Het onderzoek in de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/4.3.1:4.3.1 Inleiding
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/4.3.1
4.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS453061:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. ook OK 9 augustus 2006, ARO 2006/156 (Euroyal Properties c.s.), r.o. 2.4, waarin de Ondernemingskamer dit met zoveel woorden heeft overwogen.
OK 21 juni 2007, ARO 2007/101 (Hadenta); OK 24 november 2008, JOR 2009/9, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Fortis).
Zie § 4.1.4.
Zie voor een beschikking waarin de Ondernemingskamer dat ruiterlijk toegeeft OK 30 juni 1994, NJ 1995/309 (VHS), r.o. 2.5.
Böcker e.a. 2010, p. 166 en 189; Klaassen 2010b, p. 134 en 157.
Zie § 5.4.6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals reeds vermeld, stelt de Ondernemingskamer het bedrag vast dat het onderzoek ten hoogste mag kosten. Zij pleegt dit direct te doen in de beschikking waarbij het onderzoek wordt gelast. In veel gevallen is op dat moment nog niet bekend wie de onderzoekers zullen zijn, omdat deze eerst later worden benoemd. Hieruit kan worden afgeleid dat de Ondernemingskamer geen overleg pleegt met de onderzoekers over de hoogte van het onderzoeksbudget.1 De Ondernemingskamer motiveert niet waarom zij het onderzoeksbudget op een bepaald bedrag vaststelt. Het laagste onderzoeksbudget dat de Ondernemingskamer sinds 2001 in eerste instantie, vóór verhoging, heeft vastgesteld bedroeg € 4.000 en het hoogste € 600.000, de verschuldigde omzetbelasting daaronder niet begrepen.2 Aannemelijk is dat de hoogte van het onderzoeksbudget onder meer afhangt van het type enquête, de grootte en de draagkracht van de onderneming, het al dan niet beursgenoteerd zijn van de onderneming en het aantal onderzoekers. Voor partijen is de wijze waarop de Ondernemingskamer het onderzoeksbudget vaststelt ondoorzichtig. Uit de in § 4.1.5 vermelde gegevens blijkt dat de Ondernemingskamer het onderzoeksbudget bovendien vaak verhoogt, niet zelden tot een veelvoud van het oorspronkelijk vastgestelde onderzoeksbudget. De Ondernemingskamer dient erop toe te zien dat de kosten van het onderzoek binnen redelijke grenzen blijven.3 Daarvoor is inzicht nodig in de vermoedelijk door de onderzoekers aan het onderzoek te besteden tijd, hun uurtarief, de kosten van eventueel door de onderzoekers in te schakelen hulppersonen en de overige te maken kosten. Dat inzicht hebben bij het vaststellen van het onderzoeksbudget noch partijen, noch de Ondernemingskamer. Door zonder enig overleg met de (vaak nog te benoemen) onderzoekers en partijen een onderzoeksbudget vast te stellen dat in de praktijk een slag in de lucht is,4 geeft de Ondernemingskamer geen invulling aan haar door de wetgever opgedragen taak erop toe te zien dat de kosten van het onderzoek beheersbaar blijven. Voor de partijen bij de enquêteprocedure, meer in het bijzonder de rechtspersoon die de kosten moet betalen, is deze situatie onbevredigend. Het ongenoegen bij partijen over de kosten van het onderzoek blijkt ook uit empirisch onderzoek.5
Tot de onderzoekskosten behoren niet de kosten die de onderzoekers maken als zij bemiddelen zonder dat zij daartoe van de Ondernemingskamer opdracht hebben gekregen.6 Als de onderzoekers deze taak gaan uitvoeren, moeten zij afzonderlijk een afspraak over hun vergoeding maken, omdat deze kosten dus niet ten laste van het onderzoeksbudget kunnen worden gebracht.