2016. In bijlage 2 (210 pagina’s) bij dit rapport is de berekening van de gemiddelde winstmarge in een Excel-bestand opgenomen en zijn verslagen van OVC-gesprekken gevoegd.
De toelichting op het tweede middel
32. Het tweede middel bevat de klacht dat de motivering van de schatting van de gemiddelde winstmarge per kilogram heroïne (het bedrag van € 2.402) tekortschiet omdat de rechtbank in het door het hof bevestigde vonnis, op de wijze als hiervoor weergegeven, heeft verwezen naar financiële rapportage, terwijl de daarin opgenomen gevolgtrekking omtrent de gemiddelde winstmarge op de zitting van het hof ‘voldoende gemotiveerd’ is betwist.
33. De steller van het middel verwijst hiertoe naar een passage uit de pleitnotities die – blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal – op de zitting van het hof van 6 april 2023 zijn voorgedragen en aan het hof zijn overgelegd.13.Die passage luidt als volgt:
“37. Behalve de hoeveelheid gehanteerde kilo's is er natuurlijk de geschatte winstmarge en de geschatte verdeelsleutel. Wat de eerste betreft zitten er in het dossier inderdaad vele gesprekken waarin vele bedragen en getallen worden genoemd. Om op grond daarvan tot een gemiddelde winstmarge per kilo te komen is wat de verdediging betreft nogal arbitrair. Daarnaast zou ik het als een feit van algemene bekendheid willen aanmerken dat ook voor de verdovende middelenhandel geldt dat het sterk wisselt in hoeverre een project of transport succesvol is en de daarmee te behalen winsten evenzeer wisselend zijn.
38. Zo blijkt uit het overzicht dat op pagina 12 en verder van het ontnemingsrapport in map 1 van het dossier is opgenomen al dat zowel inkoopprijzen als verkoopprijzen sterk variëren. Het maakt uiteraard verschil waar je inkoopt en waar je verkoopt, waarbij het verschil tussen Nederland en Duitsland afgaande op de interpretatie van deze gesprekken opmerkelijk mag worden genoemd. Belangrijker is echter dat de gemiddelde marge zoals die volgens het ontnemingsrapport uit deze gesprekken kan worden afgeleid naar het oordeel van de verdediging een onjuiste interpretatie van die gesprekken oplevert.
39. Niet alleen lijkt die marge uitsluitend te worden gebaseerd op het verschil tussen genoemde inkoopprijzen en verkoopprijzen, waardoor alle kosten die na inkoop én voor verkoop moeten worden gemaakt buiten beschouwing blijven (verpakking, transport, chauffeur, eventuele douanefunctionarissen die betaald moeten worden, kosten vervoermiddelen, kosten opslaglocaties, kosten versnijding, et cetera) buiten beschouwing worden gelaten. Bovendien zijn er diverse aanwijzingen in het dossier dat er regelmatig genoegen wordt genomen met een aanzienlijk minder grote marge dan waar de vordering uiteindelijk van uitgaat. Zo zegt [betrokkene 10] in een gesprek van 7 april 2015 (nummer 280) dat hij het voor 12 binnenkrijgt en het voor 13 wil geven en dat een marge van 1000 lira genoeg is. [betrokkene] zegt in een gesprek van 18 april 2015 zelfs dat hij op Rolex helemaal geen winst maakt, hetgeen kennelijk een verslechtering is ten opzichte van vier dagen geleden want dan zegt hij nog dat hij 250 winst maakt op Rolex. Dat zijn uiteraard bedragen die aanzienlijk lager liggen dan de €2400 per kilo waar het Openbaar Ministerie mee rekent.
40. Voor alle duidelijkheid: voor de handel in verdovende middelen geldt net als voor vrijwel alle andere handel dat men zich daar niet mee bezighoudt om er geld op toe te leggen en er zal heus sprake zijn van inkomsten die met die handel worden gegenereerd, vaak zelfs omvangrijke inkomsten. Anderzijds staat het strafdossier bol van de gesprekken waarin wordt aangegeven dat er helemaal geen geld is, dat ze nog maar een paar honderd euro hebben om de maand door te komen, dat ze onvoldoende geld hebben om kerst of nieuwjaar te vieren, et cetera. Dat sprake is geweest van uitermate winstgevende transporten zoals we dat in de handel in cocaïne nog wel eens tegengekomen volgt in ieder geval niet, hetgeen correspondeert met wat ik eveneens als een feit van algemene bekendheid zou willen aanmerken namelijk dat de handel in heroïne aanzienlijk minder lucratief is dan die in cocaïne. Het is niet voor niets dat verdachten die zich in het verleden met heroïne bezighielden nog wel eens pogingen willen wagen hun werkterrein uit te breiden naar cocaïne, iets dat volgens het Openbaar Ministerie ook in deze zaak het geval is geweest. (…).”
Beoordelingskader: de ‘voldoende gemotiveerde betwisting’ van een gevolgtrekking
34. Vooropgesteld zij dat het thans niet gaat om de vraag naar de begrijpelijkheid van (a) de in de ontnemingsuitspraak opgenomen vaststelling van een gemiddelde winstmarge en (b) het gebruik hiervan bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het gaat om de vraag of de ontnemingsrechter zijn oordelen hierover voldoende heeft onderbouwd, namelijk door in zijn uitspraak melding te maken van de feiten en omstandigheden die voor de schatting ‘reden geven’, zulks onder verwijzing naar de bewijsmiddelen waaraan die zijn ontleend. Hoewel die twee vragen nauw samenhangen betreft de eerste vraag vooral de inhoud en de tweede vooral de vorm van de bewijsmotivering.
35. In HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, NJ 2013/544 m.nt. Borgers, introduceerde de Hoge Raad het begrip ‘voldoende gemotiveerde betwisting’ in het strafprocesrecht (in het bijzonder het ontnemingsrecht).14.De betreffende rechtsoverwegingen luiden als volgt:
“3.3.2. Krachtens art. 511f Sv kan de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Ingevolge art. 511e, eerste lid, Sv (in eerste aanleg) en art. 511g, tweede lid, Sv (in hoger beroep) is op de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel art. 359, derde lid, Sv van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat die uitspraak de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden.
3.3.3.
Als wettig bewijsmiddel zal veelal een (in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek opgesteld) financieel rapport in het geding zijn gebracht met een beredeneerde, al dan niet door de methode van vermogensvergelijking verkregen, begroting van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat. Een dergelijk rapport is doorgaans zo ingericht dat daarin onder verwijzing naar of samenvatting van aan de inhoud van andere wettige bewijsmiddelen ontleende gegevens gevolgtrekkingen worden gemaakt omtrent de verschillende posten die door de opsteller(s) van het rapport aan het totale wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag worden gelegd.
In beginsel staat geen rechtsregel eraan in de weg om de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitsluitend op de inhoud van een financieel rapport als zojuist bedoeld te doen berusten.
3.3.4.
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad wordt wel afgeleid dat de uitspraak een (volledige) weergave dient te bevatten van de feiten en omstandigheden waarop de in dat rapport gemaakte gevolgtrekkingen steunen. De Hoge Raad ziet aanleiding de in dit verband aan de motivering te stellen eisen te verduidelijken.
3.3.5.
Indien en voor zover een in het financieel rapport gemaakte gevolgtrekking is ontleend aan de inhoud van een of meer wettige, voldoende nauwkeurig in dat rapport aangeduide bewijsmiddelen en die gevolgtrekking – blijkens vaststelling door de rechter – door of namens de betrokkene niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist, kan de rechter bij de opgave van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend, volstaan met de vermelding van (het onderdeel van) het financieel rapport als bewijsmiddel waaraan de schatting (in zoverre) is ontleend en het weergeven van die gevolgtrekking uit het rapport.
3.3.6.
Indien door of namens de betrokkene zo een gevolgtrekking wel voldoende gemotiveerd is betwist, dienen aan de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel nadere eisen te worden gesteld. In dat geval zal de rechter in zijn overwegingen met betrekking tot die schatting moeten motiveren op grond waarvan hij ondanks hetgeen door of namens de betrokkene tegen die gevolgtrekking en de onderliggende feiten en omstandigheden is aangevoerd, die gevolgtrekking aanvaardt. Indien de rechter de aan het financieel rapport of aan andere wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden, die hij bij zijn oordeel daaromtrent betrekt en die redengevend zijn voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, in de overwegingen (samengevat) weergeeft onder nauwkeurige vermelding van de vindplaatsen daarvan, is aan de uit art. 359, derde lid, Sv voortvloeiende verplichting voldaan.”15.
36. Ingevolge artikel 511e Sv (in eerste aanleg) en artikel 511g Sv jo. artikel 415 Sv (in hoger beroep) zijn in ontnemingszaken de leden 2 en 3 van artikel 359 Sv onverkort van toepassing. Artikel 359 lid 3, eerste volzin, Sv verplicht de strafrechter tot motivering van zijn beslissing dat het ten laste gelegde door de verdachte is begaan, terwijl de ontnemingsrechter – die oordeelt dat de maatregel ex artikel 36e Sr moet worden opgelegd – op die titel is gehouden tot motivering van zijn schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De verplichting tot motivering van de bewezenverklaring, respectievelijk van de schatting bestaat ongeacht of en zo ja met welke argumenten die bewezenverklaring c.q. schatting wordt bestreden. In die zin is deze motiveringsverplichting onvoorwaardelijk. Over de wijze waarop aan die verplichting gevolg moet worden gegeven, bestaat veel jurisprudentie.16.De daarin neergelegde eisen komen er zeer in het kort op neer dat de rechter in zijn uitspraak in elk geval met voldoende mate van nauwkeurigheid melding dient te maken van de feiten en omstandigheden die hem – al dan niet door tussenkomst van daaraan verbonden ‘gevolgtrekkingen’ – reden geven voor het bewijsoordeel, respectievelijk de schatting, zulks onder verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan hij deze feiten en omstandigheden ontleent.
37. Aanleiding voor het (hiervoor geciteerde) arrest HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, is het routineuze gebruik door de ontnemingsrechter van uitsluitend financiële rapportage ter motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Zoals de Hoge Raad al overwoog strookt dit gebruik op zichzelf met het bewijsrecht in ontnemingszaken. Artikel 511f Sv stipuleert immers niet méér dan dat de schatting is ontleend aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen. Een financieel rapport voldoet in zoverre omdat het als ‘ander geschrift’ kan worden geschaard onder de wettige bewijsmiddelen van categorie 5 van artikel 344 lid 1 Sv.17.In artikel 511f Sv ligt géén bewijsminimumregel besloten,18.terwijl het Nederlandse bewijsrecht niet het best evidence-beginsel kent, dat grofweg inhoudt dat voor de bewijsvoering zoveel mogelijk moet worden teruggegrepen op de authentieke bron.19.Het moet uiteraard wel gaan om een ‘redengevend’ bewijsmiddel, dat wil zeggen om financiële rapportage waarin inzicht wordt gegeven in de wijze waarop het voordeel is becijferd, zulks doordat (ik citeer de Hoge Raad) “daarin onder verwijzing naar of samenvatting van aan de inhoud van andere wettige bewijsmiddelen ontleende gegevens gevolgtrekkingen worden gemaakt omtrent de verschillende posten die door de opsteller(s) van het rapport aan het totale wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag worden gelegd.”
38. Indien een beslissing afwijkt van een door of namens een verdachte of betrokkene ter zitting ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is niet alleen de strafrechter, maar ook de ontnemingsrechter op grond van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv gehouden om in het bijzonder de redenen op te geven die tot deze afwijking hebben geleid.20.Een standpunt over (mogelijke gebreken in) de voordeelbepaling dat als ‘uitdrukkelijk onderbouwd’ kan worden bestempeld en dat door de ontnemingsrechter wordt gepasseerd, genereert dus een motiveringsplicht.21.Ik noem dit een ‘voorwaardelijke’ motiveringsverplichting, omdat die verplichting niet eerder ontstaat dan bij afwijking van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.
39. Het arrest HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, valt enigszins buiten het door mij geschetste wettelijke systeem van motiveringseisen. De overwegingen van de Hoge Raad laten namelijk zien dat in ontnemingszaken de procesopstelling van de betrokkene, en met name een ‘voldoende gemotiveerde betwisting’ van een in het financieel rapport opgenomen gevolgtrekking, meer rechtstreeks betekenis heeft voor de wijze waarop en de mate waarin de ontnemingsrechter – op de voet van artikel 359 lid 3, eerste volzin, Sv – de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet motiveren. Het aangehaalde arrest brengt daarmee tot uitdrukking dat in ontnemingszaken het principiële onderscheid tussen enerzijds het (onvoorwaardelijke) bewijsmotiveringsvoorschrift van artikel 359 lid 3, eerste volzin, Sv en anderzijds het (voorwaardelijke) motiveringsvoorschrift van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv in enige mate is vervaagd. Op zichzelf strookt deze ´vervaging´ wel weer met de sterk contradictoire aard van de ontnemingsprocedure. Van de verdediging wordt bij de procesvoering, met het oog op een redelijke en billijke verdeling van de bewijslast voor wat betreft de omvang van het voordeel, een actieve bijdrage verwacht. De ontnemingsrechter mag daardoor uitgaan van bepaalde vermoedens zolang die niet adequaat worden weersproken.22.
40. Het voorgaande strekt er niet toe te betogen dat de voorschriften van artikel 359 lid 3, eerste volzin, Sv en van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv – in ontnemingszaken – met elkaar kunnen worden vereenzelvigd. De hiervoor aangehaalde rechtsoverwegingen in HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, brengen tot uitdrukking dat de nadere motiveringseisen die aanleiding vinden in een ‘voldoende gemotiveerde betwisting’ van een gevolgtrekking die in een financieel rapport is gemaakt, berusten op artikel 359 lid 3, eerste volzin, Sv. Dat betekent, naar ik vermoed, ook dat aan de betwisting van een gevolgtrekking in een financieel rapport – wil zij kunnen doorgaan voor ‘voldoende gemotiveerd’ – niet dezelfde (hoge) eisen worden gesteld als aan een standpunt omtrent de omvang van het wederrechtelijke verkregen voordeel, wil dit kunnen gelden als ‘uitdrukkelijk onderbouwd’, bedoeld in artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv.
41. De geciteerde overwegingen van de Hoge Raad strekken er bovendien toe om te verduidelijken hoe ver de toets in cassatie reikt. De Hoge Raad verlangt van de ontnemingsrechter in dit verband dat hij in de motivering tot uitdrukking brengt of een door hem aanvaarde gevolgtrekking al dan niet voldoende gemotiveerd is betwist.23.Dit kan per gevolgtrekking verschillen. Zodoende moet de ontnemingsrechter te kennen geven of de onder rechtsoverweging 3.3.5, dan wel de onder rechtsoverweging 3.3.6 bedoelde situatie van toepassing is. Het aldus kenbaar gemaakte oordeel wordt in cassatie op zijn begrijpelijkheid getoetst.24.De indringendheid van de cassatietoets hangt af van de inhoud van de in cassatie opgeworpen motiveringsklachten. Rechtspraak hierover heb ik in deze voetnoten opgenomen.25.,26.
De bespreking van het tweede middel
42. Het financieel rapport van 12 april 2016 bevat een gevolgtrekking over de winstmarge die de betrokkene en anderen in de eerste helft van 2015 met de handel in heroïne zouden hebben behaald. De gevolgtrekking behelst de afleiding van een gemiddelde winstmarge per kilogram heroïne ter hoogte van € 2.402 uit het gemiddelde van het verschil tussen inkoop- en verkoopprijzen van heroïne. De betwiste gevolgtrekking behelst dus in de kern een reeks van gevolgtrekkingen, met als startpunt bedragen die uit OVC-gesprekken kunnen worden opgemaakt en als finish de gemiddelde brutowinst per kilogram heroïne.
43. Ter zitting in hoger beroep is namens de betrokkene (samengevat) aangevoerd (i) dat de winstmarge per project of transport in hoge mate kan variëren en dat het vaststellen van een gemiddelde een arbitraire keuze is, (ii) dat de interpretatie van de OVC-gesprekken waaruit inkoop- en verkoopprijzen zijn afgeleid onjuist is (overigens zonder dat wordt uiteengezet waarom dat zo is), (iii) dat andere kosten dan inkoopkosten buiten beschouwing zijn gelaten, (iv) dat blijkens de OVC-gesprekken geregeld genoegen wordt genomen met minder marge dan de in het financieel rapport becijferde winstmarge (onderbouwd met een verwijzing naar twee OVC-gesprekken).
44. Evenals de rechtbank heeft het hof niet met zoveel woorden als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht of de gevolgtrekking omtrent de omvang van een gemiddelde winstmarge en het gebruik van dit bedrag bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel al dan niet ‘voldoende gemotiveerd betwist’ is. Wel heeft de rechtbank in het door het hof bevestigde vonnis overwogen (ik herhaal):
“Hetgeen in dit verband door de raadsman is aangevoerd geeft de rechtbank geen aanleiding correcties op deze berekeningen aan te brengen. De raadsman heeft immers geen concrete en verifieerbare onderbouwing aangedragen, waaruit de rechtbank zou kunnen afleiden dat de genoemde prijzen lager of hoger (inkoopprijs) zouden moeten geschat dan de genoemde bedragen in de ontnemingsrapportage. Evenmin heeft de raadsman concreet en onderbouwd aangegeven met welke andere kostenposten rekening zou moeten worden gehouden.”
45. Naar het mij voorkomt valt de door de rechtbank gestelde eis dat het aangevoerde “concreet (en verifieerbaar) is onderbouwd” niet op één lijn te stellen met de eis van ‘voldoende gemotiveerde betwisting’ (van een gevolgtrekking uit een financieel rapport). De als eerste vermelde eis heeft dezelfde contouren als die van de hoge eisen die worden gesteld aan een standpunt wil dat kunnen doorgaan voor ‘uitdrukkelijk onderbouwd’. De tweede eis houdt in dat de betwisting (van een gevolgtrekking) motivering behoeft, met de aantekening dat niet iedere motivering toereikend is.27.Indien is voldaan aan het tweede is de ontnemingsrechter gehouden kenbaar te maken welke feiten en omstandigheden hem – ondanks de betwisting – reden geven voor, in dit geval, de schatting van de winstmarge en het gebruik van het gemiddelde van hiervoor relevante bedragen die uit OVC-gesprekken kunnen worden afgeleid. De eis van ‘uitdrukkelijke onderbouwing’ wordt m.i. aan de ‘voldoende gemotiveerde betwisting’ niet gesteld. Door zwaardere eisen te stellen heeft het hof verzuimd om tot uitdrukking te brengen of (hij van oordeel is dat) de in het financieel rapport opgenomen gevolgtrekking omtrent de gemiddelde winstmarge voldoende gemotiveerd is betwist.
46. Dit verzuim hoeft weliswaar niet zonder meer aanleiding te geven tot cassatie, maar het brengt wel mee dat de Hoge Raad niet kan varen op de door de ontnemingsrechter uitgestippelde koers. In de voorliggende zaak meen ik echter dat hetgeen de verdediging ter zitting heeft aangevoerd bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als een voldoende gemotiveerde betwisting van de gevolgtrekking omtrent de winstmarge van de handel in verdovende middelen.
47. De rechtbank heeft in het door het hof bevestigde vonnis voor de onderbouwing van de gemiddelde winstmarge enkel verwezen naar de gevolgtrekking omtrent de winstmarge die op p. 16 van het financieel rapport van 12 april 2016 is opgenomen, zulks met de toevoeging dat zij in het aangevoerde vanwege het gebrek aan ‘concrete en verifieerbare onderbouwing’ geen reden ziet om hiervan af te wijken. Als ik de met het arrest HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, in gang gezette rechtspraak goed begrijp, kan hiermee niet worden volstaan.28.
48. Het tweede middel is terecht voorgesteld.
Het derde middel
49. Het derde middel bevat een klacht over de toerekening van een derde deel van het voordeel dat over 2015 aan de hand van de transactiemethode is vastgesteld.
De toerekening van de winst over 2015
50. Onder het kopje ‘verdeelsleutel’ heeft de rechtbank het volgende overwogen (vonnis, p. 7-8):
“De officier van justitie heeft bij het bepalen van de verdeelsleutel de rol van veroordeelde in het criminele samenwerkingsverband in zijn nadeel in aanmerking genomen. Op pagina 98 e.v. van het vonnis wordt door de rechtbank over de rol van veroordeelde overwogen. De rechtbank komt op pagina 103 van genoemd vonnis tot het oordeel dat sprake is geweest van een criminele organisatie waartoe veroordeelde behoort. Binnen deze organisatie was veroordeelde de leider. Gelet op de bewezen verklaarde rol van veroordeelde als leider van een criminele organisatie, is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat aan veroordeelde een derde van de genoten winst is toegekomen. Naar het oordeel van de rechtbank is hetgeen de raadsman in dit verband naar voren heeft gebracht onvoldoende om de aannemelijkheid van deze verdeelsleutel te weerleggen. De rechtbank merkt daarbij echter op dat een derde van de winst (dus met aftrek van voornoemde huurkosten) resulteert in een bedrag van € 435.363,-. De rechtbank zal bij de berekening van het totaal aan wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaan van dit (gecorrigeerde) bedrag.”
De toelichting op het derde middel
51. De toelichting op het derde middel bevat de klacht dat het hof in strijd met artikel 511f Sv heeft verzuimd weer te geven aan welke – in wettige bewijsmiddelen opgenomen – redengevende feiten en omstandigheden het hof heeft ontleend dat (maar liefst) een derde van het voordeel dat aan de hand van de transactiemethode is vastgesteld aan de betrokkene kan worden toegerekend.
De bespreking van het derde middel
52. Naar mijn inzicht gaat de steller van het middel eraan voorbij dat voor wat betreft de mate van toerekening van het voordeel aan de betrokkene niet de eis geldt dat de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden aan wettige bewijsmiddelen zijn ontleend. Voldoende is dat die feiten en omstandigheden, zoals een bepaalde rolverdeling, uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken.29.Daardoor stelt het middel eisen die de wet niet kent.
53. Het derde middel faalt.
Slotsom
54. De eerste twee middelen slagen. Het derde middel faalt en kan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende formulering worden afgedaan.
55. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
56. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 18‑02‑2025
Het ontnemingsvonnis p. 4. Zie ook p. 3 (waar de rechtbank meer wetstekstconform overweegt): “Op grond van deze veroordeling kan aan veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van of uit de baten van de ingevolge dat vonnis bewezenverklaarde strafbare feiten en andere feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan.”
Vonnis p. 4-5.
Ik merk op dat het ‘financiële rapport’ van 25 juli 2018, dat een herberekening bevat, is opgesteld door een officier van justitie, en niet door de financieel deskundige die het in de volgende voetnoot vermelde financieel rapport heeft opgesteld. De vraag of de herberekening onder die omstandigheden überhaupt nog wel kan doorgaan voor een ‘financieel rapport’ als door de Hoge Raad bedoeld, beantwoord ik met enige aarzeling bevestigend. Dit rapport is overigens niet op ambtseed is opgemaakt. Mede om die reden houd ik het ervoor dat het moet doorgaan voor een ‘ander geschrift’ in de zin van art. 344 lid 1 sub 5 Sv.
Het financiële rapport van K. Roos, financieel deskundige, dat op het voorblad de datum van 12 april 2016 vermeld, dat ten parkette is ingekomen op 18 april 2016, doch dat volgens de dagtekening is ondertekend op 19 april 2016.
Vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, NJ 2013/544 m.nt. Borgers, met name 3.3.3 en 3.3.5. Deze rechtspraak is door mij – met vele rechtspraakverwijzingen – besproken in mijn conclusie van 10 september 2024, ECLI:NL:PHR:2024:927. Ook recentelijk nog, bij arresten van 14 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:5 en ECLI:NL:HR:2025:7, heeft de Hoge Raad naar zijn uitspraak van 26 maart 2013 verwezen.
HR 11 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:4, rov. 2.5.1; HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1077, rov. 2.5.2, en HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1501, rov. 2.4.3.
Vgl. HR 11 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:4, rov. 2.5.2; HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523.
Wet van 31 maart 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten ter verbetering van de toepassing van de maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (verruiming mogelijkheden voordeelontneming), Stb. 2011, 171.
Vonnis p. 5-8.
Vonnis p. 7.
Ik wijs er nog op dat in het financieel rapport in het voordeel van de betrokkene is aangenomen dat de verdovende middelen niet zijn versneden, hoewel er volgens de rapporteur aanwijzingen zijn dat zulks in bepaalde gevallen wél is gebeurd. Zie onder 6.3, op p. 17 van het financieel rapport van 12 april 2016.
Zie het proces-verbaal van de zitting van het hof van 4 april 2023, p. 1, en de pleitnotities die op die zitting zijn overgelegd (waarop nog de datum van de zitting staat vermeld waarop het pleidooi aanvankelijk was geagendeerd). Het gaat om de passage op p. 50-51, en dat betreft een voorgedragen citaat uit het pleidooi in eerste aanleg.
In mijn conclusie van 10 september 2024, ECLI:NL:PHR:2024:927, stond ik meer uitgebreid stil bij de betekenis van het begrip ‘voldoende gemotiveerde betwisting’ (van een gevolgtrekking, resp. van extrapolatie), bij de wettelijke grondslag ervan, bij de vraag naar de eisen die aan een betoog worden gesteld wil het kunnen doorgaan voor een ‘voldoende gemotiveerde betwisting’, en naar de verhouding met het leerstuk van het ‘uitdrukkelijk onderbouwd standpunt’. In de daaraan onderliggende zaak werd in cassatie zowel geklaagd over een tekort in de bewijsmotivering naar aanleiding van een ‘voldoende gemotiveerde betwisting’ als over het verzuim om te reageren op een ‘uitdrukkelijk onderbouwd standpunt’ (met dezelfde inhoud). De Hoge Raad greep de uitnodiging om invulling te geven aan het door hemzelf geïntroduceerde begrip ‘voldoende gemotiveerde betwisting’ en om onderscheid te maken met het begrip ‘uitdrukkelijk onderbouwd standpunt’ niet aan. De klachten werden gezamenlijk behandeld en slaagden beide. Zie HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1642. Ik ga mijn betoog hier niet herhalen.
HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, NJ 2013/544 m.nt. Borgers. Vgl. HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BT6251, NJ 2013/545 m.nt. Borgers; HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BT6374; HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BU3984; HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX8746, NJ 2013/546 m.nt. Borgers; HR 11 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BU2056, NJ 2013/547; HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1163; HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:184; HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3255; HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3257; HR 20 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2125; HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:8, NJ 2017/92 m.nt. Reijntjes; HR 11 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1544; HR 11 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1546; HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:147, NJ 2022/136; HR 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:243; HR 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:244.
Vgl. HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424, NJ 2007/387 (Promis II), en HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0425, NJ 2007/388 m.nt. Buruma, recentelijk herhaald in HR 9 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:975, en specifiek voor ontnemingszaken: HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9426, NJ 2010/407, herhaald in HR 4 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1012.
HR 22 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1151, NJ 2000/298. Het financieel rapport onderscheidt zich van processen-verbaal (zijnde bewijsmiddelen van categorie 2 van lid 1 van art. 344 Sv) doordat het financieel rapport geen mededelingen bevat van door de verbalisant/rapporteur zelf waargenomen of ondervonden feiten en omstandigheden, maar van – door een financieel deskundige opsporingsambtenaar gedane – gevolgtrekkingen op basis van door anderen waargenomen of ondervonden feiten en omstandigheden.
De bewijsminimum- en bewijskrachtregels uit artt. 341, 342, 344 en 344a Sv blijven ingevolge art. 511f Sv in de ontnemingsprocedure buiten toepassing. Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3, p. 14. Zie ook: HR 9 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9559, NJ 1998/90, en HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA7648, NJ 2008/406 m.nt. Borgers.
G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 57-58.
HR 6 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3593, NJ 2008/287.
HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393; HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:238, NJ 2014/279; HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1799, NJ 2015/428.
Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3, p. 14-15: “De wijze waarop de rechter tot het oordeel kan komen dat aannemelijk is dat de veroordeelde op enigerlei wijze wederrechtelijk voordeel heeft verkregen in de zin van het derde lid van art. 36e Sr, wordt, behoudens het bovenstaande, evenmin aan voorschriften van het Wetboek van Strafvordering onderworpen. Hij kan daarbij, zoals in civiele procedures, zich op bepaalde vermoedens verlaten. Het bewijscriterium is hier de aannemelijkheid. Op het openbaar ministerie zal in eerste aanleg de last rusten de argumenten aan te dragen waarop een dergelijke aannemelijkheid kan worden gestoeld. Of het daarin slaagt is aan het oordeel van de rechter. Deze kan daarbij voor een afweging komen te staan die, op vergelijkbare wijze als in het civiele recht, kan nopen tot een verdere bewijslastverdeling op basis van redelijkheid en billijkheid. Als het openbaar ministerie er in slaagt op bepaalde punten de schijn tegen de veroordeelde te wekken, dan kan de rechter hem de bewijslast tot disculpatie op die punten opleggen. Zo zou de rechter de aannemelijkheid dat op enigerlei wijze wederrechtelijk voordeel is verkregen kunnen gronden op de door het openbaar ministerie bewezen stelling, dat de veroordeelde over aanzienlijke vermogensbestanddelen beschikt die in redelijkheid niet geacht kunnen worden uit legale inkomsten van de veroordeelde verworven te zijn, terwijl deze niet aannemelijk kan maken dat hij zich legitiem heeft verrijkt.” Zie ook de minister van Justitie in: Handelingen II 1989/90, 86-5201.Zie tevens HR 28 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1182, NJ 2003/96 m.nt. Mevis, waarin de Hoge Raad overwoog dat geen rechtsregel en met name niet art. 6 EVRM zich ertegen verzet dat in zaken als de onderhavige, waarin de grondslag van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel – hier het strafbare feit door middel van of waaruit dat voordeel is verkregen – in rechte is komen vast te staan, de bewijslast op redelijke en billijke wijze wordt verdeeld tussen het openbaar ministerie en de betrokkene.Zie tot slot: HR 25 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8950, NJ 2003/97.
Zie bijv. HR 11 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BU2056, NJ 2013/547: “Bovendien blijkt uit de bestreden uitspraak niet of de kennelijk aan die bewijsmiddelen ontleende optelling van uitgaven en bankstortingen, die het Hof blijkens zijn overwegingen voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot uitgangspunt heeft genomen, bij de behandeling in hoger beroep (voldoende gemotiveerd) is betwist.”
Zie bijv. HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3257: “Daartoe heeft het Hof vastgesteld dat de inhoud van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, waarin de gevolgtrekking omtrent het aantal van 678 planten is gemaakt, door de betrokkene niet is betwist. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk, in aanmerking genomen dat door de verdediging met betrekking tot het aantal planten is aangevoerd dat de kwekerij nog in aanbouw was, dat (kennelijk: daarom) bij de ontmanteling geen hennepplanten zijn aangetroffen en dat het aantal geoogste planten derhalve nihil is.”
De bestreden uitspraak bleef in stand in:HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BT6374: “De bij 2.2.1 hiervoor weergegeven overwegingen in samenhang met de bij 2.2.2 weergegeven bewijsmiddelen voldoen aan de zojuist bij (iii) en (iv) vermelde eisen. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat in die overwegingen is vastgesteld dat een aantal in de vermogensvergelijking opgenomen posten, te weten dagelijkse uitgaven en sieraden, de gestelde dubbeltelling terzake van belening van een sieraad, alsmede uitgaven voor enkele auto's niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. Verder is in die overwegingen naar behoren uiteengezet, telkens met opgave van de feiten en omstandigheden waaraan het Hof doorslaggevende betekenis heeft toegekend en met vermelding van het wettige bewijsmiddel waaraan het Hof die feiten en omstandigheden heeft ontleend, waarom de in de wettige bewijsmiddelen opgenomen berekening van dat wederrechtelijk verkregen voordeel op enkele punten terecht is bestreden zodat die berekening in de door de verdediging voorgestane zin moet worden herzien, en overige onderdelen van die berekening vruchteloos zijn bestreden in die zin dat aannemelijk is dat de daar genoemde uitgaven daadwerkelijk door de betrokkene zijn gedaan.”;HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BU3984;HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX8746, NJ 2013/546: “De hiervoor bij 2.2.1 en 2.2.2 weergegeven overwegingen voldoen aan de zojuist bij (iii) en (iv) vermelde eisen. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat in die overwegingen is vastgesteld dat door of namens de betrokkene geen verklaring is gegeven voor het negatieve verschil tussen uitgaven en legale inkomsten, zoals in het door het Hof genoemde ambtsedig proces-verbaal berekend over de periode van 1 januari 1998 tot 1 april 2003, in welke vaststelling besloten ligt dat die opstelling van uitgaven en legale inkomsten als zodanig niet — voldoende gemotiveerd — is betwist. Verder is in die overwegingen een toereikend gemotiveerde beslissing gegeven op de in hoger beroep gevoerde, hiervoor in 2.3 weergegeven, verweren, en met name uiteengezet waarom aannemelijk is dat de in de kasopstelling betrokken uitgaven daadwerkelijk door de betrokkene zijn gedaan.”HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1163;HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:184: “Aldus is voldaan aan de hiervoor in 2.4 onder (iv) bedoelde verplichting dat, indien door of namens de betrokkene een gevolgtrekking uit het financieel rapport gemotiveerd is betwist, de rechter niet kan volstaan met de vermelding van (het onderdeel) van het financieel rapport als bewijsmiddel waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend, maar zal moeten motiveren op grond waarvan hij die gevolgtrekking aanvaardt. Het oordeel van het Hof dat het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op een bedrag van € 52.671,79, is, mede gelet op hetgeen daaromtrent ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd, toereikend gemotiveerd. De feiten en omstandigheden waarop dat oordeel is gebaseerd, zijn in de door het Hof overgenomen overwegingen van de Rechtbank voldoende (samengevat) weergegeven. Gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep kan worden aangenomen dat de verwijzing naar de stukken van het ontnemingsdossier waaraan die feiten en omstandigheden zijn ontleend - met welk dossier klaarblijkelijk de in de opgave van de bewijsmiddelen bedoelde processen-verbaal van bevindingen van strafrechtelijk financieel onderzoek is bedoeld - voldoende nauwkeurig is.”;HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2843, NJ 2015/72 m.nt. Keulen: “Voor zover de klacht inhoudt dat het Hof gelet op ‘het gevoerde verweer’ de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend heeft gemotiveerd, faalt zij eveneens. Hetgeen door en namens de betrokkene in verband met het beginvermogen is aangevoerd is door het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk aangemerkt als een onvoldoende betwisting van het in het financieel onderzoek gekozen uitgangspunt omtrent het beginvermogen.”HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2917, NJ 2015/243 m.nt. Reijntjes: “2.3. Ingevolge art. 511f Sv kan de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Ingevolge art. 511e, eerste lid, Sv (in eerste aanleg) en art. 511g, tweede lid, Sv (in hoger beroep) is op de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel art. 359, derde lid, Sv van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat die uitspraak de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden. (Vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, NJ 2013/544.) 2.4. De in het middel bedoelde aanvulling met de bewijsmiddelen ontbreekt bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Naar aanleiding van een door de raadsman op de voet van art. IV lid 3 van het Procesreglement Strafkamer Hoge Raad gedaan verzoek is bij het Hof nadere informatie ingewonnen. Op grond van die informatie moet worden aangenomen dat de aanvulling met bewijsmiddelen in het ongerede is geraakt en niet meer beschikbaar zal komen. 2.5. Nochtans behoeft dit niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak te leiden nu in de door het Hof bevestigde uitspraak van de Rechtbank in voldoende mate de wettige bewijsmiddelen zijn vermeld waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend en genoegzaam de inhoud daarvan is weergegeven, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden, mede gelet op hetgeen door de raadsvrouwe in hoger beroep omtrent de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel is aangevoerd en 's Hofs motivering van zijn beslissingen dienaangaande.”Zie ook HR 20 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2125 (Antilliaanse zaak); HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2913 (HR: art. 81 RO); HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3193, NJ 2018/51; HR 4 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:848.
De bestreden uitspraak werd gecasseerd in:HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BT6251, NJ 2013/545 m.nt. Borgers: “2.7.3. In de bestreden uitspraak heeft het Hof echter niet vastgesteld dat de gevolgtrekkingen uit het als bewijsmiddel 1 weergegeven gedeelte van het financieel rapport, voor zover die betrekking hebben op de hiervoor bij 2.4 als (i) en (v) weergegeven onderdelen van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, door of namens de betrokkene niet of onvoldoende gemotiveerd zijn betwist. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.6.5 is vooropgesteld, had het Hof daarom niet kunnen volstaan met het weergeven van deze gevolgtrekkingen en is de bestreden uitspraak in zoverre ontoereikend gemotiveerd.”HR 11 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BU2056, NJ 2013/547: “In de aanvulling op de bestreden uitspraak is slechts verwezen naar de bewijsmiddelen waarop het Hof zijn schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft doen berusten, zonder dat is weergegeven welke in die bewijsmiddelen bereikte gevolgtrekking(en) aan die schatting ten grondslag liggen. Bovendien blijkt uit de bestreden uitspraak niet of de kennelijk aan die bewijsmiddelen ontleende optelling van uitgaven en bankstortingen, die het Hof blijkens zijn overwegingen voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot uitgangspunt heeft genomen, bij de behandeling in hoger beroep (voldoende gemotiveerd) is betwist.”;HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:100: “2.3. Bij de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat krachtens art. 511f Sv de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts kan worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Ingevolge art. 511e, eerste lid, Sv (in eerste aanleg) en art. 511g, tweede lid, Sv (in hoger beroep) is op de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel art. 359, derde lid, Sv van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat die uitspraak de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden.2.4. Deze onderdelen van de schatting betreffen de periode waarin de betrokkene hennep heeft geteeld, het aantal planten dat bij hem is aangetroffen, het aantal planten dat hij per vierkante meter hield, de prijs die hij gemiddeld per kilo kreeg en het aantal lampen dat is aangetroffen in de bij hem als hennepkwekerij in gebruik zijnde ruimten. De bestreden uitspraak bevat geen toereikende vermelding van de bewijsmiddelen waaraan deze onderdelen van de schatting zijn ontleend, met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende voor de schatting redengevende feiten en omstandigheden. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3 is vooropgesteld, is de bestreden uitspraak in zoverre ontoereikend gemotiveerd.”HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2743: “Krachtens art. 511f Sv kan de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen (vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, NJ 2013/544). De door het Hof bevestigde uitspraak, waarin in de kern niet meer wordt overwogen dan dat wordt 'uitgegaan van de uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen voortvloeiende - als aannemelijk aan te merken - gegevens waarop ook' een financieel rapport is gebaseerd, voldoet niet aan dit vereiste.”HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2751: “De bestreden uitspraak – waarin in de kern niet meer wordt overwogen dan dat de betrokkene in 'de met de onderhavige ontnemingszaak samenhangende strafzaak' is veroordeeld ter zake van het medeplegen van witwassen van in totaal € 923.250,- en dat het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel op dat bedrag wordt geschat – voldoet niet aan dit vereiste.”;HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3255: “Het Hof heeft in de bestreden uitspraak volstaan met een verwijzing naar bewijsmiddelen, waaronder het als bewijsmiddel 2 opgenomen financieel rapport met de daarin met betrekking tot de zaaksdossiers 11 en 12 bereikte gevolgtrekkingen. Gelet op het hiervoor weergegeven namens de betrokkene gevoerde verweer in beide zaaksdossiers voldoet de bestreden uitspraak evenwel niet aan de motiveringseisen als hiervoor onder 2.5 vooropgesteld.”;HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3257: “Het Hof heeft de onder 2.2.1 vermelde hennepteelt aan zijn schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag gelegd en heeft in zijn berekening van het voordeel betrokken dat 678 hennepplanten zijn geoogst. Daartoe heeft het Hof vastgesteld dat de inhoud van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, waarin de gevolgtrekking omtrent het aantal van 678 planten is gemaakt, door de betrokkene niet is betwist. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk, in aanmerking genomen dat door de verdediging met betrekking tot het aantal planten is aangevoerd dat de kwekerij nog in aanbouw was, dat (kennelijk: daarom) bij de ontmanteling geen hennepplanten zijn aangetroffen en dat het aantal geoogste planten derhalve nihil is. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3 is vooropgesteld, kon het Hof niet volstaan met het weergeven van de in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel gemaakte gevolgtrekking omtrent het aantal planten en is de bestreden uitspraak in zoverre ontoereikend gemotiveerd.”;HR 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2765: “De bestreden uitspraak bevat geen toereikende vermelding van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend, met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende voor de schatting redengevende feiten en omstandigheden.”;Zie voorts HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:8, NJ 2017/92 m.nt. Reijntjes; HR 11 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1544, en HR 11 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1546, met verwijzingen naar CAG Hofstee; HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2009; HR 11 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2279; HR 11 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:909.HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:147, NJ 2022/136: “Het hof heeft overwogen dat het uitgaat van het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel zoals is bewezenverklaard, hetgeen – op een bedrag van € 29.419,85 na – het totale bedrag is dat door Biogen naar de bankrekeningen van de vijf koeriersbedrijven is overgemaakt. In aanmerking genomen dat de verdediging heeft aangevoerd dat niet is gebleken dat de betrokkene grote contante bedragen heeft opgenomen bij banken in Rotterdam en Delft, kon het hof – gelet op wat hiervoor onder 2.3 is vooropgesteld – niet volstaan met het weergeven van de in de ontnemingsrapportage gemaakte gevolgtrekking dat het bedrag dat op de bankrekeningen van de vijf koeriersbedrijven is overgemaakt, daadwerkelijk aan de betrokkene is toegekomen. De uitspraak is in zoverre ontoereikend gemotiveerd.”
In mijn conclusie van 10 september 2024, ECLI:NL:PHR:2024:927 (zie voetnoot 14), heb ik ‘de voldoende gemotiveerde betwisting’ (van een gevolgtrekking) in algemene zin gerubriceerd onder de ‘redengevendheidsverweren’ (mijn term), zoals ook Meer-en-Vaart-verweren. Daaraan worden van oudsher minder hoge eisen gesteld dan bijvoorbeeld aan een ‘uitdrukkelijk onderbouwd standpunt’ voordat zij de rechter verplichten tot een respons.
Vgl. HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:147, NJ 2022/136; HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3257; HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3255.
HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2142, NJ 2010/202; HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9426, NJ 2010/407; HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3491, NJ 2015/62 met kritische noot van Reijntjes; HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1515, NJ 2020/373.
Beroepschrift 23‑08‑2023
De Hoge Raad der Nederlanden te 's‑Gravenhage
SCHRIFTUUR IN CASSATIE
Datum betekening: 29 juni 2023
Geacht College,
Ondergetekende,
mr D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, kantoorhoudende te Rotterdam aan het Oudehoofdplein 4 (3011 TM), Cleerdin & Hamer Advocaten, die in deze zaak bijzonderlijk gevolmachtigd is door rekwirant in cassatie:
de heer [betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] ([land]) op [geboortedatum] 1978,
wonende op het adres [adres] ([postcode]) te [woonplaats] ([land]),
heeft hierbij de eer aan uw College te doen toekomen een schriftuur in cassatie ten vervolge op het tijdig ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest, alsmede de tussenbeslissingen van het Gerechtshof te Amsterdam, gewezen tegen rekwirant in de zaak met parketnummer 23-001818-20 (ontneming).
In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam bij arrest van 14 april 2023 het vonnis van de Rechtbank Noord-Holland van 20 augustus 2020 bevestigd behalve ten aanzien van de betalingsverplichting en met een aanvullende overweging. In het (bevestigde) vonnis is het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 494.109,00 en in het arrest is aan rekwirant de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van € 489.109,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het cassatieberoep is door mr S. Burmeister, advocaat te Amsterdam, namens rekwirant op 25 april 2023 ingesteld.
Rekwirant voert de navolgende middelen van cassatie aan:
I. Schending van art. 36e (tweede lid) Sr en/of de artt. 350, 359, 415, 423, 511e, 511f en/of 511g Sv en/of art. 6 EVRM, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
Meer in het bijzonder kan de op art. 36e lid 2 Sr gebaseerde schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat rekwirant heeft verkregen uit de in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak bewezen verklaarde feiten en andere feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door rekwirant zijn begaan tot een bedrag van € 494.109,00 niet zonder meer aan de inhoud van de door het Hof (in het arrest waarin het vonnis van de rechtbank wordt bevestigd) gebezigde bewijsmiddelen worden ontleend, althans is de schatting van dat wederrechtelijk verkregen voordeel — voor zover gebaseerd op een ‘kasopstelling 2012-2014’ tot een bedrag van € 58.746,00 — niet voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd en/of gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft ten onrechte nagelaten de inhoud van de wettige bewijsmiddelen te vermelden waar het Hof de schatting aan heeft ontleend, nu het (vonnis bevestigende) arrest van het Hof geen toereikende vermelding bevat van de bewijsmiddelen waaraan (dit onderdeel van) de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend, met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor de schatting redengevende feiten en omstandigheden. In het bijzonder gaat het om het op een ‘kasopstelling 2012-2014’ gebaseerde onderdeel van de schatting van € 58.746,00 welke schatting te ontlenen zou zijn aan een Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel [betrokkene] en Herberekening wederrechtelijk verkregen voordeel [betrokkene], terwijl het in de gebezigde bewijsmiddelen niet gaat om een beredeneerde vermogensvergelijking en het Hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat daarop dan ook niet kon doen steunen nu daarin geen berekeningswijze wordt gehanteerd die pleegt te worden aangeduid als een eenvoudige kasopstelling of anderszins beredeneerde vermogensvergelijking (maar slechts een optelsom van gedane uitgaven inhoudt waaraan de schatting van wederrechtelijk verkregen voordeel niet kan worden ontleend). Het (kennelijke) oordeel van het Hof dat ook geen rechtsregel eraan in de weg staat dat bij de (op art. 36e lid 2 Sr gebaseerde) schatting gebruik wordt gemaakt van een optelsom van uitgaven in plaats van een (beredeneerde) vermogensvergelijking/eenvoudige kasopstelling, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en in ieder geval is dat oordeel niet begrijpelijk. Nu uit de bewijsmiddelen ook (legale) inkomsten van rekwirant in de jaren 2012–2014 blijken is in ieder geval de schatting dat rekwirant een bedrag van € 58.746,00 aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd.
En/of is het oordeel van het Hof dat rekwirant € 58.746,00 (als onderdeel van het totaal geschatte voordeel van € 494.109,00) aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten uit het in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak bewezen verklaarde en andere feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door rekwirant zijn begaan zonder nadere toelichting (welke ontbreekt) niet zonder meer begrijpelijk. Zonder een nadere toelichting is immers niet begrijpelijk dat rekwirant in 2012 t/m 2014 (over welke jaren de ‘kasopstelling’ is opgemaakt) uit het in de strafzaak bewezenverklaarde leiding geven aan een criminele organisatie van 1 mei 2014 t/m 12 mei 2015, voorbereidingshandelingen Opiumwet op 17 maart 2015, gewoontewitwassen van 1 februari 2012 t/m 27 mei 2015 en vervoeren van heroïne op 7 april 2015 wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten, nu de pleegdata grotendeels na 2012 t/m 2014 liggen en/of niet zonder meer begrijpelijk is dat die feiten er kennelijk toe strekken en geëigend zijn voordeel te genereren ter hoogte van het geschatte bedrag. Ook het oordeel dat rekwirant in 2012 t/m 2014 € 58.746,00 aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen uit andere feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door rekwirant zijn begaan is zonder nadere toelichting (welke ontbreekt) niet zonder meer begrijpelijk, nu niet is aangeduid welke feiten dat zouden zijn en op grond waarvan aannemelijk is dat rekwirant die feiten heeft begaan, de enkele omstandigheid dat sprake is geweest van (hoge) uitgaven (tot een bedrag van € 58.746,00) volstaat niet voor het oordeel dat — zoals bedoeld in art. 36e lid 2 Sr- aannemelijk is dat rekwirant andere feiten heeft begaan (en daar dit wederrechtelijk verkregen uit heeft verkregen). Het oordeel van het Hof dat ‘voldoende aanwijzingen’ bestaan dat rekwirant andere strafbare feiten heeft begaan dan waarvoor hij is veroordeeld is in deze omstandigheden niet in overeenstemming met de onschuldpresumptie zoals bedoeld in art. 6 EVRM. Het arrest kan niet in stand blijven.
Toelichting
Het Hof heeft blijkens het arrest d.d. 14 april 2023 het vonnis van de Rechtbank Noord-Holland d.d. 20 augustus 2020 in de ontnemingszaak van rekwirant bevestigd, behalve voor wat betreft de betalingsverplichting en met dien verstande dat een aanvullende overweging door het Hof is opgenomen in het arrest. De vernietiging op het punt van de betalingsverplichting is gelegen in het feit dat het Hof een schending van de redelijke termijn in hoger beroep heeft aangenomen en de betalingsverplichting met € 5.000,- heeft gematigd tot een bedrag van € 489.109,00. Het vonnis van de rechtbank is dus wel bevestigd voor zover het gaat om de door de rechtbank aangenomen grondslag van de vordering, alsmede de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, te weten € 494,109,00.
Voor wat betreft de grondslag van de vordering heeft de rechtbank het volgende overwogen:
‘Bij vonnis van deze rechtbank van 16 juni 2017 is veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, waarbij het bewezenverklaarde de volgende kwalificaties opleverden:
feit 1: als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, en/of 10a, eerste lid van de Opiumwet;
feit 2: medepleger) van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door zich of een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;
feit 4: medeplegen van gewoontewitwassen;
feit 5 primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.
Op grond van deze veroordeling kan aan veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van of uit de baten van de ingevolge dat vonnis bewezenverklaarde strafbare feiten en andere feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan.’
Het gaat aldus om voordeel dat rekwirant zou hebben verkregen door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde strafbare feiten en andere feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen zouden bestaan dat zij door rekwirant zijn begaan. Gelet op deze bewoordingen heeft de rechtbank (en met de bevestiging tevens het Hof) het oog gehad een betalingsverplichting op te leggen gebaseerd op art. 36e lid 2 Sr.
Onder het kopje ‘conclusie’ komt de rechtbank tot de volgende berekening/het volgende ontnemingsbedrag:
‘Kasopstelling 2012-2014 : | € 58.746,- | |
|---|---|---|
Transactieberekening 2015 | ||
- 545,25 kg x€ 2.402,- | :€ 1.309.690 | |
- Huurkosten [a-straat] | :€ 3.600-/- | |
:€ 1.306.090 | ||
- € 1.306.090/3 | : € 435.363,- | |
Totaal : | € 494.109,-’ |
De rechtbank heeft aannemelijk geacht dat dit totaalbedrag, bestaande uit de verschillende posten, aan wederrechtelijk verkregen voordeel is verkregen, het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat is ook vastgesteld op dit bedrag van € 494.109,00. Dit onderdeel van het vonnis is door het Hof bevestigd.
Het vastgestelde bedrag waarop het voordeel is geschat is aldus mede gebaseerd op een genoemde kasopstelling over de jaren 2012 t/m 2014. Het wederrechtelijk verkregen voordeel zoals dat uit die kasopstelling zou moeten volgen bedraagt €58.746,-. Onder het kopje ‘Kasopstelling 2012-2014’ overweegt de rechtbank daarover het volgende:
‘Op basis van de ontnemingsrapportage en de daarop volgende herberekening stelt de rechtbank de volgende kasopstelling vast:
Gezamenlijk uitgaven [betrokkene] en [betrokkene 7] | € 30.400,- |
|---|---|
Overige posten [betrokkene] | € 20.255,- |
Post België | € 3.216,- |
Verhoging toerekening 7-TBP-42 | € 4.875,- |
Totaal: | € 58.746,- |
(…)
Wat betreft de kasopstelling komt de rechtbank tot het oordeel dat veroordeelde een groot contant geldbedrag heeft uitgegeven. Voor de herkomst van dat bedrag is door of namens veroordeelde geen aannemelijke verklaring gegeven. Dit bedrag kan worden aangemerkt als voordeel dat veroordeelde heeft genoten, door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor hij bij voornoemd vonnis is veroordeeld en andere feiten waaromtrent aannemelijk is dat ze door veroordeelde zijn begaan. Nu uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat dit geldbedrag ook daadwerkelijk is uitgegeven, is de rechtbank van oordeel dat dit geldbedrag veroordeelde ook daadwerkelijk voordeel heeft opgeleverd.’
De weergegeven kasopstelling in het vonnis is gebaseerd op het als bewijsmiddel gebezigde Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel [betrokkene], pagina 17 t/m 19 en de herberekening wederrechtelijk verkregen voordeel [betrokkene], pagina 1 t/m 3. Naar die bewijsmiddelen wordt in voetnoot 2 namelijk verwezen.
Uw College heeft eerder overwogen dat geen rechtsregel en met name niet het stelsel van bewijsvoorschriften eraan in de weg staat dat in het kader van een redelijke en billijke verdeling van de bewijslast bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebruik wordt gemaakt van de methode van vermogensvergelijking, mits het gaat om een beredeneerde vermogensvergelijking die gebaseerd is op wettige bewijsmiddelen (bijvoorbeeld een rapport dat door een daartoe gekwalificeerd persoon is opgemaakt in het kader van een ingesteld strafrechtelijk financieel onderzoek). Voorts heeft uw College eerder overwogen dat de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat kan steunen op een rapport waarin een berekeningswijze wordt gebezigd die pleegt te worden aangeduid als eenvoudige kasopstelling. En dat die berekeningswijze (ook) kan worden gehanteerd bij toepassing van het tweede lid van art. 36e Sr, indien het aan de hand van die berekening vastgestelde bedrag in voldoende mate kan worden gerelateerd aan het feit of de feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld dan wel aan andere strafbare feiten als bedoeld in art. 36e, tweede lid, Sr. (Vgl. HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:414, NJ 2017/151.)
Voorts merkt A-G Aben in zijn conclusie ECLI:NL:PHR:2021:966 daarover het volgende op:
- ‘10.
Het gaat bij een eenvoudige kasopstelling uiteindelijk slechts om het verbinden van gevolgtrekkingen aan de uitkomst van een vergelijking van twee saldi. Het eerste saldo betreft het totaal aan contante uitgaven en bankstortingen die een persoon heeft verricht gedurende de onderzochte periode, tezamen met het eindsaldo aan contant geld van die periode. Het tweede saldo betreft het (legale) contante geld dat voor die persoon gedurende de onderzochte periode voor uitgave beschikbaar is (gekomen), te weten het totaal aan legale contante ontvangsten en bankopnames gedurende de onderzochte periode, tezamen met het beginsaldo aan contant geld van die periode. De mate waarin het eerste saldo het tweede overstijgt (het ‘surplus’) legt een onverklaarde bron van contante gelden bloot van een omvang die ten minste gelijk is aan die van het surplus.
- 11.
In een tijdsgewricht waarin legale (contante) inkomsten in de regel verantwoord kunnen worden, mag, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, worden aangenomen dat het surplus de omvang weerspiegelt van een illegale bron van contante gelden. In zo'n geval mag er in beginsel van worden uitgegaan dat een of meer geldbedragen die gedurende de onderzochte periode contant werden uitgegeven (of op een bankrekening gestort) met een totale waarde gelijk aan dat van het surplus middellijk of onmiddellijk van misdrijf afkomstig waren. Welke contante geldbedragen (geheel of gedeeltelijk) een illegale herkomst hadden, dat leert de eenvoudige kasopstelling niet.
- 12.
De eenvoudige kasopstelling leert evenmin of het vermogen van de betrokkene gedurende de onderzochte periode (wederrechtelijk) is toegenomen met een bedrag dat het eventuele surplus evenaart. Een surplus in een eenvoudige kasopstelling toont alleen aan — in essentie op basis van de wetten van de fysica — dat de betrokkene moet hebben beschikt over een onverklaarde bron van contante gelden. Zoals gezegd mag daarvan, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, worden aangenomen dat die een criminele herkomst hebben. Daarmee is echter nog niet vastgesteld aan wie dat contante geld toekomt en in wiens vermogen dat criminele geld is gevloeid.
(…)
- 15.
Wanneer op de voet van artikel 36e lid 2 Sr voordeel wordt ontnomen dat de betrokkene heeft verkregen door middel van of uit de baten van jegens hem (in de strafzaak) bewezen verklaarde delicten of van ‘andere strafbare feiten’ waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat die door hem zijn begaan, zal het surplus uit de eenvoudige kasopstelling bovendien in voldoende mate moeten kunnen worden gerelateerd aan die delicten, aldus overwoog de Hoge Raad. Naar mijn inzicht betekent dit dat er voldoende aanwijzingen moeten zijn voor het bestaan van een causaal verband tussen die delicten en het voordeel waarvan het surplus van de eenvoudige kasopstelling mogelijk getuigt. Daarmee stelt de Hoge Raad geen nieuwe of aanvullende eis. Uit de wetstekst van artikel 36e lid 2 Sr vloeit immers reeds voort dat op basis van die wetsbepaling alleen voordeel kan worden ontnomen dat de betrokkene ‘door middel van of uit de baten van’ de daarin bedoelde strafbare feiten heeft verkregen.’
Het gaat aldus bij het hanteren van een berekeningsmethode die wordt aangeduid als (eenvoudige) kasopstelling voor de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat om het door Aben genoemde surplus, de gevolgtrekking die kan worden verbonden aan de vergelijking van twee saldi. Hoewel de rechtbank in het door het Hof bevestigde vonnis een kasopstelling over de periode 2012 t/m 2014 vaststelt, moet gesteld worden dat dit geen kasopstelling is. Het totaalbedrag van € 58.746,00, dat als resultaat van de ‘kasopstelling’ onderdeel uitmaakt van de vaststelling van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, is enkel een optelsom van uitgaven (die door rekwirant zouden zijn gedaan). Het tweede saldo, te weten het (legale) contante geld dat voor de persoon gedurende de onderzochte periode voor uitgaven beschikbaar is (gekomen), dat behoort te worden betrokken in een kasopstelling om daar vervolgens een gevolgtrekking aan te verbinden dat meer contante bedragen zijn uitgegeven dan (legaal) beschikbaar waren, is daarin niet betrokken en dit betreft dus ook niet een (beredeneerde) vermogensvergelijking.
De tabel van de rechtbank die als ‘kasopstelling’ wordt weergegeven is klaarblijkelijk overgenomen uit de Herberekening wederrechtelijk verkregen voordeel [betrokkene] (p. 3), waarnaar wordt verwezen in voetnoot 2 in het vonnis. Dit schriftelijke bescheid is opgevraagd in cassatie en verstrekt als D0021, dit schriftelijke bescheid houdt geen (beredeneerde) vermogensvergelijking in. Uit dat bewijsmiddel volgt niet dat een vergelijking is gemaakt tussen twee saldi, er worden slechts een aantal wijzigingen aangebracht aan de uitgavenkant van de in het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel [betrokkene] (hierna het rapport) wel opgenomen (eenvoudige) kasopstelling waarin contante uitgaven zijn afgezet tegen de beschikbare legale gelden (ook het rapport is opgevraagd in cassatie en verstrekt als D0025). Het gaat immers in de herberekening om ‘posten’ die alleen aan rekwirant worden toegeschreven en niet tevens aan zijn echtgenoot, het totaal van die posten betreft € 73.847,77 en dat bedrag moet volgens de herberekening in mindering worden gebracht op het bedrag van € 143.860,66 zoals genoemd op p. 18 van het rapport. Indien dat rapport wordt bekeken dan is het bedrag van € 143.860,661. het totaal van de contante uitgaven van 2012 t/m 2015. Blijkens de herberekening resteert dan (minus die € 73.847,77) een bedrag van € 70.112,89 zijnde de gezamenlijke contante uitgaven in de periode van 2012 t/m 2015. De drie posten met een totaal van € 9.303,33 zoals genoemd in het rapport als uitgaven in 2015 worden daar vanaf gehaald omdat de kasopstelling wordt opgemaakt over 2012 t/m 2014. Blijft over een bedrag van € 60.809,56 waarvan in de herberekening staat ‘totaal berekend bedrag gezamenlijk voordeel’, maar hier gaan de termen gezamenlijke uitgaven en gezamenlijk voordeel ten onrechte door elkaar heen lopen, terwijl het bedrag van € 60.809,56 duidelijk slechts het resultaat is van de opgetelde uitgavenposten. Dit bedrag wordt in de herberekening dan nog verdeeld en zo komt de post ‘gezamenlijke uitgaven [betrokkene] en [betrokkene 7]’ van € 30.400,00 zoals opgenomen in de ‘kasopstelling’ tot stand. Onder het kopje ‘Herberekening hoogte bedrag overige uitgaven [betrokkene] (tabel blz. 18)’ in de herberekening worden de contante stortingen die waren tenlastegelegd als witwashandelingen maar waarvan rekwirant is vrijgesproken opgeteld tot een bedrag van € 53.592,77 en dat wordt in mindering gebracht op het bedrag van € 73.847,77 waardoor € 20.255,00 als ‘Overige posten [betrokkene]’ zoals opgenomen in de ‘kasopstelling’ overblijft. Ook dat betreffen dus overgebleven uitgaven, min de contante gelden ten aanzien waarvan rekwirant is vrijgesproken van witwassen. Ook de posten ‘Post België’ en ‘Verhoging toerekening 7-TBP-42’ betreffen posten aan de uitgavenkant. Het als bewijsmiddel gebezigde rapport (p. 18) maakt echter duidelijk dat er in 2012 t/m 2014 ook legale contante inkomsten waren, per jaar worden namelijk bedragen onder ‘contant in’ en daarnaast onder ‘contant uit’ weergegeven. Op p. 19, waar de rechtbank ook naar verwijst, volgt dan de vergelijking van beginsaldo plus de legale contante ontvangsten minus het eindsaldo en de gebleken contante uitgaven, waarna een bedrag wordt genoemd als ‘verschil vermoedelijk uit enig strafbaar feit’. Die voor de berekeningsmethode van een eenvoudige kasopstelling benodigde stap van de vergelijking (met de aanpassingen aan de uitgavenkant zoals ook de rechtbank daar vanuit gaat) is in de kasopstelling zoals opgenomen in het vonnis niet gezet.
De rechtbank oordeelt ook (enkel) dat rekwirant een groot contant geldbedrag heeft uitgegeven, dat voor de herkomst van dat bedrag geen aannemelijke verklaring is gegeven en dit bedrag kan worden aangemerkt als voordeel dat rekwirant heeft genoten door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor hij bij vonnis is veroordeeld en andere feiten waaromtrent aannemelijk is dat ze door veroordeelde zijn begaan. Dat oordeel getuigt reeds van een onjuiste rechtsopvatting, het gaat er immers om of rekwirant een te groot bedrag contant heeft uitgegeven in vergelijking met het hem (legaal) beschikbare contante beginsaldo en inkomsten in dezelfde periode.2. Uw College heeft zoals gezegd eerder geoordeeld dat de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat kan steunen op een rapport waarin een berekeningswijze wordt gebezigd die pleegt te worden aangeduid als eenvoudige kasopstelling. De bewijsvoorschriften staan daar in het kader van een redelijke en billijke bewijslastverdeling niet aan in de weg. Het kennelijke oordeel van de rechtbank (en de bevestiging daarvan door het Hof) dat de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat kan steunen op een rapport/bewijsmiddel waarin een berekeningswijze wordt gehanteerd waarin alleen (contante) uitgaven van rekwirant worden opgesomd (en waaraan de rechtbank toevoegt dat voor de herkomst van het totaalbedrag van die uitgaven geen aannemelijke verklaring is gegeven) is echter onjuist. De bewijsvoorschriften staan daar in het kader van een redelijke en billijke bewijslastverdeling naar het standpunt van rekwirant wel aan in de weg.
En in ieder geval is het oordeel dat het bedrag van € 58.746,00 dat door rekwirant is uitgegeven (geheel) kan worden aangemerkt als voordeel dat hij heeft genoten door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld en andere feiten waaromtrent aannemelijk is dat de door hem zijn begaan, gelet op het voorgaande onjuist. In ieder geval is dat oordeel en/of de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat niet begrijpelijk, althans niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Dat het bedrag van € 494.109,00 dat mede bestaat uit het bedrag van € 58.746,00, aan wederrechtelijk verkregen voordeel is verkregen kan aan de bewijsmiddelen ook niet worden ontleend en is onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Hierbij moet worden opgemerkt dat uit het als bewijsmiddel gebezigde rapport (p. 18 en 19) immers blijkt van (legale) contante inkomsten in de periode waarin de uitgaven zijn gedaan die door de rechtbank in de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel zijn betrokken.
Hier komt bij dat zoals aangegeven de ‘kasopstelling’ zoals de rechtbank die ten grondslag heeft gelegd aan de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat/de aannemelijkheid dat rekwirant een bedrag van € 494.109,00 aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen, is opgemaakt over de jaren 2012 t/m 2014. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bedrag van € 58.746,00 dat door rekwirant is uitgegeven kan worden aangemerkt als voordeel dat hij heeft genoten door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld en andere feiten waaromtrent aannemelijk is dat de door hem zijn begaan. Daarmee is niet direct duidelijk op welke feiten de rechtbank precies het oog heeft gehad, niet is duidelijk welke feiten tot dit voordeel zouden hebben geleid. Uit het vonnis in de strafzaak d.d. 16 juni 2017 (D0018), welk vonnis met enkele verbeteringen en een aanvullende (bewijs)overweging is bevestigd door het Hof bij arrest d.d. 14 april 2023 (met uitzondering van de strafoplegging), blijkt dat ten aanzien van rekwirant de volgende feiten bewezen zijn verklaard:
‘Feit 1:
hij in de periode van 1 mei 2014 tot en met 12 mei 2015 te [a-plaats], gemeente [gemeente], en/of Amsterdam en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, die bestond uit een samenwerkingsverband van verdachte en (onder meer) [verdachte], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en [betrokkene 5] en [betrokkene 6], welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en/of 10a eerste lid van de Opiumwet, van welke organisatie hij, verdachte, de leider was;
Feit 2:
hij op 17 maart 2015 te [a-plaats], gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden cocaïne, voor te bereiden en/ofte bevorderen,
- —
zich en anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te
verschaffen immers zijn hij, verdachte en zijn mededaders toen en daartussen omstreeks 18.16 uur en omstreeks 23.12 uur aanwezig geweest in het [C] gevestigd aan de [b-straat 01] te [a-plaats], terwijl in dat koffiehuis een besloten bijeenkomst werd gehouden, daarbij
hebben verdachte en/of zijn mededaders
- —
gedurende de bijeenkomst een of meer personen de toegang tot het koffiehuis geweigerd of laten weigeren en
- —
opdracht gegeven de lichten aan de voorzijde van voornoemd koffiehuis uit te doen en
- —
bij de toegangsdeur een portier geplaatst,
zulks om te bewerkstelligen dat tijdens de bijeenkomst geen buitenstaanders in het koffiehuis aanwezig waren en er vrijuit kon worden gesproken,
en is/zijn tijdens die bijeenkomst door verdachte en/of zijn mededaders informatie uitgewisseld en afspraken gemaakt over het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden cocaïne, immers hebben verdachte en/of zijn mededaders gedurende deze bijeenkomst meermalen aan/met/van elkaar en/of twee onbekend gebleven Spaanstalige personen en/of twee onbekend gebleven Turkstalige personen
- —
informatie verstrekt en ontvangen en afspraken gemaakt over de prijs en hoeveelheid van hoeveelheden verdovende middelen en
- —
informatie verstrekt en ontvangen over locaties en verbergplaatsen en transport(middelen) in verband met de invoer en het vervoer van hoeveelheden verdovende middelen en
- —
informatie verstrekt en ontvangen over methodes om verdovende middelen te vervoeren in
verband met de invoer van hoeveelheden verdovende middelen en
- —
informatie verstrekt en instructies gegeven en informatie en instructies ontvangen ten behoeve van invoer van en de overdracht van een of meer hoeveelheden verdovende middelen en
- —
afspraken gemaakt over de onderlinge verdeling van de opbrengst van de in te voeren en te vervoeren en te verkopen verdovende middelen en
- —
informatie verstrekt en ontvangen en/of afspraken gemaakt over de landen en zeehavens en luchthaven van waaruit de verdovende middelen worden verstuurd en waarheen de verdovende middelen worden vervoerd;
Feit 4:
hij op tijdstippen in de periode van 1 februari 2012 tot en met 27 mei 2015 te [a-plaats] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt immers hebben hij, verdachte en zijn mededader telkens van een voorwerp, te weten telkens een geldbedrag de herkomst verhuld, immers hebben hij, verdachte en zijn mededader, in de periode van 1 februari 2014 tot en met 27 mei 2015 van de bankrekeningen van [A] en/of [B] VOF en/of [B] telkens geldbedragen met een totaal van 24.490 euro als loon voor werkzaamheden in dienstbetrekking overgeboekt en/of doen overboeken naar de ABN (betaal)rekening ten name van [betrokkene 7] met rekeningnummer [bankrekeningnummer], zulks terwijl door [betrokkene 7] geen werkzaamheden zijn verricht en er van dienstbetrekkingen geen sprake was terwijl hij, verdachte telkens wist dat bovenomschreven voorwerpen — onmiddellijk of middellijk — afkomstig waren uit enig misdrijf;
Feit 5:
Primair
hij op 7 april 2015 te Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft vervoerd ongeveer 165 kilogram, van een materiaal bevattende heroïne.’
Dat zijn strafbare feiten waarvoor rekwirant is veroordeeld zoals bedoeld in art. 36e lid 1 Sr, op grond waarvan een betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd. Voor de vraag of die verplichting kon worden opgelegd aan rekwirant omdat hij door middel van of uit de baten van die feiten voordeel heeft verkregen is echter van belang dat de periode waarin de in de ‘kasopstelling’ genoemde uitgaven zijn gedaan (2012 t/m 2014), voor het grootste deel vóór de pleegdata van de bewezenverklaarde feiten ligt. De pleegdata van de feiten 2 en 5 liggen zelfs geheel na die periode. De pleegperiode van het deelnemen aan een criminele organisatie waarvan rekwirant de leider was, vangt eerst aan op 1 mei 2014 terwijl de in de schatting betrokken uitgaven ook al in de jaren 2012, 2013 en tot aan mei 2014 zouden zijn gedaan. Alleen de pleegperiode van feit 4 — het witwassen — vangt aan in februari 2012, hoewel blijkt dat het ook bij dat bewezenverklaarde feit concreet gaat om de periode van 1 februari 2014 tot en met 27 mei 2015 en niet om eerdere witwashandelingen3. (van eerdere witwashandelingen die onder hetzelfde feit ten laste waren gelegd is rekwirant vrijgesproken, in het appel tegen die partiele vrijspraak is hij door het Hof niet-ontvankelijk verklaard, dat was juist de reden die bedragen gelet op de Geerings-jurisprudentie als uitgaven uit de eenvoudige kasopstelling te verwijderen in de herberekening).
Voor zover hier dus al sprake zou zijn van voordeel, kan voor het overgrote deel — te weten in ieder geval het deel dat ziet op de jaren 2012, 2013 en een deel van 20144. — niet gezegd worden dat dit voordeel is verkregen door middel van of uit de baten van de (toen nog niet gepleegde) feiten waarvoor rekwirant is veroordeeld. De periode waar de kasopstelling op ziet en de bewezenverklaarde periodes zijn tegenstrijdig, althans op zijn minst overlappen die elkaar maar voor een (klein) deel. De vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat, voor zover daarbij uitgaven/stortingen zijn betrokken die voorafgaand aan de feiten waarvoor is veroordeeld zijn gedaan is zonder nadere motivering (die ontbreekt) dan ook niet begrijpelijk.5.
Hierbij geldt ook nog dat strafbare feiten die deels wel de periode beslaan waarover de ‘kasopstelling’ is opgemaakt, de feiten 1 en 4 in zichzelf geen feiten zijn die (zonder meer) financieel voordeel opleveren. Dat witwassen financieel voordeel genereert is allerminst een vanzelfsprekend automatisme, de opvatting dat vermogensbestanddelen wanneer zij het voorwerp van het misdrijf ‘witwassen’ zijn, reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vertegenwoordigen is ook onjuist. Dat betekent dat de rechter wanneer hij het wederrechtelijk verkregen voordeel baseert op witwassen, dient uiteen te zetten op welke gronden kan worden vastgesteld dat de betrokkene daadwerkelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dat delict.6. Dat heeft de rechtbank (en evenmin het Hof) hier gedaan. Het (gewoonte)witwassen is in het vonnis in de strafzaak gelegen in het overboeken van geldbedragen (met een totaal van € 24.490,00,) als loon voor werkzaamheden in dienstbetrekking naar de vrouw van rekwirant, terwijl zij geen dienstbetrekking had en terwijl rekwirant wist dat dat die bedragen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.
Naar het standpunt van rekwirant zou ook het oordeel dat door middel van of uit de baten van het deelnemen aan een criminele organisatie waar rekwirant de leider van is wederrechtelijk verkregen voordeel is verkregen, bestaande uit het bedrag van € 58.746,00, nader dienen te worden gemotiveerd. Dat het deelnemen (of leidinggeven) aan een criminele organisatie die als oogmerk heeft het plegen van kortgezegd Opiumwetdelicten reeds financieel voordeel genereert is immers ook geen vanzelfsprekend automatisme. Dat is al snel afhankelijk van de vraag of het oogmerk van die organisatie wordt verwezenlijkt, of Opiumwetdelicten worden gepleegd door deelnemers aan de organisatie en die delicten financieel voordeel opleveren. Hierbij geldt dat de rechtbank naast de ‘kasopstelling’ over de periode 2012–2014 de vaststelling van het als wederrechtelijk verkregen voordeel te schatten bedrag mede heeft gebaseerd op een transactieberekening die gebaseerd is op feit 1 (en feit 5), het leidinggeven aan de criminele organisatie, en daarbij nu juist alleen de periode van 1 januari t/m 12 mei 2015 is betrokken (waarbij dan voordeel wordt ontnomen dat verkregen zou zijn door de verkoop van partijen heroïne tussen 31 maart en 12 mei 2015). Ook gelet daarop had nader dienen te worden gemotiveerd dat desondanks ook het bedrag van € 58.746,00 door middel van of uit de baten van het deelnemen aan een criminele organisatie waar rekwirant de leider van is, is verkregen.
Wanneer op de voet van artikel 36e lid 2 Sr voordeel wordt ontnomen dat de betrokkene heeft verkregen door middel van of uit de baten van jegens hem (in de strafzaak) bewezen verklaarde delicten of van ‘andere strafbare feiten’ waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat die door hem zijn begaan, is nodig dat de uitkomst van de kasopstelling in voldoende mate moet kunnen worden gerelateerd aan die delicten. Zoals Aben heeft overwogen moet het daarbij naar zijn inzicht gaan om voldoende aanwijzingen voor het bestaan van een causaal verband tussen die delicten en het voordeel waarvan het surplus van de eenvoudige kasopstelling mogelijk getuigt. Dát een veroordeling is gevolgd én sprake zou zijn van een dergelijk surplus is aldus nadrukkelijk niet voldoende, hetzelfde is naar het standpunt van rekwirant het geval indien alleen grote contante uitgaven in een voordeelsberekening worden betrokken, ook als voor de herkomst van dat bedrag geen aannemelijke verklaring is gegeven (indien uw College die constructie dus al zou toestaan). Op grond van het voorgaande moet worden gesteld dat voldoende aanwijzingen voor het bestaan van een causaal verband tussen de feiten waarvoor rekwirant is veroordeeld en het wegens de ‘kasopstelling’ van de rechtbank bij de vaststelling van de schatting van het ontnemingsbedrag betrokken bedrag ontbreken. In ieder geval heeft de rechtbank (en met de ‘kale’ bevestiging op dit punt ook het Hof) geen inzicht gegeven op welke wijze dat bedrag in voldoende mate kan worden gerelateerd aan de feiten waarvoor rekwirant is veroordeeld, waardoor dat oordeel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.
Nu heeft de rechtbank geoordeeld dat het bedrag van € 58.746,00 kan worden aangemerkt als door rekwirant genoten voordeel dat hij heeft genoten door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld en andere feiten waaromtrent aannemelijk is dat de door hem zijn begaan. De rechtbank zou aldus ook het oog kunnen hebben gehad op eerdere feiten waaromtrent aannemelijk is dat rekwirant die heeft begaan en voordeel hebben opgeleverd. Ook hiervoor geldt echter de eerdere genoemde eis indien art. 36e lid 2 Sr wordt toegepast, zoals de rechtbank heeft gedaan. Ook dan is nodig dat de uitkomst van de kasopstelling in voldoende mate kan worden gerelateerd aan de ‘andere feiten waaromtrent aannemelijk is dat deze door de veroordeelde zijn begaan’. Indien de rechtbank heeft geoordeeld dat dit als voordeel aangemerkte bedrag van € 58.746,00 in voldoende mate kan worden gerelateerd aan andere feiten waaromtrent aannemelijk is dat deze door rekwirant zijn begaan, dan geldt dat de rechtbank niet nader heeft aangeduid welke andere feiten dat zouden zijn en niet nader heeft gemotiveerd waaraan het heeft ontleend dat aannemelijk is dat deze door rekwirant zijn begaan.
Die aannemelijkheid — zoals bedoeld in art. 36e lid 2 Sr — kan naar het standpunt van rekwirant niet uit het vonnis en het arrest waarin dat vonnis wordt bevestigd worden afgeleid, evenmin uit de bewijsmiddelen zoals de rechtbank daarnaar heeft verwezen. De enkele omstandigheid dat een verschil zou bestaan tussen legale inkomsten en (te) hoge uitgaven is ontoereikend om de directe of indirecte (strafrechtelijke) betrokkenheid van rekwirant bij andere feiten aannemelijk te achten.7. In onderhavig geval geldt dan nog eens dat de rechtbank niet dat verschil (en de gevolgtrekking dat het niet anders kan zijn dan dat er een onbekende inkomsten is geweest) relevant heeft geacht voor de aannemelijkheid dat rekwirant andere feiten heeft begaan, maar enkel dat hij een groot contact geldbedrag heeft uitgegeven en voor de herkomst daarvan geen aannemelijke verklaring heeft gegeven. Het kennelijk daarop gebaseerde oordeel dat aannemelijk is dat rekwirant andere feiten heeft begaan en op grond daarvan voordeel kan worden ontnomen, is niet begrijpelijk en in ieder geval niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Er dienen ‘voldoende aanwijzingen’ te bestaan dat rekwirant die (door de rechtbank niet nader benoemde) andere feiten heeft begaan, welke ‘voldoende aanwijzingen’ niet mogen worden aangenomen indien niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de andere strafbare feiten door rekwirant zijn begaan. Als de rechter in de ontnemingsprocedure oordeelt dat ‘voldoende aanwijzingen’ bestaan dat de betrokkene andere feiten in de zin van artikel 36e lid 2 Sr heeft begaan, moet (de totstandkoming van) dat oordeel voor het bewijs in de ontnemingsprocedure namelijk in overeenstemming zijn met de onschuldpresumptie.8. Daar is hier geen sprake van. Het arrest kan daarom (en gelet op al het voorafgaande) niet in stand blijven.
II. Schending van art. 36e (tweede lid) Sr en/of de artt. 350, 359, 415, 423, 511e, 511f en/of 511g Sv, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
Meer in het bijzonder kan de op art. 36e lid 2 Sr gebaseerde schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat rekwirant heeft verkregen uit de in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak bewezen verklaarde feiten en andere feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door rekwirant zijn begaan tot een bedrag van € 494.109,00 niet zonder meer aan de inhoud van de door het Hof (in het arrest waarin het vonnis van de rechtbank wordt bevestigd) gebezigde bewijsmiddelen worden ontleend, althans is de schatting van dat wederrechtelijk verkregen voordeel — waarin is uitgegaan van een winst van € 2.402,00 per verkochte kilo heroïne op grond waarvan tot een schatting van een bedrag van € 435.363,00 aan de hand van een transactieberekening wordt gekomen — mede gelet op hetgeen daartoe naar voren was gebracht niet voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd en/of gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof kon (in het arrest waarin het vonnis wordt bevestigd) bij de opgave van de bewijsmiddelen niet volstaan met de vermelding van het onderdeel van het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel [betrokkene]’ waaraan de schatting (in zoverre) is ontleend en het weergeven van de gevolgtrekking uit dat rapport dat per kilo € 2.402,00 winst werd gemaakt, nu die gevolgtrekking namens rekwirant voldoende gemotiveerd is betwist, althans getuigt het (kennelijke) oordeel van het Hof dat volstaan kon worden met de vermelding van het onderdeel van het rapport en de weergave van de gevolgtrekking van een onjuiste rechtsopvatting nu niet als maatstaf is gebruikt of de gevolgtrekking voldoende gemotiveerd is betwist, maar de (strengere) maatstaf is gehanteerd dat ‘geen concrete en verifieerbare onderbouwing is aangedragen’ (waaruit de rechtbank zou kunnen afleiden dat de genoemde prijzen lager of hoger (inkoopprijs) zouden moeten worden geschat dan de genoemde bedragen in de ontnemingsrapportage), en in ieder geval is het (kennelijke) oordeel dat die gevolgtrekking niet voldoende gemotiveerd is betwist gelet op hetgeen namens rekwirant naar voren was gebracht niet (voldoende) begrijpelijk. Aan de voorwaarde dat in het arrest (waarin het vonnis wordt bevestigd) de bewijsmiddelen worden vermeld waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend, met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden, is niet voldaan. Het arrest kan derhalve niet in stand blijven.
Toelichting
Zoals in middel I overwogen komt de rechtbank onder het kopje ‘conclusie’ tot de volgende berekening/het volgende ontnemingsbedrag:
‘Kasopstelling 2012-2014 | : € 58.746,- | |
|---|---|---|
Transactieberekening 2015 | ||
- 545,25 kg x€ 2.402,- | :€ 1.309.690 | |
- Huurkosten [a-straat] | :€ 3.600-/- | |
:€ 1.306.090 | ||
- € 1.306.090/3 | : € 435.363,- | |
Totaal | : € 494.109,-’ |
De rechtbank heeft aannemelijk geacht dat dit totaalbedrag, bestaande uit de verschillende posten, aan wederrechtelijk verkregen voordeel is verkregen, het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat is ook vastgesteld op dit bedrag van € 494.109,00. Dit onderdeel van het vonnis is door het Hof bevestigd.
Het vastgestelde bedrag waarop het voordeel is geschat is aldus mede gebaseerd op een transactieberekening die betrekking heeft op 2015. Het wederrechtelijk verkregen voordeel zoals dat uit die transactieberekening volgt bedraagt € 435.363,00. Blijkens het bevestigde vonnis komt die schatting voort uit een berekening van een hoeveelheid van 545,25 kg heroïne die zou zijn verkocht (bestaande uit drie verschillende partijen van 500 kg, 60 kg en 31,5 kg) keer een winstbedrag per kilo van € 2.402,00, waar huurkosten ter hoogte van € 3.600,00 vanaf zijn getrokken om op een bedrag van € 1.306.090,00 uit te komen. Dit bedrag is door de rechtbank door drie gedeeld, waardoor wordt uitgekomen op een schatting van € 435.363,00 aan wederrechtelijk verkregen voordeel dat naar het oordeel van de rechtbank door rekwirant is verkregen uit de bewezenverklaarde feiten 1 en 5 (weergegeven in middel I), te weten het als leider deelnemen aan een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van misdrijven zoals bedoeld in art. 10, derde, vierde en vijfde lid en/of 10a eerste lid van de Opiumwet en het medeplegen van het opzettelijk vervoeren van ongeveer 165 kg heroïne, en andere feiten waaromtrent naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door rekwirant zijn begaan. Voor de genoemde (berekening van de) hoeveelheid, het winstbedrag per kilo en de aftrek van de huurkosten geldt dat de rechtbank heeft verwezen naar het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel [betrokkene], pagina 12 t/m 14, naar het vonnis van de rechtbank in de strafzaak p. 87 en 88 naar hetzelfde genoemde rapport p. 17 en voor wat betreft de verkoopprijs, inkoopprijs en de winstmarge die daar gemiddeld uit zou kunnen worden afgeleid naar p. 16 van het rapport.
Krachtens art. 511f Sv kan de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Ingevolge art. 511e, eerste lid, Sv (in eerste aanleg) en art. 511g, tweede lid, Sv (in hoger beroep) is op de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel art. 359, derde lid, Sv van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat die uitspraak de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden. De uitspraak van het Hof dient in beginsel op straffe van nietigheid de inhoud van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend te bevatten. Dit is eerder door uw Raad vastgesteld in onder andere HR 16 januari 1996, NJ 1997, 405; HR 30 mei 2000, NJ 2000, 475 en HR 23 januari 2001, NJ 2001, 208.9. Eerdere jurisprudentie van uw College heeft uitgewezen dat als wettig bewijsmiddel een (financieel) rapport met een op basis van gevolgtrekkingen beredeneerde begroting van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat, kan worden aangemerkt, althans dat geen rechtsregel eraan in de weg staat de schatting van het voordeel op een dergelijk rapport te baseren. De gevolgtrekkingen die in een dergelijk rapport worden gemaakt moeten evenwel zijn gebaseerd op aan andere wettige bewijsmiddelen ontleende gegevens. Indien en voor zover een in een dergelijk rapport gemaakte gevolgtrekking is ontleend aan de inhoud van een of meer wettige, voldoende nauwkeurig in dat rapport aangeduide bewijsmiddelen en die gevolgtrekking — blijkens vaststelling door de rechter — door of namens de betrokkene niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist, kan de rechter bij de opgave van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend, volstaan met de vermelding van (het onderdeel van) het rapport als bewijsmiddel waaraan de schatting (in zoverre) is ontleend en het weergeven van die gevolgtrekking uit het rapport (Vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, NJ 2013/544 en zo ook HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:184).
De transactieberekening zoals weergegeven in het vonnis is gebaseerd op (volgens rechtbank en Hof) verkochte hoeveelheden heroïne. Te weten:
‘OVC nummer 206 dd 31-03-2015 | 500,00 kg |
OVC nummer 378 dd 11-04-2015 (60 x 1 kg) | 60,00 kg |
OVC nummer 473 dd 18-04-2015 (62,5 x 500 gram) De rechtbank begrijpt: OVC nummer 591 dd 27-04-2015 | 31,25 kg |
Totaal | 591,25 kg |
Op 12-05-2015 inbeslaggenomen | 46,00 kg |
Resteert, waarvan aannemelijk is dat deze verkocht is | 545,25 kg’ |
Vervolgens heeft de rechtbank deze hoeveelheid, waarvan aannemelijk is geacht dat deze verkocht is, vermenigvuldigd met een bedrag van € 2.402,00. Over die ‘winstmarge’ is het volgende opgenomen in het vonnis:
‘Transactieberekening
Over de periode van 1 januari 2015 tot en met 12 mei 2015 is in de ontnemingsrapportage gebruik gemaakt van het transactiémodel. Op basis van meerdere vertrouwelijk opgenomen gesprekken is in de ontnemingsrapportage een gemiddelde verkoopprijs van heroïne bepaald van € 15.038,-, een gemiddelde inkoopprijs van € 12.636,- en een winstmarge van € 2.402,-. In de ontnemingsrapportage wordt uitgegaan van de verkoop van 545,25 kg heroïne. Uitgaande van de gemiddelde winstmarge van € 2.402,- per kilogram levert dat een bedrag op ter hoogte van
€ 1.309.690,-. Hierop is een bedrag van in totaal € 3.600,- aan huurkosten van het pand aan de [a-straat 01] te [a-plaats] in mindering gebracht. De totale winst bedraagt dus € 1.306.090,-, aldus de officier van justitie.
(…)
Verkooprijs, inkoopprijs en winstmarge.
De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat zich in het dossier geen boekhouding bevindt van de in- en verkoop van verdovende middelen. De rechtbank is voorts van oordeel dat de op pagina 16 van de ontnemingsrapportage vermelde (berekening van de) verkoopprijzen, inkoopprijzen en winstmarge goed zijn onderbouwd en derhalve aannemelijk zijn. Hetgeen in dit verband door de raadsman is aangevoerd geeft de rechtbank geen aanleiding correcties op deze berekeningen aan te brengen. De raadsman heeft immers geen concrete en verifieerbare onderbouwing aangedragen, waaruit de rechtbank zou kunnen afleiden dat de genoemde prijzen lager of hoger (inkoopprijs) zouden moeten geschat dan de genoemde bedragen in de ontnemingsrapportage. Evenmin heeft de raadsman concreet en onderbouwd aangegeven met welke andere kostenposten rekening zou moeten worden gehouden. De rechtbank zal bij het schatten van het wederrechtelijk verkregen voordeel derhalve uitgaan van de in de ontnemingsrapportage genoemde prijzen.’
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is daarmee gebaseerd op de gevolgtrekking dat per kilo een bedrag van € 2.402,00 winst is gemaakt. Die gevolgtrekking is ontleend aan het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel [betrokkene], pagina 16.10. De nadere overweging van de rechtbank verwijst enkel naar dat onderdeel van het Rapport, er worden meer in het bijzonder geen andere redengevende feiten en omstandigheden in weergegeven die zijn ontleend aan (andere) wettige bewijsmiddelen weergegeven in het vonnis. Met de vermelding van (het onderdeel van) het rapport als bewijsmiddel waaraan de schatting (in zoverre) is ontleend en het weergeven van die gevolgtrekking uit het rapport kan de rechter blijkens de jurisprudentie van uw College volstaan indien en voor zover een in een dergelijk rapport gemaakte gevolgtrekking is ontleend aan de inhoud van een of meer wettige, voldoende nauwkeurig in dat rapport aangeduide bewijsmiddelen én die gevolgtrekking door of namens de betrokkene niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. Dat de gevolgtrekking niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist moet daarbij door de rechter worden vastgesteld.
Dat heeft de rechtbank in casu niet vastgesteld, de rechtbank heeft overwogen dat geen aanleiding wordt gezien correcties op de in het rapport gemaakte berekening aan te brengen nu de raadsman ‘geen concrete en verifieerbare onderbouwing heeft aangedragen, waaruit de rechtbank zou kunnen afleiden dat de genoemde prijzen lager of hoger (inkoopprijs) zouden moeten geschat dan de genoemde bedragen in de ontnemingsrapportage.’ Dat een gevolgtrekking (voldoende) gemotiveerd moet worden betwist betekent echter niet dat door degene tegen wie de ontnemingsvordering zich richt een concrete en verifieerbare onderbouwing moet worden aangedragen ter betwisting van de gevolgtrekking (en anders volstaan kan worden met de vermelding van het rapport als bewijs en het weergeven van de gevolgtrekking). Dat is naar het standpunt van rekwirant een strengere eis dan in de jurisprudentie van uw College tot uitdrukking komt en is aanvaard, dat een ‘concrete en verifieerbare onderbouwing’ moet worden aangedragen is een eis die het recht niet kent. Dat de rechtbank hier een strengere eis heeft toegepast komt ook tot uitdrukking in het feit dat de rechtbank zich kennelijk alleen genoodzaakt zag iets met de betwisting van de raadsman te doen indien uit een concrete en verifieerbare onderbouwing die was aangedragen afgeleid had kunnen worden dat de in het rapport genoemde prijzen hoger of lager moesten worden geschat. Er hadden aldus volgens de rechtbank concrete (andere) gegevens moeten worden aangedragen namens rekwirant over de in- en verkoopprijzen, zodat op die wijze tot een ander gemiddelde zou kunnen worden gekomen. Met een welwillende lezing kan in de overweging nog worden gelezen dat hetgeen wordt aangedragen enkel van een motivering moet worden voorzien (zoals ook in de maatstaf van uw College ten aanzien van de betwisting geldt), maar dan wel een concrete en verifieerbare (eisen niet die terugkomen in de maatstaf van uw College). In het slechtste geval moet de overweging zo worden gelezen dat een onderbouwing met stukken moet worden aangedragen, daar neigt het wel naar nu expliciet niet voor de term ‘motivering’ is gekozen door de rechtbank maar voor de term ‘onderbouwing’. Hoe dan ook gaat de rechtbank (en daarmee het Hof in het arrest waarin het vonnis wordt bevestigd) er hier vanuit dat meer gevergd mag worden van de verdediging dan blijkt uit de jurisprudentie van uw College. Dit getuigt naar het standpunt van rekwirant van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de voorwaarden waaronder voor de bewijsvoering volstaan kan worden met de vermelding van (het onderdeel van) het rapport als bewijsmiddel waaraan de schatting (in zoverre) is ontleend en het weergeven van de gevolgtrekking uit het rapport.
Voor zover niet geoordeeld zou worden dat uit is gegaan van een onjuiste rechtsopvatting, is naar het standpunt van rekwirant in ieder geval niet voldoende begrijpelijk dat hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht niet als ‘voldoende gemotiveerde betwisting’ van de gevolgtrekking omtrent de winstmarge is aangemerkt. De gevolgtrekking die de rechtbank heeft weergegeven en waar voor de schatting is uitgegaan, betreft een gemiddelde van verschillende in- en verkoopprijzen zoals die aan (delen van) OVC-gesprekken zijn ontleend. Naar het standpunt van rekwirant is het niet zo dat een dergelijke gevolgtrekking (een gemiddelde) alleen voldoende gemotiveerd kan worden betwist door een concrete en verifieerbare onderbouwing aan te dragen voor de stelling dat van andere in- en verkoopprijzen diende te worden uitgegaan. Ook kan bijvoorbeeld gemotiveerd worden betwist dat überhaupt een gemiddelde als uitgangspunt kan worden genomen om de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op te baseren, kan gemotiveerd worden aangevoerd dat bijvoorbeeld het gemiddelde van een te lange periode is berekend, dat daar ten onrechte (hogere) verkoopprijzen in worden meegenomen die gelden in een andere regio dan waarvan aannemelijk kan worden geacht dat de heroïne daar verkocht is etc. Ook kan gemotiveerd worden betwist dat de gehele hoeveelheid waar de rechtbank vanuit ging met dezelfde (gemiddelde) winstmarge kon worden vermenigvuldigd om tot een schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel te komen dat de veroordeelde — in dit geval rekwirant — daadwerkelijk had genoten. Het blijft immers bij het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel gaan om een maatregel met en reparatoir karakter waarbij dus volstaan moet worden met het schatten van een bedrag en opleggen van een betalingsverplichting betreffende een bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel dat de verdachte daadwerkelijk heeft genoten.
De raadsman heeft blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen pleitnotities het volgende naar voren gebracht:
- ‘37.
Behalve de hoeveelheid gehanteerde kilo's is er natuurlijk de geschatte winstmarge en de geschatte verdeelsleutel. Wat de eerste betreft zitten er in het dossier inderdaad vele gesprekken waarin vele bedragen en getallen worden genoemd. Om op grond daarvan tot een gemiddelde winstmarge per kilo te komen is wat de verdediging betreft nogal arbitrair. Daarnaast zou ik het als een feit van algemene bekendheid willen aanmerken dat ook voor de verdovende middelenhandel geldt dat het sterk wisselt in hoeverre een project of transport succesvol is en de daarmee te behalen winsten evenzeer wisselend zijn.
- 38.
Zo blijkt uit het overzicht dat op pagina 12 en verder van het ontnemingsrapport in map 1 van het dossier is opgenomen al dat zowel inkoopprijzen als verkoopprijzen sterk variëren. Het maakt uiteraard verschil waar je inkoopt en waar je verkoopt, waarbij het verschil tussen Nederland en Duitsland afgaande op de interpretatie van deze gesprekken opmerkelijk mag worden genoemd. Belangrijker is echter dat de gemiddelde marge zoals die volgens het ontnemingsrapport uit deze gesprekken kan worden afgeleid naar het oordeel van de verdediging een onjuiste interpretatie van die gesprekken oplevert.
- 39.
Niet alleen lijkt die marge uitsluitend te worden gebaseerd op het verschil tussen genoemde inkoopprijzen en verkoopprijzen, waardoor alle kosten die na inkoop én voor verkoop moeten worden gemaakt buiten beschouwing blijven (verpakking, transport, chauffeur, eventuele douanefunctionarissen die betaald moeten worden, kosten vervoermiddelen, kosten opslaglocaties, kosten versnijding, et cetera) buiten beschouwing worden gelaten. Bovendien zijn er diverse aanwijzingen in het dossier dat er regelmatig genoegen wordt genomen met een aanzienlijk minder grote marge dan waar de vordering uiteindelijk van uitgaat. Zo zegt [verdachte] in een gesprek van 7 april 2015 (nummer 280) dat hij het voor 12 binnenkrijgt en het voor 13 wil geven en dat een marge van 1000 lira genoeg is. [betrokkene] zegt in een gesprek van 18 april 2015 zelfs dat hij op Rolex helemaal geen winst maakt, hetgeen kennelijk een verslechtering is ten opzichte van vier dagen geleden want dan zegt hij nog dat hij 250 winst maakt op Rolex. Dat zijn uiteraard bedragen die aanzienlijk lager liggen dan de €2400 per kilo waar het Openbaar Ministerie mee rekent.
- 40.
Voor alle duidelijkheid: voor de handel in verdovende middelen geldt net als voor vrijwel alle andere handel dat men zich daar niet mee bezighoudt om er geld op toe te leggen en er zal heus sprake zijn van inkomsten die met die handel worden gegenereerd, vaak zelfs omvangrijke inkomsten. Anderzijds staat het strafdossier bol van de gesprekken waarin wordt aangegeven dat er helemaal geen geld is, dat ze nog maar een paar honderd euro hebben om de maand door te komen, dat ze onvoldoende geld hebben om kerst of nieuwjaar te vieren, et cetera. Dat sprake is geweest van uitermate winstgevende transporten zoals we dat in de handel in cocaïne nog wel eens tegengekomen volgt in ieder geval niet, hetgeen correspondeert met wat ik eveneens als een feit van algemene bekendheid zou willen aanmerken namelijk dat de handel in heroïne aanzienlijk minder lucratief is dan die in cocaïne. Het is niet voor niets dat verdachten die zich in het verleden met heroïne bezighielden nog wel eens pogingen willen wagen hun werkterrein uit te breiden naar cocaïne, iets dat volgens het Openbaar Ministerie ook in deze zaak het geval is geweest.
- 41.
Tot slot is van belang dat zoals de herziene berekening ook erkent sprake is van een winstmarge die met een groot aantal personen moet worden gedeeld. Het Openbaar Ministerie spreekt in het dossier dat ziet op de vermeende criminele organisatie over (slechts) negen bij die organisatie betrokkenpersonen, maar in het startverbaal van het onderzoek Amber worden niet minder dan 26 verdachten geïdentificeerd en aan verschillende zaaksdossiers gekoppeld.
- 42.
Dat is dan nog exclusief diverse personen die in de verschillende zaken een rolspelen maar die in het einddossier niet zijn meegenomen. Waarom alle opbrengsten slechts met negen personen gedeeld zouden moeten worden behoeft dan in ieder geval toelichting, welke ontbreekt. De stelling van het Openbaar Ministerie dat [betrokkene] als onbetwiste leider van de organisatie heeft te gelden is eveneens een stelling die door de verdediging nadrukkelijk wordt betwist en die bij het Hof nog uitgebreid aan de orde zal komen. Daar zou ook weer veel meer over gezegd kunnen worden, maar dat zal ik voor dit moment laten.
- 149.
Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat voordeelsontneming nog altijd als een reparatoire maatregel moet worden gezien en dat het noch de bedoeling van die maatregel, noch rechtens wenselijk is wanneer sprake is van zodanig nattevingerwerk bij het becijferen van dat voordeel dat een juridische werkelijkheid wordt geconstrueerd die zich niet meer verhoudt tot wat zich in werkelijkheid heeft afgespeeld 11. . Alle regels van het bewijsrecht, ook die ten aanzien van de ontneming, zijn er nu juist op gericht dat te voorkomen. Wanneer grote geldbedragen worden ontnomen die een verdachte of veroordeelde in werkelijkheid niet heeft verdiend, is immers de facto sprake van aanvullende financiële sanctionering buiten het geldende bewijsrechtelijk systeem en dat is ook in het verhardde strafklimaat van de afgelopen 20 jaar nog altijd niet de bedoeling.
- 150.
Primair het verzoek de vordering afte wijzen. Subsidiair het verzoek deze te matigen op de wijze als hierboven genoemd, waarbij dus zou moeten worden uitgegaan van genoemde hoeveelheid van 123 kg en een winstmarge die meer recht doet aan de realiteit die zoals blijkt uit de genoemde gesprekken bij dit soort transacties tussen de €500 en de €1000 ligt. Daarnaast zou uitgegaan moeten worden van verdeling van winst die meer recht doet aan de omvang van het aantal verdachten en hun gelijkwaardigheid zoals eerder besproken, waarmee het zeker niet zo is dat één derde aan [betrokkene] zou toevallen.’
Met het voorgaande is voldoende gemotiveerd betwist dat van de gevolgtrekking van een gemiddelde winst van € 2.402,00 per kilo kon worden uitgegaan indien het Hof zou komen tot de vaststelling dat 545,25 kilo heroïne verkocht zou zijn. Aangegeven is dat het uitgaan van een dergelijke winstmarge, een verkeerde interpretatie zou opleveren van de gesprekken waaruit in-en verkoopprijzen zijn gedestilleerd waarbij in de kern ook betwist is dat de handel in heroïne zo lucratief zou zijn en in werkelijkheid (door rekwirant) een dergelijk voordeel is verkregen. Gewezen is daarbij ook op informatie uit het dossier waaruit ten aanzien van rekwirant en deelnemers van de bewezenverklaarde criminele organisatie juist volgt dat zij geen of weinig geld hebben en derhalve niet kon worden uitgegaan van uitermate lucratieve transporten. De raadsman heeft daarbij nog concreet gewezen op gesprekken die exact zien op de periode waarvan is aangenomen dat de partijen van 500, 60 en 31,5 kilo aanwezig waren en zijn verkocht12. waaronder een gesprek waaruit volgt dat rekwirant aangeeft dat op dat moment op ‘Rolex’ helemaal geen winst wordt gemaakt (en vier dagen eerder slechts 250 winst). En een gesprek waaruit volgt dat in die periode genoegen worden genomen met een winstmarge van € 1.000,00. Reden waarom de raadsman (subsidiair) heeft aangegeven dat de vordering gematigd zou moeten worden door uit te gaan van een winstmarge die meer recht doet aan de realiteit van winstmarges tussen de € 500,00 en € 1.000,00. Daarmee is naar het standpunt van rekwirant ook voldoende gemotiveerd betwist dat van de gevolgtrekking die is ontleend aan gegevens van een (veel) ruimere periode waarin (blijkens OVC-gesprekken) gesproken wordt over in- en verkoopprijzen kon worden uitgegaan en dat in tegenstelling tot dat gemiddelde uit moest worden gegaan van een gemiddelde winst die juist ten aanzien van de periode waarin de (500 kg, 60 kg en 31,5 kg) heroïne waar de transactieberekening op ziet (maximaal) kon worden vastgesteld.
Gelet op hetgeen naar voren is gebracht is het (kennelijke) oordeel dat de gevolgtrekking niet voldoende gemotiveerde is betwist (en als gevolg daarvan het oordeel dat volstaan kon worden met de vermelding van het Rapport als bewijsmiddel en weergeven van de gevolgtrekking) niet (voldoende) begrijpelijk. De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan niet zonder meer aan de inhoud van de door het Hof (in het arrest waarin het vonnis van de rechtbank wordt bevestigd) gebezigde bewijsmiddelen worden ontleend, althans is die schatting — waarin is uitgegaan van een winst van € 2.402,00 per verkochte kilo heroïne op grond waarvan tot een schatting van een bedrag van € 435.363,00 aan de hand van een transactieberekening wordt gekomen — mede gelet op hetgeen daartoe naar voren was gebracht niet voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Het arrest kan dan ook niet in stand blijven.
III. Schending van art. 36e (tweede lid) Sr en/of de artt. 350, 359, 415, 423, 511e, 511f en/of 511g Sv, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
Meer in het bijzonder kan de op art. 36e lid 2 Sr gebaseerde schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat rekwirant heeft verkregen uit de in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak bewezen verklaarde feiten en andere feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door rekwirant zijn begaan tot een bedrag van € 494.109,00 niet zonder meer aan de inhoud van de door het Hof (in het arrest waarin het vonnis van de rechtbank wordt bevestigd) gebezigde bewijsmiddelen worden ontleend, althans is de schatting van dat wederrechtelijk verkregen voordeel — mede gelet op hetgeen daartoe naar voren was gebracht — niet voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Immers kan 's Hofs oordeel dat ‘gelet op de bewezenverklaarde rol van rekwirant als leider van een criminele organisatie voldoende aannemelijk is dat aan hem een derde deel van de genoten winst is toegekomen’, welk oordeel ten grondslag is gelegd aan de op basis van een transactieberekening gemaakte schatting dat rekwirant €1.306.090 / 3 = € 435.363,00 (welk bedrag een belangrijk onderdeel is van het totaal geschatte voordeel van € 494.109,00) wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen niet zonder meer worden afgeleid uit 's Hofs bewijsvoering, althans is dat oordeel zonder nadere motivering niet toereikend en begrijpelijk gemotiveerd. Aan de voorwaarde dat in het arrest (waarin het vonnis wordt bevestigd) de bewijsmiddelen worden vermeld waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend, met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden, is niet voldaan. Het arrest kan derhalve niet in stand blijven.
Toelichting
Zoals in middel I en II overwogen komt de rechtbank onder het kopje ‘conclusie’ tot de volgende berekening/het volgende ontnemingsbedrag:
‘Kasopstelling 2012-2014 | :€58.746,- | |
|---|---|---|
Transactieberekening 2015 | ||
-545,25 kg x€ 2.402,- | :€ 1.309.690 | |
- Huurkosten [a-straat] | :€ 3.600-/- | |
:€ 1.306.090 | ||
-€ 1.306.090/3 | : € 435.363,- | |
Totaal | : € 494.109,-’ |
De rechtbank heeft aannemelijk geacht dat dit totaalbedrag, bestaande uit de verschillende posten, aan wederrechtelijk verkregen voordeel is verkregen, het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat is ook vastgesteld op dit bedrag van € 494.109,00. Dit onderdeel van het vonnis is door het Hof bevestigd.
Het vastgestelde bedrag waarop het voordeel is geschat is aldus mede gebaseerd op een transactieberekening die betrekking heeft op 2015. Het wederrechtelijk verkregen voordeel zoals dat uit die transactieberekening volgt bedraagt € 435.363,00. Blijkens het bevestigde vonnis komt die schatting voort uit een berekening van een hoeveelheid van 545,25 kg heroïne die zou zijn verkocht (bestaande uit drie verschillende partijen van 500 kg, 60 kg en 31,5 kg) keer een winstbedrag per kilo van € 2.402,00, waar huurkosten ter hoogte van € 3.600,00 vanaf zijn getrokken om op een bedrag van € 1.306.090,00 uit te komen. Dit bedrag is door de rechtbank door drie gedeeld, waardoor wordt uitgekomen op een schatting van € 435.363,00 aan wederrechtelijk verkregen voordeel dat naar het oordeel van de rechtbank door rekwirant is verkregen uit de bewezenverklaarde feiten 1 en 5 (weergegeven in middel I), te weten het als leider deelnemen aan een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van misdrijven zoals bedoeld in art. 10, derde, vierde en vijfde lid en/of 10a eerste lid van de Opiumwet en het medeplegen van het opzettelijk vervoeren van ongeveer 165 kg heroïne, en andere feiten waaromtrent naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door rekwirant zijn begaan. Voor de genoemde (berekening van de) hoeveelheid, het winstbedrag per kilo en de aftrek van de huurkosten geldt dat de rechtbank heeft verwezen naar het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel [betrokkene], pagina 12 t/m 14, naar het vonnis van de rechtbank in de strafzaak p. 87 en 88 naar hetzelfde genoemde rapport p. 17 en voor wat betreft de verkoopprijs, inkoopprijs en de winstmarge die daar gemiddeld uit zou kunnen worden afgeleid naar p. 16 van het rapport.
In dit middel gaat het om de ‘verdeelsleutel’ die ten grondslag is gelegd aan de schatting van het door rekwirant wederrechtelijk verkregen voordeel en waaraan de schatting dan ook is ontleend. Ten aanzien van de ‘verdeelsleutel’ wijst de rechtbank op het vonnis in de strafzaak, waarin over de rol van rekwirant binnen de criminele organisatie wordt overwogen dat hij daar de leider van was. Aan de pagina's 98 en 103 (of andere pagina's) van het vonnis kan echter niet worden ontleend welk deel van de winst van binnen dat samenwerkingsverband gepleegde misdrijven rekwirant als leider van de criminele organisatie zou hebben ontvangen en in ieder geval niet dat hij een derde deel ontving. Aan de overige bewijsmiddelen die zijn gebezigd, te weten onderdelen van het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel [betrokkene] en de Herberekening wederechtelijk verkregen voordeel [betrokkene], kan evenmin worden ontleend dat rekwirant een derde deel van de winst ontving.
De rechtbank overweegt in het vonnis in de ontnemingszaak dat de officier van justitie bij het bepalen van de verdeelsleutel de rol van rekwirant in het criminele samenwerkingsverband in zijn nadeel in aanmerking heeft genomen en dat de rechtbank ‘gelet op de bewezenverklaarde rol van rekwirant als leider van een criminele organisatie van oordeel is dat voldoende aannemelijk is dat aan hem een derde van de genoten winst is toegekomen’. Dat aan rekwirant een derde van de totale winst die gemaakt zou zijn met binnen de criminele organisatie gepleegde misdrijven zou zijn toegekomen is niet meer dan iets dat door de officier van justitie naar voren is gebracht, ites dat kennelijk — maar zonder onderbouwing — aannemelijk wordt geacht. Hetgeen de raadsman in dat verband naar voren heeft gebracht is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de aannemelijkheid van deze verdeelsleutel te weerleggen. Hetgeen de raadsman van rekwirant mr. S.L.J. Janssen (tijdens het voordragen van het pleidooi waargenomen door mr. W.R. Jonk) naar voren heeft gebracht over een eventuele verdeelsleutel is als volgt:
- ‘148.
Anders dan de rechtbank in het vonnis schrijft is op dit onderdeel in eerste aanleg al uitgebreid pleidooi gevoerd en is specifiek gewezen op beschikbare tapgesprekken waaruit volgt dat de gemiddelde winstmarge die in de ontnemingsrapportage wordt berekend veel te ruim is en geen recht doet aan de, helaas voor de verdachte, veel meer karige werkelijkheid. Dat is overigens ook iets dat met de verkrijging van de enorme hoeveelheden Sky- en Encro jurisprudentie keer op keer blijkt. Ik zal dat niet allemaal opnieuw gaan opschrijven maar verwijzen naar hetgeen daarover in eerste aanleg is gezegd:
(…)
- 41.
Tot slot is van belang dat zoals de herziene berekening ook erkent sprake is van een winstmarge die met een groot aantal personen moet worden gedeeld. Het Openbaar Ministerie spreekt in het dossier dat ziet op de vermeende criminele organisatie over (slechts) negen bij die organisatie betrokkenpersonen, maar in het startverbaal van het onderzoek Amber worden niet minder dan 26 verdachten geïdentificeerd en aan verschillende zaaksdossiers gekoppeld. 13.
- 42.
Dat is dan nog exclusief diverse personen die in de verschillende zaken een rolspelen maar die in het einddossier niet zijn meegenomen. Waarom alle opbrengsten slechts met negen personen gedeeld zouden moeten worden behoeft dan in ieder geval toelichting, welke ontbreekt. De stelling van het Openbaar Ministerie dat [betrokkene] als onbetwiste leider van de organisatie heeft te gelden is eveneens een stelling die door de verdediging nadrukkelijk wordt betwist en die bij het Hof nog uitgebreid aan de orde zal komen. Daar zou ook weer veel meer over gezegd kunnen worden, maar dat zal ik voor dit moment laten. In ieder geval stelt de verdediging zich op het standpunt dat voor de aanname dat [betrokkene] niet minder dan een derde zou mogen ontvangen van alle winsten die uit de handel in heroïne zijn voortgekomen het dossier verregaand onvoldoende onderbouwing biedt. 14. Het is zoals ook wordt erkend in de berekening niet meer of minder dan een schatting, nattevingerwerk dat geen grondslag heeft in de bewijsmiddelen.
- 43.
Daar komt het arbitrair karakter van de bepaalde winstmarge nog bij, en er wordt als gezegd geen enkele rekening gehouden met andere kosten dan de inkoopprijs alleen. Met een verwijzing naar de inleiding van dit pleidooi waarin ik heb gewezen op de risico is dat dit soort schattingen en berekeningen leiden tot een reconstructie van de werkelijkheid die geen recht doet aan die werkelijkheid en daarmee tot een. aanzienlijke ontneming van vermogen dat een verdachte of veroordeelde niet daadwerkelijk heeft genoten, meen ik dat dit deze transactieberekening een te wankele basis vormt om verondersteld verkregen crimineel vermogen te kunnen vaststellen en dat tot zo een vaststelling dus ook niet dient te worden overgegaan.’
Krachtens art. 511f Sv kan de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Ingevolge art. 511e, eerste lid, Sv (in eerste aanleg) en art. 511g, tweede lid, Sv (in hoger beroep) is op de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel art. 359, derde lid, Sv van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat die uitspraak de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden. De uitspraak van het Hof dient in beginsel op straffe van nietigheid de inhoud van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend te bevatten. Dit is eerder door uw Raad vastgesteld in onder andere HR 16 januari 1996, NJ 1997, 405; HR 30 mei 2000, NJ 2000, 475 en HR 23 januari 2001, NJ 2001, 208.15. Eerdere jurisprudentie van uw College heeft uitgewezen dat als wettig bewijsmiddel een (financieel) rapport met een op basis van gevolgtrekkingen beredeneerde begroting van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat, kan worden aangemerkt, althans dat geen rechtsregel eraan in de weg staat de schatting van het voordeel op een dergelijk rapport te baseren. De gevolgtrekkingen die in een dergelijk rapport worden gemaakt moeten evenwel zijn gebaseerd op aan andere wettige bewijsmiddelen ontleende gegevens. Indien en voor zover een in een dergelijk rapport gemaakte gevolgtrekking is ontleend aan de inhoud van een of meer wettige, voldoende nauwkeurig in dat rapport aangeduide bewijsmiddelen en die gevolgtrekking — blijkens vaststelling door de rechter — door of namens de betrokkene niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist, kan de rechter bij de opgave van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend, volstaan met de vermelding van (het onderdeel van) het rapport als bewijsmiddel waaraan de schatting (in zoverre) is ontleend en het weergeven van die gevolgtrekking uit het rapport (Vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, NJ 2013/544 en zo ook HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:184).
In casu moet worden vastgesteld dat de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel niet kan worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen, althans dat dit in ieder geval zo is voor zover die schatting tot stand is gekomen door van de totaal berekende winst uit de verkoop van een hoeveelheid heroïne aannemelijk te achten dat rekwirant een derde daarvan (een bedrag van € 435.363,00) daadwerkelijk heeft verkregen. Aan de voorwaarde dat in het arrest (waarin het vonnis wordt bevestigd) de bewijsmiddelen worden vermeld waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden is niet voldaan. Opgemerkt wordt nog dat de ‘verdeelsleutel’ in dit geval ook geen gevolgtrekking is op basis waarvan een beredeneerde begroting wordt gemaakt in een als bewijsmiddel te gebruiken (financieel) rapport, welke gevolgtrekking ook zou moeten worden gebaseerd op aan andere wettige bewijsmiddelen ontleende gegevens. De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat rekwirant heeft verkregen tot een bedrag van € 494.109,00 kan niet zonder meer aan de inhoud van de door het Hof (in het arrest waarin het vonnis van de rechtbank wordt bevestigd) gebezigde bewijsmiddelen worden ontleend en mede gelet op hetgeen met betrekking tot het deel dat door rekwirant daadwerkelijk zou zijn verkregen naar voren is gebracht, is de schatting van dat wederrechtelijk verkregen voordeel niet voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Nu de uitspraak van het Hof in beginsel op straffe van nietigheid de inhoud van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend dient te bevatten en dit niet het geval is, kan het arrest (waarin het vonnis wordt bevestigd) niet in stand blijven.
Het is op bovengenoemde gronden dat rekwirant uw College eerbiedig verzoekt om het arrest zoals gewezen door het Gerechtshof te Amsterdam op 14 april 2023 te vernietigen en een zodanige uitspraak te doen als uw College juist en noodzakelijk voorkomt.
De bijzonderlijk gevolmachtigde,
mr D.N. de Jonge
Rotterdam, 23 augustus 2023
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 23‑08‑2023
Althans in het rapport staat € 143.960,66 op p. 18, in de herberekening zal een typfout zijn gemaakt nu een bedrag van € 143.860,66 niet voorkomt op p. 18.
Waarmee dan overigens nog niet is gezegd dat het verschil dus voordeel betreft dat hij door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld en andere feiten waaromtrent aannemelijk is dat de door hem zijn begaan heeft verkregen.
Blijkens het requisitoir van het Openbaar Ministerie in hoger beroep in de strafzaak betrof de bewezenverklaarde pleegperiode vanaf 1 februari 2012 een schrijffout en zou het om 1 februari 2014 moeten gaan.
Uit het als bewijsmiddel gebezigde Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel [betrokkene], pagina 18 kan worden opgemaakt dat de uitgaven in 2012 een bedrag van € 46.642, 29 (met inachtneming van de herberekening worden de contante stortingen aan [naam 1] al niet meegenomen en komt het bedrag op € 22.483,52). In 2013 gaat het om € 30.247,47 en € 14.137,47 met inachtneming van de herberekening. Alleen ten aanzien van 2014 is uit het rapport niet af te leiden in welke maanden de uitgaven zijn gedaan en dus niet welk deel voor de bewezenverklaarde periode ligt.
Zie bijvoorbeeld ook HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:543
Zie bijv. A-G Aben in ECLI:NL:PHR:2021:966.
Zie bijvoorbeeld Gerechtshof Amsterdam, ECLI:NL:GHAMS:2015:1568.
Hoge Raad ECLI:NL:HR:2022:4
Zie ook bijvoorbeeld HR 27 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0761 en HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010: BM5078.
Een blik over de papieren muur levert wel op dat op pagina 16 van dat rapport wordt verwezen naar onderdeel 5.6 van het rapport waarin een overzicht staat van de verkorte inhoud van uitwerkingen van OVC gesprekken en dat de volledige uitwerkingen als bijlagen bij het rapport zijn gevoegd.
Zie recent nog de Hoge Raad in een ontnemingszaak die voor wat betreft de berekening wel wat weg had van de onderhavige zaak: Dat neemt echter niet weg dat — mede gelet op het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel — bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel steeds moet worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene zelf in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald (vgl. HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3364). Het gebruik van een gemeenschappelijke kasopstelling mag er dus niet in resulteren dat van een van de betrokkenen meer voordeel wordt ontnomen dan hij daadwerkelijk heeft verkregen. HR 22 februari 2022, HR:2022:159.
Uitgegaan is namelijk van gesprekken van 31-03-2015, 07-04-2015, 11-04-2015, 18-04-2015 en 27-04-2015 (p. 6 en 7 vonnis) en de gesprekken waar de raadsman op heeft gewezen zijn eveneens van 7-04-2015 en 18-04-2015.
48 Map 02 — A — Algemeen — Leeswijzer, algemeen Proces-Verbaal, p. 5
Laat staan de helft, waar dan vervolgens zogenaamd redelijk ‘in het voordeel van de verdachte’ van wórdt afgeweken. De helft van het verschil tussen de inkoopprijs en verkoopprijs waarbij alle andere kosten dan inkoop niet worden betrokken zou aan één persoon toekomen? Wat blijft er dan over voor al die 25 plus andere betrokkenen? Waar worden al die kosten van betaald? Dat slaat toch nergens op?
Zie ook bijvoorbeeld HR 27 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0761 en HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010: BM5078.