Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/4.3.2.3
4.3.2.3 De voor- en nadelen van de voorgestelde werkwijze
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS454280:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 7.4.1.
Zie § 7.4.10.
Zie § 4.1.5.
Zie § 4.6.3.3.
Zie § 4.8.
Zie § 4.1.4.
Vgl. bijvoorbeeld OK 22 februari 2007, ARO 2007/52 (LdB Ogilvy & Mather), r.o. 2.2. In deze beschikking overwoog de Ondernemingskamer dat in aanmerking moet worden genomen dat het in hoge mate aan de onderzoeker is om te bepalen welke feiten en omstandigheden in het kader van het bevolen onderzoek meent dat onderzoek behoeven en hoe hij zijn onderzoek inricht. Zijn opvattingen dienaangaande zijn volgens de Ondernemingskamer, in ieder geval zolang het onderzoek voortduurt, slechts met grote terughoudendheid te toetsen. Of deze beslissing in overeenstemming is met de taak van de Ondernemingskamer om erop toe te zien dat de kosten van het onderzoek binnen redelijke grenzen blijven, hangt natuurlijk af van de mate van terughoudendheid waarmee de Ondernemingskamer toetst. Ik vind dat de Ondernemingskamer daarin te terughoudend is. Zie § 7.3.4.3.
Zie § 4.1.4.
De angst voor negatieve publiciteit speelt bij beursgenoteerde ondernemingen een grote rol. Het verwijt dat de onderneming een doofpot wil creëren en kennelijk iets te verbergen heeft en daarom tegen een verhoging van het onderzoeksbudget is, is snel gemaakt. Zie over de negatieve invloed van publiciteit van een enquêteprocedure op de rechtspersoon het empirisch onderzoek van Böcker 2010, p. 159-160; Klaassen 2010b, p. 127.
Een voordeel van de voorgestelde werkwijze is dat deze tegemoetkomt aan de kritiek die partijen hebben op het feit dat zij geen invloed hebben op de vaststelling van de hoogte van het onderzoeksbudget. Gezien de grote onderzoeksvrijheid die de Ondernemingskamer de onderzoekers laat,1 leidt dit bij partijen tot het gevoel aan de goden te zijn overgeleverd. De kosten van het onderzoek moeten proportioneel zijn ten opzichte van het te onderzoeken belang.2 Met dat uitgangspunt zal niemand het oneens zijn. Als partijen echter geen invloed hebben op de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd, kunnen zij een eventueel gebrek aan proportionaliteit en subsidiariteit alleen achteraf ter discussie stellen. Als de onderzoekers daarentegen een plan van aanpak met bijbehorende begroting opstellen, kunnen partijen zich in de beginfase van het onderzoek daarover uitlaten. De kosten van het onderzoek worden in belangrijke mate bepaald door de uitwerking van de onderzoeksopdracht in concrete onderzoeksvragen en de wijze waarop de onderzoekers het onderzoek willen uitvoeren. Door de onderzoekers hun kosten te laten begroten, krijgen partijen de mogelijkheid nut en noodzaak van bepaalde voorgenomen onderzoeksmethoden ter discussie te stellen. Dit is geen overbodige luxe. De onderzoekskosten zijn de laatste jaren sterk gestegen.3 Er valt een tendens te bespeuren dat onderzoekers, vooral in inquisitoire enquêtes, steeds meer onderzoekshandelingen willen verrichten. Ter illustratie wijs ik op de kostbare forensische onderzoekstechnieken die de onderzoekers in de Fortis-enquête hebben gehanteerd. Als deze tendens zich voortzet, dan is niet ondenkbaar dat in de toekomst de kosten van grote (inquisitoire) enquêteonderzoeken naar vooral beursgenoteerde ondernemingen standaard in de miljoenen euro’s gaan lopen. Daar kunnen goede redenen voor zijn, maar ik zie niet in waarom partijen niet een zekere mate van inspraak zou moeten worden gegund, uiteraard zonder dat zij een vetorecht krijgen. Dit biedt de Ondernemingskamer, of de raadsheer-commissaris namens haar, bovendien de mogelijkheid om, gehoord partijen, invulling te geven aan haar taak toezicht te houden op de onderzoekskosten.
Een tweede voordeel is dat met een deugdelijke voorbereiding kan worden bereikt dat de vaststelling van het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten ook daadwerkelijk het onderzoeksbudget is. De onderzoekers zullen ervoor moeten zorgen dat het onderzoek in beginsel binnen het budget kan worden afgerond. Uiteraard kunnen er omstandigheden zijn waardoor van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. Bij het onderzoek kunnen zich complicaties voordoen, bijvoorbeeld omdat betrokkenen niet meewerken. Onderzoekers kunnen zich hebben verkeken op de tijd die met het onderzoek is gemoeid. Dit kunnen valide redenen zijn om het onderzoeksbudget in een later stadium te verhogen. Dit alles neemt niet weg dat als de onderzoekers en partijen op de hier bepleite wijze bij het vaststellen van het onderzoeksbudget worden betrokken, verwacht mag worden dat het aantal verzoeken om verhoging van het onderzoeksbudget drastisch zal afnemen.
Een derde voordeel van deze werkwijze is dat partijen zich kunnen uitlaten over het door de onderzoekers voorgestelde uurtarief voor henzelf en de kantoorgenoten die zij willen inschakelen. De onderzoekers hebben er ook belang bij om vooraf te weten waar zij aan toe zijn, zodat zij, als zij het uurtarief te laag vinden, kunnen weigeren een benoeming tot onderzoeker te aanvaarden. Uiteraard is de vaststelling van het uurtarief een voorlopige, omdat de Ondernemingskamer pas na afloop van het onderzoek de vergoeding van de onderzoekers vaststelt (waarbij zij die vergoeding niet op een hoger bedrag dan het – al dan niet verhoogde – onderzoeksbudget kan vaststellen). De onderzoekers mogen echter aan de voorlopige vaststelling van het uurtarief het vertrouwen ontlenen dat de Ondernemingskamer dit uurtarief, bijzondere omstandigheden daargelaten, niet naar beneden zal bijstellen.4
Een vierde voordeel van deze aanpak doet zich gelden in situaties waarbij de rechtspersoon niet, of slechts met moeite, de kosten van het onderzoek kan opbrengen. Dit kan leiden tot problemen bij de zekerheidstelling voor de onderzoekskosten. Mocht het in eerste instantie nog wel lukken om de onderzoekskosten op te brengen, dan bestaat de kans dat dit bij een verhoging van het onderzoeksbudget niet meer mogelijk is. Het is zinvol als de raadsheer-commissaris, of eventueel de Ondernemingskamer zelf, met de onderzoekers en partijen bespreekt hoe hiermee om te gaan.5
Ik heb mij afgevraagd of er ook nadelen zijn verbonden aan de door mij voorgestelde werkwijze. Een mogelijk bezwaar zou kunnen zijn dat deze de Ondernemingskamer of de raadsheer-commissaris meer tijd kost. Ik vind dat geen doorslaggevend argument. De Ondernemingskamer heeft als taak erop toe te zien dat de kosten van het onderzoek binnen redelijke grenzen blijven.6 Die taak moet de Ondernemingskamer serieus nemen. De tijdsinvestering kan relatief beperkt zijn, zeker als de Ondernemingskamer deze taak overlaat aan de raadsheer-commissaris. Indien partijen bezwaar maken tegen het door de onderzoekers voorgestelde onderzoeksbudget, is de Ondernemingskamer niet gehouden die bezwaren uitvoerig te weerleggen. Een summiere motivering volstaat, als maar inzichtelijk wordt waarom de Ondernemingskamer de bezwaren niet honoreert. Bovendien zal het plegen van overleg met de onderzoekers en partijen de Ondernemingskamer ook tijd besparen, omdat er minder verzoeken om verhoging van het onderzoeksbudget zullen worden gedaan.
Een tweede tegenargument zou kunnen zijn dat het voeren van overleg over de onderzoekskosten het onderzoek kan vertragen. Ook dat argument acht ik niet overtuigend. In een klein onderzoek moeten de onderzoekers in staat zijn in een week of twee een begroting te maken en aan partijen voor te leggen. In een groter onderzoek maakt de begroting deel uit van het plan van aanpak, dat sowieso moet worden opgesteld.
Een meer principieel bezwaar van de Ondernemingskamer zou kunnen zijn dat zij niet wil treden in de onderzoeksvrijheid.7 Dat is evenwel in strijd met de bedoeling van de wetgever en de VHS-beschikking van de Hoge Raad, waarin besloten ligt dat de Ondernemingskamer de taak heeft om erop toe te zien dat de kosten van het onderzoek binnen de perken blijven.8
Een laatste tegenargument zou kunnen zijn dat uit het feit dat partijen slechts sporadisch bezwaar maken tegen verhoging van het onderzoeksbudget blijkt dat zij de kosten van het onderzoek niet heel erg belangrijk vinden. In mijn ervaring is dit echter niet het geval. Veel partijen hebben wel degelijk moeite met de hoogte van het onderzoeksbudget, maar voeren geen verweer omdat zij daar weinig heil van verwachten of zij bang zijn dat het maken van bezwaar tegen de omvang van het onderzoeksbudget in de publiciteit of door de onderzoekers negatief zal worden uitgelegd.9
Alles afwegende, vind ik de argumenten die tegen de door mij voorgestelde werkwijze zouden kunnen worden aangevoerd niet voldoende overtuigend en in ieder geval niet opwegen tegen de voordelen. Bovendien blijkt uit de ervaringen bij het vaststellen van de hoogte van het voorschot bij het deskundigenbericht niet dat het door de deskundigen laten begroten van de kosten en het horen van partijen daarover problemen oplevert.