Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/5.5.3
5.5.3 Beperkt het beslag de bevoegdheid van de beslagene om een overeenkomst aan te gaan in de zin van art. 3:291 lid 2 BW?
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS591094:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 3, p. 885.
Vgl. De Greve 2009, p. 44.
HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9351, NJ 2009/154, m.nt. A.I.M. van Mierlo (Forward/Huber), HR 20 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7729,NJ 2009/376, m.nt. A.I.M. van Mierlo (Ontvanger/De Jong). Klaassen, Meijer & Snijders 2017/408 met literatuurverwijzingen. Over deze kwestie is uitvoerig gedebatteerd in de literatuur op basis van de wetsgeschiedenis en onder meer deze jurisprudentie van de Hoge Raad, zie hierover o.m. Damsteegt- Molier 2009, par. 4.3.
Van Mierlo, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 453a Rv, aant. 2 (online, bijgewerkt t/m 1 maart 2000), Jongbloed & Van den Heuvel, T&C Burgerlijke rechtsvordering, art. 505 Rv (online, bijgewerkt t/m 1 januari 2018).
Zie par. 4.3.3.1.
229. Het eerste criterium om te toetsen of het retentierecht kan worden ingeroepen jegens de anterieure beslaglegger, is of de beslagene jegens de beslaglegger bevoegd was om de overeenkomst met de retentor aan te gaan. De parlementaire geschiedenis gaat ervan uit, dat dit criterium niet is vervuld; de beslagene is niet bevoegd en de derdenwerking van het retentierecht hangt er doorgaans van af of de retentor te goeder trouw was:
“Ook als de derde een beslaglegger is, zal de bepaling tot toepassing kunnen komen. De schuldenaar zal in het algemeen niet bevoegd zijn om de zaak zonder diens toestemming met het oog op daaraan te verrichten werkzaamheden in de macht van een ander te brengen. Denkbaar is echter dat deze ander hetzij noch wist noch behoefde te veronderstellen dat er beslag op de zaak was gelegd, hetzij in de gegeven omstandigheden mocht aannemen dat de beslaglegger met de afgifte en het verrichten van de betreffende werkzaamheden had ingestemd.”1
De opvatting die in de parlementaire geschiedenis wordt verkondigd is onhoudbaar. Anders dan in dit citaat staat, brengt beslag op de zaak geen onbevoegdheid van de beslagene om overeenkomsten aan te gaan mee. Dat heeft in de eerste plaats te maken met de aard van beslag. Beslag is een wettelijke bevoegdheid uit het Wetboek van Rechtsvordering, die niets zegt over de onderlinge materieelrechtelijke verhouding tussen de beslaglegger en de beslagene.2 Beslag heeft geen invloed op de (materieelrechtelijke) vraag, of de beslagene jegens de beslaglegger bevoegd was om overeenkomsten te sluiten. Bovendien kan de beslagene niet alleen verkopen, maar zelfs leveren in weerwil van het beslag. Door de overdracht wordt de verkrijger volledig eigenaar, ten opzichte van iedereen. Het beslag heeft immers ‘zaaksgevolg’.3 Alleen kan die overdracht niet worden ingeroepen tegen de beslaglegger, hetgeen in geval van vervreemding in weerwil van het beslag inhoudt dat de beslaglegger zich nog steeds op het beslagobject kan verhalen. Nu de beslagene het meerdere mag (overdragen) moet worden aangenomen dat hij ook het mindere mag (overeenkomsten aangaan). Ten slotte wordt in de rechtsleer aangenomen dat de blokkerende werking van het beslag niet in de weg staat aan geldig kunnen sluiten van overeenkomsten door de beslagene.4 Beslag strekt ertoe om de zaak veilig te stellen, zodat de beslaglegger zich erop kan verhalen. Het enkele sluiten van een overeenkomst met betrekking tot de beslagen zaak, frustreert het recht van de beslaglegger niet, omdat de beslaglegger geen partij is bij de overeenkomst. De mogelijkheid dat op een later moment een retentierecht uit de overeenkomst zou kunnen voortvloeien, maakt niet dat de beslagene alleen uit hoofde van het beslag geen overeenkomsten meer mag aangaan met betrekking tot de zaak.
Nu de beslagene nog steeds bevoegd is om overeenkomsten aan te gaan met betrekking tot de zaak, doet de eventuele kennis van de retentor over het beslag niet ter zake. De bevoegdheid van de schuldenaar is iets dat alleen speelt tussen de anterieure derde en de schuldenaar.5
Wat wél kan, is dat uit de materieelrechtelijke verhouding tussen de beslaglegger en beslagene een beperking om overeenkomsten met betrekking tot de zaak aan te gaan voortvloeit. Als de beslaglegger bijvoorbeeld een verkoper met een eigendomsvoorbehoud is die beslag heeft gelegd tot afgifte, moet ook de rechtsverhouding tussen hem en de koper/schuldenaar worden meegenomen om te bepalen of het retentierecht tegen de verkoper kan worden ingeroepen. Als de beslaglegger echter een ‘gewone’ schuldeiser is, zonder bijzondere rechten op goederen van de schuldenaar, ligt het niet voor de hand dat uit hun rechtsverhouding een beperking van de bevoegdheid om overeenkomsten aan te gaan, voortvloeit. Dat zou betekenen dat een andere schuldeiser dan de retentor een belang heeft om mogelijke overeenkomsten met betrekking tot de zaak te beletten, zonder dat hij dat belang zeker heeft gesteld door middel van vestiging van een zekerheidsrecht.
Concluderend: alléén beslag maakt de beslagene niet onbevoegd om overeenkomsten aan te gaan met betrekking tot de zaak. Onbevoegdheid kan wel voortvloeien uit de materiële rechtsverhouding tussen de beslaglegger en de beslagene. De (on)bevoegdheid is een kwestie is die alleen speelt tussen de anterieure derde en de schuldenaar, zodat eventuele kennis van de retentor over het beslag irrelevant is. Nu het retentierecht doorgaans zal kunnen worden ingeroepen tegen de beslaglegger, moet worden vastgesteld wiens recht prevaleert: dat van de anterieure beslaglegger, of van de posterieure retentor? Zie daarvoor paragraaf 5.5.5. In paragraaf 5.5.4 komt eerst nog aan bod of het beslag de beslagene beperkt om de zaak in de macht van een derde te brengen. Die vraag is van belang omdat het retentierecht machtsuitoefening veronderstelt.