Retentierecht en uitwinning
Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/5.5.5:5.5.5 Kan de blokkerende werking van het beslag de derdenwerking van het retentierecht tegenhouden?
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/5.5.5
5.5.5 Kan de blokkerende werking van het beslag de derdenwerking van het retentierecht tegenhouden?
Documentgegevens:
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS586364:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
233. De blokkerende werking dient er als gezegd toe, om het verhaalsrecht van de beslaglegger veilig te stellen in de periode tussen de beslaglegging en de executie. In art. 453a, art. 505 lid 2 Rv en de andere vergelijkbare bepalingen worden een aantal goederenrechtelijke handelingen en verbintenisrechtelijke handelingen met derdenwerking onschadelijk gemaakt. Het retentierecht vloeit (meestal) voort uit een verbintenisrechtelijke handeling die op zichzelf geen derdenwerking heeft, maar dat door het retentierecht wel verkrijgt. Het retentierecht is niet opgenomen in art. 453a Rv en consorten.
Een retentierecht kan echter net zo goed als bijvoorbeeld een overdracht, of huur in weerwil van het beslag, de executie (ernstig) compliceren. De feitelijke machtsuitoefening van de retentor maakt de executie praktisch moeilijk uitvoerbaar en de vordering van de retentor zou ingevolge art. 3:292 BW voorrang hebben boven die van de beslaglegger. Een retentierecht kan voortvloeien uit allerlei soorten (rechts)handelingen. De retentor kan bijvoorbeeld een bruiklener, bewaarnemer, huurder, pachter, aannemer of verkrijger zijn (na vernietiging of ontbinding van de koopovereenkomst). Voor sommige van deze figuren is bepaald dat ze niet kunnen worden ‘ingeroepen’ tegen de beslaglegger. Als vervolgens een retentierecht er wél voor zou zorgen dat het recht van de beslaglegger praktisch illusoir zou worden, zou dit de blokkerende werking van het beslag ondergraven. Ik ben van mening dat het retentierecht deze ondergravende werking niet heeft, wanneer de blokkerende werking – dus los van het retentierecht – bescherming zou bieden aan de beslaglegger. Een posterieur retentierecht kan niet afdoen aan de blokkerende werking. Bij de totstandkoming van de blokkeringsbepalingen lijkt niet te zijn stilgestaan bij de mogelijkheid van een retentierecht dat ontstaat na het beslag, terwijl bedoeld is paal en perk te stellen aan zowel verbintenisrechtelijke figuren met goederenrechtelijke werking als goederenrechtelijke figuren die de executie kunnen belemmeren. Ook het retentierecht is een verbintenisrechtelijke figuur met goederenrechtelijke werking. Om discussie hierover weg te nemen, zou het goed zijn om het retentierecht uitdrukkelijk op te nemen in art. 453a Rv voor roerende zaken, resp. 505 lid 2 Rv voor onroerende zaken.
Een andere hybride figuur die ook derdenwerking heeft, maar niet genoemd is in de blokkeringsbepalingen in Rv zelf, is de kwalitatieve verplichting. In art. 6:252 lid 3 sub b BW is evenwel bepaald dat zij ook na inschrijving in de openbare registers geen werking heeft tegen een eerdere beslaglegger. Uit systematisch oogpunt is niet in te zien waarom een andere hybride figuur als de kwalitatieve verplichting niet kan worden ingeroepen tegen een anterieure beslaglegger, maar een retentierecht wel. Uit de wetssystematiek volgt dat het retentierecht geen afbreuk kan doen aan de blokkerende werking van het beslag.
Een voorbeeld. Indien de beslagene een onroerende zaak verhuurt in weerwil van het beslag,1 kan de huur niet worden ingeroepen tegen de beslagene. De beslagene kan de zaak executeren in onverhuurde toestand. Mocht de huurder een retentierecht hebben verkregen, bijvoorbeeld omdat hij een reparatie heeft gedaan en uit hoofde daarvan een vordering heeft verkregen op de verhuurder/beslagene, dan kan dat retentierecht naar mijn mening niet meebrengen dat de zaak tóch in verhuurde toestand moet worden geëxecuteerd. Het retentierecht dat voortvloeit uit een handeling die vanwege de blokkerende werking van het beslag niet kan worden ingeroepen tegen de beslaglegger, kan eveneens niet worden ingeroepen tegen deze beslaglegger. Het bestaat alleen als persoonlijk opschortingsrecht jegens de schuldenaar.
Vervolgens speelt nog de vraag of het retentierecht wél mee kan brengen dat figuren, waar de beslaglegger normaal gesproken géén last van heeft omdat hij er vanwege hun persoonlijke aard niet aan gebonden zou zijn bij de executie, ineens wel dwars kunnen liggen doordat zij transformeren in een retentierecht. Wanneer de beslagene de zaak bijvoorbeeld in bruikleen geeft, zou de beslaglegger daaraan bij executie niet gebonden zijn, omdat het een persoonlijk recht is. Zou de bruiklener inmiddels retentor geworden zijn, omdat hij een vordering op de beslagene/bruikleengever heeft verkregen, dan is dat in principe in te roepen tegen de beslaglegger op grond van art. 3:291 lid 2 BW. Brengt dit nu mee dat de beslaglegger toch via het retentierecht de bruikleen moet respecteren? Naar mijn mening is in dit geval het retentierecht wél in te roepen tegen de beslaglegger. De beslaglegger heeft in dit geval geen recht op méér bescherming tegen het retentierecht dan een andere anterieur gerechtigde zou hebben. Consequentie van derdenwerking van het retentierecht is nu eenmaal dat het de schuldeiser bevoegdheden geeft met een goederenrechtelijk karakter.