Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/5.5.1
5.5.1 Blokkerende werking van het beslag
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS588742:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
De Greve 2009, p. 42.
Voor huur van woonruimte maakt art. 505 lid 2 Rv onder voorwaarden een uitzondering op de blokkerende werking van het beslag. Bij huur en pacht is niet het tijdstip van het aangaan van de huurovereenkomst beslissend, maar het ter beschikking stellen van het gehuurde ingevolge art. 7:203 of art. 7:336 BW, aldus Jongbloed & Van den Heuvel, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 505 Rv (online, bijgewerkt t/m 1 januari 2018).
Met betrekking tot een bezwaring met een pand- of hypotheekrecht in weerwil van het beslag, geldt op grond van de jurisprudentie dat de blokkerende werking van het beslag meebrengt dat de beslaglegger met voorrang boven de posterieure zekerheidsgerechtigde uit de executieopbrengst wordt voldaan: HR 13 mei 1988, NJ 1988/748 m.nt. W.C.L. van der Grinten (Banque de Suez/Bijkerk q.q.), HR 25 oktober 1985, NJ 1987/18 m.nt. W.H. Heemskerk (Ontvangers/Amro).
227. Een beslag heeft blokkerende werking. Door het leggen van beslag verkrijgt een schuldeiser een gewaarborgde positie om zich op het beslagen goed te kunnen verhalen. Tussen het leggen van het (conservatoire, dan wel executoriale) beslag en de daadwerkelijke executie verstrijkt in alle gevallen enige tijd.1 De blokkerende werking dient ertoe deze positie te kunnen handhaven tussen de beslaglegging en de executie. Blokkerende werking beoogt te voorkomen dat het beslag door tussentijdse handelingen van de beslagene illusoir wordt. De rechten die derden door dergelijke (rechts)handelingen van de beslagene hebben verkregen, kunnen volgens de verschillende bepalingen in Rv waarin de blokkerende werking is neergelegd ‘niet worden ingeroepen’ tegen de beslaglegger. Voor roerende zaken is in art. 453a Rv bepaald dat een vervreemding, bezwaring, onderbewindstelling, of verhuring2 die tot stand is gekomen nadat de zaak in beslag is genomen, niet tegen de beslaglegger kan worden ingeroepen. Voor onroerende zaken moet op grond van art. 505 lid 2 Rv aan dit rijtje nog verpachting worden toegevoegd. Een retentierecht dat ontstaat nadat beslag is gelegd op de zaak, is ook in staat om de vervolging van het beslag aanzienlijk te compliceren. Bovendien betekent de mogelijkheid tot inroepen van het retentierecht tegen de beslaglegger, ingevolge art. 3:292 BW dat de (posterieure) retentor voorrang heeft bij verdeling van de executieopbrengst.3 In deze paragraaf ga ik na in hoeverre de blokkerende werking van het beslag de beslaglegger beschermt tegen een posterieur retentierecht.