In de stukken bevindt zich weliswaar een document met de naam ‘(aanvulling) dossier hof – bewijsmiddelen’, maar dit document betreft enkel een handgeschreven getuigenverklaring van [betrokkene 2] overgelegd op de terechtzitting van 9 februari 2021.
HR, 14-02-2023, nr. 21/00767
ECLI:NL:HR:2023:177
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-02-2023
- Zaaknummer
21/00767
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:177, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑02‑2023; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2021:424
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:1223
ECLI:NL:PHR:2022:1223, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 20‑12‑2022
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:177
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:723
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2023-0037
Uitspraak 14‑02‑2023
Inhoudsindicatie
Tussenarrest HR. Aanwezig hebben van hennepkwekerij, art. 3.B Opiumwet. Bewijsklacht. Enkelvoudige kamer hof heeft vonnis Pr bevestigd, art. 3 Regeling aantekening mondeling vonnis, art. 425.2 Sv en art. 425.3 Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2016:2026 m.b.t. bevestiging en vernietiging van mondeling vonnis bij mondeling arrest. Gelet hierop is het voor eisen die aan inhoud van aantekening mondeling arrest worden gesteld, niet van belang of verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend dan wel of ttz. door of namens verdachte vrijspraak is bepleit (vgl. HR:2009:BK5605). Volgt verwijzing naar rolzitting teneinde AG in de gelegenheid te stellen zich voor het overige uit te laten over voorgestelde middelen. CAG (anders): Hof mocht vonnis Pr niet bevestigen, omdat niet kon worden volstaan met opgave van bewijsmiddelen a.b.i. art. 359.3 Sv, nu verdachte het feit niet heeft bekend en raadsvrouw in hoger beroep vrijspraak heeft bepleit.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/00767
Datum 14 februari 2023
TUSSENARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 9 februari 2021, nummer 23-001611-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft V.C. van der Velde, advocaat te Almere, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewijsvoering. Naar aanleiding daarvan heeft de advocaat-generaal opgemerkt dat in deze zaak zich niet het geval voordoet dat op grond van artikel 359 lid 3, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan worden volstaan met een opgave van bewijsmiddelen - omdat niet sprake is van een bekennende verdachte en ook namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak is bepleit - en dat daarom het hof het vonnis niet had mogen bevestigen zonder de in artikel 423 lid 1 Sv bedoelde aanvulling van gronden, te weten de in artikel 359 lid 3, eerste volzin, Sv bedoelde weergave van de inhoud van de bewijsmiddelen met betrekking tot het tenlastegelegde.
2.2.1
De politierechter heeft ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat hij:
“op 16 juni 2015 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [a-straat 1] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 98,92 gram hasj en ongeveer 485 hennepplanten, een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.”
2.2.2
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte daar onder meer het volgende aangevoerd:
“Ik verzoek het hof mijn cliënt integraal vrij te spreken.”
2.2.3
Het hof heeft het vonnis onder meer wat betreft de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde bij mondeling arrest bevestigd. Dat mondelinge arrest is aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep.
2.3.1
Over de bevestiging en vernietiging van een mondeling vonnis bij mondeling arrest heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2026 - onder verwijzing naar onder meer artikel 3 van de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 197) en artikel 425 leden 2 en 3 Sv - het volgende overwogen:
“2.3.1 Op grond van art. 423, eerste lid, Sv is zowel de meervoudige als de enkelvoudige kamer van het hof bevoegd een in eerste aanleg gewezen vonnis te bevestigen. Dit geldt ook indien het een mondeling vonnis betreft dat in het proces-verbaal van de terechtzitting is aangetekend op de wijze als in de Regeling bepaald. De bevoegdheid om zo een mondeling vonnis te bevestigen is niet beperkt tot het geval als bedoeld in de tweede volzin van het derde lid van art. 359 Sv (bekennende verdachte).
(...)
2.5
Indien de enkelvoudige kamer van het hof mondeling arrest wijst, mag de aantekening van het mondeling arrest wat betreft de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen - in overeenstemming met de Regeling - verwijzen naar het proces-verbaal van de terechtzitting en/of andere processtukken, ongeacht of het geval als bedoeld in de tweede volzin van het derde lid van art. 359 Sv zich voordoet. Deze verwijzing kan, ook in geval van vernietiging van het mondeling vonnis bij mondeling arrest, zowel het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg als het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep betreffen.”
2.3.2
Gelet hierop is het voor de eisen die aan de inhoud van de aantekening van het mondeling arrest worden gesteld, niet van belang of de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend dan wel of ter terechtzitting door of namens de verdachte vrijspraak is bepleit. (Vgl. ook HR 8 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK5605.)
2.4
De advocaat-generaal heeft zich voor het overige nog niet uitgelaten over de voorgestelde cassatiemiddelen. De Hoge Raad is van oordeel dat de advocaat-generaal daartoe alsnog in de gelegenheid moet worden gesteld. Met het oog daarop zal de zaak naar de rolzitting worden verwezen.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwijst de zaak naar de rolzitting van 21 februari 2023;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 februari 2023.
Conclusie 20‑12‑2022
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Heeft hof kunnen volstaan met een kale bevestiging van het vonnis van de politierechter? T.t.z. in h.b. is vrijspraak bepleit. Hof had in het onderhavige geval het vonnis niet mogen bevestigen zonder aanvulling van gronden. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/00767
Zitting 20 december 2022
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1.
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 9 februari 2021 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam bevestigd, behalve voor wat betreft de strafoplegging. De verdachte is voor opzettelijke overtreding van de Opiumwet (het aanwezig hebben van een hennepkwekerij) veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tachtig uur, subsidiair veertig dagen hechtenis.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. V.C. van der Velde, advocaat te Almere, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. Bespreking van het eerste middel
2.1.
Het middel bevat verschillende klachten over de (motivering van de) bewezenverklaring. Geklaagd wordt dat het hof op onjuiste en/of ontoereikende gronden tot een bewezenverklaring is gekomen en dat de tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen de bewezenverklaring niet kunnen dragen.
2.2.
Bij de beoordeling van het middel, stel ik het volgende voorop. Het hof heeft het vonnis van de politierechter met overneming van gronden bevestigd, behalve wat betreft de overweging en beslissing ten aanzien van de strafoplegging.
2.3.
Uit de aan de Hoge Raad gezonden stukken blijkt dat het bestreden arrest geen aanvulling bewijsmiddelen bevat. Over het bestaan van een aanvulling wordt door het hof in zijn arrest ook niet gerept, zodat het er in cassatie voor moet worden gehouden dat deze aanvulling niet is opgemaakt.1.
2.4.
De steller van het middel klaagt in zijn schriftuur over de onbegrijpelijkheid van het ontbreken van een aanvullende motivering van het hof, maar over het ontbreken van de aanvulling bewijsmiddelen wordt door de steller niet expliciet geklaagd. In weerwil van HR 22 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3483, NJ 2010/637, m.nt. Y. Buruma, meen ik dat in het onderhavige geval toch aanleiding is ambtshalve de vraag aan de orde te stellen of het hof heeft kunnen volstaan met een bevestiging van het mondeling vonnis van de politierechter, zonder daarbij de gronden aan te vullen met de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. Reden hiervoor is het feit dat de steller van het middel bewijsklachten formuleert, welke te maken hebben met hetgeen verschillende getuigen hebben verklaard en een aangetroffen DNA-spoor. Om over deze klachten iets zinnigs te kunnen zeggen, dient eerst te worden bepaald of het hof met een ‘kale’ bevestiging (dat wil zeggen: zonder nadere motivering, behoudens ten aanzien van de strafoplegging) van het vonnis van de politierechter heeft kunnen volstaan.
2.5.
“De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit.”
2.6.
In zijn arrest van 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2026, NJ 2017/128, m.nt. P.A.M. Mevis heeft de Hoge Raad overwogen in welke gevallen een bevestiging met overneming van gronden van een mondeling vonnis van de politierechter ten aanzien van het bewijs toelaatbaar is:
“2.3.1. Op grond van art. 423, eerste lid, Sv is zowel de meervoudige als de enkelvoudige kamer van het hof bevoegd een in eerste aanleg gewezen vonnis te bevestigen. Dit geldt ook indien het een mondeling vonnis betreft dat in het proces-verbaal van de terechtzitting is aangetekend op de wijze als in de Regeling bepaald. De bevoegdheid om zo een mondeling vonnis te bevestigen is niet beperkt tot het geval als bedoeld in de tweede volzin van het derde lid van art. 359 Sv (bekennende verdachte).
2.3.2.
Indien die aantekening mondeling vonnis wat betreft de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen - in overeenstemming met de Regeling - verwijst naar het proces-verbaal van de terechtzitting en/of andere processtukken, is de meervoudige kamer van het hof in geval van bevestiging van het vonnis in beginsel niet gehouden de inhoud van die stukken (alsnog) in zijn arrest op te nemen. Gelet op het bepaalde in de tweede volzin van het derde lid van art. 359 Sv lijdt dit evenwel uitzondering indien ter terechtzitting van de meervoudige kamer in hoger beroep door de verdachte anders - dat wil zeggen: niet in bekennende zin - is verklaard of door zijn raadsman vrijspraak is bepleit. In dat geval dient bevestiging te geschieden met aanvulling van gronden, dus met opneming van de (uitgewerkte) inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen in het arrest. Dat houdt in dat de feiten of omstandigheden die redengevend zijn geacht voor de bewezenverklaring, moeten zijn vervat in de door het hof gebezigde en in zijn arrest weergegeven bewijsmiddelen. Indien zij niet in die bewijsmiddelen zijn vermeld, moet het hof met voldoende mate van nauwkeurigheid (a) die feiten of omstandigheden aanduiden, en (b) het wettige bewijsmiddel of de wettige bewijsmiddelen aangeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.”
2.7.
Het mondeling vonnis van de politierechter van de rechtbank Amsterdam is aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 april 2019. Die aantekening houdt in:
“De politierechter deelt de inhoud van de stukken van het dossier mee, waaronder:
ten aanzien van feit 1:
1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2015136900-2 van 16 juni 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (doorgenummerde pag. 35 e.v.).
2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2015136900-4 van 16 juni 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde pag. 70 e.v.).
3. Een proces-verbaal verhoor-getuige met nummer 2015136900-3 van 16 juni 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. 73 e.v.).
4. Een proces-verbaal verhoor meerderjarige verdachte met nummer 2015136900-21 van 11 november 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (doorgenummerde pag. 85 e.v.).
5. Een rapport van 3 juli 2015, laboratoriumnummer 0783N15, van dr. P. Hommerson, forensisch expert, in de zaak tegen de verdachte [verdachte] (doorgenummerde pag. 113).
6. Een geschrift, zijnde een ruimlijst hennep, nummer 23722 (doorgenummerde pag. 114).”
In de aantekening mondeling vonnis staat:
“Alle gebruikte bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring
De inhoud van de processen-verbaal, het rapport en het geschrift, zoals deze hiervoor in het proces-verbaal ter terechtzitting zijn genoemd.
De bewijsoverwegingen
De politierechter acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte ten aanzien van feit 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
De politierechter hecht meer waarde aan de in de eerste instantie ten overstaan van een verbalisant afgelegde verklaring van getuige [betrokkene 1] en minder aan de ter terechtzitting overhandigde schriftelijke verklaring nu de rechtbank niet kan achterhalen waarom deze is opgesteld en onder welke omstandigheden. De rechtbank hecht daarentegen wel waarde aan de verklaring van de buurvrouw, welke onder meer wordt ondersteund door het aantreffen van een sigarettenpeuk met DNA van een vriend van verdachte. De rechtbank acht de verklaring van verdachte ongeloofwaardig nu het gelet op het dossier al niet aannemelijk is dat zijn kind in de woning verbleef en hij niet heeft gemerkt dat er een hennepplantage in de woning aanwezig was. De rechtbank gaat er derhalve vanuit dat verdachte de woning huurde ten tijde van het aantreffen van de hennepkwekerij.
De bewezenverklaring
De politierechter acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, bewezen dat verdachte
ten aanzien van feit 1:
op 16 juni 2015 te Diemen opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [a-straat 1] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 98,92 gram hasj en ongeveer 485 hennepplanten, een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.”
2.8.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter houdt voorts in:
“De verdachte verklaart:
(…) Ik wist niet dat er een hennepkwekerij in de woning aanwezig was. Als ik dat had geweten dan had ik mijn dochter daar nooit heen gebracht. Ik vind het heel erg dat mijn dochter daar verbleef. Ik heb nooit wat gezien. (…) Ik heb het pand niet gehuurd. Ik heb het ten laste gelegde feit niet gepleegd.
De raadsvrouw voert het woord tot verdediging als volgt:
(…) Cliënt ontkent elke betrokkenheid bij de feiten. (…) Omdat er onvoldoende wettig bewijs is, moet cliënt worden vrijgesproken.”
2.9.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 9 februari 2021 houdt in:
“In antwoord op vragen van de raadsheer verklaart de verdachte:
Ik zit al bijna zes jaar met deze zaak in m’n buik. Ik woonde niet op [a-straat 1] wist niets van de kwekerij. Ik kwam alleen mijn dochter ophalen bij de moeder van mijn ex, [betrokkene 1] .
(…)
De raadsvrouw voert het woord tot verdediging als volgt:
Ik verzoek het hof mijn cliënt integraal vrij te spreken. Er is geen wettig en overtuigend bewijs dat hij op 16 juni 2015 op [a-straat 1] was. Hij was er op dat moment niet. [betrokkene 1] verklaarde eerst dat ze op vakantie was en de woning aan de verdachte te hebben onderverhuurd. Hij ontkent dit en ik verzoek u de verklaring van mijn cliënt als uitgangspunt te nemen. (…)”
2.10.
De pleitnota van de raadsvrouw van de verdachte houdt daarnaast in:
“Aanleiding verdenking cliënt: Er wordt een kwekerij ontdekt in de woning aan het [a-straat 1] . Die woning wordt gehuurd door [betrokkene 1] . Zij staat daar ook ingeschreven. Zij heeft in eerste instantie bij de politie verklaard dat zij op vakantie was en de woning heeft onderverhuurd aan haar schoonzoon, te weten cliënt.
Cliënt ontkent dit. Hij ontkent bij [betrokkene 1] een kamer te hebben gehuurd en hij ontkent een kwekerij in de woning aan de [a-straat 1] te hebben opgezet en te hebben onderhouden.
Ik verzoek u de verklaring van mijn cliënt als uitgangspunt te nemen en hem vrij te spreken. Waarom? Zijn ontkenning wordt niet weerlegd door het dossier.”
2.11.
Blijkens het voorgaande is noch in eerste aanleg noch in hoger beroep sprake van een bekennende verdachte. Bovendien heeft de raadsvrouw van de verdachte in hoger beroep (wederom) vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde feit. Uit art. 359 lid 3 Sv volgt dat niet met een verkorte opgave van de bewijsmiddelen kan worden volstaan indien door of namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak is bepleit. Gelet hierop had het hof het vonnis niet mogen bevestigen zonder de in art. 423 lid 1 Sv bedoelde aanvulling van gronden, te weten de in art. 359 lid 3, eerste volzin, Sv bedoelde weergave van de inhoud van de bewijsmiddelen met betrekking tot het tenlastegelegde.2.
2.12.
Ten overvloede merk ik nog op dat in gevallen als de onderhavige van de feitenrechter een aanvulling van het bewijs wordt verlangd om controleerbaarheid van de bewijsconstructie in cassatie mogelijk te maken.
2.13.
Het middel slaagt.
2.14.
Gelet op het voorgaande behoeft het tweede middel geen bespreking. Indien de Hoge Raad anders mocht oordelen, ben ik uiteraard bereid aanvullend te concluderen.
3. Slotsom
3.1.
Het eerste middel slaagt. Het tweede middel behoeft geen bespreking.
3.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, teneinde op basis van het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑12‑2022
Vgl. HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2026, NJ 2017/128, m.nt. P.A.M. Mevis, HR 6 november 2018,ECLI:NL:HR:2018:2014, HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2230 en HR 22 februari 2022,ECLI:NL:2022:291.